De sp.a als gemeenschapspartij

Waarheen met de sociaaldemocratie in Vlaanderen? Een journalist van deze krant ziet de SP.A worstelen met de vraag (DS 15 juni). Moet de partij leren uit het Deense voorbeeld? Moet ze een hard antivreemdelingendiscours voeren om de ‘traditionele’ kiezer die de partij de rug toekeerde terug te winnen?

In een Vlaanderen waar meer dan vier op de tien kiezers hun stem gaven aan nationalistisch- en extreemrechts, ondanks – of net dankzij – een campagne waarin het rechtse kamp de xenofobe boodschap niet schuwde, ligt het advies om dat discours over te nemen voor de hand. Want wie vertegenwoordigt een socialistische partij nog, als zij niet toont ‘de angsten en bezorgdheden’ van ‘de mensen’ ernstig te nemen? Je moet de kiezer zoeken waar hij is, niet waar je zou willen dat hij is. Bovendien zou precies door het antivreemdelingendiscours van rechts over te nemen en zo als verschilpunt uit te vlakken, pas de ruimte ontstaan voor de ‘eigen’, ‘linkse’ thema’s. Wil de sociaaldemocratie in Vlaanderen nog een toekomst hebben, moet zij dus resoluut de ruk naar rechts maken.

Het zou een grove vergissing zijn. De vraag hoe we de grenzen van de gemeenschap trekken, is geen bijkomstigheid die we aan rechts kunnen overlaten, opdat wij ons zouden kunnen richten op de ‘eigen’ thema’s. De vraag wie erbij hoort en wie niet, wie deel uitmaakt van onze gemeenschap en wie niet, gaat naar de kern van het socialisme.

Het socialisme streeft naar een samenleving van gelijken, een gemeenschap waarin de ene niet de meerdere of de mindere is van de andere, maar iedereen op gelijke voet staat en gelijk kan participeren aan de samenleving. Het socialisme streeft naar een samenleving waarin we onze lotsverbondenheid erkennen en de ander niet verschijnt als obstakel, als beperking van je vrijheid, maar steeds ook doel van je handelen is. Het socialisme streeft naar een samenleving waarin de vrije ontplooiing van iedereen de voorwaarde is voor de vrije ontplooiing van allen. Dat zeg ik niet, dat zegt Marx, in zijn omschrijving van de klasseloze maatschappij. Socialisme sloopt de muren die mens van mens afzonderen. Socialisme is gemeenschapsvormend. Want alleen bevrijd van elke onderwerping kunnen mensen samen vorm geven aan de samenleving, met elkaar, voor elkaar.

Dat samenlevingsideaal is in elk opzicht onverenigbaar met het antivreemdelingendiscours dat de sociaaldemocraten wordt aangemaand te papegaaien. Dat discours splijt gemeenschappen, creëert een klassenmaatschappij, vervreemdt mensen van elkaar — precies het tegendeel van de samenleving waar socialisten naar streven.

Sommigen beweren: een solidaire gemeenschap vereist duidelijke grenzen, we moeten durven te zeggen: ‘Genoeg is genoeg, de grenzen gaan toe.’ We moeten, luidt het advies, dus niet alleen de ‘open grenzen’-fictie bevestigen, we moeten meegaan in het verhaal dat de aanwezigheid van migranten in de samenleving ‘een probleem’ zou zijn. Die taal doet de ander verschijnen als bedreiging en trekt muren op tussen mensen. Dat discours creëert een klassenmaatschappij en staat een samenleving van gelijken in de weg.

Sommigen zeggen: we moeten de angsten en bezorgdheden van ‘de mensen’ ernstig nemen, ze herkennen ‘hun eigen wijk’ niet meer. Maar ‘de mensen’, dat zijn nooit de mensen die in het antivreemdelingendiscours geviseerd worden. Hun angsten en bezorgdheden zijn niet van tel, de wijk is niet net zo goed ook hun thuis. Die taal doet de ene verschijnen als de mindere van de andere. Dat discours bevestigt dat de geviseerde groepen hier niet echt thuis horen, niet op gelijke voet mogen participeren aan ‘onze’ samenleving.

Of die zogenaamde ‘vreemden’ hier nu twee weken, twee jaar, of al twee generaties wonen: hun aanwezigheid blijft in dat discours even problematisch. Zij blijven steeds ‘vreemden’, ‘indringers’ in ‘onze’ gemeenschap. Maar hoe kan iemand zich thuis voelen in een gemeenschap die zijn aanwezigheid steeds in vraag stelt, hem degradeert tot tweederangsburger, tot ‘een probleem’, tot bron van angsten en bezorgdheden? Hoe kan op zo’n discours een solidaire samenleving gebouwd worden?

Geen enkel discours is neutraal. In woord en in daad geven we telkens opnieuw vorm aan de gemeenschap. Het publieke debat is niet louter een passieve afspiegeling van wat leeft bij ‘de mensen’, maar een actieve creatie: in het publieke debat scheppen we een beeld van de gemeenschap, van wie wij als gemeenschap zijn, wat voor ons als gemeenschap van belang is – wie erbij hoort en wie niet. Een discours dat de aanwezigheid van de ander tot probleem maakt, voedt de argwaan en het wantrouwen, en ondermijnt elke mogelijkheid tot gemeenschapsvorming. Het staat haaks op het socialistische ideaal van de goede samenleving, een samenleving van gelijken.

Kan de SP.A iets leren uit het Deense voorbeeld? Het stelt op z’n minst de inzet van het debat op scherp: gelooft de partij nog in het ideaal van een samenleving van gelijken, of verkiest ze de klassenmaatschappij?

— Deze bijdrage verscheen op 22 juni 2019 in De Standaard.

Sociaal-democratie in de uitverkoop.

Goed nieuws uit het Noorden. De Deense sociaaldemocratische partij toont de weg voor haar zusters hier en elders in Europa: het volstaat om enkele basisprincipes van de sociaaldemocratie als overbodige ballast af te werpen, om weer met lichte tred en opgeheven hoofd de kiezer tegemoet te treden. Mette Frederiksen, leider van de Deense sociaaldemocraten, zou haar partij naar de overwinning leiden in de verkiezingen voor het nieuwe parlement.

De feestelijkheden waren al weken gepland, de champagne stond gereed: iedereen verwachtte een eclatante verkiezingsoverwinning voor de sociaaldemocraten. De eerste resultaten die binnenliepen waren weliswaar bemoedigend, maar weinig spectaculair. Het gaf niet, het verhaal was al geschreven: Mette Frederiksen had met haar linkse blok de rechtse regering onttroond, en ze slaagde waar zovelen in Europa faalden, door ongegeneerd het verhaal dat rechtse partijen over ‘het vreemdelingenprobleem’ vertellen over te nemen en eigen te maken. De partijen in de socialistische familie die elders in Europa liggen te zieltogen, leren dus maar best uit het Deense voorbeeld. Denemarken is de toekomst, Denemarken toont de weg naar de overwinning.

Nu ja, overwinning…

Uiteindelijk verliezen de sociaaldemocraten onder Mette Frederiksens harde lijn weer wat van het terrein dat ze onder haar voorgangster Helle Thorning-Schmidt hadden heroverd. Het is enkel door de forse vooruitgang van de andere partijen in het linkse blok, partijen die zich verzetten tegen het rechtse discours in plaats van het na te praten, dat het linkse blok nu aan zet is om de nieuwe regering te vormen.

Het klopt dat de extreemrechtse en populistische Deense Volkspartij behoorlijk wat van haar pluimen verloor, maar dat had meer te maken met de schandalen waarin ze verwikkeld raakte en opeenvolgende breuken in de partij dan met Frederiksens discours: de stemmen die de Volkspartij verloor gingen naar de rechtse Venstre-partij van uittredend premier Lars Løkke Rasmussen, niet naar de sociaaldemocraten.

Moeten we het verhaal dus helemaal herschrijven, en is het niet dankzij, maar net ondanks het overnemen van het praatje over ‘het vreemdelingenprobleem’ dat Frederiksen de nieuwe premier van Denemarken kan worden? Eerder gingen ook andere socialistische en sociaaldemocratische partijen die een meer rechtse lijn volgen op het migratiethema onderuit, zoals in Nederland de SP, terwijl de PSOE in Spanje kon winnen zonder alarmerend de migratietrom te beslaan.

Zelfs al had het nabauwen van het meest rechtse migratiediscours Mette Frederiksen geholpen aan de overwinning waarop iedereen al rekende – quod non –, was het werkelijk een overwinning op het xenofobe populisme geweest? Het volstaat dan om dezelfde xenofobe praat te verkopen, het volstaat om een beleid te steunen dat stoelt op xenofobe vooroordelen, om de xenofoben een smadelijke nederlaag toe te brengen. Neem hun discours over, voer hun programma uit: dat krijgt hen wel klein! Een vreemde redenering.

Wat meer is: het is een ijdele poging de sociaaldemocratie te redden door de sociaaldemocratie in de uitverkoop te zetten.

Het doel van de sociaaldemocratie is de nieuwe samenleving, waarin de leus van de Franse Revolutie – ‘vrijheid, gelijkheid, broederlijkheid’ –  verwezenlijkt wordt. Vrijheid kan dan niet betekenen wat het wel betekent in een maatschappij overheerst door de kapitalistische markt, waarin vrijheid verengd wordt tot louter het zo ongehinderd mogelijk nastreven van het particuliere eigenbelang. Dat vrijheidsbegrip komt immers onvermijdelijk in conflict met de morele eisen die gelijkheid en broederlijkheid ons stellen. De sociaaldemocratie streeft dus een nieuwe samenleving na, waarin vrijheid, gelijkheid, en broederlijkheid harmonieus samengaan. Of beter: dat was het doel van de sociaaldemocratie.

Vandaag schiet van die droom van een ‘nieuwe samenleving’ niets meer over, is men de noties ‘gelijkheid’ en ‘broederlijkheid’ volledig uit het oog verloren. Als men de sociale zekerheid weet te verdedigen, zal het allemaal allang goed zijn. De sociaaldemocratie verbeeldt vandaag geen nieuwe samenleving meer, maar is verworden tot de belangenbehartiger van deze of gene groep binnen de bestaande orde, waarvoor anderen zonodig geslachtofferd worden. Een partij kan alleen het rechtse discours over ‘het vreemdelingenprobleem’ overnemen, waarin mens tegen mens wordt opgehitst, als ze niet meer droomt van de nieuwe samenleving waarin ‘vrijheid, gelijkheid, en broederlijkheid’ werkelijkheid worden – als ze dus geen sociaaldemocratische partij meer is. Op verdeeldheid kan men geen solidaire samenleving bouwen.

—Deze bijdrage verscheen op 7 juni in De Morgen.

Het stond in de sterren geschreven.

Mij werd, op de democratische hoogdag laatstleden zondag, de weinig benijdenswaardige taak toebedeeld secretaris te zijn van een stembureau in het kieskanton Sint-Jans-Molenbeek (Brussel). Ik was me maar al te zeer bewust van het feit dat ik bij een volgende verkiezing geen jonge man meer zou zijn, maar de veertig voorbij, en op weg naar het einde; het was dan ook met een enigszins bezwaard gemoed dat ik ontwaakte.

Wie mij kent zal weten dat het voeren van een gesprek, op zo vroeg een uur, voor mij onmogelijk is. Al schijnt buiten de zon en kwinkeleren de vogels vrolijk hun lied, in mij heerst nog het duister van de nacht, en elk geluid voortgebracht door een mens klinkt als de aankondiging van een spoedig zich voltrekkend drama. Op meer dan ontstemd gegrom ten antwoord hoeft men dan ook niet te rekenen. Dat ik mijn ochtendlijke koffie die zondagmorgen haastig naar binnen had te slokken, hielp mijn humeur geenszins.

Laat daarmee niet gezegd zijn dat ik ook maar voor een moment overwoog me aan mijn burgerlijke plicht te onttrekken: zonder mij geen verkiezingen, en zonder verkiezingen is het meteen uit met onze democratie. Op mijn al te tengere schouders rustte dan ook een al te zware verantwoordelijkheid, al kon ik me optrekken aan het feit dat ik op z’n minst niet voorzitter van een stembureau was. Zo alles in het honderd zou lopen, ik kon me altijd nog als een hazewind uit de voeten maken, de boel de boel latend. Met rampscenario’s weigerde ik echter rekening te houden; eerder was het met een zekere trots dat ik uiteindelijk, een kwartier voor zeven, het stembureau betrad. Hier zou het gebeuren. Hier zou geschiedenis geschreven worden.

Het stembureau bevond zich in een kaal klaslokaal. Enkel een kalender aan de muur herinnerde aan de kinderen die hier doordeweeks tot brave burgers van het land worden gekneed: vier heldere kleurvlakken deelden voor de leerlingen het jaar op in vier seizoenen, de witte winter lag achter ons, de groene lente was aangebroken.

Keurig in het gelid rezen de stemhokjes op uit het halfduister waarin het klaslokaal nog baadde. Enkel de wastafel in de hoek lichtte op in het binnenvallende zachte zonlicht. Het zorgde voor een mooi, verstild plaatje. Even later ging de deur van het stemlokaal open, en de dag bergaf.

Het was pas later dat de pathetische symboliek van het beeld tot me doordrong. Hoe de dag in de tussentijd verlopen was, ik zou het niet kunnen vertellen. Ik moet een achttal uren aan één stuk door hebben rechtgestaan aan de urne, terwijl ik met mijn meest vriendelijke stem aan vele honderden kiezers uitlegde hoe hun stembiljet te scannen en vervolgens in de stembus te deponeren, ondertussen zelf het lokaal scannend op onverlaten die met een kiezer mee het stemhokje indoken — gedrag in strijd met de kieswet dat niet getolereerd kan worden.

Het afsluiten van de stemming, het invullen van alle documenten, het noteren van de talrijke incidenten in het proces verbaal — ach, het geheim van de stemming verbiedt me er meer over te zeggen, en wat een zonde dat is, het nakijken van de stemregisters op eventuele fouten, het joggen door Brussel — absurd beeld — met zakken vol stembiljetten om ze aan het hoofdbureau te bezorgen.

Eindelijk daar — doodop, het was niet “gaan zitten” dat ik deed tussen de vele wachtenden, het was neerzijgen — kwamen me de binnenstromende resultaten voor het eerst ter ore.

Dat de uitslag dramatisch zou zijn, het stond in de sterren geschreven. Dag in, dag uit, jarenlang, krijgen we de boodschap door de strot geramd dat dit land het land van de duizend rampen is, een boodschap met onvermoeibare energie in de markt gezet door bedrijfsbazen voor wie geen winstmarge groot genoeg en geen bijdrage aan de sociale zekerheid en de landsfinanciën klein genoeg is.

We betalen “te veel” belastingen (al heeft dat niet verhinderd dat de doorsnee-Belg zowat de rijkste burger ter wereld is, maar laat dat niet gezegd zijn), toch worden ons steeds hogere facturen opgesolferd — iemand moet tenslotte de stelselmatige verlaging van de bedrijfsbijdragen compenseren, al lijkt niemand zich daar vragen bij te stellen, zo geïndoctrineerd zijn we door de propagandamachine van het conglomeraat dat onze economie bestiert.

En dus vraagt de burger: als ik zoveel betaal, en toch staat dit land zogezegd op de rand van het faillissement (quod non, maar wie maalt daarom?), waar is dat geld dan naartoe? Tegelijk worden we —opnieuw, dag in, dag uit, jarenlang— overspoeld door een hitserig discours, vol gelieg en bedrieg, dat dreigt met tsunami’s aan migranten en de ondergang van het avondland door horden barbaren die zich al in ons midden bevinden. Is het dan zo moeilijk te bevatten dat de kiezer de puzzelstukken bij elkaar legt, en kiest voor de partijen die beloven hen te beschermen door te stampen naar wie hen bedreigt?

Geen verrassend resultaat dus, maar daarom niet minder ontstellend, toen ik daar zondagavond half ingestort op een houten zitbank zat te wachten in het telbureau van Molenbeek, en de wereld van me af wilde trappen. Wat dat precies opgeleverd zou hebben, was me ook toen al niet geheel duidelijk, maar in mijn woede en vermoeidheid heb ik de onbedwingbare neiging te vervallen tot het gedrag van een peuter die, wanneer hij zijn zin niet krijgt, zich krijsend op de grond gooit en wild met zijn kleine beentjes in het rond begint te trappelen.

Ondertussen, na de nodige nachtrust, ben ik alweer bedaard. Ik heb geleerd dat men de kiezer zijn keuze niet mag aanwrijven. Ik heb geleerd dat het niet meer dan een foert-stem was, die massale steun voor niet eens zo verholen racisten en hun nabauwers, waarmee men weliswaar zijn ongenoegen uit, maar zich daarom nog niet inschrijft in het discours waarvoor men wel gekozen heeft. Ik moest weer denken aan de stemhokjes, die daar in het halfduister oprezen in het klaslokaal, en de wastafel verlicht door de binnenvallende zon. De kiezer verschuilt zich achter een gordijntje en steekt zijn middelvinger op — en wast vervolgens zijn handen in onschuld. Vrij van zonden, onschuldig als een lam, wandelt hij het stemlokaal buiten, het zonlicht in. Het wordt een mooie dag.

—Deze bijdrage verscheen eerder op Mo*.

Waarom België steeds rijker wordt — en toch steeds meer mensen moeilijk rondkomen

Het gaat goed met België en de Belgen. We zijn een rijk land, met rijke burgers, die ook steeds rijker worden. Hoe komt het dan dat toch een steeds grotere groep in armoede leeft, en dat steeds meer mensen —niet alleen mensen in armoede, maar ook mensen in de lage middenklasse— het gevoel hebben dat ze niet rondkomen? Twee tendensen blijken van cruciaal belang: de shift van kostwinners- naar tweeverdienersmaatschappij enerzijds, waarbij gezinnen die geen beroep kunnen doen op twee inkomens uit arbeid steeds verder achterop raken; en de disfunctionele woningmarkt anderzijds, waarbij lagere inkomens geconfronteerd worden met een disproportioneel zware druk die huisvestingskosten op hun budget leggen. Daar zou morgen de prioriteit moeten liggen van het beleid.

Deze bijdrage herneemt enkele belangrijke bevindingen uit het Denktank Minerva onderzoeksrapport ‘Een nieuwe kwetsbaarheid’, uitgevoerd door het Centrum voor Sociologisch Onderzoek aan de K.U.Leuven. Het volledige rapport is hier te lezen.

Eerste, methodologische, bemerking: de verschillende inkomensklassen waarvan sprake zijn bepaald op basis van het netto inkomen waarover mensen beschikken, dus hun inkomen na de toekenning van sociale transfers en de aftrek van de verschuldigde inkomensbelasting. Vervolgens wordt dit netto beschikbare inkomen gecorrigeerd voor de gezinssamenstelling: een koppel heeft immers per persoon een lager inkomen nodig dan een alleenstaande om er toch dezelfde levensstandaard op na te kunnen houden, vermits bepaalde belangrijke kosten gedeeld kunnen worden. Het is op basis van dit (equivalente) netto beschikbare inkomen dat vervolgens het mediaaninkomen bepaald wordt: de helft van de inwoners in België beschikt over een lager inkomen, de helft over een hoger inkomen. In 2016 bedroeg het mediaaninkomen voor een alleenstaande bijna 1.900 euro, voor een koppel bijna 3.000 euro.

equivalentietabel.png

Wie beschikt over een inkomen rondom de mediaan, behoort tot de kernmiddenklasse. Wiens inkomen meer dan een vijfde meer bedraagt, behoort tot de hoge middenklasse. Wie zelfs twee keer meer verdient, is rijk. Omgekeerd geldt dat wie moet rondkomen met een inkomen dat lager is dan zestig procent van die mediaan, arm is. In 2016 betekent dat dus een inkomensgrens van 1.790 euro voor een koppel, en 1.190 euro voor een alleenstaande. Uit budgetonderzoek van de Universiteit Antwerpen blijkt ook dat deze (internationaal bepaalde) armoedegrens ongeveer overeenstemt met het minimale inkomen waarover iemand moet beschikken om te kunnen participeren aan de samenleving. Wie over een inkomen beschikt dat hoger is dan deze armoedegrens, maar toch niet voldoet voor de kernmiddenklasse, behoort tot de lage middenklasse.

Eerste vaststelling: de kernmiddenklasse in België kalft langzaam maar zeker af. In 1985 behoorden nog meer dan vier op tien Belgen tot de kernmiddenklasse, vandaag is dat nog maar drie op tien. Het aandeel mensen dat in armoede moet leven, is tezelfdertijd sterk gestegen: van negen procent midden de jaren tachtig tot zestien procent vandaag. Dat betekent dat meer dan 1,7 miljoen Belgen vandaag in armoede leven.

Grafiek_1.png

Tussen 1985 en 2016 steeg de levensstandaard natuurlijk wel: we zijn in de tussentijd heel wat rijker geworden. Terwijl de totale economie tussen 1985 en 2016 groeide met gemiddeld zo’n 1,9 procent per jaar (gecorrigeerd voor inflatie en bevolkingstoename), gingen de inkomens van de kernmiddenklasse er gemiddeld elk jaar met zo’n 1,65% op vooruit.

Grafiek_3.png

De laagste inkomens blijven echter ver achter: hun inkomen steeg ook, maar lang niet zo snel als de inkomens van de rest van de samenleving. Niet alleen is het aandeel mensen in armoede dus sterk toegenomen de laatste dertig jaar, ze zijn verhoudingsgewijs dus ook steeds armer.

Vanwaar die dynamiek tussen enerzijds een stijgende levensstandaard voor de middenklasse, en anderzijds meer en diepere armoede?

Een begin van verklaring schuilt in een evolutie die we de afgelopen decennia hebben doorgemaakt, van een ‘kostwinnersmaatschappij’ naar een ‘tweeverdienerssamenleving’. Omdat in 1985 in heel veel gezinnen maar één partner werkte (veelal de man), volstond één inkomen per gezin ook om er de levensstandaard van de middenklasse op na te kunnen houden: zelfs in de kernmiddenklasse zien we dus dat bij volwassenen minder dan zes op tien mensen werkt. Eén inkomen uit arbeid in het gezin volstaat opdat beide partners toch over een inkomen kunnen beschikken waarmee ze tot de kernmiddenklasse behoren.

Grafiek_2.png

Met de instroom van vrouwen in (betaalde) arbeid, en dus ook met de opkomst van tweeverdienersgezinnen, stijgt echter ook de levensstandaard die het ‘typische middenklasse-gezin’ erop na kan houden, of nog: precies omdat in meer en meer gezinnen beide partners uit werken gaan, is het nu ook nodig dat beide partners werken om over een gezinsinkomen te beschikken dat voldoende is om als middenklasser te gelden. De levensstandaard van de middenklasse wordt niet langer bepaald door éénverdieners, maar door tweeverdieners. En dat betekent natuurlijk ook dat huishoudens die niet (kunnen) beschikken over twee inkomens uit arbeid, in de problemen komen: zij verliezen voeling met de levensstandaard van de middenklasse.

Denk bijvoorbeeld aan alleenstaanden en alleenstaande ouders: zij vormen een steeds grotere groep in onze samenleving (o.a. ook precies omdat vrouwen nu ‘gaan werken’ en dus ook financieel onafhankelijk zijn geworden en niet meer ‘veroordeeld zijn’ tot een man), en moeten per definitie rondkomen met maximaal één inkomen uit arbeid — wat vaak niet volstaat om tot de middenklasse te kunnen behoren. Het zal dan ook niet verbazen dat we alleenstaanden en zeker alleenstaande ouders disproportioneel vaak terugvinden onder de armoedegrens of in de lage middenklasse.

Grafiek_10.png

Een tweede belangrijke risicogroep zijn kortgeschoolden: zij lopen een veel hoger risico op (langdurige) werkloosheid en ziekte, invaliditeit, enz. Omdat we tegelijk ook een tendens zien waarbij meer en meer kortgeschoolden samenwonen met kortgeschoolden, en hooggeschoolden met hooggeschoolden, betekent dit ook dat deze arbeidsmarktrisico’s zich concentreren binnen huishoudens: huishoudens gevormd door kortgeschoolden zullen zo véél vaker geen beroep kunnen doen op twee inkomens uit arbeid, en dus ook elke aansluiting met de levensstandaard van de middenklasse verliezen. Ter illustratie: in 1985 was nog drie op tien rijken kortgeschoold, vandaag is dat nog maar drie op honderd. In de laagste twee inkomensklassen is ongeveer de helft van de mensen kortgeschoold.

Grafiek_11.png

Een derde risicogroep wordt gevormd door personen die niet in de EU geboren zijn. Zij ondervinden een resem drempels die hun arbeidsparticipatie belemmeren, en kunnen dan ook veel minder vaak een beroep doen op twee inkomens uit arbeid dan het doorsnee-gezin in België. Wel blijkt dat hoe langer zij in België wonen, hoe meer zij opklimmen in de inkomensverdeling.

Figuur_geboorteland.png

Alleenstaanden, alleenstaande ouders, kortgeschoolden, nieuwkomers: gezinnen die (per definitie of door omstandigheden) moeten leven met ten hoogste één inkomen uit arbeid komen in deze tweeverdienersmaatschappij in de problemen. Hun inkomen, zelfs wanneer zij werken, volstaat niet om de levensstandaard van de middenklasse te verwerven. Zij lopen een disproportioneel hoog risico op armoede.

Grafiek_1.png

Met hun inkomens die (relatief gezien) vér achter blijven op de inkomens van (tweeverdienende) middenklassegezinnen, en met de sterk stijgende woningprijzen, verliezen zij ook elke toegang tot de woningmarkt. Een eigen huis is voor hen geen bereikbare droom meer, maar een illusie. Terwijl het woningbezit onder de bevolking op actieve leeftijd in de hogere inkomensklassen tussen 1985 en 2016 sterk gestegen is, zien we een daling voor gezinnen in de lage middenklasse en zelfs een implosie voor (de steeds grotere groep) gezinnen met een inkomen onder de armoedegrens. Het woningbezit polariseert zeer sterk, mensen met lagere inkomens blijven met lage handen achter.

Grafiek_7.png

Het gevolg is dat een steeds grotere groep gezinnen met een laag inkomen terugvalt op de (kleine en relatief dure) private huurmarkt; het aandeel sociale woningen (vijf à zes procent van de totale woningmarkt) is véél te laag om aan de vraag te voldoen of om een impact te hebben op huurprijzen in het lagere huursegment. Gezinnen in het onderste kwart van de inkomensverdeling moeten daardoor —en door de tendens naar steeds hogere forfaitaire facturen— haast de helft van hun beschikbare inkomen uitgeven aan onontkoombare huisvestingskosten: afbetalingen, huur, water, energie. Zij houden van hun al magere beschikbare inkomen nog nauwelijks iets over om te leven.

20190416_Uitgaven_naar_inkomenskwartiel_2016_BIA.png

Gevolg: met hun erg kleine inkomen, waarvan bijna de helft meteen weer wegvloeit naar huisvestingskosten, komen gezinnen in de lagere inkomensklassen simpelweg niet meer rond. Zij kampen steeds meer met materiële deprivatie, waarbij zelfs basisgoederen voor hen onbereikbaar worden. Meer dan een kwart van de bevolking op actieve leeftijd die moeten rondkomen met een inkomen onder de armoedegrens, is materieel gedepriveerd, en ook in de lagere middenklasse kampt ondertussen bijna één op tien personen met materiële deprivatie.

Grafiek_8.png

Het aandeel gezinnen op actieve leeftijd in de lagere inkomensklassen, zowel bij armen als in de lage middenklasse, dat aangeeft niet rond te komen is schrikbarend snel gestegen: een gevolg van de steeds zwaardere druk die huisvestingskosten en facturen leggen op hun magere gezinsbudget. In de lage middenklasse geeft onder de bevolking op actieve leeftijd ondertussen al bijna vier op tien personen aan dat zij niet weten rond te komen. Bij 65-plussers zien we diezelfde stijging niet: zij beschikken in de grote meerderheid immers over een eigen woning die ook afbetaald is, en worden dus niet geconfronteerd met dezelfde stijgende huisvestingskosten. Dat zal in de toekomst anders zijn: we zien immers dat gezinnen in de lagere inkomensklassen véél minder dan vroeger erin slagen een eigen woning te kunnen kopen.

Grafiek_9.png

Twee grote tendensen zorgen er dus voor dat we in België weliswaar steeds rijker worden en dat onze middenklasse zich tot de rijkste van de wereld kan rekenen, maar dat we toch kampen met grote armoede en ook gezinnen in de lagere middenklasse meer en meer in de problemen komen:

1) De shift van kostwinnersmodel naar tweeverdienersmaatschappij zorgde voor een sterke stijging van de welvaart, waarbij de levensstandaard van de middenklasse nu bepaald wordt door gezinnen met twee inkomens uit arbeid — maar waardoor gezinnen die niet kunnen rekenen op twee inkomens uit arbeid ook steeds verder achterop raken.

2) De disfunctionele woningmarkt, met slechts een marginale plaats voor sociale huisvesting en een kleine en dure private huurmarkt, zorgt voor een onhoudbare druk op het beschikbare inkomen van gezinnen met lagere inkomens. Zij houden steeds minder over om te leven, en worden zo kopje onder geduwd.

‘Meer mensen aan het werk’ en ‘hogere vervangingsinkomens’ als antwoord op de nieuwe kwetsbaarheid? Het is nodig, maar lang niet voldoende. We moeten prioritair werk maken van het verlichten van de zware druk die huisvestingskosten leggen op gezinnen met een laag inkomen.

Een betaalbaar pensioen is een keuze

Een discussie over ‘langer werken’ die geen rekening houdt met de dramatische verschillen in gezondheid tussen de verschillende sociale klassen, is simpelweg niet ernstig. De constante nadruk op de stijgende (gemiddelde) levensverwachting (DS 16 mei) verdonkeremaant volledig de enorme en nog groeiende ongelijkheden in levenskansen en levens­jaren.

Een stijgende levensverwachting betekent voor iemand in een ‘hogere’ sociale klasse iets helemaal anders dan voor iemand in een ‘lagere’ sociale klasse. De gezonde levensverwachting van een kortgeschoolde ligt bijna twintig jaar lager dan die van een hooggeschoolde. Iemand die in een arme wijk woont, heeft de helft meer kans te sterven binnen een gegeven jaar dan iemand die in een rijke wijk woont. Wie in een middenklassenwijk woont, loopt dertig procent meer kans uit te vallen met langdurige ziekte dan iemand in een rijke wijk. Voor iemand uit een arme wijk loopt dat risico op langdurige ziekte – net zoals voor chronische aandoeningen, invaliditeit, noem maar op – nog veel hoger op. Elke discussie over langer werken botst hier op haar grenzen: als we die ongelijkheden niet ten gronde aanpakken, betekent langer werken voor brede lagen van de bevolking niet meer dan ‘werken tot we erbij neervallen’.

Dat gezondheidsproblemen toenemen naarmate we dieper afzakken op de inkomensverdeling, en daarmee ook de periodes van inactiviteit, betekent ook dat elk voorstel dat periodes van langdurige ziekte en invaliditeit wil afstraffen met een nog lager pensioen, ongelijkheid op ongelijkheid stapelt. Lagere inkomens betekenen ziekere mensen, ziekere mensen betekenen lagere inkomens: willen we die vicieuze cirkel echt in stand houden?

Het is nodig om de betaalbaarheid van de pensioenen te verzekeren, klinkt het dan. Maar het klopt niet dat de pensioenen binnenkort niet meer betaalbaar zullen zijn, zelfs niet wanneer – oh horror – de ‘gemiddelde’ levensverwachting zou blijven stijgen. Wat wél klopt, is dat we meer zullen moeten uitgeven aan de pensioenen, zelfs fors meer. Spreek ik mezelf dan niet tegen? Neen, want: we bouwen met z’n allen ondertussen ook heel wat meer rijkdommen op. En dan is het niet omdat we een wat groter aandeel van die welvaart zullen moeten aanwenden om de levensstandaard van een groter deel van de bevolking te garanderen, dat we zelf plots slechter af zouden zijn.

Twee zaken kunnen in een rijker wordende samenleving tegelijk waar zijn: een verhoudingsgewijs groter deel van de welvaart zal ten goede komen aan ouderen (logisch, want een groep die verhoudingsgewijs zal groeien), en ook wie werkt zal rijker zijn dan vandaag het geval is. De vraag is niet of de vergrijzing betaalbaar is: natuurlijk is die betaalbaar. De vraag is of we die prijs wíllen betalen. Dat we altijd langer zullen moeten werken, is geen onontkoombare noodzaak, maar een keuze. De keuze die we moeten maken, is wat we het meest prijs op stellen: een steeds hoger inkomen in de periodes dat we werken, of meer vrije tijd — tijdens of na de carrière.

In heel deze discussie over de noodzaak van langer werken om de betaalbaarheid van de sociale zekerheid te garanderen, wordt over één factor in alle talen gezwegen. We worden met z’n allen steeds rijker – maar wie komt die stijgende welvaart het meest ten goede? Waar is dat geld naartoe? Waarom lijkt het zo moeilijk de sociale zekerheid afdoende te financieren?

Een rapport van de Oeso dat enkele weken geleden verscheen, brengt wat meer duidelijkheid. De Oeso ging na hoe de welvaart die we met z’n allen in onze economie produceren verdeeld wordt tussen enerzijds het ‘arbeidsaandeel’ (de vergoeding voor de geleverde arbeid in het productieproces, in de vorm van lonen en socialezekerheidsbijdragen) en anderzijds het kapitaalaandeel (de vergoeding voor het geleverde kapitaal in het productieproces, in de vorm van de bedrijfswinsten en de opbrengsten voor bedrijfseigenaars en aandeelhouders). Wat blijkt: tussen 2001 en 2017 daalde het arbeidsaandeel in de industriesector met maar liefst zeven procentpunten, in de dienstensector zelfs met tien procentpunten. Omgekeerd groeide het deel van de koek die we bakken dat bedrijven voor zich weten te houden dus met respectievelijk zeven en tien procentpunten.

Dat is een gigantische verschuiving, van miljarden en miljarden euro’s welvaart, die niet meer naar lonen en socialezekerheidsbijdragen vloeien, zoals vroeger, maar blijven plakken in de handen van bedrijven en hun eigenaars. De ontslagnemende regering heeft die tendens nog versterkt door de socialezekerheidsbijdragen die bedrijven verschuldigd zijn verder te verlagen: het idee was de ‘kosten’ van arbeid te verlagen, in de praktijk leidde het tot een verdere stijging van de bedrijfswinsten, zoals ook Gert Peersman aantoonde. De sociale zekerheid bleef achter met het tekort. Tegelijk verlaagde deze regering – nog maar eens – het belastingtarief op die stijgende bedrijfswinsten.

Dáár ligt het kalf gebonden. Dáár zit het ‘betaalbaarheidsprobleem’ van onze pensioenen.

— Dit stuk verscheen op 19 mei in De Standaard.

Rijk doet leven, arm doet sterven: de gezondheidsafgrond.

Naar pleidooien voor een meer gelijke samenleving hoeven we niet te luisteren: van meer dan afgunst en hebzucht kunnen ze niet getuigen. Bovendien: wat hebben we te klagen? De ongelijkheid is hier al bij al behoorlijk beperkt. We hebben wel andere katjes te geselen dan ons druk te maken over die zogenaamde ongelijkheid.

En toch. De cijfers in de pas gepubliceerde studie van het InterMutualistisch Agentschap zijn zonder meer schokkend. De onderzoekers legden de fiscale gegevens van elke wijk in België naast de gezondheidsgegevens waarover de ziekenfondsen beschikken. Wat blijkt: wie in een ‘arme’ wijk woont, heeft meer dan de helft méér kans om in een gegeven jaar te sterven dan wie in een ‘rijke’ wijk woont.

Het zou fout zijn te spreken van een gezondheidskloof, met aan de minder fortuinlijke zijde wie arm is en aan de andere kant de rest van de samenleving. Het rapport toont het beeld van een steile afgrond, met de meest fortuinlijken aan de top en de rest van de samenleving steeds dieper wegglijdend: hoe minder rijk, hoe minder fortuinlijk, hoe slechter de gezondheid. Wie in een arme wijk woont, heeft de helft meer kans om te sterven dan wie in een rijke wijkt woont. En zelfs wie tot het middensegment van de samenleving behoort – 40 procent van de Belgen woont in een armere wijk, 40 procent in een rijkere wijk – heeft een kwart méér kans om te sterven dan wie in een rijke wijk woont.

Die ongelijkheid zet zich op alle gezondheidsvlakken door, en telkens opnieuw verschijnt dat beeld van een afgrond waarin mensen dieper wegglijden naarmate ze minder rijk zijn. Werkers die in armere wijken wonen hebben de helft meer kans om langdurig ziek te vallen dan wie in een rijke wijk woont, maar ook werkers in een ‘doorsnee-wijk’ hebben nog 30 procent meer kans om langdurig ziek te worden. Hoe lager het inkomen, hoe hoger de kans op chronische aandoeningen – en dus hogere medische kosten. Longaandoeningen, chronische bronchitis, diabetes, hartstoornissen, spoedopnames, opnames in een psychiatrisch ziekenhuis: telkens opnieuw hetzelfde beeld. Hoe armer, hoe minder snel naar de tandarts; hoe rijker, hoe sneller naar de orthodontist.

Uw inkomen bepaalt – doorheen de hele inkomensverdeling en niet enkel voor wie het armst of het rijkst is – uw kans op een goede of een slechte gezondheid. Die gezondheidsafgrond geldt voor heel België en reproduceert zich ook voor Vlaanderen: hoe lager het inkomen van een wijk, hoe hoger de kans op langdurige ziekte, invaliditeit, chronische aandoeningen, vroegtijdige sterfte. In wijken van de middenklasse is men zieker dan in rijke wijken, in arme wijken is men zieker dan in wijken van de middenklasse.

Elke discussie over ‘meer mensen aan het werk krijgen’ of mensen ‘langer laten werken’ kan niet om de vaststelling heen dat lagere inkomens ziekere mensen betekent – en dat ziekere mensen minder kunnen werken en dus weer op lagere inkomens terugvallen. Elke discussie over de organisatie van de gezondheidszorg is niet ernstig als ze niet vertrekt van het ontstellend feit dat rijk doet leven en arm doet sterven.

Het getuigt van een verregaande lichtzinnigheid, ja zelfs onbekommerdheid, om dan te kiezen voor het nog verder drijven van de sluipende privatisering van de gezondheidszorg en steeds meer over te laten aan de ‘aanvullende’, niet-verplichte verzekeringen. Wie die verzekering het minst nodig heeft, kan haar het makkelijkst veroorloven; hoe groter de kans geconfronteerd te worden met oplopende medische kosten, hoe kleiner de kans dat men zich zo’n aanvullende verzekering kon permitteren. Wie wint hierbij? Niemand, behalve de private verzekeringsgiganten die mooie winsten kunnen boeken op de afbouw van het solidaire gezondheidszorgsysteem.

“Als we maar gezond zijn”: er is niets dat zo’n grote impact heeft op het leven van mensen en van de mensen in hun omgeving, op hun levenskwaliteit, op hun geluk, als hun gezondheid. Wie bekommerd is om mensen, bekommert zich om hun gezondheid. Het is geen toeval dat gezinnen zorg – of beter, het gebrek aan zorg – als hun absolute prioriteit naar voren schuiven, zoals bleek uit de bevraging van de Gezinsbond, waarvan De Morgen dinsdag de resultaten publiceerde. En toch wordt het thema nauwelijks opgepikt, en toch negeren we de dramatische verschillen in gezondheid tussen de verschillende sociale klassen.

Wie zich druk maakt over de ongelijkheid in België – die o zo klein is, ach nauwelijks het noemen waard – is niet afgunstig op dat ene restaurantbezoek meer of minder, een skireis, die goede fles wijn. Wat zou het. Maar dat die ongelijkheid zich vertaalt in drastisch verschillende levenskansen, in zoveel verloren levensjaren, dát is een ongerijmdheid waarvoor in geen enkele samenleving plaats mag zijn.

— Deze bijdrage verscheen op 15 mei in De Morgen.

Een sterke sociale zekerheid is het fundament van een sterke samenleving

We leven in onzekere tijden. Een sluipend ongenoegen en een angst voor verval doordesemt de samenleving. Ook ons systeem van sociale zekerheid, dat dit jaar zijn vijfenzeventigste verjaardag viert, beleeft onzekere tijden. In haar ontwikkeling sinds de Tweede Wereldoorlog is de sociale zekerheid zo’n vanzelfsprekend onderdeel van onze maatschappij geworden, dat ze zelf haar vanzelfsprekendheid verloren heeft. Cruciale basisprincipes worden in vraag gesteld, haar blijvende betaalbaarheid wordt betwijfeld, in haar financiering door sociale bijdragen wordt drastisch gesnoeid. Het zijn dus onzekere tijden voor de sociale zekerheid, maar ook tijden waarin het belang van de sociale zekerheid eens te meer op de voorgrond treedt in de zucht naar, precies, zekerheid in het leven.

Symptomatisch voor de crisis van de sociale zekerheid is de opkomende populariteit van broodfondsen. Zo’n broodfonds bestaat uit een groep zelfstandigen uit eenzelfde buurt die beloven om, in ruil voor een vaste maandelijkse bijdrage aan een gemeenschappelijk fonds, elkaar enige tijd financieel te ondersteunen in geval van inkomensverlies door ziekte. Het concept maakt opgang in Nederland: het eerste broodfonds werd opgericht in 2006, vandaag zijn al ruim meer dan vierhonderd broodfondsen actief, met meer en meer zelfstandigen zonder personeel die zich aansluiten. Zij vallen door de mazen van het net in de klassieke sociale zekerheid, en zien in het broodfonds een alternatief verzekeringsmodel. In België blijft het fenomeen vooralsnog marginaal, al klinken ook hier stemmen die het concept verdedigen. Zij stellen het daarbij echter niet alleen voor als een aanvulling op, maar zelfs als een vervanging van het klassieke systeem van sociale zekerheid, dat immers niet aangepast zou zijn aan de nieuwe tijden.

Een broodfonds telt in principe tussen de twintig en de vijftig leden. Dankzij die relatief beperkte omvang kennen de leden van een broodfonds elkaar ook echt, wat dan weer de basis vormt voor het noodzakelijke vertrouwen dat mensen in elkaar moeten kunnen stellen voor 10 het goede functioneren van het fonds. Het is ook de reden waarom niet iedereen zich kan aansluiten bij een broodfonds, zelfs al toont men zich bereid trouw de verschuldigde bijdragen te storten: de leden van het broodfonds beslissen zelf of iemand mag intreden. Leden krijgen ook niet ‘zomaar’ financiële ondersteuning bij inkomensverlies door ziekte: de overige leden van het broodfonds oordelen over de rechtmatigheid van de vraag. Men maakt dus komaf met de anonimiteit inherent aan de klassieke sociale zekerheid, die men als voedingsbodem ziet voor het wantrouwen dat zulke stelsels zou kenmerken: vermits ik niet weet waar ‘mijn’ geld naartoe gaat, is het ook des te makkelijker voor te stellen dat het wegvloeit naar ‘profiteurs’. Niets daarvan in een broodfonds, waar iedereen iedereen kent, en iedereen de situatie van iedereen kan beoordelen. Zo wordt het broodfonds-model ook verkocht: een vorm van sociale zekerheid waar de leden zelf de touwtjes in handen houden.

De opkomst van broodfondsen in Nederland loopt parallel aan de sterke groei van het aantal atypische arbeidssituaties. Meer en meer mensen worden in de richting geduwd van werkovereenkomsten die opdrachtgevers ontslaan van een resem fiscale en sociale regels en verplichtingen, maar wel als consequentie hebben dat de opdrachtnemer niet meer afdoende gedekt is door het bestaande stelsel van sociale zekerheid, en bij tegenslag geen beroep kan doen op de klassieke, geïnstitutionaliseerde vormen van solidariteit: sociale risico’s worden weer volledig in de schoot van het individu zelf geduwd, sociale risico’s die op individuele basis onverzekerbaar zijn en waaraan private verzekeraars zich ook niet willen verbranden. Het is zo dat de eerste broodfondsen ontstonden, bij gebrek aan valabel alternatief. In een volgende beweging worden broodfondsen nu aangeprezen als bewijs dat institutionele solidariteit –ons systeem van sociale zekerheid– ook nergens voor nodig is. Dat klassieke stelsel zou immers niet meer aangepast zijn aan de ‘nieuwe tijden’ waarin we leven, en bovendien ook overbodig zijn; het volstaat dat gelijkgezinden elkaar vinden, en ze kunnen zelf hun ‘eigen’ ‘sociale zekerheid’ organiseren, zonder dat de staat of vakbonden en bedrijfsorganisaties daarin tussen moeten komen.

Onzekerheid en welbegrepen eigenbelang.

Niets is zo nieuw als we wel willen denken. Zonder er zelf erg in te hebben, vergeet men in de eenentwintigste eeuw de lessen van de twintigste eeuw om terug te grijpen naar recepten uit de negentiende eeuw en zelfs vroeger. Een broodfonds is immers niet meer dan een nieuwerwetse versie van de oude gildenbussen, instituties met wortels die teruggrijpen tot de middeleeuwen. Ook de gilden waren besloten verenigingen waar de leden elkaar kenden en die autonoom beslisten over wie zich verder mocht aansluiten; ook daar een bijdrageplicht aan een gemeenschappelijk fonds van onderlinge bijstand, de gildenbus; ook daar de belofte van steun in moeilijke tijden, of toch voor zover de overige leden oordeelden dat steun gerechtvaardigd was. De ‘sociale zekerheid’ die gildenbus of broodfonds biedt, blijft zo steeds een gunst, geen recht, een zaak van liefdadigheid, niet van sociale rechtvaardigheid. Door het beslissingsrecht over toetrede en toekenning van tegemoetkomingen in handen van de leden van het fonds te leggen, geeft men misschien de illusie van controle, maar creëert men tegelijk onzekerheid in het hart van een institutie die zekerheid hoort te bieden.

Onzekerheid vloeit ook voort uit de beperkte omvang en versnippering van broodfondsen en consorten. Het is een les die de geschiedenis herhaaldelijk heeft onderwezen: maatschappijen van onderlinge bijstand, zoals ook broodfondsen, zijn niet bestand tegen sociale, demografische, financiële en economische schokken. Sociale risico’s zoals ziekte, ouderdom, of werkloosheid, waartegen zulke verenigingen toch zouden moeten beschermen, zijn maar effectief verzekerbaar tegen een aanvaardbare prijs wanneer het risico gespreid kan worden over een brede en diverse populatie, een vereiste die onmogelijk te verwezenlijken valt in een landschap met tientallen tot honderden bijstandsverenigingen en waar aansluiting bij zo’n maatschappij niet verplicht is. De diepe crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw toont lang niet de eerste maar wel een sprekende illustratie van het failliet van dit model, toen de veelheid aan kassen en fondsen erg kwetsbaar bleek voor de impact van de recessie.

De kassen waren vaak per beroepsgroep georganiseerd, per sector, of streekgebonden: het gevolg was dat net in die steden, beroepsgroepen, en sectoren die het zwaarst getroffen werden door economische schokken, de maatschappijen van onderlinge bijstand bezweken onder de druk en verzekerden zonder enige vorm van inkomen dreigden te vallen, terwijl andere kassen, in streken en sectoren die meer beschut waren tegen de crisis, niet hoefden bij te springen en hun in betere tijden opgebouwde reserves nodeloos konden oppotten. Die mismatch tussen bittere armoede enerzijds en opgepotte maar niet aangesproken reserves anderzijds droeg zo nog bij aan een verdere verscherping van de economische crisis. Het failliet van het model betekende niet alleen een individueel, maar ook een collectief verlies. Het is, kort gezegd, niet geschikt om mens en maatschappij te verzekeren tegen sociale en economische schokken.

De universaliteit van moderne systemen van sociale zekerheid, zoals die zich na het drama van de Depressie en de rampspoed van de Tweede Wereldoorlog ontwikkelden, met verplichte aansluiting bij een nationaal gedragen solidariteitsfonds, is een noodzaak gebleken om effectieve individuele en collectieve bescherming tegen inkomensverlies bij sociale tegenslag te kunnen garanderen. De leraar in Luik is solidair met de bankbediende in Brecht, de kuisvrouw in Ranst met de Genkse automechanicus. Steun aan de sociale zekerheid is een zaak van welbegrepen individueel eigenbelang: het vormt de beste verzekering tegen moeilijke tijden. Maar het is ook een zaak van collectief eigenbelang: de sociale zekerheid functioneert als de schokdemper die grote economische schokken opvangt en verlicht en zo de samenleving doorheen moeilijke tijden helpt. Een goed functionerend systeem van sociale zekerheid maakt zijn naam waar: de sociale zekerheid zorgt voor zekerheid in onzekere tijden, zowel voor het individu als voor het collectief.

De kracht van de sociale zekerheid toont zich echter niet alleen wanneer we effectief getroffen worden door een sociale of economische schok en kunnen vertrouwen op het stelsel van sociale zekerheid om ons te beschermen tegen de mogelijk dramatische gevolgen van inkomensverlies, zij het door pensionering of werkloosheid dan wel door ziekte en oplopende gezondheidszorgkosten. Het contrast tussen enerzijds de grote welvaart van het land en de vermeende hoge financieringskost van het socialezekerheidsstelsel, en anderzijds de hoge armoedecijfers, stelt de vraag op scherp wat de primaire doelstelling van de sociale zekerheid hoort te zijn. Is het doel een verzekering van de levensstandaard bij tegenslag, of moet de nadruk liggen op het verzekeren van een bodembescherming voor iedereen? Het spreekt voor zich dat een sociaal stelsel dat er niet in slaagt mensen te beschermen tegen armoede, faalt in een belangrijke basisopdracht. De verzekering bieden dat niemand in armoede hoeft te leven, is een absolute grondvoorwaarde voor elk fatsoenlijk systeem van sociale bescherming. Demografische en sociaal-economische verschuivingen in de maatschappij maken die basisopdracht er niet eenvoudiger op: denk maar aan de verschuiving van het kostwinners- naar het tweeverdienersmodel, die maakt dat de algemene levensstandaard weliswaar sterk toeneemt, maar er ook voor zorgt dat gezinnen die niet kunnen rekenen op twee inkomens steeds verder achterop raken en een grote kans lopen getroffen te worden door armoede.

Maar al is de bescherming tegen armoede een basisopdracht en een grondvoorwaarde voor elk decent socialezekerheidssysteem, wil dat nog niet zeggen dat het ook de primaire doelstelling van een stelsel van sociale zekerheid hoort te zijn. Het is een ondergrens, geen einddoel. De sociale zekerheid is tenslotte een vorm van sociale verzekering: de verzekering dat onze levensstandaard beschermd wordt tegen sociale risico’s, in goede en in slechte tijden. Een stelsel van sociale zekerheid dat zich beperkt tot het garanderen van een bodembescherming, zonder in te staan voor een bescherming van de levensstandaard, biedt geen zekerheid: het zorgt er nog steeds voor dat mensen en gezinnen die geconfronteerd worden met tegenslag van een hoge klif geduwd worden en dreigen te pletter te slaan. Ze vallen misschien minder diep dan zonder bodembescherming, maar dat maakt de val niet minder pijnlijk, het verlies van controle over het eigen leven niet minder reëel. Het resultaat is een impuls tot desolidarisering, waarbij huishoudens in de hogere inkomensklassen die het zich enigszins kunnen veroorloven op zoek zullen gaan naar eigen, weliswaar dure en inefficiënte, vormen van inkomensverzekering, naast het publieke stelsel van sociale zekerheid dat dreigt drooggelegd te worden, in de ijdele hoop zo wel zekerheid te verkrijgen. Een fatsoenlijk systeem van sociale zekerheid biedt zekerheid voor iedereen; het beschermt niet alleen tegen armoede, maar garandeert ook het behoud van een decente levensstandaard. Voor niemand mag tegenslag een duw richting de afgrond betekenen.

Hierin schuilt de kracht van de sociale zekerheid: omdat ze niet alleen beschermt tegen de dreiging van armoede maar tegen een val van de levensstandaard, bereikt ze méér dan alleen het bieden van zekerheid. Omdat ze zekerheid biedt, kon de sociale zekerheid het fundament worden waarop onze welvaartsstaat en onze middenklassemaatschappij gebouwd werd. De sociale zekerheid ondersteunt de opbouw van de welvaartsstaat niet enkel omdat ze fungeert als schokdemper in economisch zware tijden, waardoor crisissen minder diep snijden en sneller terug aangeknoopt kan worden met economische groei. Doordat we weten dat ook in tijden van ziekte, werkloosheid, of pensionering — kortom, wanneer ons arbeidsinkomen wegvalt– het behoud van onze levensstandaard verzekerd is dankzij het socialezekerheidssysteem, hoeft niet iedereen voor zich onnodig provisies op te potten voor kwade tijden die misschien wel, misschien niet zullen optreden, en kan iedereen zich dag na dag een hogere levensstandaard veroorloven. Een eenvoudig voorbeeld kan volstaan om dit te illustreren. Neem een land met twintig inwoners, en een gemiddeld jaarinkomen per inwoner van 1.000 euro. Stel ook dat iedereen één kans op twintig heeft om in een bepaald jaar een ziekte op te lopen waarvan de kost op jaarbasis 1.000 euro bedraagt. Als iedereen jaarlijks vijftig euro bijdraagt aan een gemeenschappelijk fonds, houdt iedereen 950 euro over om vrij te besteden en heeft het fonds de middelen om de jaarlijks te verwachten kost door ziekte te dekken. Als iedereen echter op zichzelf aan dit tempo provisies probeert aan te leggen, duurt het twintig jaar vooraleer iemand de ziektekost volledig kan dekken. Wie vóór die twintig jaar verstreken is door ziekte getroffen wordt, is gezien. Als daarentegen iedereen méér geld opzij gaat zetten als eigen provisie om de kans te verkleinen ziek te worden zonder genoeg reserves te hebben opgebouwd, gaat dit ten koste van de vrij te besteden inkomens en duikt de algemene levensstandaard ipso facto omlaag.

Een systeem van sociale zekerheid waaraan iedereen bijdraagt, geeft mensen dus niet alleen zekerheid over hun levensstandaard omdat eventueel inkomensverlies ondervangen wordt en het de hele maatschappij door moeilijke tijden helpt, maar maakt ook dag na dag een hogere levensstandaard mogelijk dan in de afwezigheid van het socialezekerheidsstelsel. Bovendien zorgt de zekerheid van de inkomensbescherming er ook voor dat banken meer geneigd zullen zijn langlopende leningen toe te kennen aan een lagere intrest, omdat ook zij zekerder kunnen zijn van terugbetaling zelfs bij tegenslag. In hun streven naar een hogere levensstandaard en een middenklassebestaan profiteert dus ook wie zelf niet getroffen wordt door ziekte of werkloosheid van het systeem van sociale zekerheid. Het is op dit fundament dat we konden bouwen aan de welvaartsstaat en onze middenklassemaatschappij.

Het gevaar van ‘flexibilisering’, ‘verzelfstandiging’, en andere atypische arbeidsovereenkomsten (de motor achter de groei van broodfondsen in Nederland), en van een (al is het maar gedeeltelijke) privatisering van functies van de sociale zekerheid, schuilt niet alleen in het feit dat de ‘last’ van fiscale en sociale regels, verplichtingen en provisies in de schoot van de individuele burger wordt geduwd, die zelf zijn ‘eigen’ ‘sociale zekerheid’ zal moeten organiseren — wat een onmogelijke opdracht is. Het gevaar bestaat er ook in dat, precies omdat op die manier geen zekerheid geboden kan worden, ook de rol van de sociale zekerheid als fundament van de welvaartsstaat en de middenklassemaatschappij ondergraven wordt. Wie niet kan vertrouwen op een universeel en dekkend systeem van sociale zekerheid, heeft de keuze tussen een onredelijk hoog risico op diepe armoede bij tegenslag, en/of een onredelijk veel lagere levensstandaard dan wanneer hij wel zou kunnen genieten van die sociale zekerheid.

De sociale zekerheid ondergraven betekent het fundament van de welvaartsstaat en de middenklassemaatschappij ondergraven. Het holt de samenleving uit en werkt polarisering in de hand. Een samenleving waarin mensen in onzekerheid leven, niet weten wat de dag van morgen brengt, zich constant zorgen moeten maken of ze ook morgen nog wel zullen rondkomen, wanneer het even wat minder gaat of een economische schok hen treft, zo’n samenleving wordt een angstige samenleving, en verliest haar samenhang. Het uiteenrafelen van de sociale zekerheid betekent het uiteenrafelen van de middenklasse, het uiteenrafelen van de middenklasse het uiteenrafelen van de samenleving. Een sterke sociale zekerheid vormt de grondslag van de welvaartsstaat en een sterke middenklasse, en weeft de samenleving aan elkaar, precies omdat de sociale zekerheid zekerheid biedt, ook in onzekere tijden.

Een sterke sociale zekerheid is een zaak van welbegrepen eigenbelang, zowel individueel als collectief. Toch beleeft de sociale zekerheid onzekere tijden. Vanwaar dat verlies aan vanzelfsprekendheid, waarom die afkalvende legitimiteit? We hebben geen ander en beter antwoord gevonden op een weliswaar uiterst belangrijk maar eerder technisch vraagstuk — hoe ons individueel en collectief zo effectief mogelijk te verzekeren tegen inkomensverlies bij het optreden van sociale risico’s. Veranderende sociale, demografische en economische omstandigheden kunnen wel nopen tot aanpassingen van specifieke regels en voorzieningen, maar de geldigheid van de basisprincipes van de klassieke sociale zekerheid staat buiten kijf. Wanneer deze basisprincipes toch onder vuur liggen, is het ten gronde niet vanwege zulke eerder technische kwesties, of vanwege de vermeende ontdekking dat ons eigenbelang, zij het individueel dan wel collectief, beter gediend zou zijn zonder een universeel dekkende sociale zekerheid (quod non). Wat de legitimiteit van de sociale zekerheid in deze ondermijnt, en daarmee het fundament van de samenleving zoals we die kennen ondergraaft, is een verschuiving in de mens- en maatschappijvisie waarmee we de samenleving begrijpen. Maatschappelijke instituties zijn de neerslag van sociaal gedachtegoed.

Een revolutie van het denken.

Het socialezekerheidssysteem zoals we het vandaag kennen is verwekt in de jaren van Depressie en Tweede Wereldoorlog. De ontwikkeling van het ideeëngoed waaraan de sociale zekerheid ontsproten is, dateert echter van veel vroeger, en kan als reactie gezien worden op het heersende conservatief-liberale discours dat in de negentiende eeuw de rigueur was. De negentiende eeuw is de eeuw van de nieuwe, industriële klasse, die zich tegoed kon doen aan de vruchten van de Industriële Revolutie. De nieuw verworven rijkdommen van deze klasse staken schril af tegen de armoede op het platteland en in de steden waar het fabrieksproletariaat samentroepte. Sociale onvrede was dan ook onvermijdelijk. Om de rijkdommen van de nieuwe klasse van patroons te beschermen tegen de aanspraken van de massa volstond het niet de ijzeren vuist van het staatsapparaat in te zetten. De nieuwe krachtverhoudingen moesten ook morele uitdrukking krijgen: de diepe ongelijkheden die het land doorkliefden kon men niet enkel met machtsargumenten verdedigen, men moest er ook een morele rechtvaardiging aan kunnen geven. Die rechtvaardiging vond men in het conservatief-liberale discours.

Centraal in dat discours staat de idee van de mens alleen, de mens die in zijn handelen alleen bepaald en beperkt wordt door zijn eigen wilskracht. De mens is als een kleine god, die zelf de wereld boetseert waarin hij te leven heeft. Ieder voor zich is verantwoordelijk, en alleen verantwoordelijk, voor zijn lot. Dit moet op een dubbele manier begrepen worden: alleen hijzelf kan verantwoordelijk gehouden worden voor zijn lot, en hij is alleen verantwoordelijk voor zijn lot, en voor niemand anders. Iemands plaats in de sociale hiërarchie is niet de reflectie van structurele omstandigheden in de samenleving, maar van karakter en keuzes in het leven waarvoor de mens alleen verantwoordelijkheid draagt.

De sociale hiërarchie is niets meer dan de uitdrukking van verschillen in talent, intelligentie, inspanning, en ondernemingszin. Meer: aan de verkeerde kant van de kloof belanden, getuigt van een persoonlijk en moreel falen. Dat diepe sociale ongelijkheden zich reproduceren doorheen de generaties, kon verklaard worden door verschillen in sociaal-economische situatie te essentialiseren: de bewoners van het ‘House of Have‘ en de bewoners van het ‘House of Want‘ zijn een ‘ander soort’ mensen. Aanvallen op die ‘natuurlijke’ sociale hiërarchie zijn het product van afgunst en hebzucht, een poging tot confiscatie van wat eerzame en godsvruchtige burgers door hard werk hebben weten te vergaren door onverantwoordelijken die weigeren de gevolgen te dragen van hun eigen moreel falen. Hulp aan ‘onfortuinlijken’ is een gunst, een zaak van liefdadigheid, een christelijke deugd — niet van sociale rechtvaardigheid. De conservatiefliberale doctrine levert de ultieme morele legitimatie van de bestaande sociale hiërarchie.

Het gedachtegoed waarvan het instituut van de sociale zekerheid de maatschappelijke uitdrukking is, steunt op een revolutie van het denken, een totale verwerping van dit individualistische conservatief-liberale wereldbeeld. De mens alleen bestaat niet, hij is geen kleine god die de wereld waarin hij te leven heeft naar eigen goeddunken kan boetseren. Hij is zelf het sediment van een gemeenschap. Hij is steeds ingebed in de gemeenschap, erfgenaam van die gemeenschap, en draagt een schuld tegenover die gemeenschap: de mens kan maar worden wie hij is in die gemeenschap en dankzij die gemeenschap. Iemands levenslot valt niet te reduceren tot louter de reflectie van persoonlijke keuzes waarvoor hij en hij alleen verantwoordelijk is; geen enkele sociale hiërarchie is natuurlijk, maar steeds het product van sociale en economische structuren en krachtsverhoudingen die de mens alleen niet kan beheersen. De mens is dus nooit alleen verantwoordelijk voor zijn lot: anderen dragen een verantwoordelijkheid tegenover hem, zoals hij ook mee verantwoordelijk is voor het lot van anderen, en verplichtingen heeft tegenover die anderen.

De eis van sociale rechtvaardigheid vloeit voort uit de structuur van de samenleving zelf; ze volgt uit de erkenning dat ons lot steeds met het lot van anderen verweven is, en dat mijn handelen steeds ook implicaties heeft voor de rest van de gemeenschap waarin ik leef. De idee van een individueel verrekenbaar saldo van schulden en baten tegenover de samenleving is dan ook absurd, en daarmee ook de idee dat iemands positie op de sociale ladder louter toe te schrijven valt aan iemands ‘verdienste’, of gebrek daaraan. Wie getroffen wordt door tegenslag en wie fortuinlijk is, wie het ‘House of Want‘ bewoont en wie het ‘House of Have‘, is geen kwestie van individueel falen en slagen maar een sociaal vraagstuk, dat niet los gezien kan worden van de organisatie van de maatschappij; waar ongelijkheden zich doorzetten, moet ook de organisatie van de samenleving zelf in vraag gesteld worden.

De eis tot solidariteit waarvan de sociale zekerheid de institutionele uitdrukking is, is de erkenning van deze lotsverbondenheid en wederzijdse verantwoordelijkheid. Deze solidariteit is geen gunst, geen zaak van liefdadigheid, maar een recht en een plicht, een zaak van sociale rechtvaardigheid. Precies omdat de sociale zekerheid dit idee van sociale rechtvaardigheid en wederzijdse verantwoordelijkheid institutionaliseert, kan ze zekerheid bieden in het leven van mensen: de sociale zekerheid bevrijdt wie minder fortuinlijk is in het leven van de afhankelijkheid en goedgunstigheid van wie meer fortuinlijk is. Het instituut van de sociale zekerheid is de maatschappelijke neerslag van de idee dat onze lotsverbondenheid betekent dat we in ons handelen nooit alleen ons eigenbelang horen na te streven, maar steeds ook onze verantwoordelijkheid voor elkaar opnemen, om zo het goede leven voor iedereen mogelijk te maken.

Alleen dankzij de doorbraak van dit mens- en maatschappijbeeld, dit cruciale idee van lotsverbondenheid van elke mens met de gemeenschap waarin hij leeft, kon het draagvlak ontstaan waarop zoiets wonderlijks als de sociale zekerheid gebouwd kon worden. De sociale zekerheid is niet in de eerste plaats een antwoord op een technisch vraagstuk, maar de uiting van een revolutie in het denken. In zoverre het vandaag onzekere tijden zijn voor de sociale zekerheid, is het omdat dit gedachtegoed zelf weer aan vanzelfsprekendheid verloren heeft en de individualistische illusie, zoals die vorm kreeg in het negentiende- eeuwse conservatief-liberale discours met zijn legitimatie van sociale ongelijkheden, weer opgang maakt.

Het gevolg is een versplinterende samenleving waarin de idee van lotsverbondenheid dreigt te verdwijnen, en daarmee de idee die de sociale zekerheid legitimeert; met de uitholling van de sociale zekerheid dreigt ook de samenleving verder te versplinteren. Een infernale machine trekt zich op gang, en rukt het sociaal weefsel uit elkaar — en we vallen alleen. We moeten het ideeëngoed waarin de sociale zekerheid wortelt terugwinnen, willen we haar niet zien verpieteren. En we moeten de sociale zekerheid zelf blijvend versterken, willen we de idee van lotsverbondenheid dat onze samenleving haar samenhang geeft, niet zien verschrompelen. Over dit boek… Wat betekent het om de sociale zekerheid zoals we die vandaag kennen te versterken? Welke sociale, demografische, en economische verschuivingen in de samenleving maken het nodig om de sociale zekerheid te herdenken, met welke uitdagingen ziet de sociale zekerheid zich vandaag geconfronteerd? Denktank Minerva vroeg een resem experten om in alle vrijheid te reflecteren over de toekomst van onze sociale zekerheid, nu zij haar vijfenzeventigste verjaardag viert.

De neerslag van deze reflectie kunt u lezen in veertien bijdragen. (…) Samen geven deze bijdragen een beeld van de uitdagingen waar de sociale zekerheid vandaag voor staat. Ze vormen geen eindpunt, maar een begin om grondig te reflecteren over de toekomst van de sociale zekerheid. Die continue reflectie is essentieel, als de sociale zekerheid de rol die haar toekomt moet kunnen blijven spelen.

Want als de sociale zekerheid haar rol niet meer ten volle kan spelen, is het de hele samenleving die er onder te lijden heeft.

De sociale zekerheid vormt het fundament van onze welvaartsstaat en onze middenklassemaatschappij. Zeker in onzekere tijden komt het erop aan, hier weer zekerheid te bieden.

— Deze bijdrage verscheen eerder op Knack.be en vormt de inleiding tot het boek Fundamenten. Sociale zekerheid in onzekere tijden: http://www.denktankminerva.be/studies/fundamenten.

Sterren en cijfers.

Boeken en films kunnen niet meer besproken worden zonder sterren te krijgen, een minister kan niet meer geëvalueerd worden zonder een rapport te krijgen, met één helder cijfer waarin heel zijn (of, in nog steeds eerder zeldzame gevallen, haar) beleid gevangen wordt.

De sterren die een boek opgeplakt krijgt, het cijfer op zijn rapport waarmee de minister thuis moet komen, bij zijn kiezers, maken verdere lectuur van recensie of rapport of elke verdere interpretatie overbodig: sterren en cijfers zijn helder, ondubbelzinnig, ze laten geen misverstanden toe. Ze schenken ons de oh zo verlangde illusie van meetbaarheid en objectiviteit, de maatstaf waarmee de ene met de andere vergeleken kan worden — en beoordeeld zonder ambiguïteiten. Deze is beter dan gene, kijk maar: hij krijgt een sterretje meer, zij een hoger cijfer.

De primus inter pares onder de Vlaamse ministers, als we De Standaard mogen vertrouwen (en waarom zouden we dat niet doen?), is onze minister van Welzijn, Volksgezondheid, en Gezin: Jo Vandeurzen (CD&V). Er is geen beter minister in deze Vlaamse regering te vinden dan hem. Een cynicus zou kunnen opwerpen dat zijn primaat misschien meer zegt over zijn collega’s dan over hemzelf, maar mij is elk cynisme vreemd.

We mogen ons de komende weken aan nog meer van zulke oefeningen verwachten: de grote oplijsting van onze politici, handig in een tabelletje of een grafiekje gevat dat geen twijfel toelaat: he’s hot, she’s not; zij de noeste werker, hij de klaploper die nog de weg niet weet te vinden naar het parlement al stond hij er met zijn neus voor. Maar hoe wéét je zoiets als journalist, wie zijn job als volksvertegenwoordiger ter harte neemt, en wie maar zit aan te modderen, blij met de parlementaire pree, onkostenvergoeding, en medewerker, en als hij af en toe eens op een knopje komt duwen, zal het allemaal allang goed zijn?

Opgejaagd van deadline naar deadline, nu eens reporterend over mobiliteitsbeleid, dan weer over begroting, de dag erna over welzijn (mensen en dieren, het steekt zo nauw niet), zich specialiserend in alles en in niets, zijn journalisten vandaag er met geen stokken meer toe te bewegen commissievergaderingen in het parlement bij te wonen als er geen zekerheid is van nieuws en spektakel.

En spektakel is het zelden, zo’n commissievergadering: de uren en minuten dikken in tot een kleverige stroop waarin een mens langzaam wegzinkt tot alleen een monotoon gebrom nog te horen valt. Af en toe onderbroken door de discrete stem van een medewerker van het parlement die vraagt of u nog wat koffie wenst. We zijn het derde uur van de vergadering ingegaan. Een blik op de agenda: het zesde punt wordt behandeld; hierna nog vijf te gaan. De minister leest zijn antwoord af, elke intonatie zorgvuldig vermijdend. Ik wens nog wat koffie, ja, graag, dank je, melk hoeft niet.

De journalist leert snel: hier moet ik niet zijn, als ik morgen mijn scoop wil hebben. Hij mist niet veel door afwezig te blijven: hij mist de kans om te horen wie zijn vragen stelt als verplichte nummertjes en wie weet waarover hij spreekt; hij mist de technische discussies waarin de complexiteit van maatschappelijke vraagstukken duidelijk wordt; hij mist de aandacht voor thema’s die onder de radar blijven, hij mist wie er dag in dag uit mee bezig is, en niet het plots ontdekt wanneer Iets Spectaculairs gebeurt en de grootste roepers alle aandacht krijgen.

Het geeft politici onbetamelijk veel macht over journalisten. Of toch een bepaald type politicus. De poseur, die in de krant gaat pronken met het resultaat van collectief en partij-overschrijdend werk; weet de journalist veel dat de pluimen die op poseurs hoed prijken uit andermans tooi geplukt zijn. De roddelaar, die sappige weetjes rondstrooit en zo goodwill kweekt voor aangename coverage van z’n eigen doen en laten. De schreeuwlelijkerd, die rood aangeblazen over alles en nog wat kwekt en zijn meningen in het rond kwakt, enige kennis van zaken overbodig, als het maar reactie uitlokt en spektakel oplevert. Het is politiek verworden tot de soap-opera van de meerwaardezoeker.

Wel de laatste die ervan verdacht kan worden de hoofdrol in een soap-opera te ambiëren, is Vandeurzen, toch sinds hij nu zoveel jaren geleden minister van Welzijn is geworden (ban elke gedachte aan de farce waarin hij meespeelde ten tijde van het verdoemde kartel met de Vlaams-nationalisten uit uw geest). Hij heeft zich sindsdien bekwaamd in de tactiek van de systematische uitputtingsslag, waarbij elke politieke tegenstand en elke journalistieke nieuwsgierigheid tot stilzwijgen wordt gedwongen door een precisiebombardement van gortdroge mededelingen die elke principekwestie herleiden tot een technisch vraagstuk waarin cijfers buitelen over cijfers die andere cijfers in een ander licht stellen tot een mens enkel nog sterren ziet en duizelig het zonlicht weer opzoekt. Het vermijdt elke heibel in de zaal. En geen heibel in de zaal, als minister, is het merkteken van degelijkheid.

Het merkteken van degelijkheid kreeg ook zijn hervorming van de manier waarop de zorg voor mensen met een beperking wordt georganiseerd: meteen één van de redenen voor zijn gunstige rapport. Nochtans, nuance: het aantal mensen met een beperking op de wachtlijst voor zorg kruipt kwartaal na kwartaal verder de hoogte in; terwijl het wegwerken van de wachtlijsten één van de speerpunten was waarmee Vandeurzen het ministerschap kon veroveren, krijgen ondertussen al bijna vijftienduizend mensen met een beperking en een ernstige zorgnood niet de hulp die zij nodig hebben en hen is toegezegd.

Is dat een merkteken van goed, degelijk beleid, beleid dat een mooi rapport verdient? Nochtans, nuance: het laatste dat men Vandeurzen wel kan verwijten, is een gebrek aan interesse in de problematiek; dat steeds meer mensen op de wachtlijst belanden, is óók het gevolg van het simpele feit dat mensen met een beperking steeds langer leven, en de “instroom” dus ook veel hoger ligt dan —ach, wat een gruwelijke term— de “uitstroom”. Het is, in zekere zin, een succesverhaal. Nochtans, nuance: vijftienduizend mensen met een beperking krijgen niet de hulp die ze nodig hebben. Nochtans, nuance: zou een ander het beter doen? Angst bevangt het hart wanneer men denkt aan mogelijke opvolgers.

Hoe zo een minister evalueren? Hoe dit te vatten in een eenduidig cijfer op een rapport dat de illusie van absoluutheid, objectiviteit, vergelijkbaarheid weet te wekken? Begripvol buig ik het hoofd voor de journalist die het aandurft de politicus te vangen in wat sterren en cijfers.

— Dit stuk verscheen op 26 april 2019 op Mo*.

Waarom niet iedereen profiteert wanneer we rijker worden

We worden als land steeds rijker, toch moeten we vaststellen dat steeds meer mensen nauwelijks rondkomen. Hoe is dat mogelijk?

Kansarmoede stijgt

Een op drie Vlamingen kan zeer moeilijk of niet sparen. Bijna honderdduizend Vlamingen, ook mensen die werken, hadden in 2017 bijstand van het OCMW nodig omdat ze met hun magere inkomen noodzakelijke uitgaven niet meer kunnen dekken. Dat is een derde meer dan vijf jaar voordien.

In dezelfde periode is het aandeel kinderen dat in Vlaanderen in kansarmoede leeft met meer dan dertig procent toegenomen, tot bijna 14 procent. Sinds het begin van de eeuwwisseling is het aandeel kinderen in kansarmoede zelfs verdubbeld.

Nochtans lezen we ook dat de economie, na de financiële crisis in 2008-2009 en de daaropvolgende recessie die Europa in zijn greep hield, nu alweer enkele jaren op hoog toerental draait. Hoe komt het dat economische groei zich niet vertaalt in stijgende welstand voor iedereen?

Het grotere plaatje

Eerder dan naar het beleid van de laatste jaren te wijzen, wil ik het grotere plaatje in ogenschouw nemen.

Ik wil een blik werpen op enkele belangrijke economische, sociale en demografische verschuivingen die zich de laatste dertig jaar hebben voorgedaan en die onze samenleving blijvend gewijzigd hebben. Ze kunnen op z’n minst gedeeltelijk verklaren waarom meer en meer mensen kopje onder dreigen te gaan, zelfs in economisch goede tijden.

We worden met z’n allen rijker

Als we kijken naar de totale welvaart die jaar na jaar in België gecreëerd wordt, dan moeten we zeggen dat we met z’n allen inderdaad heel wat rijker zijn geworden. De globale groeicijfers over de lange termijn zijn gunstig.

In de drie decennia sinds 1985 groeide het bruto binnenlands product per persoon in reële termen, dus gecorrigeerd voor inflatie, aan een ritme van gemiddeld bijna 2 procent per jaar. Dat lijkt misschien niet veel, maar het volstaat om een economie over een periode van 35 jaar dubbel zo groot te maken. Dat is een indrukwekkende welvaartstoename.

Waarover klagen we dan? Hoe is het mogelijk tegelijk zoveel rijker te worden, en toch te moeten vaststellen dat steeds meer mensen nauwelijks rondkomen?

Toegevoegde meerwaarde

Het bruto binnenlands product is de optelsom van de toegevoegde waarde, of de meerwaarde, die in het arbeids- en productieproces wordt gecreëerd. Het is de gangbare maat om de omvang van een nationale economie te meten.

Een nieuwe auto die in de fabriek van de band rolt, is meer waard dan de ruwe materialen waarmee die auto is gebouwd. Die meerwaarde is het resultaat van het arbeids- en productieproces waarmee de ruwe materialen werden getransformeerd tot een auto.

Hetzelfde principe geldt ook elders: een opgeruimd en blinkend kantoor is meer waard dan een rommeltje vol vuiligheid. Een meerwaarde die zich vertaalt in de prijs die we bereid zijn te betalen voor de kuisploeg. Die produceert in het kuisen van het kantoor een economische meerwaarde.

De som van al die ‘meerwaardes’ die zo gegenereerd worden in het arbeids- en productieproces, vormen het bruto binnenlands product. Bouwen we in het ene jaar meer auto’s dan het jaar voordien of worden er meer kantoren gepoetst, dan is de economie dus gegroeid.

Vertaling in inkomensgroei

Merk echter op dat deze groeicijfers niets zeggen over hoe deze hogere economische productie zich vertaalt in de inkomens. De Belgische economie kan dan wel dubbel zo groot zijn, maar wil dat ook zeggen dat het inkomen waarover u en ik kunnen beschikken verdubbeld is?

In theorie zou een groei van de meerwaarde ook een groei van het inkomen moeten betekenen.

De autofabrikant die zijn auto voor meer geld kan verkopen dan hij zelf moest betalen aan materiaalkosten, moet zijn werknemers en investeerders vergoeden. Een toename van de geproduceerde meerwaarde betekent dus simpelweg een toename van het inkomen dat verdeeld kan worden over de betrokkenen in het arbeids- en productieproces.

Verdeling over arbeid en kapitaal

Lange tijd ging men er in de economische wetenschap vanuit dat de verdeling van de meerwaarde over ‘arbeid’ en ‘kapitaal’ min of meer stabiel was.

Ongeveer twee derde van de meerwaarde in de ganse economie van een land, vloeit naar arbeid in de vorm van lonen en socialezekerheidsbijdragen. Het andere derde gaat naar bedrijfswinst en de vergoeding van aandeelhouders voor hun investeringen.

Sinds de jaren tachtig gaat deze verdeling van de meerwaarde niet meer op. Het aandeel dat terugvloeit naar arbeid kalft stelselmatig af, ten voordele van het kapitaalaandeel.

Of nog: bedrijven en aandeelhouders weten een steeds groter stuk van de taart die we met z’n allen bakken voor zich te houden. Werknemers moeten zich tevredenstellen met een steeds kleiner deel van de taart dat nog overblijft nadat het kapitaal zich eraan tegoed deed.

Technologie

Een deel van de verklaring zit in het toenemend gebruik van technologie. Neem bijvoorbeeld een bedrijf dat investeert in informatica en robotica die werkers bijstaat in wat ze vroeger zonder behulp van technologie deden. Omdat het deze investering deed, kan het bedrijf en zijn aandeelhouders aanspraak maken op een groter aandeel van de gecreëerde meerwaarde.

Het gevolg van robotisering en automatisering is dus niet per se dat de tewerkstelling onder druk staat, maar wel dat het loonaandeel slinkt. De stijging van de welvaart, mee mogelijk gemaakt door die nieuwe technologieën, komt minder dan vroeger ten goede aan loontrekkenden. 

Loonmatiging

Een tweede oorzaak schuilt in de afkalvende macht van vakbonden. Ze hebben het moeilijk om hogere lonen af te dwingen bij productiviteitsstijgingen. De winst hiervan vloeit naar het bedrijf en zijn aandeelhouders.

Nauw verwant aan deze reden is het succes van de mantra dat we in de eerste plaats de competitiviteit van onze bedrijven moeten beschermen door de loonkost te drukken. De staat komt tussen in de loononderhandelingen tussen werkgeversorganisaties en vakbonden en dwingt die laatsten een loonmatiging te slikken.

Druk verschuift naar arbeid

Naast deze rem op de brutolonen worden ook de socialezekerheidsbijdragen systematisch verminderd. Zij behoren ook tot het arbeidsaandeel in de verdeling van de meerwaarde en financieren de pensioenen, vervangingsinkomens en onze gezondheidszorg.

Die vermindering van de sociale bijdragen zorgt rechtstreeks voor een verhoging van het kapitaalaandeel: een toename van de winstmarge van bedrijven en de mogelijkheid tot hogere uitkeringen aan investeerders.

De minderinkomsten voor de sociale zekerheid worden gecompenseerd door een verhoging van de lasten elders, zoals een verhoging van de btw op elektriciteit. De druk verschuift dus van kapitaal naar arbeid, net nu het kapitaalaandeel in de verdeling van de geproduceerde meerwaarde toeneemt.

Gezinsinkomens groeien trager

Zoals gezegd groeide de Belgische economie sinds midden jaren tachtig aan een ritme van gemiddeld bijna twee procent per jaar. Wanneer we echter kijken naar de evolutie van de gezinsinkomens, dan vinden we dezelfde groeicijfers niet terug.

De verklaring hiervoor is niet alleen te vinden in de daling van het arbeidsaandeel in de verdeling van de economische meerwaarde. In principe zouden we de stijging van het kapitaalaandeel ook moeten terug vinden in de gezinsinkomens. Zij zouden een toename moeten kennen van het inkomen uit kapitaal, weliswaar sterk geconcentreerd bij de hogere inkomens.

Meer alleenstaanden

Wat ons eigenlijk interesseert als we kijken naar de evolutie van het gezinsinkomen, is de levensstandaard die een gezin erop na kan houden met dat inkomen. Om dat goed in beeld te brengen, moet je rekening houden met de grootte van de huishoudens.

Voor eenzelfde levensstandaard heeft een alleenstaande verhoudingsgewijs een hoger inkomen nodig dan een koppel. Het inkomen van een koppel hoeft namelijk niet dubbel zo hoog te zijn dan van de alleenstaande, vermits ze belangrijke kosten delen. Denk maar aan woonkosten.

Wat telt, is het ‘equivalent’ inkomen: het inkomen waarmee huishoudens met een verschillende gezinsgrootte er toch dezelfde levensstandaard op na kunnen houden. Want veel meer dan een absoluut geldbedrag, bepaalt dit welke mogelijkheden mensen hebben, hoe ze kunnen leven en wat voor hen wel of niet weggelegd is.

En hier zit een deel van de verklaring van het feit dat het (equivalent) gezinsinkomen achterblijft op de economische groei. Het is een gevolg van de veranderende gezinssamenstelling. Het aantal alleenstaanden is de afgelopen decennia sterk toegenomen.

De samenleving polariseert

Maar er is nog een andere verschuiving die van groot belang is om te begrijpen waarom zoveel mensen niet ‘mee’ lijken te kunnen. Het aandeel mensen dat in armoede leeft, is sinds het midden van de jaren tachtig gestegen van minder dan 10 procent van de bevolking naar meer dan 15 procent.

Tegelijk is het aantal mensen dat zich tot de hogere middenklasse of zelfs de rijke klasse kan rekenen gegroeid. De samenleving polariseert: meer mensen zijn arm en meer mensen zijn rijk. En de kernmiddenklasse, waar eens ruim vier op tien Belgen toe behoorden, kalft langzaam maar zeker af.

Bovendien is het inkomen in de laagste inkomensklasse ook veel minder snel gegroeid dan het mediaaninkomen. Het mediaaninkomen in België groeide tussen 1985 en 2016 met gemiddeld 1,64 procent per jaar, wat betekent dat het iets meer dan 42 jaar duurt voor het inkomen dubbel zo groot zal zijn. De laagste inkomens groeiden in dezelfde periode slechts met 1 procent per jaar. Aan dat tempo duurt het maar liefst zeventig jaar vooraleer een inkomen verdubbelt.

Het is een belangrijke en deprimerende vaststelling: niet alleen leven steeds meer mensen in armoede, de kloof tussen wie moet rondkomen met een inkomen onder de armoedegrens en wie kan genieten van een middenklasse-inkomen wordt steeds dieper. Het verschil in mogelijkheden en levenservaring groeit.

Emancipatie van de vrouw

Paradoxaal genoeg is een erg positieve evolutie mee verantwoordelijk voor deze groeiende kloof: de emancipatie van de vrouw en haar massale intrede op de arbeidsmarkt. Het traditionele kostwinnersmodel maakt plaats voor het tweeverdienersmodel.

Het hoeft niet gezegd dat een gezin met twee inkomens uit arbeid een fors hogere levensstandaard kan aanhouden dan een gezin dat, volgens het oude model, slechts op één inkomen kan rekenen.

In 1985 was dat oude model nog zo wijdverspreid dat zelfs in de kernmiddenklasse meer dan vier op tien volwassenen geen betaalde arbeid verrichten. Toch hadden zij een gezinsinkomen dat hoog genoeg was om er een levensstandaard van de middenklasse op na te houden.

Omdat er nog zoveel gezinnen waren met slechts één inkomen, was één inkomen ook voldoende voor het leven van een middenklasser.

Steeds hogere levensstandaard

Naarmate meer en meer vrouwen werken, en gezinnen zo kunnen rekenen op een dubbel inkomen, schuift ook de standaard op van wat een middenklassegezin van het leven mag verwachten. Hun consumptiemogelijkheden worden groter, ze kunnen zich een steeds hogere levensstandaard veroorloven.

Een sprekend voorbeeld hiervan is de vraag of iemand zich een week vakantie buitenshuis kan veroorloven. In 1985, toen meer dan vier op tien Belgen tot de kernmiddenklasse behoorden, was dat voor meer dan de helft van hen nog onmogelijk want te duur. De levenservaring van mensen in armoede en van middenklassers was op dat gebied dus gelijkaardig.

Vandaag is dat helemaal anders. Meer dan acht op tien middenklassers geeft aan minstens een week op vakantie te kunnen. Dit terwijl er bij de laagste inkomens nauwelijks evolutie te merken is: nog steeds moet drie kwart van hen noodgedwongen thuisblijven. Terwijl de levensstandaard van de middenklasse opschoof en zij meer en meer mogelijkheden kregen, trappelen de lagere inkomens ter plaatse.

Een kind dat in 1985 na de zomervakantie terug op school kwam en zei dat zij met het gezin de vakantie gewoon thuis hebben doorgebracht, was een van de zovele kinderen. Vandaag is hij een buitenbeentje.

Het volstaat dus niet dat de lagere inkomens wat stijgen, als tegelijk de inkomens uit de kernmiddenklasse en de hogere middenklasse veel sneller groeien. Het resultaat zal een samenleving zijn die steeds verder uit elkaar groeit, een ontrafeling van het sociale weefsel.

Hoofd boven water

Het is natuurlijk wel zo dat het inkomen van iemand die vandaag arm is hoger is dan het inkomen van iemand die in 1985 tot de laagste inkomensklasse behoorde. Met het inkomen dat hij vandaag heeft, zou hij in 1985 zelfs in enig comfort hebben kunnen leven, naar toenmalige maatstaven.

Alleen leeft hij niet met het inkomen van vandaag in de jaren tachtig: hij leeft nu. En vandaag volstaat dat inkomen niet om comfortabel van te kunnen leven, integendeel. Het is een constante strijd om het hoofd boven water te houden.

Moeilijker om mee te zijn

De verschuiving van een kostwinners- naar een tweeverdienersmaatschappij zorgt voor een sterke verhoging van de levensstandaard en levensmogelijkheden van wie kan rekenen op twee inkomens. Dezelfde shift zorgt er evenwel ook voor dat wie niet kan rekenen op twee inkomens het steeds moeilijker krijgt om mee te zijn.

Alleenstaanden en alleenstaande ouders komen zo geheid in de problemen. Zij beschikken per definitie maar over één inkomen terwijl de tweeverdieners de levensstandaard van de middenklasse bepalen.

Het is dan ook geen verrassing dat alleenstaanden en alleenstaande ouders disproportioneel vaak in de lagere inkomensklassen belanden. Voor alleenstaande ouders is het risico op een leven in armoede zelfs bijzonder hoog: terwijl zij maar 6 procent van de totale bevolking uitmaken, bedraagt hun aandeel in de laagste inkomensklasse meer dan 15 procent.

Kortgeschoolden in de verdrukking

Maar niet alleen alleenstaanden komen in de problemen door de verschuiving van kostwinners- naar tweeverdienersmaatschappij. Deze maatschappelijke verschuiving haakt in op een tweede shift van de afgelopen drie decennia: in onze economie komen kortgeschoolden steeds meer in de verdrukking.

Het aandeel kortgeschoolden is wel sterk gedaald. Meer dan zes op tien 25-plussers hadden in 1985 geen diploma secundair onderwijs. Dat aandeel is vandaag meer dan gehalveerd. Maar vandaag vinden we kortgeschoolden bijna enkel nog terug in de lagere inkomensklassen.

Illustratief is de verandering in de samenstelling van de rijkste inkomensklasse. Halfweg de jaren tachtig hadden drie op tien rijken geen diploma secundair onderwijs, vandaag is dat nog amper drie op honderd.

Omgekeerd is meer dan de helft van de volwassenen in de twee laagste inkomensklassen kortgeschoold. De reden hiervoor: kortgeschoolden komen nauwelijks nog aan de bak. Ze lopen dus een veel hoger risico op werkloosheid en inactiviteit.

De ongelijkheid wordt steeds groter

Meer dan vroeger vinden kortgeschoolden hun partner bij kortgeschoolden, net zoals hooggeschoolden hun partner vooral vinden bij hooggeschoolden. Het logische gevolg is dat het sociale risico op werkloosheid en inactiviteit in grote mate geconcentreerd wordt in ‘kortgeschoolde gezinnen’. Zij verliezen elke aansluiting met de middenklasse.

Zelfs wanneer een kortgeschoolde wel werk vindt, volstaat dat echter vaak niet om aan te haken bij de middenklasse. Een vergelijking tussen de uurlonen in 1985 en in 2016 leert dat de laagste lonen veel minder sterk gestegen zijn dan de hogere lonen. En dus ook dat wie moet rondkomen met zo’n laag loon steeds verder achterophinkt.

Het resultaat van al deze economische, demografische, en sociale evoluties is dat de ongelijkheid in onze samenleving steeds groter wordt. Arm herkent zich niet meer in rijk, rijk niet meer in arm.

Alleenstaanden en kortgeschoolden komen steeds meer in de problemen. Ze slagen er ook niet meer in een eigen woning te verwerven, wat hun levensstandaard nog verder en permanent verlaagt. De samenleving rafelt uit elkaar.

Armoede wordt het nieuwe normaal

Om deze ongelijkheden enigszins in toom te houden, moet de herverdelingsmachine steeds harder draaien. Terwijl ze door het afkalvende arbeidsaandeel in de verdeling van de meerwaarde afhankelijk wordt van een steeds smallere basis. Geen wonder dat de kloven steeds breder worden.

Omdat de ongelijkheden kleiner waren, slaagden we er in 1985 nog in om door middel van progressieve belastingen en socialezekerheidsuitkeringen drie kwart van wie zonder dit systeem in armoede zou moeten leven, op te tillen tot de middenklasse.

Vandaag weet ons systeem slechts de helft van wie zonder herverdeling in armoede zou leven uit armoede op te tillen. De kloof tussen wie achterblijft en de rest van de samenleving is vandaag ook wijder en dieper dan in 1985, ondanks het feit dat we niet minder middelen inzetten. De reden: maatschappelijke verschuivingen waarop we als samenleving geen antwoord hebben geformuleerd.

We lijken de toegenomen armoede als het nieuwe normaal te beschouwen. Zolang de laagste inkomens enigszins stijgen, geven we onszelf tevreden een schouderklopje. Iets is beter dan niets. Ook al stijgen ze lang niet zo snel als de inkomens van de middenklasse.

Dat de levenskansen, levensmogelijkheden en levenservaring van de lagere inkomensklassen en de rest van de samenleving steeds verder uit elkaar liggen, daar staan we nauwelijks bij stil. We zijn niet langer allemaal door hetzelfde lot verbonden. Onze werelden liggen steeds verder uit elkaar en dit dreigt onze samenleving te verscheuren.

Dit artikel is gebaseerd op het onderzoek ‘Een nieuwe kwetsbaarheid. De lagere inkomensklassen in België (1985-2016)’. Je kan het downloaden op de website van denktank Minerva.

— Dit stuk verscheen eerder op Sociaal.Net.