Als je hard genoeg werkt, kom je er wel. Toch?

Hoe kun je nog volhouden dat iedereen gelijk aan de start komt en gewoon maar zijn best moet doen om niet in de armoede te vervallen, als je ziet hoe groot de vermogenskloof in ons land is, vraagt Matthias Somers.

[Deze bijdrage verscheen eerder als opiniestuk in De Standaard.]

‘Vermogenskloof 45 keer groter dan inkomenskloof’, zo stond het boven aan een artikel in De Standaard: wie in een arm gezin geboren wordt, groeit op in een gezin dat bijna honderd keer armer is dan een doorsneegezin, en dat zelfs meer dan 250 keer armer is dan een rijk gezin. Een huis bezitten ze meestal niet, en het spaargeld is amper goed om ongeveer een maand van te overleven. Het is dan ook niet verrassend dat de sociale mobiliteit hier zo laag is: wie in armoede geboren wordt, zal niet in rijkdom leven.

Want hoe kunnen we onszelf wijsmaken dat iedereen in België aan het begin van het leven dezelfde kansen krijgt, hoe kunnen we onszelf wijsmaken dat wie in rijkdom leeft dat louter te danken heeft aan hard werken en een flinke dosis lef en dat die verschillen in rijkdom dus rechtvaardig zijn, als de startposities zo verschillen? In 2010 bedroeg het nettovermogen van een arm gezin minder dan 2.700 euro, dat van een rijk gezin meer dan 687.000 euro: gaan we dan echt beweren dat een kind uit het ene gezin hetzelfde duwtje in de rug krijgt wanneer hij aan zijn leven begint als een kind uit het andere gezin?

Het lijkt erop, als je de reacties hoort wanneer je je vragen stelt bij die gigantische ongelijkheid. Het is afgunst, klinkt het. Elke cent extra op de spaarrekening is het gevolg van hard werken – en elke cent minder op de spaarrekening is dus het gevolg van niet hard genoeg werken. Doe wat beter je best, en ook jij had je villa in het Lubbeek van Theo Francken gehad, waar het blijkt te bulken van de miljonairs, als we hem mogen geloven.

Pech (voor even toch)

Zolang iemand nog een kind is, zijn we best bereid te spreken van ongeluk en brute pech: je kiest niet wie je ouders zijn, het kan jou moeilijk ten kwade worden geduid dat je ouders nooit genoeg verdiend hebben om een potje opzij te kunnen zetten.

Maar zodra dat kind ouder wordt en op eigen benen staat, is dat verhaal van pech in het leven plots van geen tel meer. Dan is zijn spaarrekening met amper een cent op plots een teken geworden van zijn gebrek aan werklust en inzet. Dat zijn buur die opgroeide in een rijk gezin een flinke zakcent meekreeg om zijn leven te beginnen, we vergeten het gauw. Dat zijn rijke buur daarmee een goedkope lening kan afsluiten voor die eerste woning, terwijl de ander van huurappartement naar huurappartement zwerft – kom.

De studie van Kuypers en Marx waaruit De Standaard citeert, laat zien hoe in gezinnen waar het gezinshoofd jonger is dan 32 jaar, het nettovermogen van een rijk gezin al 253.300 euro bedraagt. Wat al een kwart meer is dan het nettovermogen van een gewoon doorsneegezin, bijna negen keer zoveel als het nettovermogen van een doorsneegezin in hun leeftijdscategorie, en maar liefst 850 keer zoveel als een arm gezin in hun leeftijdscategorie. Zullen we beweren dat die rijkste tien procent jongelingen écht al zoveel harder heeft gewerkt dan al die anderen?

Domme wieg

Misschien klopt het, misschien moeten we de conclusie trekken dat net de kinderen van de rijkste inwoners van België zóveel meer talent en wilskracht hebben dat zij al op erg jonge leeftijd, louter door hard te werken, meer rijkdom kunnen vergaren dan de meeste mensen in hun hele leven.

Maar is het niet waarschijnlijker dat in ons land, ook in ons land, het niet louter verdienste is die bepaalt hoeveel je fortuin bedraagt, maar dat fortuin – geluk – een wel erg grote rol speelt in hoe jouw toekomst eruitziet?

Of gaan we echt vertellen tegen iemand die in een arm gezin geboren wordt, sorry jongen, we weten dat de kans erg groot is dat je altijd in armoede zult leven, maar je had maar zo slim moeten zijn als je buur: die is zo verstandig geweest in een rijk gezin geboren te worden?

Verdienste

Het is een uitspraak die je in één of andere vorm wel elke dag kunt horen. Deze keer was het Michèle Sioen, kersvers voorzitter van het Verbond van Belgische Ondernemingen, in De Tijd. Ze is tegen quota, zegt ze, want:

Wie het écht wil en competent is, geraakt er.

…waarvan de logische consequentie natuurlijk ook is dat wie er niet geraakt, ofwel het niet echt wil, ofwel niet competent is.

België is dan ook een meritocratie, zo wordt ons voortdurend ingelepeld. Je positie in de samenleving is een afspiegeling van je verdienste. Sta je hoger op de ladder? Dat betekent dat je veel verdienste hebt. Sta je onderaan de ladder? Dan stelt de ijzeren logica van onze meritocratie waar Sioen zo in lijkt te geloven dat je ook dat louter aan jezelf te danken hebt. (Verdienste voor wie? Verdienste voor wat? Sommige vragen stel je beter niet.)

Het is natuurlijk een goed verhaal. Wie “er geraakt”, kan zichzelf voorhouden dat hij dat te danken heeft aan zijn talent en aan zijn inzet, dat het volledig z’n eigen verdienste is en hij het dus ook verdient om goed te verdienen. Wie er daarentegen nog niet geraakt is, wordt voorgehouden dat hij maar een tandje bij moet steken, en wanneer hij het eindelijk echt verdient, zal ook hij goed verdienen. Werk hard, en ook jij zult opklimmen. (Wie komt al dat harde werken in de eerste plaats ten goede? Sommige vragen stel je beter niet.)

Ik geloof graag dat Michèle Sioen er geraakt is omdat ze de juiste kwaliteiten heeft: tenslotte slaagt niet iedereen erin om met evenveel succes de teugels van het familiebedrijf over te nemen van vader. Dat niet iedereen een familiebedrijf heeft om over te nemen in de eerste plaats, och kom, dat kan je haar moeilijk verwijten. Maar dat ze zo toondoof is dat ze niet hoort hoe hol haar eigen woorden klinken, hoe ongeloofwaardig haar adagium dat succes louter een kwestie is van inzet en talent, dat is op z’n zachts gezegd toch wel opvallend.

Of heeft zij dan nog nooit gemerkt dat vrouwen haast ontbreken in de machtscentra van het bedrijfsleven en het academische wereldje? Is zij dan zo kleurenblind dat ze zich nooit afvraagt waar al die mannen en vrouwen met een migratie-achtergrond gebleven zijn eens je opklimt tot haar verheven hoogtes? Is het dan nieuw voor haar dat zo weinig mensen opgegroeid in gezinnen minder fortuinlijk dan de hare het tot de top schoppen? Of –dat kan natuurlijk ook– de voorzitter van het VBO is er echt van overtuigd dat het vrouwen, mensen met een migratie-achtergrond, en alle anderen die geboren werden in lagere socio-economische klasses simpelweg ontbreekt aan ambitie en competentie.

Mij lijkt het vermoeden dat grote groepen mensen niet evenveel kansen krijgen als zij aannemelijker dan dat ze collectief gekenmerkt worden door een gebrek aan wilskracht en intelligentie. Nochtans, nochtans. Er zijn er immers ook die bij hoog en bij laag bezweren, studies in de hand, dat leerlingen uit achtergestelde milieus niet slechter scoren omdat ons onderwijs te weinig rekening houdt met hun situatie, maar wel omdat zij nu eenmaal een lager IQ hebben. Het is biologie, meneer, mevrouw. Dus waarom zou het ook geen kwestie van biologie zijn dat toevallig Michèle Sioen wel, en zovelen anderen niet, wilskracht en intelligentie genoeg hebben om een familiebedrijf als het hare te leiden? Het ligt in de natuur der dingen dat de kinderen van de elite ambitieuzer en competenter zijn, meneer, mevrouw. Daar helpt geen lievemoederen aan.

Of, dat kan natuurlijk ook, eigenlijk weet Sioen best dat die hele meritocratie maar een fabeltje is om ons te sussen, dat het hele verhaaltje dat iedereen met gelijke kansen aan de meet start maar om te lachen is. Maar waarom zou ze onze mooie wereld onttoveren? Daar wint niemand iets mee. Neen, het is zoals ze zegt. Wie het écht wil en competent is, geraakt er.

[Deze blogpost verscheen eerder ook op Apache.be.]

Armoede. Vertel maar een ander verhaal

Vertel over ongelijkheid in België. Vertel hen dat wie opgroeit in een arm gezin opgroeit in een gezin dat 75 keer minder rijk is dan het mediaangezin, en meer dan 250 keer minder rijk is dan een rijk gezin. Vertel dat het dus ook niet zo verrassend is dat de sociale mobiliteit hier zo laag is: wie in armoede geboren wordt, zal niet in rijkdom leven. Want hoe kunnen we onszelf wijs maken dat iedereen in België aan het begin van het leven dezelfde kansen krijgt, hoe kunnen we onszelf wijsmaken dat wie in rijkdom leeft dat louter te danken heeft aan hard werken en een flinke dosis lef en dat die verschillen in rijkdom dus te rechtvaardigen zijn, wanneer de startposities zo verschillen? In 2010 bedroeg het nettovermogen van een arm gezin 2.800 euro, dat van een rijk gezin meer dan 705.000 euro: gaan we echt beweren dat een kind uit het ene gezin hetzelfde duwtje in de rug krijgt wanneer hij aan zijn leven begint als een kind uit het andere gezin? Geloven we echt dat het fortuin van de ene niets te maken heeft met het gebrek aan fortuin van de ander?

Maar spreken over ongelijkheid is niet verstandig. Vertellen dat de veel grotere kansen van de ene de weinige kansen van de ander hypothekeren, zou te veel mensen tegen de haren strijken. Want wat wij hebben, dat hebben we te danken aan onze eigen kunde, aan ons eigen talent, aan onze ambitie en onze werkethiek, en is voor iedereen die maar een beetje z’n best doet net zo bereikbaar. Bezit ik als dertigjarige honderd keer meer dan mijn buurman die even oud is? Dan betekent dat dat ik honderd keer harder heb gewerkt. Toch? – Spreek er niet over. Vertel liever over armoede, da’s veel makkelijker. Iedereen is immers tegen armoede, iedereen kan zeggen dat het toch een schande is, iedereen wil wel eens een centje geven aan een steunactietje hier en een projectje daar. Spreek dus niet over ongelijkheid. Spreek over armoede.

Spreek uw verontwaardiging uit over hoeveel kinderen in armoede moeten opgroeien – maar vertel niet hoe hun armoede mee veroorzaakt wordt door onze eis dat de carrousel waarop we rondjes draaien steeds sneller, steeds harder moet gaan. Vertel niet dat er dan onvermijdelijk mensen zullen afvliegen, en dat we hen er niet terug op laten klauteren. Vertel niet dat wij onze maatschappij zo georganiseerd hebben dat mensen worden afgerekend op de vraag hoe productief ze zijn, hoeveel toegevoegde waarde ze leveren, welk bedrijf hen op welke manier kan inzetten om er zoveel mogelijk profijt uit te halen. Vertel er niet bij dat wanneer iemand door geen enkele onderneming gewenst is, wanneer zij blijkbaar meer kosten dan opbrengen, wanneer zij dus blijkbaar van geen nut blijken te zijn, vertel niet dat we hen dan met de nek zullen aankijken. Vertel niet dat we hen zullen zien als een last die te zwaar is om dragen. Vertel niet dat er voor hen eigenlijk geen plaats meer is in onze maatschappij. En vervolgens pinnen we een papier op hun rug, en op dat papier staat in grote letters hun misdaad beschreven: Gij zijt niet productief genoeg, gij brengt niets op, gij zijt een kost die weegt op onze bottom line.

Armoede. Vertel toch maar liever een ander verhaal.

[Deze blogpost verscheen eerder ook op Apache.be.]

Slogans ontrafeld: “Het Belgische armoedebeleid is duur en inefficiënt”

Wanneer besparingsprofeten in tijden van crisis de omvang van de overheid in het vizier krijgen, gaan steeds meer stemmen op die de kostprijs van het Belgische sociale beschermingssysteem in vraag stellen: krijgen wij wel waar voor ons geld? In deze bijdrage bekijken we of het Belgische stelsel, waarin een grote rol is weggelegd voor de overheid, wel doeltreffend is in de strijd tegen armoede. Is ons systeem efficiënt? Of slagen andere landen erin om met minder middelen betere resultaten neer te zetten?

[Deze bijdrage verscheen ook in Samenleving en Politiek, februari 2014.]

Dit jaar een halve eeuw geleden verklaarde Amerikaans president Lyndon B. Johnson de oorlog aan armoede: ‘De rijkste natie op aarde kan het zich veroorloven om die strijd te winnen,’ vermaande hij zijn toehoorders, ‘maar we kunnen het ons niet veroorloven hem te verliezen.’ Met die woorden gaf Johnson het startsein voor het ontwikkelen van programma’s als Medicaid en Medicare, die gezondheidszorg toegankelijk moesten maken voor gezinnen met lage inkomens en ouderen, en het uitrollen van de Food Stamp Act, waarbij voedselbonnen het inkomen aanvullen van wie onder de armoedegrens leeft. Vijftig jaar later is de strijd in de Verenigde Staten verre van gestreden: volgens officiële cijfers zouden nog steeds bijna vijftig miljoen mensen in armoede leven. Het hoeft dan ook geen verwondering te wekken dat zowel ter linker- als ter rechterzijde grote vraagtekens worden geplaatst bij het gevoerde armoedebeleid.

Ook in eigen land is niet alles rozengeur en maneschijn. Al is geen enkel regeerakkoord volledig zonder de trotse verklaring dat de strijd tegen armoede een absolute prioriteit is, en al kunnen we moeilijk ontkennen dat België de grote middelen inzet in het kader van sociale bescherming – dankzij een uitgebreid arsenaal aan maatregelen hoeven werkloosheid, ziekte of ouderdom niet te betekenen dat je niet langer de eindjes aan elkaar kunt knopen –, toch lijken we er maar niet in te slagen het armoedecijfer terug te dringen. Maar wat wordt precies onder armoede verstaan in België en de Verenigde Staten? Verschillende landen gebruiken immers verschillende manieren om armoede te meten, wat vergelijkingen behoorlijk kan compliceren.

Over absolute en relatieve armoedegrenzen

Mollie Olshansky ontwikkelde in het kader van Johnsons War on Poverty een eerste manier om armoede te meten. Ze zocht uit hoeveel het kost om iemand een jaar lang voldoende te laten eten en, omdat een mens tenslotte ook ergens moet wonen en zich moet kleden, vermenigvuldigde ze vervolgens die som om ook die kosten mee in rekening te brengen. Wie een inkomen heeft dat lager ligt dan dat bedrag – een bedrag dat sindsdien wel werd gecorrigeerd voor inflatie, maar niet fundamenteel werd herzien –, leeft officieel onder de armoedegrens; momenteel is dat voor bijna één op zeven Amerikanen het geval. Deze armoededefinitie houdt echter geen rekening met een veranderende levensstandaard: ze houdt geen rekening met de economische groei van de Verenigde Staten en de daarmee gepaard gaande consumptie-explosie, en dus ook niet met het feit dat de levensstijl van de gemiddelde Amerikaan de afgelopen halve eeuw grondig gewijzigd is. Met de jaren is een inkomen op de armoedegrens steeds verder achter geraakt op het mediaaninkomen, en is de kloof tussen wie in armoede leeft en wie het consumptiepatroon van Average Joe kan aanhouden alleen maar breder en dieper geworden.

Precies om met die veranderende levensstandaard rekening te kunnen houden, verkoos de Europese Unie voor haar armoededefinitie een zogenaamde relatieve armoedegrens boven de Amerikaanse absolute armoedegrens: door de inkomenslimiet waaronder je als arm beschouwd wordt in een land van de Unie vast te leggen op 60% van het mediaaninkomen van dat land, houdt ze rekening met de evolutie van de levensstandaard in dat land. Het antwoord op de vraag of je in armoede leeft, zo luidt de redenering, wordt immers niet louter bepaald door het antwoord op de vraag of je je elke avond een maaltijd kunt veroorloven. De relevante vraag is of je genoeg middelen hebt om aansluiting te vinden bij de ‘minimaal acceptabele levensstijl van de lidstaat’ waarin je woont. Het is immers je omgeving die bepaalt wanneer je arm bent: met een stijgende algemene levensstandaard van een land, stijgt ook de prijs van een ‘minimaal acceptabele levensstijl’. Wanneer we in de krant kunnen lezen dat 14,8% van de inwoners van België onder de armoedegrens leeft, betekent dit dus dat bijna één op zeven inwoners van dit land een nettoinkomen heeft dat lager ligt dan 60% van het mediaaninkomen. Ter vergelijking: zouden we de Amerikaanse manier om armoede te meten toepassen in België, zou één op twintig Belgen als arm gelden.

In het vastklinken van de armoedegrens aan het mediaaninkomen schuilt de kracht, maar tegelijk ook de beperking van de Europese definitie van armoede. Het staat ons immers niet toe het verschil te vatten tussen landen als België en Slowakije, waar de relatieve armoedecijfers dan wel gelijklopend mogen zijn, maar waar het verschil in levensstandaard van wie op de armoedegrens leeft toch meer dan noemenswaardig is. Daarom ontwikkelde de Europese Unie bijkomende manieren om armoede te meten. Zo wordt aan gezinnen gevraagd in hoeverre ze zich negen zaken kunnen veroorloven die men noodzakelijk acht om fatsoenlijk te leven (gaande van een eigen wasmachine tot het verwarmen van het huis). Is het antwoord vier keer of meer negatief, dan leeft het gezin volgens de officiële classificatie in materiële deprivatie.

Dit armoedebegrip vormt een nuttige en nodige aanvulling op het alleen in termen van inkomensgrenzen denken. Toch heeft die laatste manier om armoede te meten een onmiskenbaar voordeel: ze staat ons veel beter toe een vergelijking te maken tussen het aandeel van de bevolking dat leeft onder de armoedegrens voor het aftrekken van belastingen en toekennen van sociale transfers en het aandeel van de bevolking dat onder de armoedegrens leeft na het aftrekken van belastingen en het toekennen van sociale transfers. Wanneer we in het vervolg van deze bijdrage over armoede spreken, hebben we het dus steeds over armoede gedefinieerd in termen van het mediaaninkomen van een land.

Armoedebestrijding: de resultaten

Het meest recente jaar waar we via Eurostat officiële cijfers van vinden (2012) legt de armoedegraad voor België op 14,8%. Daarmee doen we het, in vergelijking met onze buurlanden, niet bijzonder goed, en ook niet bijzonder slecht. België telt weliswaar relatief minder mensen die onder de armoedegrens leven dan Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, maar meer dan Frankrijk. Nederland staat er van dit clubje het beste voor: bij onze noorderburen moet maar één op tien zien rond te komen met een inkomen dat beneden de armoedegrens ligt.

Kijken we ook naar de rest van de Europese Unie, dan vallen vooral de erg hoge cijfers van enkele zuiderse landen en van de Balkanlanden op: in Bulgarije, Roemenië, Kroatië, Griekenland en Spanje leeft tussen de één op vijf en één op vier mensen officieel in armoede. Tsjechië is dan weer een uitschieter in goede zin: als enige land slaagt het erin (iets) betere resultaten neer te zetten dan Nederland. Daar staat dan wel weer tegenover dat het mediaaninkomen zelf – gecorrigeerd naar koopkracht – er maar net iets meer dan de helft bedraagt van het mediaaninkomen in Nederland: de koopkracht van wie op de armoedegrens leeft in Nederland is dus bijna dubbel zo groot als de koopkracht van wie op de armoedegrens leeft in Tsjechië. Een gelijkaardige opmerking geldt voor het clubje landen dat zo slecht scoort: Spanje en Roemenië mogen dan wel gelijkaardig hoge armoedecijfers hebben, dat neemt niet weg dat de inkomenslimiet die bepaalt of je in armoede leeft in Spanje meer dan drie keer zoveel bedraagt als in Roemenië.

Willen we België vergelijken met de Verenigde Staten, dan moeten we de Eurostat-cijfers even laten voor wat ze zijn en ons wenden tot de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Hun cijfers zijn weliswaar enige jaren ouder en sporen niet volledig met de Europese cijfers (en zijn ook minder volledig), maar ze kunnen ons toch een indicatie geven. En wat we dan zien is dat in de Verenigde Staten meer dan 24%, of één op vier, het moet stellen met een inkomen dat lager ligt dan 60% van het mediaaninkomen. Dit resultaat bevestigt dus wat we al eerder zagen bij het bespreken van alternatieve methodes om armoede te meten: de Verenigde Staten scoren significant minder goed dan België wanneer het erop aankomt zoveel mogelijk mensen boven de armoedegrens te tillen.

Doeltreffendheid van het sociale beschermingssysteem

Weten hoeveel mensen aan het einde van de rit, na alle sociale uitgaven, nog onder de armoedegrens leven is één zaak, een andere zaak is het te weten in welke mate die sociale uitgaven ertoe bijdragen om mensen over de armoedegrens te trekken. De vraag is dus hoe groot het aandeel is van de bevolking dat een inkomen zou hebben dat lager is dan 60% van het mediaaninkomen in afwezigheid van het sociale beschermingssysteem. Om de rol van dit stelsel in de strijd tegen armoede na te gaan, zullen we dus de inkomens van de bevolking voor en na belastingen en sociale transfers met elkaar moeten vergelijken.

Strikt genomen is dit misleidend. We maken zo immers abstractie van de mate waarin mensen hun gedrag zouden aanpassen wanneer het systeem van sociale bescherming zoals ze het kennen niet zou bestaan. Neem bijvoorbeeld een 65-jarige die net zijn laatste dag gewerkt heeft en de fabriekspoorten definitief achter zich dicht gooit. Wat we in deze bijdrage doen, is kijken naar wat zijn inkomen is zonder de pensioenuitkering waar hij nu recht op heeft, en dat vergelijken met zijn actuele inkomen waar die pensioenuitkering wel in vervat zit. We kunnen er donder op zeggen dat zijn pensioenuitkering hier het verschil zal maken tussen wel en niet in armoede leven, en dus zullen we bij hem zeggen dat het dankzij het sociale beschermingssysteem is, en meer bepaald dankzij het pensioenstelsel, dat hij niet in armoede leeft. Dat is echter niet volledig correct. De kans is immers niet onbestaande dat onze 65-jarige, moest er geen pensioenstelsel zijn geweest en dus ook geen pensioen waar hij recht op had, ook nog geen afscheid had genomen van zijn collega’s maar was blijven werken – waardoor zijn inkomen ook in afwezigheid van het sociale beschermingssysteem boven de armoedegrens zou liggen. We zien dan ook dat in de Verenigde Staten, waar het pensioenstelsel niet voor iedereen even goed is uitgebouwd, meer mensen dan in België ook na hun 65ste blijven werken. Helemaal contentieus wordt deze kwestie wanneer we zouden kijken naar de verschillende systemen van werkloosheidsverzekering: in welke mate dragen langere en hogere werkloosheidsuitkeringen bij tot het in stand houden van werkloosheid? In welke mate kunnen we dus zeggen dat het dankzij het systeem van werkloosheidsuitkeringen is dat werklozen niet in armoede hoeven te leven? Omdat het erg moeilijk is deze mogelijke gedragswijzingen te voorspellen en mee in rekening te brengen bij het nagaan van de impact van een sociale beschermingssysteem, maken we er hier verder abstractie van. We kijken dus gewoon naar het verschil in inkomen voor en na het aftrekken van belastingen en toekennen van sociale uitgaven. Opnieuw doen we hier een beroep op de cijfers van Eurostat.

In afwezigheid van sociale uitgaven zou in België 42,3% van de bevolking een inkomen hebben dat lager ligt dan de armoedegrens. Dat is één tot drie procentpunten minder dan Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Nederland duikt nog onder ons: de armoedegraad vóór sociale transfers ligt er meer dan vijf procentpunten lager dan in België, en bijna negen procentpunten lager dan in het Verenigd Koninkrijk. Kijken we naar de rest van de Europese Unie, dan vallen vooral Griekenland, Hongarije, en Roemenië op: in dat trio landen hikt de armoedegraad tegen de 50% aan. Zonder sociale transfers zou maar liefst de helft van de bevolking er dus onder de armoedegrens leven.

In het terugdringen van die torenhoge armoedecijfers spelen pensioenen, niet onverwacht, een erg grote rol. In het Verenigd Koninkrijk zijn pensioenuitkeringen goed voor een reductie van de armoedecijfers met 13,5 procentpunten, in Frankrijk loopt dat op tot 20 procentpunten, terwijl in België pensioenen erin slagen om bijna 15% van de bevolking boven de armoedegrens te tillen. In Nederland en Duitsland is dat respectievelijk 16 en 19%. Ter vergelijking: in landen als Griekenland, Hongarije, en Roemenië gaan die cijfers vlot boven de 20%. Dat pensioenen in die landen een grotere rol spelen in het terugdringen van armoede kan ermee te maken hebben dat meer gezinnen in die landen inwonende (groot)ouders hebben: het pensioen wordt daar bij het inkomen van het hele huishouden geteld, en maakt zo vaak het verschil tussen een leven met een inkomen onder de armoedegrens niet alleen voor de gepensioneerde zelf maar ook voor de andere leden van het gezin.

De rol van de overige sociale uitgaven, uitgezonderd pensioenen dus, schommelt in de ons omliggende landen tussen een magere 8 procentpunten (Duitsland) en bijna het dubbele daarvan (het Verenigd Koninkrijk). België zit daar netjes tussenin, terwijl in Frankrijk en Nederland de overige sociale uitgaven één op tien mensen boven de armoedegrens tillen. In Roemenië en Italië wordt maar 5 à 6% van de bevolking door zulke sociale uitgaven aan een inkomen dat boven de armoedegrens ligt geholpen.

Bekijken we nu het totale plaatje, dan blijkt dus dat het sociale beschermingssysteem zoals wij dit kennen het inkomen van 28,4% van de Belgische bevolking aanvult tot boven 60% van het mediaaninkomen: zonder dit systeem zou meer dan 40% in armoede leven, dankzij het systeem wordt dit teruggebracht tot minder dan 15%. In de buurlanden boeken ze gelijkaardige resultaten: iets minder in Nederland en Duitsland (26,6% resp. 27,2%), iets meer in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk (29,2% resp. 29,6%). Puur op basis van deze cijfers stellen dat Nederland dus minder mensen boven de armoedegrens weet te trekken door sociale uitgaven dan bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk gaat natuurlijk niet op. Daarvoor moeten we ze ook bekijken in het licht van de beginsituatie. We zagen immers eerder al dat in Nederland, vóór alle sociale uitgaven, bijna 9 procentpunten minder mensen in armoede kent dan het Verenigd Koninkrijk. In het licht daarvan is de Nederlandse reductie van de armoedecijfers bepaald indrukwekkend: zij slagen erin bijna driekwart van wie in armoede zou leven door sociale uitgaven boven die inkomenslimiet te trekken. In het Verenigd Koninkrijk en in België is dat bijna twee op drie, in Duitsland nog iets minder, in Frankrijk dan weer iets meer dan twee op drie. Negatieve uitschieters? Weer komen o.a. Griekenland, Italië en Roemenië in het vizier, waar sociale uitgaven minder dan 55% van wie anders in armoede zou leven een inkomen boven de armoedegrens kunnen geven.

Wat kost ons dat?

Rest nog de vraag hoeveel dit ons allemaal kost. En het antwoord is, het zal u niet verbazen: veel. Erg veel.

De term ‘sociale uitgaven’ zelf dekt natuurlijk vele ladingen, gaande van de pensioenuitkeringen, de financiële ondersteuning van arbeiders en werknemers die hun werk verliezen en de kosten die gemaakt worden om hen bij te staan in hun zoektocht naar nieuw werk, over de subsidiëring van kinderdagverblijven en de vermindering van huurtarieven voor lage inkomens, tot de toelage die de goede werking van ziekenhuizen moet verzekeren en de tussenkomst in dokterskosten. Sociale uitgaven kunnen dus zowel slaan op cash uitkeringen aan rechthebbenden (zoals bijvoorbeeld het geval is bij de uitbetaling van pensioenen), als op de uitgaven waarmee in diensten wordt voorzien (zoals de werking van voor publiek toegankelijke ziekenhuizen). Bovendien mogen we in dit alles de rol van het belastingstelsel niet vergeten: in sommige landen zijn uitkeringen bijvoorbeeld relatief royaal, maar worden die uitkeringen vervolgens aan hetzelfde tarief belast als andere inkomsten – waardoor een groot deel van die uitgaven weer naar de overheid vloeit, zonder dat de uitkeringsgerechtigde er ooit iets van gezien heeft. Anderzijds geven verschillende landen via het belastingsysteem een impuls aan het publiek om verzekeringen af te sluiten die tot sociale bescherming dienen, door bijvoorbeeld de kostprijs van ziekte- of invaliditeitsverzekeringen vrij te stellen van belastingen. Alleen dankzij het titanenwerk dat de OESO levert, is het mogelijk om in die veelheid aan categorieën, uitgavenposten en belastingvoordelen niet de weg te verliezen. De cijfers die volgen, komen dan ook van hen (de cijfers slaan op het voorlopig laatste jaar waarvan ze volledig zijn, i.e. 2009; hier vind je een onmisbaar hulpmiddel voor hun interpretatie).

We zagen dat het sociale beschermingssysteem dat we in België hebben opgebouwd erin slaagt om 28,4% van de bevolking boven de armoedegrens te tillen. Daartegenover staat dat de totale sociale uitgaven in België netto 28,1% van het BBP bedragen. De relatie is dus zo goed als één op één: simplistisch gesteld, om één procent van de bevolking boven de armoedegrens te tillen, dient België één procent van zijn BBP te spenderen. Met 28% van het BBP is de factuur in België aan de hoge kant: van onze buurlanden kosten de sociale uitgaven alleen aan Frankrijk meer – zij geven netto 32,1% van het BBP uit. Nederland is dan weer het gierigst: onze noorderburen kunnen het stellen met net geen 25% (maar halen daarmee wel erg goede resultaten). Andere landen schommelen daar allen ergens tussenin. De verrassing, voor sommigen, zijn de Verenigde Staten: zij spendeerden in 2009 immers bijna 29% van hun BBP aan sociale uitgaven: meer dan België, meer dan Zweden, meer dan Duitsland, meer dan elk ander land behalve Frankrijk.

De misvatting (o.a. te lezen in een opiniestuk van Lorin Parys) dat ons sociale beschermingssysteem fundamenteel duurder is dan het Amerikaanse systeem en als dusdanig financieel onhoudbaar, wordt veroorzaakt door alleen publieke sociale uitgaven in rekening te brengen, en de private sociale uitgaven uit het oog te verliezen. Willen we een beeld krijgen van het totale kostenplaatje, is dit echter ongepast. Er is immers geen enkele goede reden om de pensioenen die uitbetaald worden uit pensioenkassen beheerd door de overheid wel als sociale uitgaven te oormerken, om dat vervolgens niet te doen met pensioenen die uitbetaald worden uit pensioenkassen beheerd door een werkgever. Het is evenmin zinnig om een verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering wel in rekening te brengen als sociale uitgave, terwijl een private hospitalisatieverzekering buiten beschouwing gelaten zou worden. Daarom worden private verzekeringen die als oogmerk hebben te beschermen tegen sociale risico’s ook gerekend tot het sociale beschermingssysteem. In België bleven zulke private sociale uitgaven in 2009 nog beperkt tot (bruto) 2,3% van het BBP, waarmee ze maar een klein aandeel hadden in de totale sociale uitgaven. In de Verenigde Staten lopen private sociale uitgaven echter op tot meer dan 10% van het BBP – waarmee ze de lagere publieke uitgaven aan sociale voorzieningen meer dan blijken te compenseren.

Het Amerikaanse sociale beschermingssysteem, waarin een zeer grote rol is weggelegd voor de private markt, blijkt dus allesbehalve goedkoper te zijn dan het systeem dat wij kennen, en bovendien steekt zijn rol in het terugdringen van armoede maar bleek af wanneer we het naast het Belgische systeem leggen.

Laat dat ons echter niet blind maken voor de tekortkomingen van het Belgische stelsel: ook wij blijven haperen. Ook wij slagen er maar niet in om het armoedecijfer permanent onder die vermaledijde 15% te duwen – laat staan dat we dezelfde resultaten weten te halen als Nederland. Is het Belgische systeem dus duur? Ja, maar niet fundamenteel duurder dan wat in andere landen in voege is. Is het efficiënt? Onze resultaten zijn heel wat beter dan de Amerikaanse, maar slechter dan de Nederlandse. Tijd, dus, om een blik over de grenzen te werpen.

Cijfertjes zijn mèh: een snelle FAQ over armoedecijfers

Geïnspireerd door de column in De Standaard van Lorin Parys, waarin hij de bal nogal vreselijk mis slaat (niet voor de eerste keer), en de discussie op twitter die erop volgde, een snelle FAQ (fouten? haal ze er samen met mij uit):

Q: Zijn de armoedecijfers van België en de Verenigde Staten “grosso modo hetzelfde”: 15%?

A: Neen. Parys gebruikt in zijn column twee verschillende manieren om armoede te meten onbekommerd door elkaar. De Verenigde Staten meet armoede door iedereen die onder een absolute middelengrens valt te tellen, terwijl België (net als de rest van de EU) armoede meet door iedereen te tellen die onder een relatieve middelengrens valt, i.c. 60% van het mediaaninkomen van dat land: twee methoden die geenszins met elkaar te vergelijken zijn.

Q: En dus valt er niets te zeggen over België in vergelijking met de VS?

A: Jawel. Ten eerste kunnen we er al op wijzen dat volgens de OESO de absolute armoedegrens, zoals die in de VS gehanteerd wordt, plus minus overeenkomt met een relatieve armoedegrens van 40% van het mediaaninkomen. Als we dit als uitgangspunt nemen en geloof hechten aan Parys’ cijfer van 15% armoede in de VS, dan komen de States er wel heel bekaaid vanaf: in België leeft immers ‘slechts’ 3,6% van de bevolking onder deze inkomensgrens.

De OESO publiceert echter ook gegevens die wel vergelijkbaar zijn met elkaar, en die een grens van 50% van het mediaaninkomen als limiet stellen. En daar zien we dat België zich aan de linkerzijde van het spectrum bevindt (met een armoedecijfer van 8%), terwijl de VS helemaal aan de andere zijde te vinden zijn (met een armoedecijfer van 17,4%).

Income Inequality in the OECD

Q: België telt dus in verhouding minder mensen die in armoede leven dan de VS. Is daarmee de kous af?

A: Neen. Dat België het volgens dit criterium beter doet dan de VS wil nog niet zeggen dat België het ook goed doet, of dat zijn armoedebeleid ook efficiënt zou zijn. Vergelijken we ons bijvoorbeeld met onze buurlanden, dan zien we dat België weliswaar relatief minder mensen heeft die onder de armoedegrens leven dan Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, maar meer dan Frankrijk – en een pak meer dan Nederland.

At-risk-of-poverty rate by poverty threshold (source: SILC) [ilc_li02]

At-risk-of-poverty rate by poverty threshold (source: SILC) [ilc_li02]

Q: Besluit: België scoort beter dan Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, maar slechter dan Nederland en Frankrijk?

A: Neen. Als we naar het mediaaninkomen zelf kijken –het criterium aan de hand waarvan de armoedegrens wordt berekend– dan zien we immers dat dit in het Verenigd Koninkrijk weliswaar lager ligt dan in België, maar in Duitsland net hoger. Er valt iets voor te zeggen dat iemand die net aan die grens raakt in Duitsland er dus beter voor staat dan iemand die net aan die grens raakt in België.

Median income (source: SILC) [ilc_di03]

Median income (source: SILC) [ilc_di03]

Van ons clubje landen heeft Nederland zowel de hoogste armoedegrens als de laagste armoedegraad –onze noorderburen steken er dus twee keer positief bovenuit–, terwijl de situatie in het Verenigd Koninkrijk net omgekeerd is. En België? Mèh.

Q: Stijgt de armoede in België?

A: Niet als we naar de evolutie kijken van het aandeel van de bevolking dat onder de armoedegrens leeft.

At-risk-of-poverty rate (source: SILC) [ilc_li02]

Poverty rate (source: SILC) [ilc_li02] (Met excuses voor de ontbrekende data – blame Eurostat)

Het is echter ook interessant te kijken wat er met het mediaaninkomen zelf is gebeurd gedurende die periode, in vergelijking met de ons omliggende landen.

Median income (source: SILC) [ilc_di03]

Median income (source: SILC) [ilc_di03]

Opnieuw komt Nederland als beste uit de bus – terwijl België achter de rest aan moet hollen. Terzijde: wanneer we de groei van het mediaaninkomen vergelijken met de groei van het BBP/inwoner gedurende dezelfde periode (telkens gecorrigeerd naar purchasing power standard), zien we dat België hier nog steeds het slechtst scoort, maar op z’n minst weet aan te sluiten bij de rest van het peloton.

Evolution of GDP per capita since 1995

GDP [nama_gdp_c]

Waardoor de vraag rijst: hoe komt het dat in België het mediaaninkomen zoveel trager groeide dan het BBP, zeker in vergelijking met onze buurlanden? – Een vraag waarop ik helaas zelf het antwoord niet van ken. Hou je vooral niet tegen om suggesties te doen, daar zijn de comments voor.

Q: België zet de grote middelen in om armoede te bestrijden. Levert dat iets op?

A: Heel wat zelfs. Met pensioenuitkeringen kan België het armoedecijfer met 14,8 procentpunt terugdringen, en met de overige sociale uitkeringen (zoals werkloosheidsuitkering, kinderbijslag, huurbijstand etc.) doen we daar nog eens 12,7 procentpunt af. In totaal slaagt het sociale beschermingssysteem in België er dus in om 28,4% van de bevolking boven de armoedegrens te tillen.

At-risk-of-poverty rate before and after social transfers (source: SILC) [ilc_li02] [ilc_li09] [ilc_li10]

At-risk-of-poverty rate before and after social transfers (source: SILC) [ilc_li02] [ilc_li09] [ilc_li10]

In Nederland en Duitsland is dat iets minder (resp. 26,6% en 27,2%), in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk iets meer (resp. 29,2% en 29,6%).

Q: Ja maar, wat kost ons dat allemaal?

A: Veel. Tussen 27,3% van haar BBP (het Verenigd Koninkrijk) en 33,6% (Frankrijk). België zit daar netjes tussenin, met een budget van 30,4%.

Expenditure on social protection [spr_exp_sum]

Expenditure on social protection [spr_exp_sum]

Ten slotte kunnen we nog de uitgaven vergelijken met de resultaten die we ermee behalen. Kort gezegd: hoeveel procent van het BBP moeten we inzetten om het armoedecijfer met één procentpunt naar beneden te halen? – Voor België is dat dus de ratio van 30,4% (de totale sociale uitgaven in procent van het BBP) en 28,4% (het aandeel in de bevolking dat door die sociale uitgaven boven de armoedegrens wordt getild).

Ratio of total social expenditure and reduction in poverty rate

Op z’n minst in dit opzicht lijkt het Belgische beleid dus vrij efficiënt te zijn: om de armoedegraad met één procentpunt te doen dalen, heeft België 1,07% van haar BBP nodig; in Nederland loopt dit op tot 1,21%.

Tot hier. Andere vragen zijn voor de comments, of voor een andere keer.

(PS: wie zich ook wil laten gaan: de Eurostat-cijfers zijn hier terug te vinden; de code van de database die ik hier gebruikt heb staat telkens in de vierkante haakjes onder de grafiek.)

Update 15/01/2014: In zijn column in De Standaard (“Reken je rijk”) verwijst Marc Reynebeau onder meer kort naar deze blogpost:

Omstandiger studiewerk van blogger Matthias Somers leerde gisteren dat België niet overdreven veel besteedt aan armoede en daarin, in termen van rendement van de ingezette middelen, ook nog eens ‘vrij efficiënt’ is. Als dat contra-intuïtief lijkt, ligt dat dus niet aan de feiten maar aan die intuïtie, aan vooroordelen dus.

Ik geflatteerd natuurlijk. Maar belangrijker dan dat is de conclusie van Reynebeau’s stuk:

Politiek moet niet worden verward met statistiek. Zoals alle beleid is ook sociaal-economisch beleid een zaak van politiek. De sociale ongelijkheid willen beperken of bedrijven willen subsisiëren is een politieke keuze en verantwoordelijkheid. Daarom houden politici (en parapolitieke denktanks) dus maar beter op met zogeheten studies die alleen maar stemmingmakerij op het oog hebben. De democratie is er ook en vooral in verkiezingstijd beter van gediend dat duidelijke politieke keuzen worden geformuleerd, niet dat er wordt gegoocheld met nietszeggende Europese gemiddelden.

Hear, hear. Het citeren van de resultaten van deze of gene studie is in geen enkel opzicht een substituut voor het maken van (soms moeilijke) politieke keuzes: waar wil je als maatschappij naartoe? Daar draait het uiteindelijk om – niet om de vraag of het budget dat in België besteed wordt aan sociale uitgaven 30.4% dan wel 29.6% bedraagt.

“I want us to trade our skins and our experiences”

Een open brief van de Zweedse auteur Jonas Hassen Khemiri, verschenen in het dagblad Dagens Nyheter, aan minister van Justitie Beatrice Ask, vertaald door Rachel Willson-Broyles voor het tijdschrift Asymptote. De brief van Khemiri werd al snel een van de meest gedeelde teksten in de Zweedse geschiedenis. Lees de brief helemaal, en je zult zien waarom. Behoorlijk heftig. En behoorlijk relevant. Enkele citaten:

I am writing to you with a simple request, Beatrice Ask. I want us to trade our skins and our experiences. Come on. Let’s just do it. […] For twenty-four hours we’ll borrow each other’s bodies. First I’ll be in your body to understand what it’s like to be a woman in the patriarchal world of politics. Then you can borrow my skin to understand that when you go out into the street, down into the subway, into the shopping center, and see the policeman standing there, with the Law on his side, with the right to approach you and ask you to prove your innocence, it brings back memories.

[…]

Jonas Hassen Khemiri

Jonas Hassen Khemiri

Being twelve and going into Mega Skivakademien to listen to CDs, and every time we go there the security guards circle like sharks, they talk into walkie-talkies, they follow us at a distance of only a few meters. And we try to act normal, we strive to make our body language maximally noncriminal. Walk normally, Beatrice. Breathe as usual. Walk up to that shelf of CDs and reach for that Tupac album in a way that indicates you are not planning to steal it.

[…]

We sat in the police van for twenty minutes. Alone. But not really alone. Because a hundred people were walking by. And they looked in at us with a look that whispered, “There. One more. Yet another one who is acting in complete accordance with our prejudices.”

And I wish you had been with me in the police van, Beatrice Ask. But you weren’t. I sat there alone. And I met all the eyes walking by and tried to show them that I wasn’t guilty, that I had just been standing in a place and looking a particular way. But it’s hard to argue your innocence in the back seat of a police van.

A certain Minister of Justice explained that this had nothing to do with racial profiling but rather “personal experiences.” The routines of power. The practices of violence. Everyone was just doing their job. The security guards, the police, the customs officials, the politicians, the people.

[…]

And tonight in a bar line near you, non-white people systematically spread themselves out so as not to be stopped by the bouncer, and tomorrow in your housing queue those with foreign names are using their partners’ last names so as not to be dropped, and just now, in a job application, a completely average Swede wrote “BORN AND RAISED IN SWEDEN” in capital letters just because she knows what will happen otherwise. Everyone knows what will happen otherwise. But no one does anything.

Strijden voor gelijkheid

Ik geloof in gelijkheid. Ik geloof dat de staat de vrijheid en gelijkheid van al zijn burgers moet verzekeren. Al te vaak wordt dit streven naar gelijkheid echter begrepen als louter een streven naar sociaal-economische gelijkheid, een streven dat pas vervuld zou zijn wanneer iedereen precies even welvarend is, een streven gemotiveerd door afgunst. De staat zou dan een Grote GelijkmakingsMachine zijn, die iedereen door de mangel haalt en elk verschil uit een bont en blauw bewerkte mens perst. Hume, in zijn Enquiry Concerning the Principles of Morals, gebruikt scherpe bewoordingen om dit streven naar perfecte welvaartsgelijkheid te veroordelen:

Render possessions ever so equal, men’s different degrees of art, care, and industry will immediately break that equality. Or if you check these virtues, you reduce society to the most extreme indigence; and instead of preventing want and beggary in a few, render it unavoidable to the whole community. The most rigorous inquisition too is requisite to watch every inequality on its first appearance; and the most severe jurisdiction, to punish and redress it.

Het streven naar perfecte gelijkheid van bezit is niet alleen zinloos, zegt Hume, bovendien leidt het ook tot een verarming van de hele samenleving en vereist het een panoptische, almachtige dictatuur — geen prettig vooruitzicht. De woorden van Hume discrediteren echter geenszins elke notie van gelijkheid als een politieke basiswaarde: de interpretatie van gelijkheid in termen van bezit raakt immers niet aan de kern van wat het streven naar gelijkheid drijft.

Gelijkheid is in de eerste plaats een morele notie met belangrijke sociaal-politieke consequenties: willen we recht doen aan het fundamentele morele inzicht dat elke mens als mens gelijk is en dezelfde waarde heeft, dan volgt onvermijdelijk dat de samenleving aan elke mens evenveel waarde en gewicht moet hechten. Een samenleving is gelijk in de mate dat elke burger een volwaardig en evenwaardig lid van die samenleving is, en dus ook aan niemand onderworpen. Deze gelijkheid is niet een louter formeel-legalistische zaak: de gelijkheid van iedereen is niet verworven simpelweg met het gegeven dat bij verkiezingen ieder één stem heeft en dat de rule of law op iedereen op dezelfde manier van toepassing is (al lijkt dat wel een noodzakelijke voorwaarde te zijn); ze heeft bijvoorbeeld ook gevolgen voor de sociaal-economische organisatie van een samenleving. Als een volwaardig burger kunnen deelnemen aan de samenleving is immers maar mogelijk wanneer in bepaalde basisbehoeften is voorzien: een samenleving die de gelijke waarde van elke mens erkent, kan niet toestaan dat sommige van haar leden moeite hebben te voorzien in degelijke huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs. Een sociaal zekerheidsstelsel gedragen door de gemeenschap is dan ook niet alleen uit welbegrepen eigenbelang een goede zaak (want wat over meerderen verdeeld wordt, is makkelijker om dragen), maar ook gerechtvaardigd door de eis dat elk van haar leden een evenwaardig burger kan zijn. We kunnen niet doen alsof iemand die aan de rand van de samenleving staat geen reden heeft zich geen volwaardig burger te voelen omdat zijn formele rechten niet geschonden worden.

Bovendien mag het wel zo zijn dat Hume gelijk heeft wanneer hij beweert dat perfecte gelijkheid in bezit noch mogelijk, noch wenselijk is, dat neemt niet weg dat een te grote ongelijkheid evenzeer kwalijke gevolgen heeft. In Le Contrat Social vat Rousseau de gedachtegang op karakteristieke wijze samen. De vrijheid en gelijkheid van elkeen vereist op zijn minst, schrijft hij,

… que nul citoyen ne soit assez opulent pour en pouvoir acheter un autre, & nul assez pauvre pour être contraint de se vendre.

Waar de ene de wanhopige situatie van een ander kan uitbuiten voor eigen gewin, daar schendt de samenleving het gelijkheidsbeginsel, dat zegt dat elke burger een volwaardig en evenwaardig lid is van de samenleving, aan niemand onderworpen — en wie er aan mocht twijfelen of dit nog wel een relevant gegeven is bij ons in België, hoeft alleen maar aan het wijdverspreide fenomeen van huisjesmelkerij te denken. Maar ook op een ander niveau speelt het gegeven dat de concentratie van kapitaal in de handen van enkelen fundamenteel ongelijke machtsrelaties instelt. Om het met een boutade te zeggen: Wanneer de CEO van Moody’s zijn stem verheft, beeft Europa; wanneer mijn moeder haar stem verheft, beeft alleen zijzelf. Hoe je het ook draait of keert, dit is diep problematisch voor een democratie die zich erop voorstaat dat elke stem even zwaar telt. Enkel door zich ook te organiseren en zo hun stem luider te laten klinken, kunnen mensen proberen weerwerk te bieden aan de macht van het georganiseerde kapitaal.

Zelfs waar alle formele rechten verzekerd zijn, kan sociaal-economische ongelijkheid dus leiden tot sociaal-politieke ongelijkheid. Deze laatste ongelijkheid, die mensen veroordeelt tot het statuut van minderwaardig lid van de samenleving, doet zich echter ook voor op andere manieren. De strijd voor vrouwenrechten, bijvoorbeeld, moet niet alleen begrepen worden als een strijd voor formele en sociaal-economische gelijkheid, maar ook als een strijd om door de samenleving als volwaardig en evenwaardig erkend te worden, aan niemand onderworpen. Het heeft tot 1948 geduurd voor vrouwen algemeen stemrecht kregen, en tot 1976 voor vrouwen zonder toestemming van hun echtgenoot een bankrekening mochten openen. Het problematische karakter hiervan was niet louter dat andere wetten golden voor vrouwen als voor mannen: het vernederende was dat vrouwen niet voor vol werden aanzien. Niet in staat zich een eigen mening te vormen (een van de achterliggende redenen voor de socialistische partij om zo lang het been stijf te houden in de strijd voor vrouwenrechten — ze zouden immers toch maar het stemadvies van meneer pastoor volgen), en onderworpen aan de man: een vrouw kon niet anders dan zich het ondergeschoven kind van de gemeenschap voelen.

Maar ook nu nog, nu vrouwen formeel dezelfde rechten bezitten als mannen, zijn maatschappelijke mechanismen aan het werk die vrouwen hun gelijke statuut in de samenleving ontzeggen. Zowel aan de top van het bedrijfsleven als aan de top van de academische wereld zijn vrouwen opvallend afwezig. Het punt is hier niet eens of de afwezigheid van vrouwen een bewuste strategie is: we mogen er vanuit gaan dat elk selectiecomité van zichzelf denkt de meest bekwame persoon voor een job te selecteren, of dat nu een man of een vrouw is. Blijft de vaststelling dat van alle professoren aan de KU Leuven 88% man is, en slechts 12% vrouw. Is het een wonder dat vrouwen beweren dat ze niet als gelijk aanzien worden? En is dat gevoel dan niet gerechtvaardigd? Of we het nu graag hebben of niet, aan posities aan de top van de politiek, van het bedrijfsleven, en van de academische wereld kleeft een prestige en een gewicht die andere posities veel minder genieten, en het zijn net die maatschappelijk prestigieuze en invloedrijke posities die in grote mate gedomineerd worden door mannen. Wanneer de hoofdrolspelers de scène betreden, verdwijnen vrouwen van het toneel. Vandaar ook dat het niet opgaat —in respons op de vragen over het ontbreken van vrouwen aan de top— te wijzen op het grotendeels ontbreken van mannen in bijvoorbeeld het onderwijs. Hun ondervertegenwoordig daar bedreigt hun maatschappelijke status niet op dezelfde manier als de ondervertegenwoordiging van vrouwen aan de top hun maatschappelijke status bedreigt. Zolang het hoogst uitzonderlijk is dat een vrouw een maatschappelijke toppositie bekleedt, hebben vrouwen alle reden te denken dat hen hun rechtmatige gelijke positie in de samenleving ontzegd wordt, en is de strijd voor vrouwenrechten nog niet gestreden.

Het streven naar gelijkheid is geen streven gemotiveerd door afgunst. Het is een strijd gedreven door verontwaardiging. En zolang er mensen zijn wier positie in de samenleving onder druk staat, wier gelijke waarde miskend wordt, is alleen verontwaardiging op zijn plaats.

“Structurele hervormingen”

Soms hangt alles af van het juiste woordgebruik. Als je ergens voor pleit, noem het dan een noodzakelijke structurele hervorming: klinkt goed, en meteen heb je je tegenstander weggezet als iemand die niet wil inzien hoe disfunctioneel het systeem is, dan wel als iemand die hoogstens wat wil morrelen in de marge. Niemand wil de malloot zijn die blind bleef voor al wat fout liep, en niemand wil betrapt worden terwijl hij met spuug een tak aan een ballon probeert te plakken om zijn fiets rijdende te houden — terwijl naast hem een nieuwe wagen staat te blinken. Vooruit dus met die structurele hervormingen die onze mooie sociale welvaartsstaat moet redden! Vraag is: wat zouden die befaamde noodzakelijke structurele hervormingen waar zovelen de mond van vol hebben dan wel mogen inhouden? Waarvoor pleiten onze onafhankelijke think-tanks, waarvoor pleit de N-VA?

Bart Van Craeynest, hoofdeconoom bij Petercam, is zo vriendelijk verduidelijking te brengen:

Zo kunnen we vervroegde uittredingsmogelijkheden afschaffen, werkloosheidsuitkeringen in de tijd beperken, de fiscale druk op arbeid verlagen en de loonvorming volledig vrij laten.

Vier zaken moeten ons dus redden:

1. Vervroegde uittredingsmogelijkheden afschaffen.

Wie op oudere leeftijd het ene bedrijf wordt buitengegooid, kan maar beter zien dat een ander bedrijf om hem staat te springen; brugpensioen is immers geen optie meer. Dat een oudere werkzoekende door zijn leeftijd te duur zou zijn, daar kan een mouw aan gepast worden: we kunnen altijd de lonen doorheen een carrière weer laten zakken. Probleem opgelost!

In hetzelfde genre maatregelen past de vraag om de pensioenleeftijd fors op te trekken: vermits we langer leven, is het niet meer dan normaal dat we ook langer zullen moeten werken. Minstens tot ons 65ste, en liefst langer. “Schande!”, roepen we dus, en: “Profiteurs!”, wanneer bij een ontslagronde arbeiders van 52 op brugpensioen worden gestuurd. Want wij zullen ons mogen uitsloven opdat zij een beetje in hun tuin zouden kunnen schoffelen.

Helaas zijn feiten weerbarstiger dan simpele slogans. De levensverwachting is inderdaad gestegen, maar tegelijk is de ongelijkheid tussen de verschillende sociale klassen verscherpt. Een man van 25 jaar met een universitair diploma kan verwachten dat hij 5 jaar langer zal leven dan een leeftijdsgenoot die enkel een diploma lager onderwijs heeft. Een jaar langer werken heeft dan ook een veel grotere impact op wie lager geschoold is: aan hem wordt gevraagd een veel groter deel van zijn pensioenjaren op te geven dan aan wie hoger geschoold is. En de verschillen verdiepen nog wanneer we niet louter kijken naar de levensverwachting, maar naar de verwachte ‘gezonde jaren’. Hier heeft onze universitair maar liefst zeventien gezonde jaren meer voor de boeg dan zijn lager geschoolde leeftijdsgenoot. Bij vrouwen bedraagt dat verschil zelfs een kwarteeuw.

Levensverwachting

Concreet: terwijl een hoger geschoolde op zijn 65ste inderdaad nog wat in zijn tuin zal kunnen schoffelen, is een lager geschoolde op dat moment al meer dan een decennium zwaar met zijn gezondheid aan het sukkelen. De pensioenleeftijd voor iedereen vastleggen op minstens 65 jaar heeft dan ook alles van een radicaal asociale maatregel: wie lager op de sociale ladder staat en heel zijn leven minder heeft verdiend zal langer moeten werken, opdat wie hoger op die ladder staat langer onbezorgd van zijn pensioen zou kunnen genieten.

2. Werkloosheidsuitkeringen in de tijd beperken.

De idee hierachter moet zijn dat een langdurig werkloze liever lui dan moe is: anders had hij immers al lang werk gevonden. Onze bedrijven zouden niets liever doen dan hen een job geven, toch? Niet dus: nergens gaapt zo’n wijde kloof tussen het profiel van een werkzoekende en het profiel van een openstaande vacature. Wie in België langdurig werkloos is, is dat vaak niet omdat hij niet wil werken, maar omdat geen enkel bedrijf hem in dienst wil nemen. Hoe zijn werkloosheidsvergoeding schrappen hem dan sneller aan werk moet helpen, is volstrekt onduidelijk. Het betekent immers ook geen activering meer, geen bijscholing, geen sollicitatiecursus. Klop maar bij het OCMW aan. De boodschap mag dan wel vermomd zijn als structurele hervorming, ze is niet minder duidelijk: u, beste man, kunnen we niet gebruiken; we zijn dan ook niet van plan in u te investeren.

3. De fiscale druk op arbeid verlagen.

Tussen de loonkosten van een bedrijf en wat een werknemer effectief op zijn rekening gestort krijgt, gaapt een te grote kloof — daar is zowat iedereen het over eens. Wat houdt een radicale hervorming dan tegen? Simpel: van zodra gesuggereerd wordt dat lasten op arbeid best verschuiven naar iets als, ik zeg maar wat, een vermogenswinstbelasting, schreeuwt men moord en brand. Dat kan niet doorgaan, en dat zal niet doorgaan, zegt men ferm.

Probeer het te begrijpen: een mens kan geld verdienen door te werken, en een mens kan geld verdienen door al veel geld te hebben. Op dit moment wordt de eerste bron van inkomsten zwaar belast, de tweede bron van inkomsten nauwelijks. En merkwaardig genoeg zijn dezelfden die beweren de belangen van de werknemers te verdedigen er als de dood voor dat belastingen verschoven worden van arbeid naar vermogen. Gesteld voor het alternatief houden ze voet bij stuk: als een verlaging van de lasten op arbeid een vermogenswinstbelasting inhoudt, dan passen we. Nog liever dat bedrijven wegtrekken uit België en dat de werkloosheid toeneemt (dat is immers het gevolg van onze hoge belastingen op arbeid, herhalen ze tot vervelens toe), dan dat wordt geraakt aan de winst die we maken met onze grote vermogens.

Voor de goede orde combineren ze hun njet met een nauwelijks verholen dreigement. Raak aan ons vermogen, en wij parkeren het in het buitenland. Gedaan met spelen. Zonder enige gêne buiten ze zo het voordeel uit van —excusez-moi les mots— het kapitaal tegenover de werkmens. Geld versluizen van het ene land naar het andere, op zoek naar een hoger rendement, dat kost je een muisklik. Jezelf verhuizen naar een ander land, op zoek naar een betere job, dat kost je je thuis, je familie, je vrienden. Het hoeft dus niet te verwonderen dat de verleiding altijd groter zal zijn om arbeid te belasten dan om grote vermogens te belasten. Het hoeft niet te verwonderen, maar dat wil nog niet zeggen dat we het moeten aanvaarden.

4. De loonvorming volledig vrij laten.

Als klap op de vuurpijl —allemaal in naam van het redden van de sociale welvaartsstaat door structurele hervormingen, weet je nog— dient de loonvorming volledig vrij te zijn. Concreet betekent dit, bijvoorbeeld, dat het minimumloon afgeschaft moet worden: als een bedrijf maar 2 euro per uur wil betalen aan iemand om een job uit te voeren, dan is dat zo. Degene die werk zoekt is tenslotte vrij om dat aanbod te aanvaarden of te weigeren; als hij het aanvaardt, dan betekent dit dat het bedrijf geen te laag loon heeft aangeboden: anders had hij wel geweigerd, nietwaar? De staat heeft daar verder niet in tussen te komen: die belemmert alleen maar de vrije marktwerking, en verhindert zo dat iedereen die een job wil, een job vindt. Logischerwijze moeten dan ook de werkloosheidsvergoedingen flink dalen: het zou maar al te absurd zijn mocht iemand meer verdienen door thuis te zitten, dan door een job van 2 euro per uur te aanvaarden. Twee keer winst dus: meer mensen aan het werk, en lagere werkloosheidsvergoedingen. Toegegeven, 2 euro per uur, dat klinkt weinig, maar de zelfvoldoening die iemand krijgt door een job te hebben is uiteindelijk ook iets waard.

Volledig vrije loonvorming, dat betekent ook dat het gedaan is met collectieve arbeidsovereenkomsten, gedaan met vakbonden die de stem van werknemers verenigt. De voortdurende aanvallen van de N-VA op de werknemersbeweging passen natuurlijk perfect in dit plaatje. Hoe slechter georganiseerd de werknemers, hoe slechter de voorwaarden die ze kunnen afdwingen van bedrijven. Ik heb er in een vorige post al naar verwezen, maar ten overvloede: de toenemende inkomensongelijkheid in de VS volgt de tanende macht van de vakbonden, en dat is niet bepaald toeval. Wie zich niet kan organiseren, diens stem wordt niet gehoord. De aanvallen op de werknemersbeweging —of ze nu uit politieke hoek komen, dan wel uit de hoek van het bedrijfsleven— zijn niet in de eerste plaats aanvallen op een instituut uit een voorbije tijd. Het zijn aanvallen die de macht van de werknemer zelf moeten breken. Allemaal in naam van het redden van de sociale welvaartsstaat.

Vergis je niet wanneer je ‘structurele hervormingen’ hoort: they are after you. Ik kan alleen maar besluiten met de woorden van Jean-Jacques Rousseau:

C’est précisément parce que la force des choses tend toujours à détruire l’égalité, que la force de la Législation doit toujours tendre à la maintenir.

Bij de dood van Chávez

Vertel mij, mijn lieve linkse vrienden, vertel mij, vanwaar de elegieën voor Chávez? Vanwaar de eerbetuigingen voor een man die van mensenrechten een vod papier maakte? Vanwaar het ophemelen van iemand die Putin en Lukashenko, Assad en Kim Jong-il tot zijn grootste medestanders rekende? Vanwaar het rondtwitteren van ‘Hasta siempre, comandante’ voor een luitenant-kolonel onder wiens bewind het geweld door het dak ging en de economie door de vloer zakte? Het zijn moeilijke tijden voor links, en links heeft een held nodig. Maar alsjeblieft, ik bid je, laat Chávez niet die held zijn.

Je roept moord en brand wanneer de persvrijheid wordt ondergraven, de rechterlijke onafhankelijkheid beknot, en de democratische instellingen uitgehold — maar niet als het in naam van gelijkheid en solidariteit gebeurt: de revolutie rechtvaardigt veel, als je maar de juiste retoriek hanteert. Maar hoe kan je komen tot een samenleving waarin iedereen onbevreesd het woord durft nemen en waarin naar ieders stem evenzeer geluisterd wordt, wanneer een ongepaste mening als volksvijandig wordt afgebrand? Hoe kan je komen tot een samenleving waarin iedereen op gelijke voet behandeld wordt, wanneer één man je kan maken en kraken? Hoe kan je gelijkheid bekomen waar de rule of law plaats moet ruimen voor de rule by law? Hoe kan kan je gelijkheid bekomen door gelijkheid te ondermijnen?

Niemand zou zich de mindere mogen voelen van een ander; niemand mag in een positie belanden waarin hij een goede reden heeft zich vernederd te voelen. Dat vereist gelijkheid voor de wet en een gegarandeerde vrijheid van spreken en handelen, maar ook dat niemand de speelbal kan worden van een ander, en dat niemand in armoede moet leven. Chávez leek dat begrepen te hebben. Daarom had hij de mond vol van solidariteit. In een solidaire samenleving neemt de gemeenschap haar verantwoordelijk tegenover elk van haar leden als vanzelfsprekend op. Ze staat niet toe dat iemand zijn hand moet ophouden en moet rekenen op de welwillendheid van een ander om rond te komen. Daarom zijn instellingen nodig van de gemeenschap, voor de gemeenschap, instellingen waaraan iedereen bijdraagt en waarmee iedereen wordt ondersteund, zodat solidariteit gezien wordt als de gemeenschap die haar verantwoordelijkheid opneemt voor elk van haar leden. Solidariteit rijmt dus niet met liefdadigheid.

Maar wat deed Chávez? Ondanks alle retoriek over solidariteit, is wat hij organiseerde een door de staat gefinancierde liefdadigheid in zijn naam. Chávez is de behoeder der armen. Chávez is de man van wie de weldaad komt. Chávez is de bron van gelijkheid. — Dat is georganiseerde afhankelijkheid, geen solidariteit, georganiseerde afhankelijkheid bovendien die, door het vast te haken aan de persoon van Chávez, de legitimiteit van de staat ondergraaft — en daarmee ook de legitimiteit van geïnstitutionaliseerde solidariteit. Zo’n systeem is gedoemd ten onder te gaan.

Chávez verkwanselde de kans om een solidaire samenleving te bouwen, en hij verkwanselde de kans om een democratische samenleving te bouwen. Vanwaar dus je lofzangen? Ook zonder hem heeft links zijn helden. Toch?