Ons werkloosheidsstelsel duwt mensen de armoede in

Beleid gaat over mensen. Een evidentie zou je denken, maar de mensen om wie het gaat hebben nogal eens de neiging om uit het zicht te verdwijnen van wie het beleid maakt.

Neem nu de steeds weer opduikende discussie over het beperken van de werkloosheid in de tijd of, op zijn minst, de dringende noodzaak van een versterking van de degressiviteit van het systeem. Allerlei verstandige en minder verstandige argumenten worden hiervoor aangehaald, maar wat steeds terugkeert: de idee dat het Belgische werkloosheidsstelsel, doordat het onbeperkt in de tijd is, te genereus is en mensen gevangen houdt in de werkloosheid.

Wie langdurig werkloos is, zou zich al te makkelijk kunnen nestelen in de hangmat die ons werkloosheidsstelsel is: vandaar de lage werkgelegenheidsgraad. Alleen door mensen uit die comfortabele hangmat te duwen, zullen we hen aan het werk krijgen. Alleen wanneer de dreiging van een stopzetting van hun werkloosheidsuitkering hen boven het hoofd hangt, alleen wanneer ze weten dat hun inkomen substantieel verminderd zal worden, zullen ze echt gaan zoeken naar werk.

Enige probleem: die comfortabele hangmat bestaat niet. Ze is een mythe.

De uitkering van een alleenstaande werkloze valt nu al terug naar 917 euro per maand, 30 euro meer dan een leefloon, maar wel liefst 200 euro onder de armoedegrens. Dat is de realiteit: wie de pech heeft geen werk te vinden, ook niet na lang zoeken, dwingen we nu al te leven in armoede. Zó comfortabel is de hangmat: een constante strijd simpelweg om het hoofd boven water te houden.

Hoeveel van zij die betogen voor het beperken van de werkloosheidsuitkering in de tijd zouden zelf dag na dag, week na week, maand na maand kunnen rondkomen met een inkomen dat zo ver onder de armoedegrens ligt? Hoeveel lager moeten de uitkeringen volgens hen liggen, hoeveel dieper moeten mensen in armoede geduwd worden opdat het voor hen genoeg zou zijn, en onze sociale zekerheid geen comfortabele hangmat meer?

Het is echter maar al te makkelijk om het leven van de mensen om wie het gaat uit het oog te verliezen. Zij zijn in het publieke debat haast onzichtbaar, hun stem wordt amper gehoord. Ze verdwijnen achter frases als ‘de degressiviteit van het systeem moet versterkt worden’: een schijnbaar neutrale stelling in een technische discussie, terwijl het natuurlijk niets anders is dan zeggen dat mensen die in armoede moeten leven het nog steeds veel te makkelijk hebben, zonder te moeten denken aan de gevolgen voor de mensen om wie het gaat.

Ik twijfel niet aan de goede bedoeling van heel wat wetenschappelijke onderzoekers die zich de vraag stellen hoe we meer mensen aan het werk kunnen krijgen. Ik vrees wel dat zij, in de zekerheid dat zij nooit geconfronteerd zullen worden met de gevolgen van hun voorschriften, durven te vergeten dat er achter de cijfers nog steeds mensen van vlees en bloed schuilen, mensen die ook maar hun best doen en het beste verhoopten in het leven, maar niet het winnend lot hebben getrokken. Ik twijfel wel aan de goede bedoelingen van een hoop beleidsmakers die, terend op ressentiment, ongeacht de vraag steeds met hetzelfde antwoord komen: wie niet werkt, profiteert, en moet met harde hand aangepakt worden.

Pech in het leven aanvaarden we niet meer: pech is niet meer of minder dan een schuldbekentenis, en schuldigen verdienen geen ondersteuning, maar straf. En zelfs een leven in armoede is blijkbaar nog geen straf genoeg.

— Dit stuk verscheen op 11 januari in De Morgen.

Sociale segregatie of een gedeelde toekomst

Sociale segregatie tekent onze samenleving.

Nog meer dan vroeger hokken hooggeschoolden samen met hooggeschoolden en lagergeschoolden met lagergeschoolden: tussen de enen en de anderen gaapt een kloof die ook voor de liefde al te vaak al te diep blijft. Hooggeschoolden produceren hooggeschoolde kinderen, de kinderen van lagergeschoolde ouders zijn disproportioneel veel vaker zelf laaggeschoold. Dat een kind van rijke ouders in zijn latere leven afzakt tot lagere middenklasse is misschien niet volstrekt ongezien, maar toch hoogst zeldzaam; een kind dat in armoede opgroeit en het tot grote jan schopt, komt zo sporadisch voor dat het nog een sprookje genoemd kan worden. Gelijke kansen in deze samenleving: nog zo’n sprookje. Sociale klassen hebben de magische kracht zichzelf steeds weer te reproduceren.

Tegelijkertijd wint ook het beeld aan overtuigingskracht dat sociale risico’s als (langdurige) werkloosheid en (langdurige) ziekte volstrekt niet gelijk verdeeld zijn over de bevolking, maar integendeel sterk geconcentreerd zijn binnen bepaalde segmenten van de samenleving. En weer zijn vooral lagergeschoolden het kind van de rekening. De werkloosheidsgraad ligt bij laaggeschoolden viermaal hoger dan bij hooggeschoolden, maar liefst een op de drie krijgt slaapmiddelen, kalmeermiddelen, of antidepressiva voorgeschreven (bij hooggeschoolden is dat maar bij een op de tien), en ze kampen veel vaker met langdurige ziekten en aandoeningen. De kloof in te verwachten gezonde levensjaren tussen laag- en hooggeschoolde mannen bedraagt meer dan vijftien jaar, en een laaggeschoolde man zal ook vijf jaar vroeger sterven dan een hooggeschoolde man.

Gescheiden sociale milieus, gescheiden gezinsvorming, gescheiden scholing, structureel ongelijke verdeling van sociale risico’s als ziekte en werkloosheid. Voor wie de pech heeft door het leven veroordeeld te zijn tot de foute kant van de sociale kloof, kunnen werkloosheid en ziekte geen sociaal risico lijken, maar hun sociaal lot. Wie aan deze kant van de sociale kloof staat, deelt geen toekomst met wie aan gene kant staat.

Die sociale segregatie vreet aan de fundamenten van ons samenlevingsmodel en zet de manier waarop we onze maatschappij hebben georganiseerd zwaar onder druk, inclusief de manier waarop we bestaanszekerheid voor iedereen willen garanderen. Wanneer sociale stratificatie zich doorzet en sociale risico’s structureel ongelijk verdeeld zijn, wanneer gezinnen aan gene en aan deze zijde van de sociale kloof ook weten dat ze een fundamenteel verschillende levenssituatie kennen, wordt de basis van de sociale zekerheid ondermijnd. Niet langer een verzekering tegen het noodlot, maar louter nog een transfer: en waarom bijdragen, tenzij uit liefdadigheid, aan een systeem dat men zelf niet denkt nodig te zullen hebben?

De legitimiteit van de sociale zekerheid proberen te redden door nog zwaarder de nadruk te leggen op voorwaardelijkheid en responsabilisering zal dan ook niet werken: de hernieuwde concentratie van sociale risico’s en de hernieuwde sociale stratificatie is immers een structureel probleem, geen individueel, terwijl het ‘voor wat, hoort wat’-discours een antwoord vormt op een individueel, maar niet op een structureel probleem.

Daar schuilt de uitdaging vandaag: in de sociale segregatie die de fundamenten van onze samenleving aanvreet, in het opnieuw garanderen van een gedeelde toekomst.

— Dit stuk verscheen op 9 januari in De Morgen.

De barbaren komen

Waar hij ook komt op zijn rondgang doorheen het ganse land verkondigt Theo Francken dezelfde boodschap: “De barbaren komen!” Nauwkeuriger: aan eenieder die maar horen wil verkondigt hij dat niets de mensen zo in de greep houdt als dat apocalyptische toekomstbeeld dat hij zo gloedvol schildert en mensen vol angst en beven in zijn armen drijft: de barbaren komen, de barbaren beuken al de poorten van ons land in, en net als Rome zal onze beschaving ten onder gaan in een wilde orgie van barbarij. Te vuur en te zwaard zal hij die barbarij bestrijden en de barbaren terugdrijven, de zee in, de woestijn door, terug naar waar zij thuishoren, Barbarije, en ons redden.

De barbaren komen? De barbaren zijn al onder ons.

Een staatssecretaris die deals sluit met een genocidaire dictator, gezocht door het internationaal gerechtshof wegens misdaden tegen de mensheid. Een staatssecretaris die de beruchte inlichtingendienst van dat genocidaire regime loslaat op mensen op de vlucht, mensen die op zoek naar toekomst tochten door woestijn en over zee hebben doorstaan om in een Brussels park te belanden, hopend op vijf minuten rust. Een staatssecretaris die deze gelukszoekers terugdrijft naar dat moorddadige regime, hen uitlevert aan folteraars. Een staatssecretaris voor wie mensenrechten en menselijkheid onhandigheden zijn die zijn populariteit maar in de weg staan. Een staatssecretaris die daarover meermaals premier, parlement en volk voorliegt. Wat heeft zo’n staatssecretaris te vertellen over het komen van de barbaren? De barbaren zijn al onder ons, zot van glorie en eigenwaan gebruiken ze waarde en waarheid als de voetveeg van hun eerzucht.

Als dit kan, waar stopt het dan? Hoeveel grenzen mag je overschrijden als het maar in naam van het beschermen van de grenzen is? Hoe intiem mag je dansen met de duivel zonder God te verloochenen?

Dit is niet de zoveelste rel om de rel. Het gaat om de absolute ondergrens van wat kan en mag in een liberale democratie. Premier, parlement en volk worden voorgelogen. De meest fundamentele mensenrechten worden zonder boe of ba opzijgeschoven van zodra dat een politicus in zijn jacht naar glorie en populariteit beter uitkomt. En dat alles blijft zonder gevolg, want Francken voor de gevolgen van zijn gedrag plaatsen zou misschien weleens afgestraft kunnen worden. Liever laf dan zonder zetel, dat lijkt het motto te zijn van al die volksvertegenwoordigers die Francken toestaan om een loopje te nemen met het parlement en de meest fundamentele waarden van onze liberale democratie. Want effectief opkomen voor de waarden en normen waar men zo graag de mond van vol heeft, dat zou weleens electoraal niet erg lonend kunnen zijn. En dát heeft men er nu ook weer niet voor over.

Ik vraag geen heiligen, maar menselijkheid, respect en een politicus die een samenleving kan verbeelden waarop we trots kunnen zijn.

— Dit stuk verscheen op 26 december in De Morgen.

Een kaduke wet in een kaduke democratie

Laat vrijdagavond bereikte de regering eindelijk een akkoord over het zomerakkoord. Maandag, gisteren dus, moesten de teksten die het winterse zomerakkoord in wetten vertalen eindelijk ingediend worden in de Kamer: honderden en nog eens honderden bladzijden dichtbedrukt met een doolhof van nieuwe regels. Vandaag krijgt de commissie voor financiën en begroting het privilege die teksten snel even te mogen doorbladeren en goed te keuren, zodat de wet volgende week, nog net vóór Kerstmis en de vakantie die hen wacht, door de voltallige Kamer van Volksvertegenwoordigers kan gestemd worden.

En dan worden we wakker in een land waarin de vennootschapsbelasting er grondig anders uitziet (maar noem het geen cadeau aan bedrijven), waar wie al een job heeft er onbelast een tweede job kan bijnemen (maar noem het wel vrijwilligerswerk), waarin een tandeloze effectentaks nog eens kan bewijzen dat een vermogensbelasting niets opbrengt en waar dividenden deels vrijgesteld worden van belasting (een cadeautje voor wie aandelen bezit), waar jongeren plots een pak minder zullen verdienen en minder sociale rechten zullen opbouwen al doen ze net hetzelfde werk als anderen, en waar het recht op een inkomensvervangende tegemoetkoming voor gehandicapten verder beperkt wordt. Dat alles en nog veel meer in één enkele wet, deze week nog maar in de bus, volgende week al goedgekeurd.

Men kan zich de vraag stellen waarom een regering die vijf jaar aan de macht is en alle tijd van de wereld had om grondig en bedachtzaam te werk te gaan, deze mikmak in geforceerde draf door het parlement jaagt.

Het gaat om maatregelen die potentieel zware implicaties hebben voor de organisatie van de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid, implicaties waar nauwelijks tot geen rekenschap van werd gegeven bij het nachtelijke gemarchandeer tussen slaapdronken ministers. Neem alleen al dat onbelast bijverdienen: de verzamelde werkgevers- en werknemersorganisaties geven een vernietigend advies, verenigingen uit het middenveld en academici van allerlei slag smeken haast op hun blote knieën om het niet te doen – maar een half dozijn politici bang voor gezichtsverlies weet wel beter. En onze volksvertegenwoordigers staan erbij en volgen gedwee de instructies van hogerhand. Geen gezeur, geen bemoeienis, gewoon braaf op het juiste knopje duwen. Mijn hand eraf als meer dan tien procent van hen zal gelezen hebben wat ze zullen stemmen.

In een gezonde democratie komt het toe aan de vertegenwoordigers van het volk om zich uit te spreken over wetgeving met zulke impact op de organisatie van onze maatschappij. Zij worden gekozen om de verzuchtingen van het volk te vertalen in beleid, elk vanuit hun idee van wat in het algemeen belang is en elk met hun idee van hoe een goede samenleving vorm krijgt. In het forum van het parlement moeten die al die verschillende verzuchtingen en ideeën over de maatschappij stem krijgen zodat zij het beleid kunnen bepalen.

Niets van dat alles. Er wordt vandaag niet eens meer gedaan alsof onze volksvertegenwoordigers nog enige rol te spelen hebben. Het parlement vertegenwoordigt niet meer het volk tegenover de regering, maar de regering tegenover het volk; het parlement vertolkt niet meer de stem van alle burgers van dit land, maar is de uitvoerder van de dictaten van ministers. Vandaag op het parlementaire programma: een kaduke wet in een kaduke democratie.

— Dit stuk verscheen op 12 december in De Morgen.

Bart De Wever heeft groot gelijk

Bart De Wever heeft groot gelijk. Zo.

Eigenlijk is het Christian Rapp, stadsbouwmeester van Antwerpen, die groot gelijk heeft, maar Rapp werkt in opdracht van het stadsbestuur en Bart De Wever, de arme man, heeft het een beetje moeilijk de laatste week: niemand zal er dus bezwaar tegen hebben dat ik mijn bloemetjes hem toewerp. Laat het dus geschreven staan: Bart De Wever heeft groot gelijk.

Hij heeft groot gelijk, want hij wil van Antwerpen weer een torenstad maken, een stad die de blik naar boven richt en de hemel zoekt. Nieuwe hoogbouw die de stad structuur en aanzien geeft, een smoel, zoals de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal het beeld van Antwerpen bepaalt, dat totaalkunstwerk ter meerdere glorie van God en de gemeenschap, en zoals ook de eigenwijze Boerentoren vorm geeft aan de stad. Monumenten die het licht opzoeken in dit grijze land, de stad uit de modder trekken waarin ze weggezonken lijkt, mensen trots maken – al is een gebrek aan trots op zijn stad misschien niet het grootste probleem van de Antwerpenaar.

In België ontbreekt echter de durf om nog te bouwen voor komende eeuwen. Een stad van formaat verdient monumenten met de envergure van een Vrouwe- of een Boerentoren, nieuwe bakens die de stad naar de toekomst laten kijken – maar in de bouwwerken  die het stadsbeeld bepalen komen opdrachtgevers en ontwerpers niet verder dan benepen architectuur, steengeworden middelmaat, blokkendoosjes met een vooruitspringend elementje als summum van de creativiteit, die allen even inwisselbaar zijn en waarvan het blijkbaar niet uitmaakt of ze nu in Zichem dan wel in Antwerpen neergekwakt worden. Grijs, vervelend, zo snel mogelijk te vergeten. En over veertig jaar poten we wel weer iets nieuws neer.

Dat Bart De Wever dus gelijk heeft. Antwerpen moet ambitie tonen, durven bouwen, de hoogte opzoeken en de stolp over de Belgische stadsmakende architectuur doorbreken. Al is een waarschuwing op z’n plaats. Amper drie jaar geleden werd in Brussel de Up-Tower ingehuldigd, de hoogste woontoren van België en één van de hoogste appartementsgebouwen in Europa: eindelijk weer een toren die toren mag zijn, een naald die de stad vastprikt aan de hemel in plaats van een betonblok die de stad neerduwt in de modder. Helaas is het ook een absoluut misbaksel, stadsvandalisme, bevuiling van de skyline. Het is architectuur die alle moed heeft opgegeven iets te kunnen betekenen, en een bouwsel dat zelfs niet eens doet alsof het iets te maken wil hebben met de wijk die het overschaduwt. De ene helft van de meerprijs van een flat in Up-Tower: de prijs voor het prachtige uitzicht over de stad waarboven men uittorent. De andere helft van de meerprijs: de prijs die men moet betalen om zelf niet te moeten uitkijken op dat grijswitte nulpunt van de architectuur.

Bart De Wever zal het zich ongetwijfeld geen twee keer moeten laten zeggen: neem geen voorbeeld aan Brussel, maar kijk naar het voorbeeld van zusterhavenstad Rotterdam. Kijk wat die stad gedurfd heeft bij de ontwikkeling van de zuidoever van de Maas. De verticale stad van het gerenommeerde architectenbureau OMA van Rem Koolhaas getuigt van lef, van vertrouwen in het potentieel van Rotterdam, is iconisch. En kijk nu naar de Antwerpse Linkeroever, en wat daar mogelijk is. Durf dromen van de hemel.

— Dit stuk verscheen op 28 november in De Morgen.

Multinationals dicteren de wet, regeringsleiders volgen gedwee

Dit is hoe de wereld werkt, en de wereld werkt goed zo: multinationals dicteren de wet, en regeringsleiders volgen gedwee. Lafhartige blufpoker en laag-bij-de-grondse chantage worden vergoelijkt als wetten van de wereldmarkt waar niet tegenin valt te tornen; Nederland moet plat op de buik voor multinationals wanneer zij dreigen te verkassen naar het Verenigd Koninkrijk, en omdat Nederland door het stof gaat, zal ook België moeten volgen. En vervolgens beginnen die bedrijven een nieuwe bedelronde waarin ze landen tegen elkaar opzetten, want nooit zal het genoeg zijn. Ze laten zich de gunsten van de gemeenschap welgevallen, maar weten zichzelf tot niets verplicht.

Bijna 238 miljard euro hebben gevestigde bedrijven in Nederland ondertussen op hun rekeningen geparkeerd, een cashberg die in twintig jaar maar liefst elf keer hoger is geworden, waarmee Nederland een lange schaduw werpt over de omliggende landen. Rutte kan zich trots op de borst kloppen. Wat hij dan maar beter verzwijgt: dat die multinationals, wiens smeekbedes hij zo gretig verhoort, Nederland gebruiken als nauwelijks meer dan een veredelde postbus. Een landje waar ze zachte kussens toegestopt krijgen opdat ze zo comfortabel mogelijk hun goud- en zilverstukken kunnen tellen, maar waar die honderden miljarden euro’s hoge geldberg steeds minder gebruikt wordt voor nieuwe investeringen in de economie.

De Nederlandse economie trekt, verhoudingsgewijs, minder kapitaalinvesteringen aan dan de Britse, de Italiaanse, de Franse, de Duitse, en jawel, de Belgische. Meer zelfs: dat kleine landje waar Rutte met zo veel dedain over spreekt om zijn weggeefactie voor multinationals goed te praten, is zelfs investeringskampioen: nergens investeren bedrijven meer in de economie dan bij ons. En terwijl de investeringen in Nederland in twintig jaar flink zijn achteruitgeboerd, bouwt België zijn voorsprong steeds verder uit.

Om die machtige bedrijfsconglomeraten te belonen die zo goed zijn hun fortuinen in Nederland te parkeren – weliswaar dus zonder ook in Nederland te investeren, maar dat terzijde – laat Rutte nu nog eens 1,4 miljard euro schieten, geld waarvan hij blijkbaar vindt dat die bedrijven en hun rijke, vaak buitenlandse aandeelhouders het veel beter kunnen gebruiken dan de Nederlandse staat. Leerkrachten die om meer ondersteuning smeekten werden daarentegen met een kluitje in het riet gestuurd. Voor de jeugdzorg die kampt met ellenlange wachtlijsten: geen geld – de armlastige gemeenten moeten het maar zelf oplossen. Voor de geestelijke gezondheidszorg die kopje onder dreigt te gaan: geen geld. Voor de ouderenzorg: geen geld. De wensen van de hoge heren verheven tot wet, de noden van de kleine man weggewuifd.

De schaamteloze macht van het grote geld, de lege doos die democratie maar al te vaak is: een gefluisterd woord van een bedrijfsbonzen klinkt luider in de cenakels van de macht dan de machteloze schreeuw van vele duizenden op straat. Rutte verruilde zijn zetel in de cockpit van een multinational voor een zetel in de cockpit van de Nederlandse politiek, en gebruikt die positie nu om de overvolle koffers van diezelfde multinational nog meer te overladen. Dat is hoe de wereld werkt, en de wereld werkt goed zo. Zeg dat Rutte het gezegd heeft.

En de rijke, hij graaide voort

Elk jaar nieuwe onthullingen: LuxLeaks, Panama Papers, Paradise Papers, telkens opnieuw hetzelfde patroon. Wie tot de rijksten van de rijksten behoort, betaalt aan vermogensbeheerders en fiscale advocaten een klein fortuin – voor hen een peulschil – om geen cent méér te moeten bijdragen aan de samenlevingen waaraan zij hun grote fortuin te danken hebben dan wat zelfs met alle truken van de foor niet te vermijden is. Miljarden en miljarden worden weggesluisd uit onze samenleving, terwille van een kleine kliek die zwemt in het geld en voor wie genoeg nooit genoeg is, zelfs niet als dat ten koste gaat van de rest van ons.

Het gaat hier niet over het appeltje voor de dorst van een arme sloeber die zich een leven lang heeft uitgesloofd om iets te kunnen nalaten aan zijn kinderen. Het gaat om gigantische fortuinen van superrijken die luxeappartementen in wereldsteden verzamelen als waren het postzegels, om de opgepotte winst van de grootste bedrijven, geldbergen die zo groot zijn geworden dat ze landen kunnen overschaduwen en politici er angstig voor buigen.

Het zal wel kloppen dat vaak alleen de marges worden opgezocht van wat mogelijk is met de bestaande wetgeving en dat het dus om belastingontwijking gaat, fiscale optimalisatie, zoals dat met een eufemisme heet, en niet altijd om belastingontduiking en fraude. Maar dat betekent nog niet dat we ons er niet druk om mogen maken. Veel van die sluipwegen bestaan immers alleen maar dankzij de macht en de kracht van lobbymachines die schermen met grote begrippen en donderende dreigementen: alsof vrijhandel en internationale investeringen niet mogelijk zouden zijn zonder het bestaan van belastingparadijzen op de Kaaimaneilanden en de Bahama’s, zonder geheime rekeningen in Panama en belastingconstructies in Luxemburg, Ierland en Nederland.

Als dan keer op keer blijkt dat die pijplijnen alleen worden opengehouden opdat de allerrijksten op deze aarde op industriële schaal fortuinen onbelast kunnen wegsluizen naar belastingparadijzen, dan kan dat volgens de letter van de wet misschien nog net legaal zijn (maar vaak ook niet) en toch in alle opzichten verwerpelijk. Dat is geen fiscale optimalisatie: het is bedrog, misbruik van vertrouwen, diefstal van de rest van de samenleving.

Het is des te meer verwerpelijk, omdat die superrijken en hun trawanten, vermogensbeheerders die netjes in het pak zitten, ondertussen de eersten zijn om – in naam van het algemeen belang, dat spreekt – offers te eisen van de rest van de samenleving: wie minder heeft dan zij, moet de buikriem aanhalen. Bedrijfsbelastingen moeten omlaag opdat zij nog grotere winsten zouden kunnen evacueren naar paradijselijke eilanden, en pensioenen zijn onbetaalbaar. De allerrijksten ontduiken zo’n dertig procent van hun belastingen, dat toont onderzoek aan van Gabriel Zucman, gerenommeerde professor economie aan de universiteit van Berkeley. Maar de doodgraver van ons sociaal systeem is de officieel alleenstaande werkloze die samenhokt omdat appartementen onbetaalbaar zijn geworden.

Het is ziekelijke hebzucht, het moreel failliet van een kaste die zich te goed voelt voor de rest van de samenleving en er alleen met misprijzen op kan neerkijken.

— Dit stuk verscheen op 7 november in De Standaard.

Feest bij het VBO

Het was één groot feest op het hoofdkwartier van grotebedrijvenlobby VBO de afgelopen dagen. Zware basdreunen deden de ruiten aan de Ravensteinstraat rinkelen, champagne vloeide rijkelijk, vrolijk lachend dansten de gekostumeerde heren de polonaise, stropdas rond het hoofd geknoopt: de regering had immers de vurig verlangde hervorming van de vennootschapsbelasting goedgekeurd.

Die vrolijkheid mag bevreemden, want minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) had ons met de hand op het hart verzekerd én dat de hervorming zelfs zonder magische terugverdieneffecten minstens budgetneutraal zou zijn, én dat de kleine bedrijven minder belasting zouden moeten betalen. Wat dus betekent dat de rekening voor grote bedrijven omhoog zou moeten.

Nu wil ik best geloven dat Pieter Timmermans, de grote baas van de grotebedrijvenlobby, altijd en overal het algemeen belang voor ogen heeft, maar iets zegt mij dat hij niet, feestdronken nog, in filmpjes zou uitleggen waarom die hervorming van de vennootschapsbelasting zo’n prachtige zaak is als zij de factuur van ‘zijn’ bedrijven effectief zou verzwaren. Ach, misschien ben ik inderdaad behept met complottheorieën, maar zo onwaarschijnlijk lijkt het me niet dat wanneer de grootste bedrijven een belastinghervorming toejuichen, die hervorming hen niet bepaald zal verarmen.

Van Overtveldt sust echter: vertrouw mij maar, die hervorming van de vennootschapsbelasting kost ons geen cent. Nog eerder trof een blinde dronkaard die een dartspijl in zijn handen gestopt krijgt bij zijn eerste worp de roos, dan dat Van Overtveldt de kosten of opbrengst van een van zijn fiscale maatregelen ook maar enigszins juist ingeschat krijgt, en toch bezweert hij: vertrouw me maar, die hervorming zit zó ingenieus in elkaar dat ze én een logisch en coherent geheel van maatregelen vormt, precies wat onze bedrijven wensen, én – wat een aardig toeval! – aan de begroting precies nul euro zal kosten.

Hoe hij tot die wetenschap komt, houdt de minister angstvallig verborgen. Zelfs de Europese Commissie krijgt zijn rekensommetjes niet te zien. Ook tegen hen zegt hij: vertrouw me maar. Die Europese Commissie is weliswaar vernietigend voor de Belgische begroting en beschouwt zijn plannen met de vennootschapsbelasting als niet meer dan een zwart gat dat miljarden naar zich toe kan zuigen, maar kom, weten zij veel. Het brengt de grote bedrijven in een feestroes, dus zal het wel in orde zijn, zeker?

Voor onze volksvertegenwoordigers lijken de sussende woorden van Van Overtveldt te volstaan. Nu weet ik ook wel dat het parlement soms niet meer is dan een praatgrage stemmachine en dat geen lid van de meerderheid het aandurft om tegen een begroting te stemmen, al hangt ze met niet meer dan spuug en paktouw aan elkaar, maar toch. Het zou fijn zijn mocht iemand daar nu zijn verantwoordelijkheid nemen en de taak van onze volksvertegenwoordigers verrichten: de ministers ter verantwoording roepen, eisen dat zij van naaldje tot draadje uitleggen hoe zij de opbrengst en kosten van de verschillende maatregelen hebben berekend, en niet blind goedkeuren wat hen ook maar wordt opgesolferd.

Het zijn onze volksvertegenwoordigers die moeten vermijden dat nu plannen worden goedgekeurd die de komende jaren nieuwe gaten in de begroting zullen slaan, gaten die niet meer zijn dan een transfer van algemene middelen naar de bedrijven en hun aandeelhouders, transfers waar u en ik voor zullen opdraaien. Zij moeten nu hun verantwoordelijkheid nemen. Of zijn ook zij allemaal bevangen door de champagne geschonken door het VBO?

— Dit stuk verscheen op 31 oktober in De Morgen.