De nacht van 3 op 4 september

Op de avond van 3 september 1942 sluiten Duitse ordetroepen in Brussel de Marollen en enkele straten rond het Zuidstation af. Huizen waarvan ze weten of vermoeden dat er Joden wonen, worden uitgekamd. 597 mannen, vrouwen en kinderen worden die nacht weggevoerd naar de Dossinkazerne in Mechelen. Sommigen verblijven er vier dagen, anderen net iets langer dan een week. Allen worden ze gedeporteerd naar het concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau.

Na een eerdere actie in Antwerpen op 22 augustus was het de eerste razzia in Brussel. Op de transportlijst naar het vernietigingskamp: mensen als Feiga Perkel-Eppel, 32 jaar, geboren in Keulen, ‘statenloos’. Haar zoontje, net geen vier maanden oud, Aron Nathan Perkel, geboren in Brussel, ook ‘statenloos’. Rosalie Frojerman-Ring, 26 jaar, geboren in Berlijn, ‘statenloos’. Elkuna Frojerman, 34 jaar, geboren in Lodz, ‘statenloos’. Adeline Razjner, vier jaar, geboren in Elsene, ‘statenloos’. Hun afkomst (Duitsland, Polen, voor de jongsten België) en hun statuut (‘statenloos’) een reflectie van het doelwit van de razzia: Joden die eerdere vervolgingsgolven ontvlucht hadden, en hun heil en hun onderkomen zochten in België.

De werkelijkheid achterhaalde hen. Mensen achterhaalden hen.

Van de 597 mannen, vrouwen en kinderen opgepakt in de nacht van 3 op 4 september 1942 in de Brusselse razzia en afgevoerd naar Auschwitz overleven er slechts vijftien de oorlog.

Precies een jaar later, in de nacht van 3 op 4 september 1943, volgt een nieuwe grootschalige actie in Brussel en Antwerpen. 593 Joden worden opgepakt. Deze keer zoeken de autoriteiten geen vluchtelingen uit Duitsland of Polen, officieel statenloos, maar Belgische Joden, zoals Charles Grabiner en Debora Brandstädter, die in Sint-Gillis wonen. Hun dochter, Renée Grabiner, net twee jaar oud, wordt verborgen op een schuiladres. Ze overleeft de oorlog. Haar ouders, op 20 september 1943 op het transport XXII-b gezet naar Auschwitz, worden beiden vermoord.

Op 3 september 1944 wordt Brussel bevrijd. Een maand eerder vertrok het laatste transport uit de Dossinkazerne naar Auschwitz. Onder de gedeporteerden de Duitse schilder Felix Nussbaum, die uit zijn vaderland verdreven toevlucht had gezocht in Brussel. Hij wordt vermoord op 9 augustus 1944: een van de 25.484 Joden en 352 Roma en Sinti die tussen de zomer van 1942 en de zomer van 1944 in de Dossinkazerne passeren op hun dodentocht naar Auschwitz.

Op 6 december 1938 schrijft de Duitse Jood Victor Klemperer in zijn dagboek: “Nu noteer ik alleen nog de steeds vaker gebruikte zinswending ‘Het komt met het gezonde rechtsgevoel van het volk overeen’, die altijd te vinden is als er met een nieuwe wreedheid wordt begonnen. Daarmee is het contemplatieve intermezzo ten einde.”

Vijf jaar eerder, bij de machtsovername door de nazi’s, schreef hij: “Ik voel eigenlijk meer schaamte dan angst, schaamte om Duitsland. Ik heb me waarlijk altijd Duitser gevoeld. En ik heb altijd gedacht: de twintigste eeuw en Midden-Europa, dat is iets anders dan de veertiende eeuw en Roemenië. Fout.”

Het kon niet gebeuren. Het gebeurde.

— Dit stuk verscheen op 4 september in De Morgen.

Brief aan een jonge socialist: over de klassenstrijd

Dit stuk verscheen in Oproerkraaiers worden in stilte geboren. Acht hedendaagse antwoorden op de brieven van Camille Huysmans, een uitgave van Curieus en de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Camille Huysmans. Met teksten van Herman Van Goethem, Jozefien Daelemans, Matthias Somers, Yousra Benfquih, Hendrik Vos, Caroline Copers, Herman Balthazar, Alicja Gescinska, en Jinnih Beels, en illustraties van Fatinha Ramos.

Hoe in de voetsporen te treden van een socialistisch voorman, wanneer het socialisme zelf op apegapen ligt? Hoe de jeugd van tegenwoordig een brief te schrijven over het belang van de klassenstrijd, wanneer het woord zelf getild lijkt uit een beduimeld boekje, gevonden bij het oud papier? Is het niet precies die hang naar het verleden, die verknochtheid aan oude verwezenlijkingen en nog oudere theorieën, die het socialisme de nek heeft gekost? “De klassenstrijd!” “Arbeid versus kapitaal!” Hoeveel bestofter kan het socialisme zijn, hoeveel meer bewijs is nodig dat socialisten geen oog hebben voor de nieuwe tijden? Opzij met hen, dat zij plaats maken voor u, voor de jeugd, klaar om de wereld te veroveren, deze wereld, niet die van de negentiende eeuw, maar de wereld van nu en van morgen. Hoezo, klassenstrijd? Alsof er nog onderscheid is tussen arbeider en kapitalist, tussen arm en rijk, tussen machtelozen en machthebbers: iedereen zit in ’t zelfde schuitje, iedereen moet aan ’t zelfde zeel trekken, iedereen wil gewoon vooruit.

Het is allemaal niet nieuw.

Ondertussen tachtig jaar geleden verweerde Huysmans zich al tegen een gelijkaardige kritiek. “Gij vraagt mij wat ik denk,” schreef hij, “over degenen die de meening uiten dat het socialisme zijne theoretische opvatting moet hernieuwen, en verklaren dat het niet meer optreedt om klassebelangen te verdedigen, maar wel om de belangen van de gansche gemeenschap. De vernieuwers willen dus, — indien ik hen goed begrijp, — de organische tegenstelling der klassen wegcijferen. (…) Tusschen de heeren van La Société Générale en de huisarbeiders van Hamme en Zele is er eigenlijk geen verschil. De huisarbeiders van Zele en Hamme kunnen immers morgen de heeren van La Société Générale worden. Men heeft immers zulke mirakels bijgewoond.”

Van klassen kan geen sprake zijn, het onderscheid tussen werkmens en bedrijfsbons is van geen tel, de kloof tussen arm en rijk wordt vergoelijkt, zolang er maar één iemand is die de sociale ladder weet op te klauteren. Armoede is geen probleem, zolang maar gewezen kan worden op één iemand die niet meer in armoede leeft: dat volstaat om het leven in armoede van alle anderen goed te praten. De sporten van de ladder mogen nog zó ver uit elkaar staan, dat iemand van de onderste sport wegraakt mag nog zó uitzonderlijk zijn — als het één iemand lukt, is alles gerechtvaardigd en kan elke kritiek van de hand gewezen worden, want: het systeem werkt. Het bewijst dat in deze maatschappij elke positie voor iedereen openstaat, als men maar echt wil, en dat het dus niet nodig is, zelfs pervers, om de belangen te verdedigen van zij die uit de boot dreigen te vallen, zij die geen plek aan tafel hebben, zij wier stem niet gehoord wordt.

Het is een aangenaam verhaal, want het rechtvaardigt niet alleen het maatschappelijk systeem zelf, het kan ook dienen als de ultieme zelfrechtvaardiging: in een samenleving waarin we onszelf kunnen wijsmaken dat iedereen dezelfde kansen en dezelfde mogelijkheden heeft, hebben we onze eigen positie zelf verdiend en hoeven we ons dus ook niet druk te maken om de achterblijvers. Zij kunnen op niets aanspraak maken, enkel dankbaar zijn voor onze goedgunstigheid. Het is een verhaal dat het kapitalisme een mooi kleedje aantrekt.

Het kapitalisme neemt het ongebreidelde nastreven van het eigenbelang als het leidend principe van de maatschappelijke ordening: de samenleving moet zich zó organiseren, dat iedereen zijn eigen belangen kan najagen, zo goed en zo kwaad als hij kan, met alle middelen die hem ter beschikking staan. In dat maatschappijbeeld verschijnt de ander dan als iemand die mijn vrijheid beperkt, een obstakel dat overwonnen moet worden bij het najagen van mijn belangen, in het beste geval niet als een last, maar als een middel dat mij kan helpen om mijn doelen te bereiken. Misschien sporen zijn belangen enigszins met de mijne, worden we er beiden beter van dat we elkaar als middel gebruiken in het nastreven van onze eigen doelen, maar op zich is dat niet relevant. Zolang ik mijn belangen ongebreideld kan nastreven, is alles zoals het hoort, werkt het systeem naar behoren, en komt alles wat me in de schoot valt mij toe.

Een man als Jeff Bezos heeft dit goed begrepen. Hij maakte van Amazon het keizerrijk van het consumentisme en werd zelf decadent rijk, zó rijk dat hij met zijn vele miljarden geen blijf meer weet. En dus zit er, aldus Bezos zelf, niets anders op dan zijn fortuin — letterlijk — de ruimte in te blazen: een prestigeproject te zijner glorie in de vorm van een blinkend fallussymbool.

En wat kan er op tegen zijn? Het is het systeem dat werkt. Het is tenslotte zijn geld, zijn rijkdom, zijn fortuin, eerlijk verdiend bij het najagen van zijn eigenbelang in een maatschappij waarin het iedereen vrij staat zijn eigenbelang naar eigen believen na te streven. Dat wil zeggen: het is een fortuin verdiend in het zweet des aanschijns van de ontelbare werkers die nacht na dag na nacht arbeiden in Bezos’ magazijnen, waar ze tot op de seconde geklokt, gecontroleerd, en — bij een wc-pauze te veel of een stap te weinig — gesanctioneerd worden, zonder de zekerheid de week nadien nog wel werk te hebben, en dat voor een loon dat nauwelijks volstaat om rond te komen. Het is het systeem dat werkt: een systeem waarin het vermeerderen van de rijkdom waar Bezos zelf geen blijf mee weet en dus maar de ruimte in blaast zwaarder doorweegt dan een goed leven voor de werkers in zijn magazijnen.

Dit is geen uitwas van het kapitalisme, dit is het kapitalisme: een decadent nihilisme.

En deze maatschappelijke ordening horen jullie rechtvaardig te vinden, elke kritiek in termen van klassenbelangen pervers, want — zo wordt jullie verteld — de belangen van de werker en de belangen van Jeff Bezos zijn toch dezelfde: de werker van vandaag kan immers morgen Jeff Bezos worden. “Men heeft immers zulke mirakels bijgewoond.”

Het socialisme kan zich hier niet bij neerleggen, net zomin als een socialist de klassenstrijd kan wegwuiven als niets meer dan een stoffige theorie die elke relevantie verloren heeft. Om nogmaals Huysmans te citeren: “Vooraleer het socialisme te willen hernieuwen, zouden de vernieuwers, tenminste een kleine poging moeten doen om het socialisme te begrijpen.”

Het socialisme weigert te aanvaarden: dat het leidend principe van de maatschappelijke ordening, waaraan al het andere ondergeschikt is, de botsing is van mens alleen en mens alleen, elk zijn eigenbelang najagend, wat hem overlevert aan de dominantie en de willekeur van wie machtiger is dan hem. Het socialisme is zo een bevrijdingsideologie, en vecht voor instituties die de mens emanciperen: de garantie van een goed loon, goede arbeidsvoorwaarden, decente vervangingsinkomens is niet alleen een kwestie van rechtvaardigheid, een faire verdeling van de koek, maar bovenal een noodzakelijke verzekering tegen de onderwerping van de mens aan de willekeur en de dominantie van werkgever en staat.

De klassenstrijd is een strijd tegen alle ongelijke machtsverhoudingen. Het is dus ook een feministische strijd, en een strijd tegen de maatschappelijke achterstelling van wie wordt weggezet als ‘niet echt van hier’; het is een strijd voor iedereen die uit de boot dreigt te vallen, voor iedereen die zich aan de rafelranden van de samenleving vindt, voor iedereen wier stem niet gehoord wordt. Het socialisme sloopt de muren die mens van mens afzonderen. Socialisme, in al zijn klassenstrijd, is gemeenschapsvormend, brengt mensen samen, op gelijke voet. Want alleen bevrijd van elke onderwerping kunnen mensen elkaar recht in de ogen kijken, gelijkelijk participeren aan de samenleving, samen vorm geven aan die samenleving, met elkaar, voor elkaar.

Wat een job.

Glimmend van trots stelden Michel, Peeters en co. hun arbeidsdeal voor: een groots plan om bedrijven de helpende hand te bieden waar ze zo naarstig naar op zoek zijn, en dat de federale overheid in één klap meer dan een half miljard extra inkomsten moet opleveren.

Elk plan moet vertrekken vanuit een vaststelling van de feiten, en misschien drukte ondernemer Rudi De Kerpel op Twitter wel het beste uit hoe deze regering die feiten ziet, wanneer hij over werklozen opmerkte: “Het enige wat de meeste nodig hebben is een wekker.”

Wie geen job vindt, heeft niet gezocht; wie werkloos blijft, wil niet werken. Als er dus nog steeds zoveel mensen werkloos zijn, kan dat alleen maar betekenen dat het veel te comfortabel toeven is in de werkloosheid. De weg vooruit: gedaan met pamperen. Als werklozen niet spontaan het werk aannemen dat overal voor het grijpen ligt, dan moeten ze er naartoe geranseld worden. Vandaar twee grote maatregelen in de arbeidsdeal: het versneld verlagen van de werkloosheidsuitkering, en gemeenschapsdienst voor langdurig werklozen. Want wie niet horen wil, moet voelen.

Of deze maatregelen effectief zullen leiden tot de extra jobs waarmee de regering zich alvast rijk rekent, hangt af van de correctheid van de diagnose: er is werk voor wie wil werken, en alleen omdat niet werken nog te veel loont, blijven mensen werkloos.

Verlaag de uitkeringen, verhoog de prijs van het werkloos zijn, en mensen zullen eerder vroeger dan later weer aan de slag zijn.

De vorige regering onder leiding van de socialist Di Rupo probeerde al eens hetzelfde: ook hij deed in 2012 de werkloosheidsuitkeringen al sneller dalen – waar deze regering dus nog eens een schep bovenop wil doen. Leverde dat wat op?

De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, een adviesorgaan waarin werkgevers en werknemers verenigd zijn, onderzocht het. Het loont de moeite even uit dat onderzoek te citeren: “We kunnen ons afvragen in hoeverre werklozen nog bijkomend financieel moeten worden gestimuleerd, of zelfs meer algemeen of er vóór de hervorming niet al voldoende financiële prikkels waren om werklozen te stimuleren niet lang te wachten om werk te zoeken en te aanvaarden. (…) De keerzijde van de hervorming is de aantasting van het vermogen van werkloosheidsuitkeringen om de werkloze, én zijn gezin, tegen armoede te beschermen wanneer hij werkloos blijft.”

Of in het kort: de inkomenskloof tussen werkloosheid en werk is al meer dan voldoende groot om mensen ertoe aan te zetten aan de slag te gaan, zelfs vóór de hervorming van 2012 – áls er tenminste werk zou zijn voor die werklozen. Quod non. De resultaten zijn ernaar: de hervorming heeft er niet voor gezorgd dat meer werkzoekenden uitstromen naar werk, maar wel geleid tot een forse stijging van de armoedecijfers bij werkzoekenden: moest in 2012 ongeveer een op de drie werkzoekenden rondkomen met een inkomen onder de armoedegrens, dan is dat vijf jaar later gestegen tot een op de twee. De helft van alle werkzoekenden leeft nu in armoede. Iets waar niemand die zichzelf nu zo feliciteert met de moedige beslissing om hun uitkering nog sneller te verlagen zich ooit zorgen om moet maken.

Eenzelfde verhaal geldt voor gemeenschapsdienst voor langdurig werklozen. De Britse overheid heeft de effectiviteit hiervan uitgebreid onderzocht, de conclusie was vernietigend: wie wel gemeenschapsdienst moest verrichten, had even weinig kans om na afloop van de testperiode van bijna twee jaar werk te hebben dan wie geen gemeenschapsdienst moest verrichten. Anders dan zovelen graag denken, kiezen mensen immers niet vrijwillig voor een leven zonder werk en met een inkomen waarvan men amper rond kan komen. Mensen willen werken. Maar dan moet er wel werk voor hen zijn. Quod non.

Voerde de Britse overheid gemeenschapsdienst voor werklozen af toen bleek dat het geen enkel nut had? Natuurlijk niet. Het gaat immers niet om het effectief aan werk helpen van werkzoekenden. Het gaat om het straffen van mensen die minder fortuinlijk zijn. En net zo zal onze regering zich er niets van aantrekken dat onderzoek aantoont dat noch gemeenschapsdienst, noch het verder verlagen van de werkloosheidsuitkeringen zal leiden tot meer uitstroom naar werk, maar enkel tot meer armoede.

Verblind door doctrinaire dwaasheid lichtzinnig experimenteren met het leven van gezinnen die op de rand van de armoede balanceren: gewoon doen.

— Dit stuk verscheen op 26 juli in De Morgen.

De laksheid waarmee Vlaanderen zijn mobiliteit organiseert, is clownesk

De balans van het Vlaamse mobiliteitsbeleid samengevat. Volgens officiële cijfers van het Vlaams Verkeerscentrum stond er in 2011 op de gemiddelde werkdag bijna 280 km aan files op Vlaamse wegen. In 2017 stond er op een doordeweekse werkdag al bijna 300 km méér file: een 570 km lang rijtje auto’s, elke dag weer. Meer dan een verdubbeling, in amper zes jaar tijd. En de eerste cijfers van 2018 geven aan: nóg meer aanschuiven.

De balans van het Vlaamse mobiliteitsbeleid samengevat (bis). Nog volgens het Vlaams Verkeerscentrum verloren voertuigen op Vlaamse wegen in 2010 op een doordeweekse werkdag samen gemiddeld 57.000 uur. Ook hier een verdubbeling: in 2017 stonden auto’s en vrachtwagens op een gemiddelde werkdag al meer 114.000 uren langer vast dan bij ‘normaal’ verkeer. Om dat wat meer tastbaar te maken: een heel jaar telt ‘maar’ 8.760 uur. Op een gemiddelde werkdag verliezen we ondertussen dus al meer dan dertien jaar aan vertraagd verkeer en files.

De balans van het Vlaamse mobiliteitsbeleid samengevat (tris). Het aantal kilometers die de bussen en de trams van De Lijn jaarlijks afleggen, is in enkele jaren tijd met 10 procent gedaald. Dit weekend bracht De Standaard ook het nieuws dat alleen al in de provincie Antwerpen het afgelopen jaar maar liefst 12.500 busritten geschrapt werden door De Lijn omdat er geen chauffeur beschikbaar was – bijna een verachtvoudiging tegenover vier jaar eerder. Ook het aantal ritten dat geschrapt moest worden omdat er geen functionerende bus beschikbaar was, verdubbelde in die periode. Steeds vaker staan mensen te wachten aan de halte op een bus die nooit komt, omdat de chauffeur ziek werd en reservechauffeurs weggesaneerd zijn (‘te duur’), of omdat de bus kapot is en reserveonderdelen niet meer standaard voorradig zijn (want, opnieuw, ‘te duur’). Dat onze wegen ondertussen volledig vastlopen, kost ons daarentegen blijkbaar niets.

De balans van het Vlaamse mobiliteitsbeleid samengevat (quatro). In de Grote Vlaamse Ontvoogdingsstrijd hebben we het toch maar mooi voor elkaar gekregen: sinds de Zesde Staatshervorming is er niet één verkeersreglement meer dat voor heel België geldt (de horror!), maar mag Vlaanderen eindelijk zijn eigen regels bepalen, en zelfs – er is op het Vlaams Nationaal Zangfeest lang genoeg om gejodeld – zelf bepalen hoe het rij-examen moet verlopen. Ontgaat mij de zin daarvan, op zijn minst geeft het de Vlaamse minister van Mobiliteit Ben Weyts (N-VA) de kans te foeteren op de dwaasheid van Brusselaars en Walen die niet gewoon zijn nieuwigheidjes overnemen. Hij moet zijn energie ergens in kunnen steken, als het niet het aanpakken van de files is.

De laksheid waarmee Vlaanderen zijn mobiliteit organiseert – of, beter, weigert te organiseren –, is clownesk, en valt best samen te vatten als: “On s’en fout.” Zolang we maar geen maatregelen moeten nemen die iemand tegen de borst kunnen stuiten, maken we onszelf wijs dat we goed bezig zijn. Want het moet toch nog plezant blijven, nietwaar? En dus wordt De Lijn uitgekleed, mag niet geraakt worden aan het gunstige regime voor bedrijfswagens, doen we er alles aan om het veralgemeend rekeningrijden niet te moeten invoeren (er valt altijd wel nog een nieuwe studie te bestellen, we willen toch zeker niets overhaasten), en blijven we Vlaanderen verder betonneren onder steeds nieuwe verkavelingen en bedrijfsterreinen op ‘den buiten’ die haast alleen per auto bereikbaar zijn.

Het Vlaamse mobiliteitsbeleid samengevat: de files zijn er vanzelf gekomen, en zullen ook wel vanzelf weer verdwijnen.

–Dit stuk verscheen op 19 juni in De Morgen.

Tussen democratie en gemeenschap

In de hedendaagse samenleving sluimert voortdurend een conflict dat misschien wel zo valt samen te vatten: het is een strijd tussen enerzijds het respect voor het democratische basisprincipe recht te doen aan de veelheid van soms radicaal conflicterende visies op ‘het algemeen belang’ en ‘het goede leven’, en anderzijds het respect voor het verlangen zich deel te weten van één gemeenschap.

We vrezen de versplinterende gemeenschap waarin we ons niet thuis voelen, een samenleving waarin de mens geen gedeeld doel meer herkent dat hem overstijgt, dat hem inschrijft in een gemeenschappelijk verhaal, met een gedeeld verleden en een gedeelde toekomst die meer is dan het lege formalisme dat we nu eenmaal met elkaar opgescheept zitten op dit kleine lapje grond. We hebben nood aan een gemeenschappelijk ideaal, meer te zijn dan een eenvoudige optelsom van particulieren met elk hun particuliere belangen.

De Franse filosoof en historicus Marcel Gauchet ziet de opkomst van de democratie door de eeuwen heen als een strijd voor de verovering van de autonomie op de heteronomie: een strijd om ons te ontworstelen aan de wet die ons door de goden wordt opgelegd, om onszelf de wet te stellen. Zolang die strijd nog echt gestreden moest worden, zolang er nog een concurrerend ideaal bestond – God – waartegen democraten zich konden afzetten, kon men zich beroepen op de idee van de ‘collectieve wil’ als alternatief ideaal: niet God stelt de wet, het volk stelt zichzelf de wet.

Maar nu God is weggevallen, blijkt die collectieve wil maar een problematisch substituut. Want hoe kan die wil van het volk een ideaal vormen dat ons overstijgt maar waarin elk van ons zich toch terugvindt? Hoe kan die volkswil méér zijn dan een kakofonie van conflicterende belangen?

Het populistisch nationalisme geeft antwoord op die vraag. Het volk, zo redeneren populistisch-nationalisten, vormt een homogeen blok, met een gedeeld moreel begrip, een gedeeld idee van zichzelf en de samenleving, een gedeelde visie op ‘het algemeen belang’ en ‘het goede leven’: er is één volk, met één volkswil, de populistisch-nationalistische partij is de unieke vertolker van die wil van het volk, en de staat moet aan die volkswil beantwoorden om legitiem te zijn.

Populistisch-nationalisten ontkennen de inherente pluraliteit van het volk, met conflicterende visies op wat ‘het goede leven’ en ‘het algemeen belang’ is: wie niet hun mening is toegedaan, toont daarmee niet tot het echte volk te behoren; zulke visies op de samenleving zijn dan ook illegitiem, niet van tel, want volksvreemd.

Maar wie weigert om die pluraliteit een plaats te geven binnen dezelfde democratische ruimte, plaatst zichzelf buiten de democratie. Een democratische gemeenschap die zich alleen als gemeenschap kan redden door elk element dat de illusie van eenheid doorbreekt uit te bannen, is geen democratie.

— Dit stuk verscheen op 6 juni in De Morgen.

Ook wel werken loont voor velen steeds minder

Meer dan één op de zeven Belgen leeft in armoede. Wat opvalt in de nieuwste cijfers: dat de globale cijfers jaar na jaar stabiel blijven op dit erg hoge niveau, maar dat wie werkloos of kortgeschoold is, een steeds hoger risico loopt in armoede te moeten leven. Drie op de tien kortgeschoolden moet rondkomen met een inkomen onder de armoedegrens. Bij wie werkloos is, loopt dat op tot één op de twee mensen. Eén op de vijf werklozen wordt zelfs geconfronteerd met ernstige materiële deprivatie: zij kunnen zich een belangrijk aantal basisbehoeften (zoals het verwarmen van het eigen huis) niet veroorloven. Wat men er verder ook over moge denken: niet werken loont niet – integendeel.

Probleem is dat ook wél werken voor sommigen steeds minder loont.

Het mediaan brutomaandloon van een voltijdswerkende met een masterdiploma was in 1999 zestig procent hoger dan dat van iemand met een diploma secundair onderwijs. In 2015 was dat verschil al opgelopen tot tachtig procent. Of nog: voor elke honderd euro die de doorsnee voltijdswerkende met een secundair diploma verdient, strijkt iemand met een masterdiploma honderdtachtig euro op.

De kloof tussen relatief kortergeschoolden en langgeschoolden was al wijd en diep, en wordt dus steeds wijder en dieper: het loon van wie geen hoger onderwijs heeft genoten, blijft steeds verder achterop dat van wie heeft kunnen voortstuderen.

Dat kort- en langgeschoolden er over het algemeen een andere levensstandaard op kunnen nahouden en andere mogelijkheden hebben in het leven is niet nieuw; dat het verschil in verloning zo snel, zo sterk oploopt, is daarom niet minder problematisch. Er gaapt een steeds wijdere en diepere kloof tussen wat binnen het bereik ligt van een kort- en een langgeschoolde, waar en hoe zij kunnen wonen en winkelen, waar en hoe zij kunnen reizen en op stap gaan, wat zij aan hun kinderen kunnen meegeven, welke mogelijkheden en ervaringen de samenleving hen biedt.

Die zich steeds verdiepende loonkloof plaatst het pleidooi van sommigen om de laagste lonen nog verder te verlagen in een ander perspectief. De reden voor hun pleidooi is eenvoudig: alleen tegen een bodemprijs zijn bedrijven bereid een job te geven aan wie nu geen job vindt; willen we de werkloosheid terugdringen, moeten we dus de prijs van hun arbeid verlagen. Alleen moeten dan ook de vervangingsinkomens omlaag, wil men geen werkloosheidsvallen creëren waarbij werk nauwelijks meer zou opbrengen dan werkloos zijn. Maar de armoede bij werklozen is nu al torenhoog – om niet te spreken over de armoede bij wie moet rondkomen met een leefloon.

Een pleidooi om de laagste lonen nog verder te drukken ‘omdat we alleen zo groepen die nu uit de boot vallen aan het werk krijgen’, is zo ook een pleidooi om de armoede bij wie géén werk vindt nog te verdiepen, bovenop het verder verwijden van de loonkloof tussen korter- en langgeschoolden. Het is een recept voor een verdere dualisering van de samenleving, niet alleen tussen wie wel en wie niet kan werken, maar ook tussen wie een goedbetaalde job heeft – en zij die ook elke dag aan de slag zijn, maar daar nauwelijks afdoende voor verloond worden.

— Dit stuk verscheen op 22 mei in De Morgen.

DdySqfUV0AEcTSM

Waarom doet de politiek van het wantrouwen het zo goed?

Waar wantrouwen regeert, kan geen gemeenschap bloeien. Waar argwaan wordt geïnstitutionaliseerd als beleid, ondermijnt men de fundamenten van de samenleving. Een gemeenschap steunt op vertrouwen in elkaar, kunnen vertrouwen op elkaar. Wie een cultuur van achterdocht installeert, ondermijnt elk gemeenschapsgevoel en werpt mensen terug op zichzelf. En nergens voelt men zich zo alleen en zo machteloos als waar men iedereen wantrouwt. Ondermijn het vertrouwen in elkaar, en mensen hebben het gevoel dat ze er alleen voorstaan.

Geef mensen het gevoel dat ze er alleen voorstaan, en ze zullen met des te meer achterdocht elke aanspraak van een ander op een plek aan de gemeenschappelijke tafel bekijken, betwisten en bestrijden, want hij bedreigt het deel dat mij rechtmatig toebehoort.

Men creëert een cultuur van ressentiment: dat de ander mag aanschuiven, betekent dat ik tekort gedaan word. Dus leggen we de ander onder de loep, op zoek naar fouten, op zoek naar schuld, op zoek naar een reden om hem uit te sluiten en zijn aanspraken als onrechtmatig weg te wuiven. Maar waar de individuele schuldvraag het fundament wordt van het beleid, kan geen solidariteit en gemeenschap meer bestaan.

Dat is het paradoxale: de partij die claimt de gemeenschapspartij bij uitstek te zijn, doet er alles aan het vertrouwen in elkaar aan te vreten en zo elk gemeenschapsgevoel en elke basis voor solidariteit te ondermijnen. Ze draaien de schroeven los van het kader dat de samenleving bij elkaar houdt, en wijzen er dan bezorgd op hoe de boel uit elkaar dreigt te rammelen.

Waarom doet de politiek van het wantrouwen het zo goed? Waarom zoveel succes voor elk voorstel dat argwaan institutionaliseert als beleid? Hoe komt het dat we ons zo snel zo tekort gedaan voelen door alles en iedereen? Is dit het tijdperk van de verongelijkte mens, door alles en iedereen bedreigd?

Soms lijkt het wel alsof we onze aanspraken rechtvaardigen louter door het afwijzen van de aanspraken van de ander. Soms lijkt het zelfs alsof we onze hele identiteit bouwen op het afwijzen van de identiteit van de ander: alsof we niet meer zijn dan het negatief van alles wat we verwerpen.

Door te wijzen op de schulden van de ander, tonen wij ons onschuldig; om onze eigen zuiverheid voor onszelf te bewijzen, volstaat het te wijzen op de onzuiverheid van de ander. Ik ben rein, want de ander is onrein: maar dat betekent ook dat ik telkens opnieuw moet wijzen op de onreinheid van de ander om mezelf rein te weten. Ik bewijs dat ik geen racist ben door te wijzen op het racisme van de ander; ik bewijs dat ik geen profiteur ben door te wijzen op het profiteren van de ander; ik bewijs dat ik recht heb op een deel van de koek door een ander zijn recht te bestrijden. We laven ons aan de fouten van de ander, en verheffen ons boven hem door hem te willen vertrappelen.

— Dit stuk verscheen op 8 mei in De Morgen.

De kaaiman bijt niet de superrijken, maar u en mij

Klein missertje: de Kaaimantaks levert niet 500 miljoen euro op, zoals door minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) begroot, maar slechts 5 miljoen. Heeft de kaaiman dan geen tanden? Toch wel: Van Overtveldt heeft een monstertje gebaard, en het bijt nijdig door.

Helaas worden de tanden ervan niet gevoeld door de allerrijkste families met complexe constructies in belastingparadijzen, opgezet door dure fiscale experts — de enigen voor wie de theorie van de trickle down economics wel opgaat, zo gulzig kunnen zij zich laven aan de bron.

De tanden van Van Overtveldts kaaiman worden gevoeld door de rest van de samenleving: door u, door mij, door onze families en door onze buren.

Over elke halve euro meer of minder voor lager geschoolde jongeren, langdurig zieken en gepensioneerden wordt gesjacherd dat het geen naam heeft, maar voor een half miljard euro meer of minder van de allerrijkste belastingontwijkers haalt men de schouders op.

Waar hij maar kan, blokkeert Van Overtveldt, stelt hij uit, opent hij nieuwe achterpoortjes, houdt hij Europese regelgeving tegen, ritselt hij en regelt hij, alles ter wille van de meest gefortuneerden.

De initiatieven die hij neemt om de rijkste families wél te doen bijdragen zijn keer op keer miskleunen, mislukkingen met voorbedachten rade, moedwillige sabotage van een eerlijke fiscaliteit.

Dat hij daarmee het ene na het andere gat in de begroting slaat: het zal hem een zorg zijn. Dat anderen, minder gefortuneerden, die gaten weer moeten dichten: wat kan dat hem schelen? Voor hem is de staat niet meer dan een instrument ten dienste van de private belangen van de allerrijkste families; het publieke belang kan hem gestolen worden.

Fiscale rechtvaardigheid betekent voor Van Overtveldt niet meer dan: straks gefêteerd worden door Frère en kompanen.

Fiscale constructies zijn legaal — tot ze dat niet meer zijn. Toelaten dat de rijkste families de rijkdommen die ze hier naar zich toe hebben getrokken via een complex systeem van sluizen en kanalen laten wegstromen naar belastingparadijzen, zodat ze niet meer aan onze maatschappij ten goede kunnen komen, is een keuze. Het is een beloning van antisociaal gedrag in maatpak, en zoals bij alle antisociaal gedrag gaat het ten koste van de gemeenschap.

Fiscale rechtvaardigheid is immers geen abstract begrip. Het tegenwerken van fiscale rechtvaardigheid wordt betaald door de rest van de samenleving. Het gaat om de bouwvakker en de truckchauffeur, de kleine bakker en de visagist, de leerkracht en de verpleger, de IT’er en de kassamedewerker die méér belastingen moeten betalen – omdat Van Overtveldt ervoor zorgt dat de rijkste families minder hoeven bij te dragen.

Elke euro die de meest gefortuneerden minder bijdragen, is een euro meer belastingen voor wie minder rijk is. Elke euro extra die Van Overtveldt laat wegvloeien naar de verborgen koffers van de allerrijkste families, is een euro minder voor wie ziek is, voor wie met pensioen gaat, voor wie school loopt, voor wie zorg nodig heeft, voor betaalbare en schone energie of voor een betere mobiliteit.

Van Overtveldt is goed in het uitdelen van cadeautjes aan wie geen cadeaus meer nodig heeft, en schuift de rekening vervolgens door naar de rest van de samenleving.

De onbeschaamdheid waarmee Van Overtveldt de boel belazert, is gênant, dat men hem rustig laat begaan van het goede te veel. De enige vraag die nog rest, is op welke wijze hij beloond zal worden voor bewezen diensten.

— Dit stuk verscheen in De Morgen van 25 april.