Uitgelezen: “Nieuwe vrijheid”, van Gwendolyn Rutten

Er verschijnen veel politieke boeken in Vlaanderen, misschien wel te veel. Of beter, er worden in Vlaanderen veel boekjes geschreven door politici, en nog meer door hun anonieme ghost writers. Het levert de m/v die ons vanop de cover toelacht enkele kranteninterviews op en een tv-optreden (“een heus boek?”), de partijleden krijgen een exemplaar in hun handen geduwd, en enkele maanden later staat het pamflet te vergelen in het rek van de stadsbibliotheek, netjes in het gelid naast zijn lotgenoten, waar het sneller wordt vergeten dan het werd geschreven.

Ook Nieuwe vrijheid is zo’n boek.

De opdracht die Gwendolyn Rutten zichzelf aan het begin van Nieuwe vrijheid stelt is nochtans ambitieus en lovenswaardig: “Laten we de vrijheid heroveren. Opnieuw definiëren. Bakens verzetten en opnieuw op zoek gaan naar een nieuwe vrijheid voor een nieuwe tijd.”

Ze stelt immers vast dat we ons op een keerpunt van de geschiedenis bevinden —het lijkt een constante te zijn dat elke tijd zich uniek acht, een moment van ongeziene verandering—, en dat betekent ook dat we de oude waarden en begrippen die onze samenleving mee vorm hebben gegeven moeten herijken, dat we ze opnieuw moeten uitvinden voor de maatschappij die nu gestalte krijgt. En opdat ook die komende maatschappij georganiseerd zou zijn volgens de principes van de liberale democratie, die superieure samenlevingsvorm, moeten we precies het ideeëngoed dat aan die liberale democratie ten grondslag ligt durven herdenken. Daarom dus: op zoek gaan naar een nieuwe vrijheid voor een nieuwe tijd.

Bijzonder ambitieus, bijzonder lovenswaardig. Elke ideologie hoort van tijd tot tijd te herbronnen om zichzelf opnieuw te vinden — een oefening die niet alleen voor de eigen aanhang interessant is, maar voor iedereen die het niet onverschillig laat volgens welk plan aan de maatschappij waarin we leven gebouwd wordt. Het liberalisme is een sleutelideologie voor onze samenleving, vrijheid een sleutelbegrip. Dat begrip opnieuw definiëren voor onze tijd, zoals Rutten zich voorneemt, heeft dan ook een bijzonder belang: in het vormen van ons idee van vrijheid vormen we ons een idee van onszelf, van onze samenleving, en van onze plaats in de samenleving. Wat bedoelt Rutten dus met ‘vrijheid’? Hoe verschilt haar, naar eigen zeggen nieuwe, vrijheidsbegrip van het oude, dat blijkbaar niet meer voldoet voor deze nieuwe tijd? Waar botst haar vrijheidsbegrip op zijn grenzen? Hoe kan de samenleving het best de vrijheid van al haar leden garanderen, en volstaat het wegnemen van wettelijke belemmeringen om vrijheid te creëren?

Tweehonderdenacht pagina’s later kan ik alleen maar vaststellen dat als Rutten al een antwoord geformuleerd heeft op de vraag wat vrijheid vandaag betekent, het niet in Nieuwe vrijheid te vinden is.

Nergens komt Rutten verder dan de nogal primitieve voorstelling dat ‘meer vrijheid’ gelijk staat aan ‘minder regels’, en ‘minder regels’ gelijk staat aan ‘meer vooruitgang’. Mogelijke complicaties bestaan niet, laat staan een fundamentele bevraging van dit idee. Gevolg: Rutten vaart eerst uit tegen de “betutteling” en “regelneverij” die onze voortgang in de vaart der volkeren fnuiken, ze veroordeelt het doemdenken dat die bedilzucht motiveert en verwijst het naar de vuilnisbak: we hebben het immers nog nooit zo goed gehad als nu. – En om dit te staven haalt Rutten het voorbeeld aan van onze rivieren die eindelijk weer vol vis zitten.

Om een bekende boutade uit de Belgische politieke geschiedenis te parafraseren: volgens Rutten is de vis vanzelf uit onze rivieren verdwenen, en is ze er ook vanzelf weer in verschenen. Dat net haar eigen voorbeeld het belang van regulering en overheidsingrijpen aantoont om het welzijn van de hele samenleving te garanderen, lijkt haar compleet te ontgaan.

Dit is symptomatisch voor het hele pamflet. Nergens raakt Rutten verder dan het sloganeske, nergens durft ze ook maar een millimeter onder de oppervlakte te duiken. Wanneer we mensen vrij laten om naar eigen goeddunken te ondernemen, is vooruitgang verzekerd — klaar. Maar wat als individueel gewin leidt tot collectief verlies? Wat als de vrijheid die de ene voor zichzelf opeist, de welvaart en het welzijn van anderen ondermijnt? Wat als alleen overheidsingrijpen de mogelijkheden creëert waarin mensen in vrijheid hun welzijn kunnen nastreven? Niet alleen laat Rutten zulke vragen onbeantwoord, ze schijnen niet eens in haar op te komen. Dat twee partijen in een ongelijke machtspositie volstrekt ‘vrij’ laten om tot een vergelijk te komen er alleen toe dient om die ongelijke machtsverhouding te bestendigen, indien niet te versterken: als Rutten het al beseft, laat het haar volledig koud.

In een discussie over de kwalen van de islam (zo moedig is Rutten wel), stelt ze terecht dat de vrijheid van de ene stopt waar de vrijheid van een ander in het gedrag komt, en dat er geen sprake van kan zijn om de consequenties van individuele voorkeuren af te wentelen op de samenleving – maar ze lijkt geen enkel besef te hebben van een conflict tussen deze claim en de vrijheid die ze voor zichzelf opeist om te vervuilen zoveel ze wil en te wonen waar ze wil. Dat ook haar keuzes weleens sociale kosten met zich mee zouden kunnen brengen, ontgaat haar blijkbaar volledig.

Het is typerend voor het zogenaamd progressieve liberalisme van Rutten: het consacreert de vrijheid van wie fortuin heeft om te profiteren van wie minder fortuinlijk is. Helaas ontbeert ze de intellectuele eerlijkheid om deze consequentie ook onder ogen te durven zien.

Rutten pleit ervoor bedrijven volledig vrij te laten in het bepalen van de arbeidsvoorwaarden, en ontkent dat dit weleens zou kunnen leiden tot misbruik: ontevreden werknemers kunnen immers altijd hun beklag doen op Facebook, en dat zal komaf maken met elk misbruik. (Serieus. Cf. bijv. p. 42 of 47.) Ze erkent dat netwerken meer en meer over ons te weten komen, dit ten gelde maken, ons gedrag sturen zonder dat we er zelf zicht op hebben – maar doet met dit feit vervolgens helemaal niets, laat staan dat ze enige woorden zou wijden aan wat dit betekent voor de verhouding tussen individu en bedrijf in een ‘vrije’ samenleving.

Werkgevers volledig vrij laten in het opleggen van arbeidsvoorwaarden (de werknemer heeft tenslotte altijd de vrijheid ervoor te kiezen zijn inkomen te verliezen), progressieve inkomensbelastingen vervangen door een vlaktaks (zonder echter het lef te hebben het zo te noemen), komaf maken met elke vorm van vermogensbelasting (want, zo motiveert ze deze keuze, bezit is in deze tijden toch niet meer belangrijk) en die vervangen door een taks op gebruik, of nog, het verder verhogen van de regressieve consumptiebelastingen: het resultaat is een uitermate regressieve samenleving ontsproten uit de koker van een uitermate regressief liberalisme dat armoede in dit land zou doen ontsporen en de ongelijkheden doen exploderen. Dat dit een lachertje maakt van haar bewering dat ze mensen “gelijk aan de start” wil krijgen, is niet meer dan een zoveelste contradictie in een betoog dat zelfs niet met haken en ogen aan elkaar hangt. Nieuwe vrijheid? Negentiende-eeuwse slogans.

Misschien nog een laatste voorbeeld. In een liberale samenleving moet iedereen z’n leven naar eigen inzicht kunnen inrichten. Hoezeer we een gebruik ook absurd vinden, een levenskeuze onbegrijpelijk, ja zelfs “achterlijk”, hoezeer het ook afwijkt van wat de gebruiken van de meerderheid van de bevolking zijn: zolang de manier van leven van de ene geen inbreuk vormt op de vrijheid van een ander om zijn leven naar eigen inzicht in te richten, heeft de samenleving daar verder geen zaken mee. Rutten maakt daarvan: “Wie overdrijft brengt de vrijheid in gevaar. Dat is de essentie van de oproep om ‘normaal’ te doen. Normaal betekent ‘wat hier de norm is’.” Tot zover het liberalisme van Rutten.

Dat men dit pamflet enige aandacht waardig vindt in plaats van het gegeneerd te negeren, volstaat op zich als de meest harde veroordeling van het intellectuele niveau van deze generatie politici.

— Dit stuk verscheen in het juni-nummer van Samenleving en Politiek.

Een ziek systeem

Geen verontwaardiging, maar misprijzen. Misprijzen voor het karakter van een man die er geen graten in zag zichzelf te verrijken op de kap van de meest kwetsbaren, voor een man die zichzelf een extraatje gaf naar rato van het maandloon van een ander. Maar ook misprijzen voor een systeem waarin zo’n man kon gedijen, en velen met hem. Misprijzen voor een systeem waarin zelfrechtvaardiging en het onvermogen grenzen te herkennen tot hoogste kunstvorm zijn verheven. Een systeem waarin wij, kameraden onder elkaar, wel weten hoe het werkt. Wij houden het land recht, bedisselen de zaakjes, belonen elkaar met een zitje in een bestuur hier en een mandaat daar, want wie anders dan wij kan de boel beredderen? Een clubje van ons-kent-ons, politici, bedrijfsleiders en managers, topadvocaten en lobbyisten, regelaars en manusjes-van-alles onder elkaar, die het algemeen belang dienen bij een goed diner en een nog betere wijn.

Misprijzen voor een systeem waarin de burgemeester (excuseer, sociaal-assistent) van de hoofdstad van het land zich liet betalen om te aanschouwen hoe mensen in zijn eigen stad op straat moeten leven – en blijkbaar niet inzag hoe hoogst problematisch dat is. Maar hoe zou hij dat ook moeten inzien? Al zijn vrienden in de club verdienen bij met elk nieuw bestuursmandaat dat ze in al hun goedheid willen opnemen, waarom zou hij het anders moeten doen? Het onbegrip, ook: waarom begrijpt men niet dat hij zich opofferde voor de goede zaak? En om wat ging het ook? Een zakcentje, nauwelijks voldoende om een nieuw maatpak mee te kopen, een extraatje dat in het niets verzinkt bij wat zijn kameraden die het verstand hebben in de privé te werken, bijverdienen met bestuurszitjes her en der.

De verontwaardiging om Yvan Mayeur (PS) is terecht, het misprijzen gerechtvaardigd, zijn ontslag niet meer dan normaal. En toch wringt er wat. Het is te vanzelfsprekend, en niet verregaand genoeg. Het is gemakzuchtig, maakt zich er al te snel vanaf.

Zijn gedrag paste perfect in het algemene plaatje, waarin politici zetelen in bestuursraden van bedrijven die door de overheid moeten worden gereguleerd; professoren opduiken als onafhankelijke experts in parlementscommissies en er verzwijgen dat ze zich voor dat werk laten betalen door lobbygroepen; kabinetsmedewerkers bijverdienen door nieuwe wetgeving waar het parlement nog niets van weet toe te lichten aan bedrijven, en hoe zij er het best gebruik van kunnen maken; en de beroepsorganisatie van fiscalisten en boekhouders medewerkers van de rulingdienst op cruise stuurt naar de Kaaimaneilanden. Het is een systeem waarin dezelfde zevenendertig mensen elkaar tegenkomen in de bestuursraden van allerhande bedrijven, investeringsvehikels en adviesorganen, waar ze elkaar met raad en vooral met daad kunnen bijstaan en elkaars loonsverhogingen kunnen goedkeuren als ‘marktconform’.

Het is een systeem waarin het management zichzelf nieuwe aandelenopties toekent net voor een nieuwe ontslagronde, en vervolgens gnuivend oreert over de beloning van hard werk en de noodzakelijke harde aanpak van werkschuwen, en belastingontduiking op grote schaal niet meer dan normaal is, neen, zelfs gerechtvaardigd, en wat niet formeel verboden is, is ook niet laakbaar, toch? Een systeem waarin het onbetamelijke gedrag van Mayeur door een beroemd vermogensbeheerder terecht wordt bestempeld als crimineel – want wat is stelen van de armsten anders? – maar belastingoptimalisatie, zoals dat heet – miljoenen euro’s spenderen aan het opzetten van alle mogelijke constructies om toch maar zo weinig mogelijk te moeten bijdragen aan de publieke diensten – een teken is van bewonderenswaardig ondernemerschap.

Het is een ziek systeem, waarin we over elkaar tuimelen van verontwaardiging en schande spreken over een Mayeur die geld opstreek bedoeld voor daklozen, maar we toch met nog net iets meer misprijzen wegkijken van wie op straat moet leven.

 

— Dit stuk verscheen op 9 juni in De Morgen.

Mensen belonen voor een gezonde levensstijl: klinkt goed, is fout

Beloon mensen voor hun gezonde levensstijl door hen minder te laten bijdragen aan de ziekteverzekering: dat is het voorstel van gezondheidseconoom Erik Schokkaert (KU Leuven). Chronische ziektes leggen een steeds zwaardere hypotheek op de betaalbaarheid van de gezondheidszorg, terwijl ze minstens ten dele te vermijden vallen door een gezondere levensstijl: opdat iedereen bereid zou blijven mee te betalen aan de gezondheidszorg, moeten we mensen belonen die ervoor zorgen dat de kosten gedrukt worden. Alleen zo redden we de noodzakelijke solidariteit.

Klinkt goed, is fout.

Het veronderstelt dat mensen in een vacuüm leven, iedereen even vrij is om te doen en te laten wat hij maar wil, en dat iemands levensomstandigheden terug te voeren zijn op eigen keuzes. Het miskent de complexiteit van het leven, het miskent dat net zoals in elke situatie wel gewezen kan worden naar de rol van wat iemand heeft gedaan of net heeft nagelaten te doen, zo ook toeval, geluk, en niet te controleren omstandigheden overal wel met een voet tussen zitten.

Het is hoe dan ook ondoenbaar om precies af te wegen welke factor precies welke rol speelt, waar ‘eigen keuze’ en ‘eigen verantwoordelijkheid’ precies stoppen en waar ‘geluk’ en ‘structurele factoren’ beginnen, en wat men dus in hoeverre hoort te compenseren.

Kortgeschoolde mannen roken veel vaker dan hooggeschoolde vrouwen: als men daar rekening mee houdt, zal men dan de kortgeschoolde man die niet rookt een grotere korting geven dan de hooggeschoolde vrouw? En als men dit niet doet, negeert men dan niet de sociale factoren die bijdragen aan een ongezondere levensstijl, factoren die niet tot het vrije keuzedomein behoren? Zal men de alleenstaande moeder die een vochtig en slecht geïsoleerd huisje huurt een hogere premie laten betalen dan de tweeverdiener in het goed geïsoleerde appartement? 

Stadslucht maakt vrij, zegt men, maar stadslucht is ook erg ongezond: de luchtkwaliteit in sommige straten en wijken is zo slecht dat ze leidt tot ademhalingsproblemen, chronische longaandoeningen, een korter leven. Het was mijn keuze om in de stad te gaan wonen, ik had me ook een plekje op het platteland kunnen zoeken: gaan we dus de pendelaar belonen omdat hij koos voor de gezondere buitenlucht? Het zou absurd zijn: het is zeggen de koorts te willen bestrijden, zonder iets aan de ziekte te doen.

Solidariteit schragen op de individuele schuldvraag trekt een infernale machine op gang, in de woorden van de Franse politieke filosoof Pierre Rosanvallon in La société des égaux: het fixeert onze aandacht op het gedrag van de ander, voedt het ressentiment, de stigmatisering, en het wantrouwen, en ondergraaft zo wat het zegt te willen redden, de noodzakelijke solidariteit en gemeenschapsgevoel. Men verdoezelt het collectieve falen en negeert de achterliggende structurele factoren: veel eenvoudiger iemand met de vinger te wijzen omdat hij een ongezond leven leidt, dan de maatschappelijke structuren die tot gezondheidsongelijkheid leiden te veranderen. 

Het is een gemakzuchtige oplossing, die toelaat dat de moeilijke vragen ongesteld blijven, en waar het zegt het opnemen van individuele verantwoordelijk te belonen, betonneert het net de structuren die de ongelijkheden vergroten.

— Dit stuk verscheen op 13 juni in De Morgen.

Een permanente staat van crisis

“Dit boek,” schrijft Louis Paul Boon aan het begin van De Kapellekensbaan, wil “in zijn grote lijnen de moeizame opgang van het socialisme tekenen” in de jaren “1800-en-zoveel”, maar speelt ook “in onze moderne dag van vandaag”, waar het “op zoek gaat naar de waarden die waarlijk tellen, op zoek naar iets dat de neergang van het socialisme tegenhouden kan.”

De Kapellekensbaan verscheen in 1953, na een moeizame leurtocht langs weigerachtige uitgeverijen. In zijn vertwijfeling, haast verslagenheid, in zijn beeld van een linkse beweging die zichzelf van alle macht heeft ontdaan, aangevreten als ze is door ordinair geruzie, carrièrisme, machtswellust, en cynisme, in zijn woede om de schijnbare verachting van de politieke kaste voor ‘de kleine man’, schetst het boek een portret dat ons pijnlijk vertrouwd toegrijnst.

Het afvallen van het geloof, is het niet in de linkse zaak zelf dan toch in de linkse beweging en zeker in de klassieke partijvertegenwoordiging ervan, is allesbehalve nieuw. Halfweg de vorige eeuw probeerde L.P. Boon zijn verbittering over de mismeestering van de socialistische zaak al van zich af te schrijven; de eigen tijd is zelden zo bijzonder als we wel willen denken. Toch lijkt er ook een verschil te zijn: de teleurstelling van Boon, en van velen met hem, kon de toenmalige socialistische partij nauwelijks deren. Ze hadden zich een weg gebaand naar het centrum van de macht, naast christen-democraten en liberalen, en niets leek hen daar weer te kunnen verjagen. Een alternatief voor het machtsmonopolie van de klassieke partijen was schier ondenkbaar.

Ter illustratie: in 1954, bij de eerste verkiezingen na het verschijnen van De Kapellekensbaan, haalde de socialistische partij 37%, de christelijke volkspartij meer dan 41%, de liberalen nog 13%. Andere partijen kwamen niet verder dan één, twee, nauwelijks drie procent van de stemmen. Ongenaakbaar zetelden de vertegenwoordigers van de klassieke politiek in het pluche van Kamer en Senaat. En nu? PS en sp.a haalden in 2014 samen nog net iets meer dan twintig procent van de stemmen, een grens die liberalen (nipt) en christen-democraten (bijlange na) niet haalden. Een gelijkaardig beeld in andere landen: het verlies van het geloof in de klassieke politiek verdrijft de klassieke partijen van hun vanzelfsprekende plaats in het centrum van de macht, decimeert hier hun stemmenaantal, dringt hen ginder de mores van de buitenbaan op.

Ideologie wordt met luide stem afgezworen, ‘links’ en ‘rechts’ zijn voorbijgestreefd —wil tenslotte niet iedereen hetzelfde?, samen erop vooruit!—, politieke conflicten worden weggezet als niet meer dan vervelende spielerei die het aanpakken van de ‘echte’ problemen in de weg staan. De betaalbaarheid van gezondheidszorg en pensioenen, het terugdringen van de werkloosheid, het verzekeren van de energievoorziening, het aanzwengelen van de economie, de impact van nieuwe technologie… : het zijn dan niet meer dan technische vraagstukken die een technisch antwoord behoeven, en het formuleren van het juiste antwoord wordt best overgelaten aan experts allerhande — die, zo heet het, ideologisch neutraal zouden zijn, en anders dan politici niet gevangen zitten in het partijpolitieke spel dat elke vooruitgang in de weg staat. We horen dan maar aan te nemen dat onenigheid over sociale en economische thema’s niet getuigt van een ideologische strijd over welk soort samenleving we wensen, en hoe daar te komen, waarbij verschillende waarden in soms onverzoenbaar conflict met elkaar komen. We horen maar te geloven dat het probleem louter het ontbreken van de juiste technische fix is, en niet de clash tussen verschillende visies over waar het met de maatschappij naartoe moet.

Op het eerste gezicht kan het paradoxaal lijken dat het verlangen om politiek te willen uitbesteden aan technische experts die boven het politieke gewoel zouden uitstijgen tegelijk gepaard gaat met de (weder)opkomst van de keuze voor ‘radicale’ oplossingen. Het is echter een valse paradox: uit verveeldheid met het klassiek-politieke conflictueuze compromismodel dat voortvloeit uit het simpele feit dat fundamentele waardenconflicten stuiten op de noodzaak tot compromis door het pluriforme karakter van het volk en de weerbarstigheid van de realiteit, keert men zich ofwel naar de substitutie van politiek door expertise (zogenaamd ideologisch neutrale technische oplossingen voor technische problemen: ‘politiseren’ leidt immers tot overbodige conflicten die welvaart en vooruitgang in de weg staan), ofwel tot radicale oplossingen die het huidige systeem “waar alles geblokkeerd is” willen vervangen door iets helemaal ‘nieuw’, wat in zijn meest extreme vorm kan leiden tot een sentiment dat de legitimiteit van een ander politiek maatschappijbeeld in twijfel trekt.

In beide gevallen is er sprake van een hang naar ‘zuiverheid’ en een zekere ontkenning van de complexiteit van het politieke bedrijf, een complexiteit en ‘vuilheid’ die niet per se zijn ingegeven door een uitverkoop van politieke principes of het gecapteerd zijn van alle ‘politiekers’ door private belangen, maar door de complexiteit van de realiteit zelf. De ene ontkent dan de legitimiteit van het politieke conflict en van de clash tussen verschillende ideologieën door elke discussie aan het politieke bedrijf te willen ontrekken, de discussie te willen verheffen naar een louter technisch niveau, ver boven ‘louter oude partijbelangen’, om ‘eindelijk weer vooruit te kunnen’; de ander ontkent de legitimiteit van het conflict door de rechtmatigheid van elk ander maatschappijbeeld te verwerpen, ontkent ook de legitimiteit van elk compromis (want hoe kan men legitiem een compromis sluiten met de vertegenwoordigers van een illegitieme ideologie?), en verdoezelemaant de complexiteit van de realiteit – eerst in woorden, desnoods in daden.

Als het uitgesproken ideologische conflict over de sociale en economische organisatie van de samenleving zelf al niet wordt afgestreden als illegitiem, raakt het vandaag de dag wel versmoord en overwoekerd door een soms ronduit giftig conflict over -kortgezegd- identiteit, dat jaar na jaar aan intensiteit en bitterheid lijkt te winnen. Jonge dertigers van nu zijn politiek groot geworden in de periode van 11 september en de opkomst van en moord op Pim Fortuyn, en het van toen af aan alleen maar aanzwellende geroep en getier over en weer over de vermeende clash tussen culturen. De enige strijd die werkelijk leeft, zo lijkt het soms, is de strijd tussen verschillende visies op identiteit. Ja, met de eeuwwisseling zagen we wel de andersglobalistische beweging en de rellen in Seattle en Genua, bij de financiële crisis de Indignado’s en Occupy Wall Street, maar hoeveel weerklank vond dit in de huiskamers en op de voetbaltribunes, en hoeveel weerklank de cultuurstrijd en zijn uitwassen?

Dit conflict ligt de rechterzijde (of toch op z’n minst bepaalde strekkingen daarbinnen) beter dan links. Het behoort tot de kern van het rechtse politieke discours om te hameren op het belang van identiteit, het belang van worteling in een bepaalde cultuur en de onontkoombaarheid ervan, het belang van homogeniteit als basis voor gemeenschap, op de botsing van culturele waardenkaders. Het ‘kosmopolitische’ discours dat daar soms tegenover wordt geplaatst strijkt tegen de haren in, en wordt bovendien vanuit de linkerzijde zelf ondermijnd: de ene rent rechts achterna door het belang van identiteit te omarmen, de ander omarmt een vorm van identity politics die net zozeer personen categoriseert en (de)legitimiseert op basis van ‘uiterlijke’ (in brede zin) kenmerken die al wat de persoon doet of zegt bepalen en overschaduwen. Waar geen plaats meer voor lijkt te zijn, is de klassenstrijd: afgeleefd, voorbijgestreefd, niets meer mee te maken.

Dit hoeft ook niet te verwonderen. In zekere zin heeft de sociaal-democratie zichzelf schijnbaar overbodig gemaakt doordat ze, ondanks alle geruzie, carrièrisme, machtswellust, en cynisme waar L.P. Boon zich al over beklaagde, erin geslaagd is enorme maatschappelijke veranderingen ten goede af te dwingen. Het is geen nieuws dat het streven naar een meer gelijke samenleving de massa makkelijker inspireert wanneer klaar en duidelijk is dat zij daar bij te winnen heeft, dan wanneer ze grotendeels is opgeklommen tot middenklasse en zij voortdurend te horen krijgt dat ze haar duur bevochten verworvenheden dreigt te verliezen (de sociale zekerheid is in gevaar, uw pensioen wordt onbetaalbaar). Zij zien zich nu niet meer als winnaars van een meer gelijke samenleving; een pleidooi voor gelijkheid klinkt in hun oren vooral als een claim die hun rechtmatige deel van de koek bedreigt. Verbaast het dan dat de socialistische boodschap zijn wervende kracht verloren heeft, en dat partijen geloven dat ze hun boodschap ofwel grondig moeten bijstellen, ofwel dreigen gemarginaliseerd te worden?

En dus verdwijnt gelijkheid, de grondwaarde van socialisme en sociaal-democratie, uit het politieke vocabularium: socialistische partijen streven niet meer naar een samenleving van gelijken, maar naar een samenleving waarin iedereen gelijke kansen krijgt – een streven onschuldig genoeg om er niemand mee voor de borst te stoten, zo onschuldig zelfs, dat het, toch minstens in woorden, gedeeld wordt door partijen doorheen het hele politieke spectrum. Handig genoeg kan diezelfde frase ook dienen als zelfrechtvaardiging voor de positie van de middenklasse om wiens hand elke partij dingt: in een samenleving waarin iedereen gelijke kansen krijgt, hoef ik me niet druk te maken om de achterblijvers; zij hadden maar, net zoals ik, hun kans moeten grijpen. “Eerlijk aan de start, zonder de belofte samen aan te komen”: wie hard rent, verdient zijn prijs; wie er op z’n dooie gemakje achteraan komt sloffen, moet achteraf ook niet lopen zeuren. Een illusoire meritocratie heeft de aristocratie vervangen, de idolatrie van de succesvolle man de strijd voor een samenleving van gelijken.

Het terrein ligt zo open voor populisten die ‘het volk’ zeggen te vertegenwoordigen, beweren het te verdedigen tegen wie de positie en de welvaart van dat volk bedreigt – en in een zogezegd meritocratische samenleving is dat niet wie van het systeem weet te profiteren om een boven het volk verheven positie te verwerven (hij heeft de kansen gegrepen die het leven hem biedt, een voorbeeld voor ons allen), maar de achterblijver. De welvaart en positie van het middenklassevolk beschermen, dat betekent dan: de claim van de ander op een plaats aan de tafel verwerpen. Die andere heeft zijn kansen niet gegrepen, hij maakt geen deel uit van de gemeenschap: om het sociaal systeem te redden, de sociale cohesie te bewaren die solidariteit maar mogelijk maakt, moeten zijn aanspraken als onrechtmatig verworpen worden. En hoe meer de welvaart van het land en van ‘de mensen’ in gevaar lijkt, hoe meer zij denken te verliezen te hebben, hoe donkerder het toekomstperspectief, hoe aantrekkelijker het wordt het onderscheid te maken tussen wie wel en wie geen recht heeft op een deel van de welvaart van dit land, hoe belangrijker het wordt de grens te trekken tussen een ‘wij’ en een ‘zij’. En er zal altijd een ‘zij’ gevonden worden, iemand die zijn kansen niet greep, of iemand die er niet echt bij hoort, er niet echt bij wil horen, en dus uit ons midden gebannen dient te worden.

De sociaal-democratie lijkt zo wel veroordeeld tot een permanente staat van crisis. En zolang het ideologische conflict zelf weggezet wordt als illegitiem, zolang de idolatrie van de meritocratie de rigueur is, zolang de sociaal-democratie er niet in slaagt weer stem te geven aan een verhaal van inclusie, van vooruitgang die gedeeld zal zijn wil het vooruitgang zijn, van vrijheid die gelijkheid veronderstelt, zal die crisis blijven duren, en zullen we met Louis Paul Boon op zoek blijven naar “de waarden die waarlijk tellen, op zoek naar iets dat de neergang van het socialisme tegenhouden kan.”

Twee concrete voorstellen in de strijd tegen armoede

Minder dan één euro en vijfenzestig cent per dag. Daarmee moet een alleenstaande leefloner die huurt op de private markt zien rond te komen. Eten, drank, kleding, een doktersbezoek en medicatie, vervoer, en dan liefst nog iets opzij zetten voor onverwachte kosten – met minder dan één euro en vijfenzestig cent. Het is onderzoek van Bérénice Storms (UA) dat aanschouwelijk maakt hoeveel een leefloon bedraagt. Of neem een alleenstaande langdurig werkloze: na aftrek van de noodzakelijke vaste kosten heeft hij per dag nog vijf euro om van te leven. Vijf euro om te eten en te drinken en zich te kleden en het hoofd geheven de deur te kunnen verlaten.

Armoede in België is blijkbaar een schande die onuitwisbaar is, een natuurfenomeen waar de mens geen greep op krijgt, want welke kleur de regering ook heeft, welke partijen ook aan de macht zijn, de armoedecijfers zelf lijken wel vastgeroest. Men oreert, ten gronde verandert er niks. Gisteren berichtte deze krant nog dat ondertussen al bijna vier op tien leerlingen in het secundair onderwijs in Vlaanderen kansarm is. Meer dan 170.000 leerlingen die elke dag opnieuw moeten vechten om er te komen. Men oreert, men vergooit de kansen van een hele generatie.

Nochtans hoeven we geen cent meer uit te geven dan nu om armoede drastisch terug te dringen. En Vlaanderen kan het goede voorbeeld geven, het zogenaamde Belgische immobilisme omzeilen.

Stap één. Armoede is een probleem van te lage inkomens. Sinds de Zesde Staatshervorming is Vlaanderen bevoegd voor de kinderbijslag, goed voor 3,6 miljard euro. Verhoog daarmee het beschikbaar inkomen van gezinnen in armoede. Ter illustratie. Één kind op zeven groeit op in een gezin onder de armoedegrens. Tien euro minder voor de zes kinderen die het beter hebben, of 33 cent per dag, creëert dan de financiële marge voor een verhoging van de kinderbijslag voor een kind in armoede met zestig euro, of twee euro per dag. Voor de ene nauwelijks merkbaar, voor de andere een dramatisch verschil.

Stap twee. Armoede is een probleem van te hoge vaste uitgaven: wonen is te duur. Sinds de Zesde Staatshervorming is Vlaanderen baas over de woonfiscaliteit. 1,76 miljard euro geven we uit aan belastingverminderingen voor huiseigenaars, een nogal absurde omgekeerde herverdeling die zijn doel volledig voorbij schiet. We verschuiven middelen van wie minder naar wie meer heeft, en het resultaat is duurdere woningprijzen en een veel te kleine en veel te dure private huurmarkt; mensen met een laag inkomen betalen het belastingvoordeel voor wooneigenaars, en worden daarvoor beloond met een hogere huurfactuur. Heroriënteer die middelen naar een forse en blijvende investering in sociale huisvesting, in het ondersteunen en uitbreiden van het onderste segment van de private huurmarkt, in middelen voor sociale verhuurkantoren, en maak zo wonen weer betaalbaar voor iedereen.

Dáár wordt armoedebeleid gemaakt of gekraakt, daar wordt het verschil gemaakt, en daar heeft Vlaanderen de kansen die het kreeg met de Zesde Staatshervorming compleet vergooid.

Voor wie rond moet komen met twee euro, vijf euro, tien euro per dag, betekent elke euro extra een grote sprong vooruit in levenskwaliteit en in kansen voor kinderen. De euro extra verdwijnt niet, zoals nu, op een spaarrekening waar het nauwelijks wat oplevert, maar koopt hen wat nodig is om te kunnen leven: zij kunnen niet anders dan elke euro onmiddellijk opnieuw investeren in de economie. Hun beschikbaar inkomen structureel verhogen en alle kinderen kansen geven zou vanzelfsprekend moeten zijn, maar is dus ook gewoon goed voor de economie. 

— Dit stuk verscheen op 30 mei in De Morgen.

De Staat kan zelfs uw recht op recht niet meer verzekeren

Onze staat lijkt meer en meer op het Brusselse Justitiepaleis: een gigantisch bouwwerk vol barsten en scheuren, loshangende dakgoten en lekkende daken, waar men stelling na stelling tegenaan sodemietert om te verhelen dat de hele zwik dreigt te bezwijken onder zijn eigen gewicht. Ooit zal men wel eens een grondige renovatie ondernemen, ooit, maar nu nog niet. Voorlopig vangen we de inslaande regen wel op met een tijdelijk afdakje hier, een zeiltje daar, en waar de oude stelling begint door te zakken, zwieren we er wel weer een al even tijdelijke stellage tegenaan. Tot de voorlopigheid eeuwigdurend lijkt.

De plannen die minister van Justitie Koen Geens (CD&V) zondag trots voorstelde: nog zo’n stellage die moet verbergen dat Justitie alsmaar dieper wegzakt in de modder. Deemoedig moest Geens voor de televisiecamera’s bekennen dat Justitie stilaan onbetaalbaar dreigt te worden voor de middenklasser. Een schandaal, zou je denken, wanneer alleen wie zijn portefeuille wagenwijd opentrekt nog beroep kan doen op justitie en zijn rechten kan doen gelden. Een regelrecht schandaal, wanneer de Staat het recht op recht niet meer kan verzekeren voor elke burger in dit land.

Koen Geens weet zelf beter dan wie ook hoe onbetaalbaar justitie geworden is: onder zijn bewind ging de factuur van advocaten met een vijfde de hoogte in door de invoering van de BTW. Geens verhoogde de kosten voor gerechtelijke procedures. Geens voerde ook het remgeld in bij Justitie, waardoor iedereen bij elke stap die hij wil zetten moet bijbetalen — ook op te hoesten door wie onvermogend is verklaard door het OCMW. Alles om de ‘overconsumptie’ van justitie tegen te gaan. Alsof mensen voor hun plezier naar de rechtbank stappen. Alsof iemand voor de lol een beroep doet op een advocaat. Geens weet dus als geen ander hoe duur justitie nu is, want het is Geens zelf die iedereen, of hij nu rijk is of arm, een torenhoge factuur opsolfert voor wat vanzelfsprekend zou moeten zijn: rechtsbescherming, en toegang tot justitie. Uw eigen rechten afdwingen? Alleen tegen een fikse som.
Maar nu heeft Geens dus een geniaal plan. Als de Staat uw toegang tot het recht niet langer kan of wil garanderen (blijkbaar is dat niet langer een kerntaak van de overheid), dan moet de markt het maar overnemen, en daar wil deze regering wél middelen voor vrijmaken.

IJverig beginnen ze de timmerwerken aan een nieuwe koterij: wie het zich kan permitteren, kan een extra verzekering afsluiten tegen te hoge gerechtskosten, en om die ‘oplossing’ voor de onbetaalbare toegang tot Justitie te slijten, creëert de regering er nog maar eens een fiscaal uitzonderingsregime bij: wie het geld heeft om die verzekering aan te schaffen, kan die ook aftrekken van de belastingen. De anderen dragen wel wat meer bij ter compensatie. Een extra fiscale koterij dus, om te verhelen dat de Staat faalt in één van zijn meest cruciale kerntaken. Een extra stellage, om de bouwvalligheid van het Justitiepaleis weg te stoppen. Verzekeringsmaatschappijen zullen zich in de handen wrijven, advocaten ook. En wie zich geen verzekering kan veroorloven? Pech. Red uzelve. De Staat kan niet alles doen. De Staat kan zelfs uw recht op recht niet meer verzekeren.

— Dit stuk verscheen op 16 mei in De Morgen.

Regressief liberalisme, of: er is niets 21ste-eeuws aan het afbreken van sociale rechten

Moest een partij als Open VLD niet bestaan, ze zouden ze moeten uitvinden: nog meer dan sp.a doen ze hun uiterste best om het belang van solidariteit en sociale rechten in de verf te zetten. Neem nu hun pensioenpleidooi. Hun voormalig kopstuk Vincent Van Quickenborne, blijkbaar even uit het oog verloren dat hij zelf minister van pensioenen was, ontdekte plots dat het pensioen van sommige kleine zelfstandigen nog kleiner is dan het al erg lage pensioen van sommige werknemers die langdurig werkloos zijn geweest. En wat is de conclusie, zijn oplossing? Wat is de maatschappij waar we zijns inziens naartoe moeten? Niet een waarin iedereen, ook die kleine zelfstandige, een leefbaar pensioen krijgt. Niet een waar iedereen beter af is, een samenleving waarin we ook kleine zelfstandigen beschermen tegen ziekte, inkomensverlies, ouderdom. Neen: de oplossing bestaat erin het al erg lage pensioen van anderen nog verder omlaag te halen.

Dat is rechtvaardigheid, volgens de liberalen: het leed van de ene gebruiken om de andere nog verder naar beneden te duwen, in plaats van het aan te grijpen om het lot van allen te verbeteren. Zet wie het moeilijk heeft op tegen wie het ook moeilijk heeft, en de gelukzak telt fluitend z’n centen. Geluk wordt beloond, ongeluk bestraft, en verder is het ieder voor zich.

Zo ook Gwendolyn Rutten in haar nieuwe boekje. Nu we niet meer onderdrukt worden (alsof dat vanzelf is gegaan, alsof dat geen bloedige strijd heeft gekost), is het tijd om al die duurbevochten verworvenheden zonder meer overboord te gooien. Rechtsbescherming, verzekering tegen ongeluk, sociale regelgeving? Overbodige ballast die de vooruitgang tegenhoudt. Het model van de toekomst, het bejubelde ideaal, de idee waarnaar we onze maatschappij moeten inrichten: een taxibedrijf dat data van gebruikers en ex-gebruikers steelt, en waarvan het verdienmodel er simpelweg in bestaat een loopje te nemen met alle fiscale en sociale regels, hun werknemers opzadelt met alle lasten en alle risico’s, hen elke sociale bescherming ontzegt – en er dan nog in slaagt om jaar na jaar miljarden dollars verlies te maken. Hip en trendy, want met een heuse app! Op hun blote knieën aanbidden de liberalen van vandaag een negentiende-eeuws bedrijfsmodel: de macht van het kapitaal dwingt werknemers op hun knieën. Plus ça change, plus c’est la même chose.

Dat is de paradox die er geen is: Open VLD werpt zich op als de verdediger van de zelfstandige, maar hun zelfstandige is er een zonder sociale bescherming, zonder inkomen bij tegenslag. Liever dan hun situatie te verbeteren, willen ze die van alle anderen verslechteren, opdat elk bedrijf wat in feite werknemers zijn in rechte kan behandelen als zelfstandigen, opdat iemand ondanks jaren hard werk nauwelijks sociale rechten zal opgebouwd hebben, geen bescherming tegen ziekte, werkloosheid, inkomensverlies, ouderdom. Flexibel? Wel voor het bedrijf, dat afhankelijke werkkrachten krijgt, zonder mee te moeten zorgen voor de sociale verzekering: daar moet ieder voor zich maar voor zorgen.

Er is niets vernieuwend, niets progressief, niets eenentwintigste-eeuws aan het ontmantelen van de sociale rechten waar anderen zo hard voor gevochten hebben. Het is een regressief liberalisme, dat vergeten is dat de rijkdom in onze landen verworven is door elkaar naar boven te helpen, niet door wie neerligt nog een stamp na te geven.

— Dit stuk verscheen op 2 mei in De Morgen.

Hoe Bart De Wever ‘de middenklasse’ van alle betekenis ontdoet

Heel even deed Bart De Wever (N-VA) of hij de deur op een kier zette voor een meerwaardebelasting – voor haar weer hardhandig toe te gooien, met de vingers van Wouter Beke (CD&V) er nog tussen. De meerwaardebelasting komt er niet, punt, want ze zou een aanslag zijn op ‘de middenklasse’, en ‘de Vlaming’ treffen.

Het is een hardnekkige mythe, die elk feitenrelaas lijkt te overleven, en toch kunnen we niet anders dan het blijven herhalen: de overgrote meerderheid onder ons heeft géén aandelenportefeuille, en van de Belgen die wel aandelen bezitten, is maar liefst 85 procent in handen van de rijkste 10 procent. Meer: de rijkste 1 procent alleen al bezit meer dan de helft van alle aandelen. Ik kan natuurlijk niemand verbieden om de 1 procent meest gefortuneerden in dit land gelijk te stellen met ‘de middenklasse’, maar laten we wel wezen: dat is het woord van alle betekenis ontdoen. Voor wie aan de Nederlandse taal gehecht is, kan ‘het treft de middenklasse’ alleszins niet gelden als een goed argument om dit soort inkomen uit vermogen dat bijna alleen de allerrijksten ten goede komt, vrij te stellen van belastingen.

Dat is wat de hele discussie lichtjes hallucinant maakt: België kampt met een tekort op de begroting, terwijl alle partijen klagen dat de lasten op arbeid te hoog liggen. Maar wanneer iemand ervoor pleit om een bijdrage te vragen van inkomen uit vermogen dat nu volledig de dans ontspringt, is het plots allemaal niet meer zo dringend. Alsof die middenklasse die men vooral niet tegen de haren mag strijken niet méér geholpen zou zijn met lagere lasten op arbeid (áls het al klopt dat een nieuwe lastenverlaging tot extra jobs zou leiden), dan met een belastingtarief van 0 procent op een vermogensvorm die ze niet bezit.

Een rapport van de Hoge Raad van Financiën, dat ondertussen ook alweer twee jaar oud is, schetst de mogelijkheden: een uniform tarief van 25 procent op alle roerende inkomsten, inclusief meerwaarden, kan 8 miljard euro opleveren – dubbel zoveel als de roerende voorheffing met haar wirwar aan vrijstellingen in 2014 opbracht.

De Hoge Raad noemt het een ‘win-winhervorming’: zowel doeltreffend als billijk. Ze biedt de meeste bewegingsruimte om een verlaging van de lasten op arbeid te financieren, ze werkt een resem fiscale koterijen weg die tot niets dienen behalve ‘fiscale optimalisatie’, en doordat de fiscus een beter beeld krijgt van alle vormen van inkomen, kan ze toelaten een gerichter sociaal beleid te voeren.

Merkwaardig genoeg hebben de partijen die de mond vol hebben van ‘de middenklasse’ of ‘lastenverlagingen op arbeid’, of ‘begrotingsdiscipline’, dat rapport verticaal geklasseerd.

Een belastinghervorming? Allemaal goed en wel, zolang het de meest gefortuneerden maar geen cent kost, want dan is het ¡No pasaràn! Liever snoeien in de sociale zekerheid, die wél ten goede komt aan ons allen, dan een rechtvaardige bijdrage vragen van de allerrijksten.

— Dit stuk verscheen op 21 april in De Morgen.