Hoe Bart De Wever ‘de middenklasse’ van alle betekenis ontdoet

Heel even deed Bart De Wever (N-VA) of hij de deur op een kier zette voor een meerwaardebelasting – voor haar weer hardhandig toe te gooien, met de vingers van Wouter Beke (CD&V) er nog tussen. De meerwaardebelasting komt er niet, punt, want ze zou een aanslag zijn op ‘de middenklasse’, en ‘de Vlaming’ treffen.

Het is een hardnekkige mythe, die elk feitenrelaas lijkt te overleven, en toch kunnen we niet anders dan het blijven herhalen: de overgrote meerderheid onder ons heeft géén aandelenportefeuille, en van de Belgen die wel aandelen bezitten, is maar liefst 85 procent in handen van de rijkste 10 procent. Meer: de rijkste 1 procent alleen al bezit meer dan de helft van alle aandelen. Ik kan natuurlijk niemand verbieden om de 1 procent meest gefortuneerden in dit land gelijk te stellen met ‘de middenklasse’, maar laten we wel wezen: dat is het woord van alle betekenis ontdoen. Voor wie aan de Nederlandse taal gehecht is, kan ‘het treft de middenklasse’ alleszins niet gelden als een goed argument om dit soort inkomen uit vermogen dat bijna alleen de allerrijksten ten goede komt, vrij te stellen van belastingen.

Dat is wat de hele discussie lichtjes hallucinant maakt: België kampt met een tekort op de begroting, terwijl alle partijen klagen dat de lasten op arbeid te hoog liggen. Maar wanneer iemand ervoor pleit om een bijdrage te vragen van inkomen uit vermogen dat nu volledig de dans ontspringt, is het plots allemaal niet meer zo dringend. Alsof die middenklasse die men vooral niet tegen de haren mag strijken niet méér geholpen zou zijn met lagere lasten op arbeid (áls het al klopt dat een nieuwe lastenverlaging tot extra jobs zou leiden), dan met een belastingtarief van 0 procent op een vermogensvorm die ze niet bezit.

Een rapport van de Hoge Raad van Financiën, dat ondertussen ook alweer twee jaar oud is, schetst de mogelijkheden: een uniform tarief van 25 procent op alle roerende inkomsten, inclusief meerwaarden, kan 8 miljard euro opleveren – dubbel zoveel als de roerende voorheffing met haar wirwar aan vrijstellingen in 2014 opbracht.

De Hoge Raad noemt het een ‘win-winhervorming’: zowel doeltreffend als billijk. Ze biedt de meeste bewegingsruimte om een verlaging van de lasten op arbeid te financieren, ze werkt een resem fiscale koterijen weg die tot niets dienen behalve ‘fiscale optimalisatie’, en doordat de fiscus een beter beeld krijgt van alle vormen van inkomen, kan ze toelaten een gerichter sociaal beleid te voeren.

Merkwaardig genoeg hebben de partijen die de mond vol hebben van ‘de middenklasse’ of ‘lastenverlagingen op arbeid’, of ‘begrotingsdiscipline’, dat rapport verticaal geklasseerd.

Een belastinghervorming? Allemaal goed en wel, zolang het de meest gefortuneerden maar geen cent kost, want dan is het ¡No pasaràn! Liever snoeien in de sociale zekerheid, die wél ten goede komt aan ons allen, dan een rechtvaardige bijdrage vragen van de allerrijksten.

— Dit stuk verscheen op 21 april in De Morgen.

Een snipper paradijs om in te verdwijnen

De tuin van het huis uit mijn kinderjaren grensde aan een kleine beek, en aan de overkant was de beemd, nat grasland, verwilderd, bultig. Net zoals alles leken ook beemd en beek groter, groots zelfs, toen ik zelf nog klein was: een weids landschap ontvouwde zich voor me wanneer ik op m’n hukjes aan de beekkant zat, turend in het water of naar de rietkraag, op zoek naar beesten waarvan ik wist dat ze er huisden maar die zich vaker dan me lief was voor mij verscholen hielden. Hun angst om zich te tonen aan mijn nieuwsgierige blik was misschien niet geheel onterecht: in het heldere beekwater joegen stekelbaarzen rond die ik soms wist te vangen en weer uitzette in een aquarium reeds bevolkt met goudvissen en roodwangschildpad – die er op hun beurt niets beter op vonden dan de ongenode gasten smakelijk te verorberen nog voor ze goed en wel met elkaar kennis hadden kunnen maken.
Enige jaren later werden de weilanden verderop verkaveld, en daarmee verdween ook de beek, haar loop brutaal onderbroken door stortbeton. Niet langer snorren fonkelende veelkleurige libellen er over het heldere water, niet langer schaatsen wantsen er hun grillige dansen, flitsen stekelbaarzen weg voor mijn grijpgrage handjes. ’s Zomers is de beek gereduceerd tot niet meer dan een korstige modderstrook, een zompige inkeping in het terrein die haar doel en haar charme verloor toen de fundamenten van nieuwe huizen en vers aangelegde asfaltstroken haar afsneden van het grachten- en slotenstelsel waar ze haar leven uit puurde.  Geen stekelbaars hoeft nog te vrezen gevangen te worden door domme jongetjes. En de afgesneden, afgestorven stomp, in de zomermaanden een droge, drekkige bedding, verzuipt elke winter in het overvloedige regenwater dat nergens meer heen kan en de beekranden en hun wijde omgeving transformeert tot drassige, haast onbetreedbare landen, waar het water naar boven borrelt bij elke stap die je zet op wat vaste grond lijkt en de kelders van de aangrenzende bebouwingen node functioneren als vergaarbakken van het overtollige water dat de weg kwijt is.
Is dit een elegie, is dit heimwee naar een verloren Arcadië dat nooit echt bestaan heeft behalve in mijn herinnering? En zelfs daar ebt het weg, verdwijnend samen met de woorden om het te beschrijven, een schemerland waarvan de contouren vervagen hoe intenser ik ernaar kijk. Is treurnis over het verdwijnen van mijn oude wereld meer dan misplaatst egoïsme? Ik mijn kleine stukje paradijs, schuilend tussen de lisdodde waarvan de donkerbruine aren hun pluizige vruchten over mijn hoofd verstrooien, ik verscholen tegen de blikken van de boze buitenwereld, waar anderen ver weg moeten blijven.
Klinkeropritten omzoomd met nette bloemperken overwoekeren nu het hobbelige grasland, leidend naar nieuwe huizen met nieuwe bewoners, elk op hun beurt weer op zoek naar een eigen Arcadië, een snipper paradijs voor de kinderen om in te verdwijnen, kinderen die over dertig jaar op hun beurt zullen lamenteren over hun wereld die onherroepelijk verdwijnt door de veroveringsdrang van telkens nieuwe mensen.
— Dit stuk verscheen op 18 april in De Morgen.

Een minister met lef

Men kan niet zeggen dat onze minister van Volksgezondheid geen lef heeft. Waar anderen zich laten leiden door wat evident lijkt, baant zij zich een eigen weg, wars van alle vooroordelen, zoals daar zijn: dat een minister van Volksgezondheid in de eerste plaats bekommerd zou moeten zijn om de gezondheid van dat volk. Niet Maggie De Block (Open VLD), zij weet wel beter. Het volk moet zelf zijn plan maar trekken, daar heeft het geen minister voor nodig. Nee, waar De Block zich druk over heeft te maken, zijn de bezorgdheden van de plaatselijke partijafdeling. Hoog tijd dat iemand voor hen opkomt, weet De Block, in plaats van alles te laten wijken voor de absurde noden van het klootjesvolk. En dus mogen en zullen er geen nieuwe wijkgezondheidscentra komen. Die trekken immers arme mensen aan, en God beware ons dáárvoor.

Bij de plaatselijke Open VLD-afdeling in Menen hadden ze op zijn minst op dat vlak wel gelijk: wijkgezondheidscentra bereiken inderdaad veel meer mensen in armoede dan gewone huisartsenpraktijken, kinesisten of tandartsen. De drempel tot die laatsten blijkt voor almaar meer mensen te hoog: ze kunnen niet, ze durven niet, bang voor de factuur. In een wijkgezondheidscentrum worden ze echter geholpen voor een laag, vast bedrag, en niet alleen bij de dokter maar vaak ook bij kinesist, tandarts of psycholoog, als dat nodig zou zijn. En het is vaak nodig.

Bij hoogopgeleiden kampt één op de tien met depressieve gevoelens, bij laagopgeleiden loopt dat bijna drie keer zo hoog op. Angststoornissen komen dubbel zo vaak voor bij lager opgeleiden dan bij hoger opgeleiden, en deze eerste groep kampt ook gevoelig vaker met slaapproblemen. De kans dat iemand het laatste jaar een suïcidepoging heeft ondernomen is zes keer groter wanneer hij laagopgeleid is dan wanneer hij hoogopgeleid is.

Bovendien geldt: hoe lager opgeleid iemand is, hoe groter de kans dat hij te maken zal krijgen met langdurige ziekten en aandoeningen, en hoe groter de kans op hartinfarct, longaandoening, artrose, reuma, rug- en nekproblemen, diabetes, maagzweren, ernstige darmstoornissen, galstenen, incontinentie, ernstige nierziekten, chronische blaasontsteking, prostaatklachten, ernstige hoofdpijn en migraine en langdurige vermoeidheid. Lager opgeleiden leven zeven jaar minder lang dan hoogopgeleiden en bijna twintig jaar minder in een goede gezondheid. En het zijn net diezelfde lager opgeleiden, dezelfde mensen die het meest nood hebben aan een toegankelijke gezondheidszorg, die het vaakst geconfronteerd worden met te hoge drempels: te duur, te moeilijk – en dus moeten ze de nodige behandelingen uitstellen, wat de problemen nog verergert. En zo belandt men in een straatje zonder einde.

Een absolute prioriteit voor een minister van Volksgezondheid, zou men denken. Niet dus. De wijkgezondheidscentra, waar deze mensen wél terechtkunnen, worden bevroren. De psycholoog wordt nog steeds niet terugbetaald. De centra voor geestelijke gezondheidszorg krijgen niet de middelen die ze nodig hebben. De kinesist wordt duurder. Maar de Open VLD in Menen en elders mag blij zijn: er zullen geen arme drommels in hun straat verschijnen. Laat ze elders maar ziek wezen, waar onze minister van Volksgezondheid hen niet hoeft te horen of te zien.

— Dit stuk verscheen op 4 april 2017 in De Morgen.

De participatiemaatschappij

Bart Tommelein (Open VLD), Vlaams minister van Energie, wil een fusie van Eandis en Infrax, de distributienetbeheerders in handen van de Vlaamse gemeenten. Die fusie zou de torenhoge elektriciteitsprijzen moeten doen dalen (wat de energieregulator met klem tegenspreekt). Tegelijk wil Tommelein die nieuwe fusiemaatschappij minstens deels naar de beurs brengen want, zo stelt hij, zo kan elke burger “delen in de winst.” Nu vloeit die winst immers niet terug naar ‘elke burger’, in de taal van Tommelein, maar naar de gemeenten zelf.

Het klopt dat de gemeenten de distributienetbedrijven gebruiken als een soort verdoken belastinggenerator: in plaats van de gemeentebelastingen te verhogen, laten de gemeenten de prijs die Eandis of Infrax aanrekent voor het beheren van het elektriciteitsnetwerk omhoog trekken, waarna de zo gemaakte winst weer uitgekeerd kan worden aan de gemeenten – een belasting met een omweg. Met de opbrengst daarvan kan de gemeente op zijn beurt weer noodzakelijke wegenwerken uitvoeren, of de sporthal de nodige beurt geven. Zou het netter zijn wanneer gemeenten het lef zouden hebben dit via de gemeentebelasting aan te rekenen in plaats van via de elektriciteitsfactuur? Zeer zeker, maar het eindresultaat is wel gelijkaardig: een bijdrage van elke burger om de publieke dienstverlening te garanderen die aan iedereen ten goede komt.

Wat betekent een gedeeltelijke privatisering van Eandis en Infrax? Privé-investeerders kunnen zich inkopen in de nieuwe fusiemaatschappij, en dus ook recht hebben op de winst die Eandis en Infrax maken. Die winst moet dus niet meer alleen uitgekeerd worden aan de gemeenten, maar ook aan de privé-investeerders die zich hebben ingekocht in het bedrijf. Die investeerders kunnen uit binnen- én buitenland komen: een beursgang staat immers open voor iedereen. Dat heeft gevolgen: de winst die Eandis en Infrax maken via uw elektriciteitsfactuur zal immers niet meer alleen terugvloeien naar de gemeenten; ook de privé-investeerders zullen hun deel van de koek mogen opeisen – tot wel een vijfde, volgens Tommelein.

Of nog: bij een gelijk gebleven elektriciteitsfactuur en een gelijke winst van de distributienetbeheerder, zullen gemeenten tot een vijfde minder dividenden ontvangen. En dat betekent op zijn beurt weer dat gemeenten ofwel hun belastingen zullen moeten verhogen (bovenop de nog steeds even hoge elektriciteitsfactuur), ofwel hun publieke dienstverlening zullen moeten afbouwen (die gaten in het wegdek en het dak van de sporthal kunnen wel nog even wachten). Natuurlijk, om dat te vermijden kunnen de gemeenten ook vragen aan Eandis en Infrax om de prijs van het gebruik van het elektriciteitsnet weer te verhogen. De private investeerders zullen zo’n prijsverhoging niet tegenhouden: zij profiteren daar immers zelf van, want ook zij zullen zo een verhoogd dividend ontvangen.

En wie zijn die privé-investeerders? U en ik? Nee dus. Gisteren konden we nog lezen in de krant dat één op drie Belgen niet kan sparen: hun inkomen is te laag om nog iets opzij te kunnen zetten, laat staan dat zij zich op de beurs zouden kunnen storten. 85% van alle aandelen zit in de portefeuille van de rijkste tien procent Belgen. Het zijn zij, en rijke buitenlanders, die zich zullen kunnen inkopen in Eandis/Infrax. Het is naar hen, naar die rijkste tien procent, dat de winst die Eandis en Infrax maken zal terugvloeien. Het is uw elektriciteitsfactuur die hen nog rijker zal maken. En ondertussen worden de gaten in het wegdek en het dak van de sporthal nog groter. Maar geen nood: ik hoor goede dingen over mecenaten.

— Dit stuk verscheen twee dagen later in licht gewijzigde vorm ook op de opiniepagina’s van De Morgen.

De juiste afkomst

De afgelopen weken en dagen woedde op deze pagina’s -net zoals in andere media- een verhit debat over identiteit, gemeenschap, het gedeelde waardenkader dat ons zou verbinden met elkaar en onderscheiden van anderen. Impliciet in die discussie: de gemeenschap dient beschermd te worden; waar het gedeelde waardenkader ontbreekt, daar valt niet meer samen te leven. We moeten dus grenzen trekken: aan deze zijde wie er wel bijhoort, aan gene zijde wie in onze maatschappij geen plaats heeft omdat zij onze waarden niet delen. In een stuk dat verscheen in De Standaard en NRC Handelsblad formuleerde Joris Luyendijk het zo: “Een gemeenschap die niet zelf mag bepalen wie tot die gemeenschap behoort, houdt op een gemeenschap te zijn.” Het is dus aan niemand anders dan aan ons, Belgen (Vlamingen?), om vast te leggen wie zich bij de club kan voegen, en wie we de deur wijzen.

Helaas ontlopen we hiermee de cruciale vraag wie nu reeds tot dit ‘ons’ behoort, en wie niet, wie die gemeenschap constitueert, mee vorm geeft aan onze identiteit, en dus ook mee het recht heeft grenzen te trekken en uit te sluiten – en wie daarvan uitgesloten wordt. Want laten we een kat een kat noemen: de zogenaamde ‘ongerustheid’ bij de bevolking is niet (alleen) ingegeven door de nieuwe influx van vluchtelingen de laatste jaren. Wie als problematisch en als bedreigend voor ‘onze’ gemeenschap wordt gezien zijn (ook) de jongens en meisjes uit Molenbeek, Borgerhout, het Rabot, de Genkse cité — allemaal net als ik hier geboren en getogen, allemaal hier op zoek naar werk en naar liefde en naar een beetje geluk in ’t leven.

Nooit heeft iemand werkelijk mijn identiteit als Vlaming (Belg?) in vraag gesteld, mijn behoren tot ‘onze’ gemeenschap, nooit heeft iemand getwijfeld aan mijn toewijding aan het juiste waardenkader. Hetzelfde kan bepaald niet gezegd worden over hen. In het slechtste geval dansen Vlamingen op het graf van een tiener met de foute huidskleur die op vakantie sterft, in het beste geval fronst men bezorgd de wenkbrauwen over hun gebrek aan ‘integratie’. Wat impliceert dat zij moeten integreren in de eerste plaats, wat op zijn beurt betekent dat zij niet simpelweg door hier geboren en getogen te zijn tot de Vlaamse gemeenschap behoren, sowieso al mee vorm geven aan die gemeenschap en mee de Vlaamse identiteit bepalen — terwijl dat voor mij vanzelfsprekend wordt geacht.

Vanwaar het verschil? Valt mijn gehechtheid aan de correcte normen en waarden en dus mijn toebehoren tot ‘onze’ gemeenschap niet te betwijfelen omdat mijn ouders, en de ouders van mijn ouders, allen toevallig op dit stukje van de aarde zijn geboren? Of is heel het spel dat gespeeld wordt rond dat ondefinieerbare waardenkader niet meer dan afleiding, en gaat het inderdaad om niets meer of minder dan dit: je hoort er alleen echt bij als en slechts als je de juiste afkomst hebt. Al de rest is niet meer dan loos gekwaak.

— Dit stuk verscheen op 21 maart 2017 in De Morgen.

Liberalisme, religie, volksnationalisme

Wij leven, God zij geloofd, in een liberale maatschappij. Het liberalisme heeft religie en moraal geprivatiseerd en het publieke leven geseculariseerd; elk voor zich mag zijn leven inrichten naar eigen inzicht, maar de eisen die men zichzelf stelt, heeft men anderen niet op te leggen. Geloof kan en mag in zo’n samenleving niet pretenderen meer te zijn dan louter een privaat sentiment.

Een werkelijk doorleefd geloof laat zich echter niet inperken: het ontleent zijn autoriteit voor de gelovige immers precies uit het feit dat het die gelovige ver overstijgt en op geen manier te reduceren is tot zijn eigen kleine geest, en de morele eisen die het geloof oplegt hebben voor de gelovige haast per definitie een publiek belang. Voor wie werkelijk overtuigd is van de heiligheid van het leven, is niet alleen abortus of euthanasie zelf een aberratie, maar ook de idee dat het een strikt private zaak zou zijn waar een welgeordende maatschappij zich verder niet mee te moeien heeft. Hoe kan men zich neerleggen bij een beslissing van een mens wanneer de te volgen geboden en verboden van hogerhand komen, en die menselijke beslissing tegen de goddelijke orde zelf zou ingaan? De liberale samenleving, net doordat ze religie en moraal privatiseert om ruimte te scheppen voor conflicterende visies op het goede leven, is zo gedoemd de gelovige steeds te frustreren. Elk beroep op een hogere macht die het individu overstijgt is immers bij voorbaat illegitiem.

Maar net zoals morele aanspraken op het doen en laten van een ander niet gelegitimeerd kunnen worden door zich te beroepen op een goddelijke orde, zo is er in een liberale maatschappij in principe geen plaats voor eender welk beroep op een orde die het individu zelf overstijgt — en dus ook niet op die van bijvoorbeeld een cultuurgemeenschap. De rechten van een individu om z’n eigen leven vorm te geven kunnen en mogen in een liberale maatschappij niet ingeperkt worden omdat zijn levensproject in zou gaan tegen wat één of andere cultuurgemeenschap voorschrijft als normaal, of gebruikelijk, of juist. Het gedeelde kader van normen en waarden van een dominante gemeenschap, voor zover dat kader al invulling kan krijgen, heeft in een liberale maatschappij geen legitimiteit die de rechten van eender welk individu overstijgt.

Misschien zullen sommigen dit beschouwen als een reductio ad absurdum van een doorgeslagen liberalisme, en zeer zeker botst het radicaal met de maatschappijvisie van een conservatief volksnationalisme. Dat volksnationalisme kan rechten toeschrijven aan de dominante cultuurgemeenschap die zwaarder wegen dan de rechten van eender welk individu op zich, en kan het ook de taak van een overheid vinden om actie te ondernemen om de belangen van die cultuurgemeenschap an sich te beschermen, zelfs wanneer dat betekent dat de overheid de rechten van individuen om hun leven naar eigen inzicht vorm te geven moet inperken. Een legitieme visie, maar wel één die radicaal botst met de liberale visie op de maatschappij.

Het zou het debat over normen en waarden ten goede komen wanneer conservatieve volksnationalisten dit verschil durven benoemen, en zich niet langer verschuilen achter de banier van het liberalisme om hun agenda te verkopen.

— Dit stuk verscheen op 7 maart in De Morgen.

Streeck over de noodzaak van de natiestaat en het einde van het kapitalisme

Als het kapitalisme al niet dood is, dan toch wel stervende, aldus de Duitse socioloog Wolfgang Streeck in How Will Capitalism End?, een bundeling essays geschreven sinds de financiële crisis, waarin hij de onvermijdelijke ondergang van het kapitalistische bestel beschrijft. Dat bestel is ten dode opgeschreven niet omdat er een alternatief klaar zou staan dat een beter antwoord zou bieden op de uitdagingen van deze tijd (een overtuigende visie op een meer rechtvaardige maatschappij, en hoe daar te komen, ontbreekt ten enen male nog altijd), maar omdat het kapitalisme bezwijkt onder zijn interne contradicties. Het is te succesvol geworden, heeft de beperkingen die het leefbaar had kunnen houden uit de weg geruimd, waardoor het alle domeinen van het leven heeft overwoekerd en zo de fundamenten van de maatschappij zelf heeft ondermijnd. Waar geen enkele limiet meer staat op het behandelen als louter handelswaar van land, geld, en arbeid, waar zij louter als middel worden gezien tot het vergaren van meer rijkdom, daar wordt het samenleven zelf onmogelijk gemaakt — wat meteen ook het einde van een kapitalistische samenleving betekent.

streeck

Dat wil echter niet zeggen dat we mogen hopen morgen te ontwaken in een nieuwe maatschappij, precies omdat er geen enkel alternatief voorhanden lijkt te zijn:

Before capitalism will go to hell, then, it will for the foreseeable future hang in limbo, dead or about to die from an overdose of itself but still very much around, as nobody will have the power to move its decaying body out of the way.

Wat ons rest is geen ‘echte’ samenleving meer, maar een steeds verder om zich heen grijpende “sociale entropie, of wanorde”; geen samenleving maar “minder dan een samenleving, een post-sociale samenleving”, waar het ieder voor zich is en ieder apart voor z’n eigen veiligheid en z’n eigen zekerheid zal moeten instaan. In zulk een ‘samenleving’ zal elk voor zich moeten “worstelen om zich te beschermen tegen dreigend ongeluk en structurele druk op hun sociale en economische status”, terwijl de wereld “elk moment getroffen kan worden door rampspoed, zoals imploderende bubbels, of geweld dat vanuit een in elkaar stortende periferie het centrum penetreert.”

Een optimist kan men Streeck alleszins niet noemen: hij wijst erop dat de geschiedenis “ook verlies kent, een beweging van beschaving naar een langere periode van barbarij, zoals die blijkbaar volgde op het ineenstuiken van het Westerse Romeinse Rijk.” Die vergelijking is geen toevalstreffer; Streeck herneemt ze meermaals. Want nu, net als toen en in de ‘Dark Ages’ die volgden, leven we in onzekere en onveilige tijden, terwijl oligarchen en krijgsheren profiteren van de chaos.

We heeft er schuld aan dit apocalyptische scenario dat zich volgens Streeck voor onze ogen afspeelt?  De vloedgolf van het neoliberalisme heeft “staten, overheden, grenzen, vakbonden en andere matigende krachten” volledig weggespoeld, en daarmee alle mogelijkheden om het kapitalisme in te dijken. Absoluut cruciaal hier, en het punt dat Streeck doorheen de verschillende essays steeds weer herneemt, is het wegvallen van grenzen tussen natiestaten; zijn boek had net zo goed “De noodzaak van de natiestaat” kunnen heten.

Een dubbel antagonisme ligt aan de basis van Streecks analyse van onze tijd: die tussen wat hij ‘Marktvolk’ en ‘Staatsvolk’ noemt enerzijds, en die tussen ‘centrum’ en ‘periferie’ anderzijds. Het wegvallen van grenzen en de verzwakking van de natiestaat levert het Staatsvolk (de ‘gewone’ burger) over aan de egoïstische willekeur van het Marktvolk (een internationale kaste van financierders en oligarchen) en het centrum (Duitsland en enkele omliggende landen) aan het economische en fysieke geweld van de periferie. Het is geen toeval dat het net de herauten van het neoliberalisme zijn die de mond vol hebben van open grenzen, al verschuilen zij zich dan achter mooie praatjes over “persoonlijke vrijheid en mensenrechten”. Hun enige doel was echter altijd: de macht van het volk breken. Immigratie, en het spook van een onuitputtelijke arbeidsreserve in de periferie waarmee arbeiders in het centrum door het wegvallen van grenzen plots moeten concurreren, breekt de eenheid, de solidariteit, en daarmee de kracht van de arbeidersklasse, terwijl door het opgaan van natiestaten in supranationale molochen zoals de Europese Unie de werkelijke beslissingsmacht geëvacueerd wordt naar onzichtbare en onaantastbare controlecentra waar het volk niets meer te zeggen heeft. De staat, of wat er nog van overblijft, wordt zo volledig de speelbal van het Marktvolk, die haar kan inzetten als instrument en beschermheer van de zogenaamde vrije markt, tegen het ‘echte’ volk in, zonder enige tegenmacht. Het wegvallen van grenzen, en daarmee van wat een natiestaat tot natiestaat maakt, is zo niet meer of minder dan de voorwaarde voor de ultieme overwinning van het ongebreidelde kapitalisme — en daarmee van zijn eigen neergang in een maatschappij waar het elk voor zich is, “minder dan een samenleving, een post-sociale samenleving.”

Gegeven deze diagnose, ligt Streecks remedie voor de hand: het kapitalisme weer onder controle krijgen zal alleen lukken wanneer we de slagbomen aan de grenzen weer sluiten en de souvereiniteit van de natiestaat herstellen. Alleen een terugkeer naar gesloten nationale economieën, of een “deglobalisering van het kapitalisme”, zoals hij het noemt, kan de wederopstanding van de samenleving mogelijk maken. Het is echter volstrekt onduidelijk waarom Streeck denkt dat de duistere kliek van financierders en oligarchen die hij identificeert als het Marktvolk hun greep op de staatsmacht zou lossen binnen de grenzen van een versterkte natiestaat; waar hij de bron van het huidige neoliberalisme ziet in het ordoliberalisme geeft hij trouwens zelf aan dat die duistere kliek een sterke staatsmacht steeds opnieuw zal gebruiken tegen de rechtmatige eisen van het volk in. Wat zou er nu dan anders zijn? Wat maakt dat het volk zich bij een terugkeer van de soevereine natiestaat wel afdoende zou kunnen organiseren en verenigen om een tegenmacht te vormen? Streeck wijst hier op het belang van “sociale cohesie”, die alleen binnen de grenzen van een natiestaat voldoende opgebouwd kan worden om een systeem van geïnstitutionaliseerde solidariteit op poten te zetten bestand tegen neoliberale aanvallen. Maar tegelijk geeft hij zelf ook aan dat die sociale cohesie ook binnen een natiestaat niet gegarandeerd is, wanneer de onderlinge verschillen binnen het volk te groot zijn.

Eén van de stokpaardjes van Streeck is de noodzaak de euro op te breken en terug te keren naar nationale munten want, zegt hij, de euro heeft een “transferunie” noodzakelijk gemaakt tussen noord en zuid die niet meer of minder is dan “a levy on northern taxpayers for the higher productivity of their countries’ corporations” zonder dat er een economische regeneratie van ‘het zuiden’ tegenover staat. Hardwerkende Noord-Europeanen zullen die subsidiëring van ‘het zuiden’ niet blijven tolereren; de ontmanteling van die transferunie, en daarmee dus ook van de euro, is dan ook noodzakelijk. Opvallend genoeg illustreert Streeck zijn argument met het voorbeeld van Italië, waar het zuiden ook al minstens sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog afhankelijk is van het noorden, en waar ‘het geduld’ volgens Streeck ook opraakt: de sociale cohesie die geïnstitutionaliseerde solidariteit mogelijk maakt ontbreekt. Moet dus, volgens zijn logica, na de euro ook Italië maar opgebroken worden? Vereist een natiestaat naar zijn model, een natiestaat die sterk genoeg is om een samenleving in stand te houden, een voldoende mate van homogeniteit die alvast Italië niet heeft? Waar de grenzen eerst rond de natiestaten werden getrokken in naam van het beschermen van samenleving en solidariteit, moeten er nu grenzen getrokken worden binnen die staten.

En daar stopt het niet. Het wegvallen van grenzen opende ‘het centrum’ voor ‘de periferie’, wat voor Streeck niet meer is dan een oord van sweatshops die de eerlijke arbeid van ‘onze’ werknemers ondermijnen, een zone die “onontkombaar uit elkaar valt”, waar “fundamentalistische religieuze bewegingen de controle hebben overgenomen”, een bron van “migratie naar het centrum” die toegejuicht wordt door neoliberalen omdat “de import van arbeid uit de periferie” en “etnische diversiteit” arbeiders “onderdanig” maakt, de arbeidersklasse “verdeelt”, onderlinge solidariteit onmogelijk maakt, en zo de macht van het kapitaal tegenover een door hun diversiteit niet te organiseren en niet te verenigen arbeidersklasse onaantastbaar maakt. Bovendien ontmoeten die nieuwe migranten uit de periferie hier de nakomelingen van voorgaande migratiestromen: een kaste “die heeft opgegeven ooit deel uit te maken van de kapitalistisch-consumeristische mainstream van hun samenleving”, wat leidt tot “another migration, this time of the violence that is destroying the stateless societies of the periphery into the metropolis, in the form of the ‘terrorism’ of a new class of ‘primitive rebels’.” Als deze analyse klopt, is het moeilijk te zien hoe het sluiten van grenzen soelaas kan bieden: de periferie is al te diep doorgedrongen in het centrum, volgens Streecks eigen analyse; de etnische diversiteit die de arbeidersklasse verdeelt en machteloos maakt, verhindert de sociale cohesie die inclusieve solidariteit vereist. Als etnische diversiteit binnen één land de macht van het volk breekt, kan alleen etnische homogeniteit hier een oplossing bieden. Opnieuw leidt Streecks nadruk op het trekken van grenzen tussen natiestaten in naam van het beschermen van samenleving en solidariteit, dus tot het trekken van grenzen binnen die staten.

Streeck weet misschien wel waar hij begint wanneer hij een internationale kaste van financierders en groepen migranten die het centrum infiltreren vanuit de periferie identificeert als de ondermijners van de sociale cohesie en de volkssolidariteit, hij wil niet weten waar het eindigt. Een socialisme dat zich fundeert op scherpe grenzen tussen de eigen groep en buitenstaanders maakt misschien wel voor analyses die populair zijn bij Alternative für Deutschland, het leidt vooral tot gevaarlijke ontsporingen.

– Deze bijdrage verscheen in het februari-nummer van Samenleving en Politiek.

Uitzetten van mensen die hier geboren zijn: laten we dit zomaar passeren?

Maakt iedereen die in België geboren en getogen is volwaardig deel uit van deze samenleving, met alle plichten en ook alle rechten die daarbij horen? En kan de staat – niet het gerecht, maar de administratie – iemand zwaar bestraffen, louter op grond van vermoedens, zonder dat een rechtbank zich moet uitspreken over zijn schuld of onschuld? Op die twee vragen moeten onze volksvertegenwoordigers donderdag een antwoord geven.

Dan stemmen zij immers over een wet die staatssecretaris voor Asiel en Migratie Francken (N-VA) en zijn administratie de mogelijkheid geeft mensen die hun hele leven legaal in België hebben gewoond het land uit te zetten op grond van “aanwijzingen” dat “de vreemdeling een bedreiging is voor de openbare orde of de nationale veiligheid” (alle citaten komen uit het wetsontwerp). Een veroordeling voor strafbare feiten is “geen voorwaarde sine qua non”: het vermoeden van de administratie volstaat.

De wet is nodig om hen “voldoende vrijheid van handelen” te geven, en de “waarborgen” die inwoners van dit land momenteel genieten “verhinderen de bevoegde overheden efficiënt op te treden.” Iemand uit dit land verbannen, wordt zo een puur administratieve beslissing waar geen rechtbank, laat staan een veroordeling, aan te pas hoeft te komen: de ambtenaar wikt, de ambtenaar beschikt. Lekker efficiënt.

Ter verdediging schermt Francken graag met het terroristische gevaar: hij gelooft dus werkelijk dat we veiliger zijn wanneer iemand die echt een aanslag zou beramen de grens over wordt geflikkerd, dan wanneer hij wordt berecht en vastgezet. Dat zo’n vermeende terrorist uitwijzen naar bijvoorbeeld Frankrijk eerder onze zuiderbuur in gevaar brengt dan onze veiligheid verhoogt – hun terrorist, hun probleem – zal Francken een zorg zijn.

Bovendien beperkt de wet zich niet tot aanwijzingen van terrorisme, maar kan de administratie elk vermoeden van een minder of meer ernstige “verstoring van de openbare orde” aangrijpen om iemand het land uit te zetten. Is die maatregel buiten alle proportie of blijkt er eigenlijk niets aan de hand, dan moet de gestrafte achteraf maar bij een rechter proberen aan te kloppen. Dat hij ondertussen van huis en haard verbannen wordt: tough luck.

Het recht op een eerlijk proces overboord gooien als inefficiënt, en al die macht over het leven van een persoon in handen leggen van een staatssecretaris of zijn ambtenaar: geen rechtgeaard liberaal kan de inwoners van een land zo afhankelijk maken van de willekeur van de staat.

Mensen die hier van kinds af hebben gewoond duidelijk maken dat zij België nooit echt hun thuis mogen noemen, dat zij hier altijd hoogstens te gast zullen zijn: geen christendemocraat kan zo’n onderscheid tolereren tussen wie wel en wie niet volwaardig tot onze samenleving zou behoren. Hebben onze volksvertegenwoordigers de moed van hun overtuiging, verbannen zij deze onzalige wet, die elk rechtsgevoel tart en onze buren veroordeelt tot tweederangsstatus, naar de vuilnisbak. Als deze aanfluiting passeert zonder dat een storm van protest opsteekt, is dit geen democratie maar een lethargie.

– Dit stuk verscheen op 07/02 in De Morgen.

Een lachwekkend lamentabel schouwspel

“Ik ben hier echt ziek van geweest”, en toch keurde Nahima Lanjri (CD&V) samen met de rest van haar partij de omstreden vreemdelingenwet van Theo Francken (N-VA) goed, waardoor ook mensen die in België geboren zijn en altijd hier geleefd hebben uitgewezen kunnen worden, zonder enige vorm van proces, puur op basis van vermoedens van de administratie.

Ze is er echt ziek van geweest, omdat die wet indruist tegen alles waar ze voor staat, tegen heel haar visie op de maatschappij en het samenleven – en toch stemde ze voor die wet, zonder in het plenaire debat ook maar eenmaal tussen te komen, al was het maar om haar reserves te uiten, haar twijfels, zonder ook maar eenmaal de moed te vinden het woord te nemen om uit te leggen waarom ze ondanks alles er toch voor kiest die onzalige wet mogelijk te maken. Zwijgend zat ze op de groene banken, zwijgend drukte ze op het groene knopje, zwijgend verzaakte ze samen met de rest van haar fractie aan haar taak als volksvertegenwoordiger, wetgever en controleur van de regering, zwijgend abdiceerde ze elke verantwoordelijkheid.

Ach, al maakte die wet haar wel onpasselijk, een volksvertegenwoordiger heeft blijkbaar niet te kiezen waarvoor hij kiest. Iemand die louter dient als stemmachine, hoeft niet op zoek te gaan naar de moed om de eigen diepste overtuiging te volgen. Of is de lieve vrede bewaren in een regering die volgens de visie van CD&V zelf de fundamenten van de samenleving onderuithaalt hen dan werkelijk zo veel meer waard dan die samenleving zelf?

Men zou het niet durven denken, net zomin als men zou durven beweren dat hun parlementaire zitjes voor hen belangrijker zijn dan hun visie op de samenleving, want zeg nu zelf, als ze door een tegenstem straks niet meer in het parlement zouden mogen zitten, hoe zouden ze dan nog die onzalige wetten kunnen tegenhouden die lijnrecht ingaan tegen hun visie op de samenleving? Braaf meestemmen, dus, altijd braaf meestemmen, al maakt het ziek, tot ze zelf niet meer weten waarom ze daar eigenlijk zitten.

Het is niet eerlijk hen zo aan te pakken. Lanjri had meer moed dan de helft van het parlement samen: ze durfde toegeven dat ze stemde tegen haar eigen ideeën in, en ze zat er tenminste tijdens het hele plenaire debat. Dat kan van geen enkele volksvertegenwoordiger van Open Vld gezegd worden. Een debat over grondrechten, over de fundamenten van de rechtsstaat, over de manier waarop we met mensen die hier geboren zijn omgaan? Niet de moeite om het parlement zelfs maar te verwaardigen met hun aanwezigheid, laat staan om iets te zeggen.

Wellicht veel belangrijker zaken aan hun hoofd, met al hun nevenactiviteiten. Maar zij beseffen misschien dat een partij niet wordt afgerekend op het beleid dat ze effectief voert, maar op wat ze toetert in de kranten en op tv. Waarom dan energie steken in het parlementaire debat?

Een lachwekkend lamentabel schouwspel. Het hoeft niet te verbazen dat Siegfried Bracke (N-VA) kan toegeven ongeloofwaardig te zijn, en er toch geen enkel probleem in ziet dat theater te blijven voorzitten.
— Deze column verscheen op 21/02 in De Morgen.