Een ode, een lamentatie

Liefde is irrationeel, de liefde voor een voetbalclub grenst aan waanzin. Vanwaar die gehechtheid aan wat kleuren, een stamnummer, een geschiedenis waar men part noch deel aan had? Liefde is een daad van geloof, en wie gelooft, weet; en wie niet gelooft, kan nooit weten.

Geel en rood: het is de hartslag van mijn leven. KV Mechelen won niet en KV Mechelen verloor niet: wij wonnen en wij verloren. Wij speelden voor promotie en wij degradeerden. De liefde is irrationeel, biedt geen houvast, en maakt ons tot wie wij zijn – soms tot ontsteltenis van wie ons kent. 

Wij zijn de Malinwa, de Malinwa is deel van ons. En zij hebben het vergooid. Zij offerden onze club op een altaar ter hunner roem: wis dus hun namen uit ieders hart, laat het grote vergeten hun deel zijn. Ze hebben op ons hart getrapt, ze spuugden in ons gezicht, ze raakten ons in wat ons het dierbaarst is: onze trots op onze kleuren.

Vijftien jaar geleden was KV Mechelen op sterven na dood. Een zakenman met meer geld dan verstand zag de club als speeltuin van zijn dromen, en leidde de club te midden van steeds grotere chaos en steeds absurdere intriges naar de afgrond. Hij wilde de grote dagen terugbrengen, hij wilde gevierd zijn: hij gaf ons een schuldenberg en – onbedoeld – misschien wel het mooiste gebeuren in ons bestaan. Het was liefde die de Malinwa redde. De liefde van stoere middelbare mannen met tranen in hun ogen, de liefde van kinderen en hun wafelbak, de irrationele liefde van mensen die hun werk opzijzetten om in zeven haasten en vanuit de kofferbak van hun auto een winkeltje uit de grond te stampen van clubmemorabilia – om Malinwa een toekomst te geven. Zij gaven hun ziel en zij gaven hun zaligheid. Zij hebben KV Mechelen gered, want zij hadden liefde en geloof.

Deze mensen hebben ons gered en maakten er de mooiste ploeg van die ooit in ons land mocht voetballen. Hoe vaak heb ik mijn liefde niet vervloekt wanneer ik in de vrieskou en terwijl sneeuwregen mij in het gezicht sloeg op de betonnen gradinen stond en er weer een verloren bal over de zijlijn hobbelde. Maar hoe trots was ik dat ik daar mocht staan, dat ik deel mocht zijn van de Malinwa. Supporters hebben KV Mechelen gered, dankzij supporters bestaan de kleuren nog, het stamnummer, de geschiedenis. Bestaan wij nog. En we kwamen terug.

En toen kwamen zij. Ze hadden alles: geld en eigendunk, geld en roemzucht, geld en de vaste overtuiging dat de club hen toebehoorde en het instrument was van hun wanen. Ze hadden alles, behalve het enige dat telt: liefde en eergevoel.

Na de onwaarschijnlijke redding van KV Mechelen door de supporters nu vijftien jaar geleden, werd boven de eretribune waar de bestuurders van de club zitten een bord geschroefd: ‘Remember 2002-2003’. Dit jaar ging die oude betonnen tribune tegen de vlakte, een modern gevaarte van glas en staal komt in de plaats, met comfortabele zeteltjes voor de nieuwe bestuurders. Voor het gedenkbord werd nog geen plaats gevonden.

Niemand droomt nog van een sociale stad

De laatste rechte lijn naar de verkiezingen is ingezet en lusteloos werp ik de glanzende foldertjes in de papiermand. Een schijnbaar goedgemutste kandidaat lacht me blijmoedig toe, en ik breek me er het hoofd over wie dat wel wezen mag, die mij vreemde man, en waar hij dan wel voor mag staan. Hij wil vooruit met Jette: het tegendeel zou verbazen. Maar waarheen ‘vooruit’ is, daar heb ik het raden naar, het is schijnbaar nauwelijks van belang.

De enige kiesstrijd die om me heen woedt, gaat over de breedte van het fietspad. Stadsbeleid gereduceerd tot de vraag of op het asfalt een dunne witte dan wel een dikke rode streep geverfd moet worden. Mag het alstublieft ietsje meer zijn?

Dat stadsbeleid een motor van sociale verheffing kan zijn: het idee wordt niet zozeer genegeerd, het lijkt totaal vergeten. Waar is de burgemeester met de branie van de sociaal-democratische verkozenen van het ‘Rode Wenen’ van het interbellum, die aan een stad bouwden waar iedereen goed kon wonen en leven, en niet enkel de burgerij aan de Ringstrasse? Vandaag gelooft niemand nog in het idee dat ambitieuze sociale woonprojecten de kern uitmaken van een beleid dat hele stadswijken en hun inwoners kan optillen naar een beter leven. Het is verworden tot louter symptoombestrijding, een noodoplossing waar het echt niet anders kan, zo veel mogelijk weggestopt uit het zicht van de welgestelde en weldenkende burger.

Nu verbannen we wie het moeilijker heeft naar de rafelranden in de stad, opeengepropt in overvolle huisjes en ontzielde appartementsblokken, waar niemand zich nog om hen bekommert – zolang ze maar niet in de weg lopen van een of ander blinkend stadsverfraaiingsproject. Want dat lijkt nog het enige doel te zijn van een stadsbestuur ‘met ambitie’, van welke gezindte ook: hun ‘vernieuwde’ stadscentrum verkocht krijgen in een glossy bijlage. Maar hoe aan een stad bouwen die plaats biedt voor iedereen: het is het vermelden niet waard.

Als wonen dan toch eens opduikt in de campagne, dan omdat men vuil kan spuien: schande! Want iemand die in een sociale woning kon intrekken toen ze moeilijk kon rondkomen, woont er nog steeds nu het haar beter vergaat – weliswaar aan een marktconforme huurprijs. Zodra men zich weet te ontworstelen aan armoede, hoort men dus te vertrekken, de kinderen naar een andere school te sturen en de banden met de buren door te knippen: in een sociale wijk mag men zich niet opwerken, op straffe van verbanning. Het hele verwijt staat haaks op wat het doel van een ambitieus sociaal woonbeleid hoort te zijn: wijken en hun bewoners optillen naar een beter leven. Het ontbreken van dat beleid veroordeelt de sociale wijk zo tot het afvoerputje van de stad. Maar over die kern van de zaak, over wat een sociaal woonbeleid kan betekenen voor een stad en haar inwoners? Nauwelijks een woord.

Toegegeven, hier en daar zal wel een stem weerklinken dat het niet klopt, dat het niet waar is, dat ze het in hun programma wél over meer hebben dan wat fietsen en een mooi aangelegd pleintje in het centrum: kijk maar, als je goed zoekt op het internet vind je een uitgebreider programma, en kijk hier, op bladzijde 37, net na het puntje over hondenpoep: we zijn tegen armoede. Zie je wel? Fair enough. En toegegeven, er zijn er die wel degelijk hun stinkende best doen om de discussie over meer te laten gaan dan de plaats van de bakfiets in de stad – helaas zonder al te veel succes. Het doet me denken aan een kennis van me: als politicus elke dag opnieuw zwoegen om sociaal beleid op de kaart te zetten en nergens gehoor krijgen, maar zodra ze (o godsgruwel!) een ‘ludieke actie’ opzet voor een parkje: bingo.

Misschien ligt het dus niet aan hen, dat gebrek aan ambitie, de totale afwezigheid van enige sociale visie. Misschien willen ze wel, maar hebben ze moeten vaststellen dat wij er niet in geïnteresseerd zijn. We willen een fietspad, de rest kan ons gestolen worden.

— Dit stuk verscheen op 9 oktober in De Morgen.

Een rode neus alleen is niets waard.

Dat jonge jongens en meisjes het afgelopen jaar meer dan vijftig nachten in een Antwerpse politiecel moesten overnachten omdat er nergens anders plek voor hen was, nergens een bed om in te slapen, is alleen nog goed voor een klein berichtje ergens op de binnenpagina’s van de krant: wie ligt er nog wakker van? We laten kwetsbare kinderen in de steek, maar zo gaat het al jaren; op meer dan schouderophalen wordt het nieuws niet meer onthaald. Zo ging het altijd, zo zal het altijd gaan.

Een minister zet een rode neus op om ‘aandacht te vragen voor psychologische problemen bij jongeren’ – ondertussen kunnen steeds minder kinderen terecht bij de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg, moeten die kinderen steeds langer wachten op hulp, en blijft Vlaanderen kampen met schrikbarend hoge zelfdodingscijfers. Het is makkelijker een rode neus op te zetten – lekker ludiek – dan effectieve hulp bereikbaar te maken.

Eind 2017 kregen bijna 5.300 kinderen met een zware zorgnood niet de intensieve zorg en ondersteuning waar zij nood aan hebben. Die vele duizenden kinderen stonden op dat moment gemiddeld al langer dan een jaar geparkeerd op een wachtlijst voor hulp. De wachtlijsten groeien aan, en ondertussen kan voor steeds minder kinderen met de nodige ondersteuning gestart worden: de jeugdhulp is volledig dichtgeslibd. Maar fondsen vrijmaken om die duizenden kinderen wél zorg te bieden, blijkt onmogelijk: zij zijn niet belangrijk genoeg, hun stem klinkt niet luid genoeg.

De tientallen jongeren die noodgedwongen de nacht doorbrengen in een politiecel, de duizenden kinderen met een beperking en een zware zorgnood die op een maanden- en zelfs jarenlange wachtlijst voor hulp worden geparkeerd: collateral damage van het gebrekkige Vlaamse welzijnsbeleid.

Vandaag wordt in het Vlaams Parlement het Jaarverslag Jeugdhulp besproken. Wat de vorige jaren al gezegd werd, kan nog eens uit de archieven opgediept worden: stof de tekst wat af en hij kan zo weer dienen; au fond verandert er toch niks. Te veel kinderen kregen geen hulp, krijgen nog steeds geen hulp, en als we blijven verder doen zoals vandaag zullen ze ook morgen geen hulp krijgen.

We zouden nooit aanvaarden dat een kind met een longontsteking zonder zorg naar huis wordt gestuurd omdat alle ziekenhuizen volzet zijn. Voor kinderen met een fysieke of een verstandelijke beperking is dat de realiteit van elke dag.

Zonder een grondige discussie over het financieringsmodel van de jeugdhulp komen we er niet. Zolang het budget dat vrijgemaakt wordt voor jeugdhulp meer uitstaans heeft met wat er toevallig nog achter de zetel gevonden wordt bij begrotingsbesprekingen dan met de reële noden en behoeften, blijft het jeugdhulpbeleid louter het beheren van wachtlijsten, beredderen en behelpen, schaarse middelen heen en weer schuiven van crisis naar crisis, en de goden afsmeken dat er toch in hemelsnaam geen al te grote drama’s gebeuren.

Het is koken met ingrediënten voor tien man terwijl een veelvoud aan hongerigen op eten wacht, en hopen dat met een iets andere tafelschikking iedereen wel voldoende aan zijn trekken zal komen. Het kan zo niet verder.

— Dit stuk verscheen op 2 oktober in De Morgen.

Tussen kunst en seks.

De mens is een ziek dier, en zoekt verlichting in de vernedering van zijn naaste; hij weet pas dat hij bestaat wanneer hij een ander doet buigen voor zijn wil. Geef hem andermans lot in handen, als was het een pop om mee te spelen, en hij zal die pop in honderd onmogelijke houdingen plooien om zichzelf meer mens te weten, alsof hij de pijn van een ander nodig heeft om te voelen dat hij leeft.

Maar noem het kunst, en het wordt verdoezeld. Is de man die zich poppenspeler waant een man van aanzien, het wordt verontschuldigd.

In te veel commentaren op Jan Fabre blijft de verwarring voortduren tussen het aftasten van artistieke grenzen en het afdwingen van seks in ruil voor een artistieke toekomst. Maar welke verwarring is er dan mogelijk? Het afdwingen van seks in ruil voor een artistieke toekomst heeft net zomin met kunst te maken als het afdwingen van seks in ruil voor een academische toekomst met wetenschap te maken heeft: het is kunst noch wetenschap, het is seksueel misbruik. Dat misbruik trachten te verdrinken in een discours dat de artistieke waarde benadrukt van het kunstenaarschap van Jan Fabre is een abjecte vergoelijking van misbruik en bovendien een degradatie van de waarde van de kunst zelf.

Het is niet de taak van een dansvoorstelling of een pentekening om het karakter van hun maker wit te wassen. Als er geen sprake is van misbruik, zal het geen toneelstuk zijn dat zijn onschuld aantoont; als er wel sprake is van misbruik, zal er geen sculptuur zijn die de maker desondanks kan vrijpleiten. Ter verdediging van Fabre zijn kunstenaarschap aanhalen is een zwaktebod dat de aanklagers niet ernstig neemt. Het is de mens niet meer zien in de nevelbanken van de kunst. Maar geen mens hoort geslachtofferd te worden op het altaar van een zogenaamd hoger ideaal: niet in naam van ‘het volk’, niet in naam van ‘de revolutie’, en al helemaal niet in naam van ‘God’ of –godbetert – ‘kunst’.

Dat misbruik ook de kunstsector treft, mag niet verbazen. ‘Macht corrumpeert, en absolute macht corrumpeert absoluut’ is een boutade die te veel waarheid bevat om ons comfortabel bij te voelen. De mens is immers een ziek dier, en de kunstsector – net zoals de academische sector – vormt een wereld waarin jonge mannen en vrouwen in het najagen van hun droom afhankelijk zijn van de grillen van een kleine groep poortwachters: de weg naar hun hemel leidt te vaak door de hel.

Het toont de fragiliteit aan van elke situatie waarin de lotsverbetering van een mens geen zaak is van afdwingbare rechten maar van de goedgunstigheid van een ander. Het plaatst mensen in relaties van afhankelijkheid die vernederend zijn, hen kwetsbaar maken, hun vrijheid inperken in het besef de poortwachter niet voor het hoofd te mogen stoten. Haal dus de stormram boven en beuk de poorten in.

—Dit stuk verscheen op 18 september in De Morgen.

De nacht van 3 op 4 september

Op de avond van 3 september 1942 sluiten Duitse ordetroepen in Brussel de Marollen en enkele straten rond het Zuidstation af. Huizen waarvan ze weten of vermoeden dat er Joden wonen, worden uitgekamd. 597 mannen, vrouwen en kinderen worden die nacht weggevoerd naar de Dossinkazerne in Mechelen. Sommigen verblijven er vier dagen, anderen net iets langer dan een week. Allen worden ze gedeporteerd naar het concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau.

Na een eerdere actie in Antwerpen op 22 augustus was het de eerste razzia in Brussel. Op de transportlijst naar het vernietigingskamp: mensen als Feiga Perkel-Eppel, 32 jaar, geboren in Keulen, ‘statenloos’. Haar zoontje, net geen vier maanden oud, Aron Nathan Perkel, geboren in Brussel, ook ‘statenloos’. Rosalie Frojerman-Ring, 26 jaar, geboren in Berlijn, ‘statenloos’. Elkuna Frojerman, 34 jaar, geboren in Lodz, ‘statenloos’. Adeline Razjner, vier jaar, geboren in Elsene, ‘statenloos’. Hun afkomst (Duitsland, Polen, voor de jongsten België) en hun statuut (‘statenloos’) een reflectie van het doelwit van de razzia: Joden die eerdere vervolgingsgolven ontvlucht hadden, en hun heil en hun onderkomen zochten in België.

De werkelijkheid achterhaalde hen. Mensen achterhaalden hen.

Van de 597 mannen, vrouwen en kinderen opgepakt in de nacht van 3 op 4 september 1942 in de Brusselse razzia en afgevoerd naar Auschwitz overleven er slechts vijftien de oorlog.

Precies een jaar later, in de nacht van 3 op 4 september 1943, volgt een nieuwe grootschalige actie in Brussel en Antwerpen. 593 Joden worden opgepakt. Deze keer zoeken de autoriteiten geen vluchtelingen uit Duitsland of Polen, officieel statenloos, maar Belgische Joden, zoals Charles Grabiner en Debora Brandstädter, die in Sint-Gillis wonen. Hun dochter, Renée Grabiner, net twee jaar oud, wordt verborgen op een schuiladres. Ze overleeft de oorlog. Haar ouders, op 20 september 1943 op het transport XXII-b gezet naar Auschwitz, worden beiden vermoord.

Op 3 september 1944 wordt Brussel bevrijd. Een maand eerder vertrok het laatste transport uit de Dossinkazerne naar Auschwitz. Onder de gedeporteerden de Duitse schilder Felix Nussbaum, die uit zijn vaderland verdreven toevlucht had gezocht in Brussel. Hij wordt vermoord op 9 augustus 1944: een van de 25.484 Joden en 352 Roma en Sinti die tussen de zomer van 1942 en de zomer van 1944 in de Dossinkazerne passeren op hun dodentocht naar Auschwitz.

Op 6 december 1938 schrijft de Duitse Jood Victor Klemperer in zijn dagboek: “Nu noteer ik alleen nog de steeds vaker gebruikte zinswending ‘Het komt met het gezonde rechtsgevoel van het volk overeen’, die altijd te vinden is als er met een nieuwe wreedheid wordt begonnen. Daarmee is het contemplatieve intermezzo ten einde.”

Vijf jaar eerder, bij de machtsovername door de nazi’s, schreef hij: “Ik voel eigenlijk meer schaamte dan angst, schaamte om Duitsland. Ik heb me waarlijk altijd Duitser gevoeld. En ik heb altijd gedacht: de twintigste eeuw en Midden-Europa, dat is iets anders dan de veertiende eeuw en Roemenië. Fout.”

Het kon niet gebeuren. Het gebeurde.

— Dit stuk verscheen op 4 september in De Morgen.

Brief aan een jonge socialist: over de klassenstrijd

Dit stuk verscheen in Oproerkraaiers worden in stilte geboren. Acht hedendaagse antwoorden op de brieven van Camille Huysmans, een uitgave van Curieus en de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Camille Huysmans. Met teksten van Herman Van Goethem, Jozefien Daelemans, Matthias Somers, Yousra Benfquih, Hendrik Vos, Caroline Copers, Herman Balthazar, Alicja Gescinska, en Jinnih Beels, en illustraties van Fatinha Ramos.

Hoe in de voetsporen te treden van een socialistisch voorman, wanneer het socialisme zelf op apegapen ligt? Hoe de jeugd van tegenwoordig een brief te schrijven over het belang van de klassenstrijd, wanneer het woord zelf getild lijkt uit een beduimeld boekje, gevonden bij het oud papier? Is het niet precies die hang naar het verleden, die verknochtheid aan oude verwezenlijkingen en nog oudere theorieën, die het socialisme de nek heeft gekost? “De klassenstrijd!” “Arbeid versus kapitaal!” Hoeveel bestofter kan het socialisme zijn, hoeveel meer bewijs is nodig dat socialisten geen oog hebben voor de nieuwe tijden? Opzij met hen, dat zij plaats maken voor u, voor de jeugd, klaar om de wereld te veroveren, deze wereld, niet die van de negentiende eeuw, maar de wereld van nu en van morgen. Hoezo, klassenstrijd? Alsof er nog onderscheid is tussen arbeider en kapitalist, tussen arm en rijk, tussen machtelozen en machthebbers: iedereen zit in ’t zelfde schuitje, iedereen moet aan ’t zelfde zeel trekken, iedereen wil gewoon vooruit.

Het is allemaal niet nieuw.

Ondertussen tachtig jaar geleden verweerde Huysmans zich al tegen een gelijkaardige kritiek. “Gij vraagt mij wat ik denk,” schreef hij, “over degenen die de meening uiten dat het socialisme zijne theoretische opvatting moet hernieuwen, en verklaren dat het niet meer optreedt om klassebelangen te verdedigen, maar wel om de belangen van de gansche gemeenschap. De vernieuwers willen dus, — indien ik hen goed begrijp, — de organische tegenstelling der klassen wegcijferen. (…) Tusschen de heeren van La Société Générale en de huisarbeiders van Hamme en Zele is er eigenlijk geen verschil. De huisarbeiders van Zele en Hamme kunnen immers morgen de heeren van La Société Générale worden. Men heeft immers zulke mirakels bijgewoond.”

Van klassen kan geen sprake zijn, het onderscheid tussen werkmens en bedrijfsbons is van geen tel, de kloof tussen arm en rijk wordt vergoelijkt, zolang er maar één iemand is die de sociale ladder weet op te klauteren. Armoede is geen probleem, zolang maar gewezen kan worden op één iemand die niet meer in armoede leeft: dat volstaat om het leven in armoede van alle anderen goed te praten. De sporten van de ladder mogen nog zó ver uit elkaar staan, dat iemand van de onderste sport wegraakt mag nog zó uitzonderlijk zijn — als het één iemand lukt, is alles gerechtvaardigd en kan elke kritiek van de hand gewezen worden, want: het systeem werkt. Het bewijst dat in deze maatschappij elke positie voor iedereen openstaat, als men maar echt wil, en dat het dus niet nodig is, zelfs pervers, om de belangen te verdedigen van zij die uit de boot dreigen te vallen, zij die geen plek aan tafel hebben, zij wier stem niet gehoord wordt.

Het is een aangenaam verhaal, want het rechtvaardigt niet alleen het maatschappelijk systeem zelf, het kan ook dienen als de ultieme zelfrechtvaardiging: in een samenleving waarin we onszelf kunnen wijsmaken dat iedereen dezelfde kansen en dezelfde mogelijkheden heeft, hebben we onze eigen positie zelf verdiend en hoeven we ons dus ook niet druk te maken om de achterblijvers. Zij kunnen op niets aanspraak maken, enkel dankbaar zijn voor onze goedgunstigheid. Het is een verhaal dat het kapitalisme een mooi kleedje aantrekt.

Het kapitalisme neemt het ongebreidelde nastreven van het eigenbelang als het leidend principe van de maatschappelijke ordening: de samenleving moet zich zó organiseren, dat iedereen zijn eigen belangen kan najagen, zo goed en zo kwaad als hij kan, met alle middelen die hem ter beschikking staan. In dat maatschappijbeeld verschijnt de ander dan als iemand die mijn vrijheid beperkt, een obstakel dat overwonnen moet worden bij het najagen van mijn belangen, in het beste geval niet als een last, maar als een middel dat mij kan helpen om mijn doelen te bereiken. Misschien sporen zijn belangen enigszins met de mijne, worden we er beiden beter van dat we elkaar als middel gebruiken in het nastreven van onze eigen doelen, maar op zich is dat niet relevant. Zolang ik mijn belangen ongebreideld kan nastreven, is alles zoals het hoort, werkt het systeem naar behoren, en komt alles wat me in de schoot valt mij toe.

Een man als Jeff Bezos heeft dit goed begrepen. Hij maakte van Amazon het keizerrijk van het consumentisme en werd zelf decadent rijk, zó rijk dat hij met zijn vele miljarden geen blijf meer weet. En dus zit er, aldus Bezos zelf, niets anders op dan zijn fortuin — letterlijk — de ruimte in te blazen: een prestigeproject te zijner glorie in de vorm van een blinkend fallussymbool.

En wat kan er op tegen zijn? Het is het systeem dat werkt. Het is tenslotte zijn geld, zijn rijkdom, zijn fortuin, eerlijk verdiend bij het najagen van zijn eigenbelang in een maatschappij waarin het iedereen vrij staat zijn eigenbelang naar eigen believen na te streven. Dat wil zeggen: het is een fortuin verdiend in het zweet des aanschijns van de ontelbare werkers die nacht na dag na nacht arbeiden in Bezos’ magazijnen, waar ze tot op de seconde geklokt, gecontroleerd, en — bij een wc-pauze te veel of een stap te weinig — gesanctioneerd worden, zonder de zekerheid de week nadien nog wel werk te hebben, en dat voor een loon dat nauwelijks volstaat om rond te komen. Het is het systeem dat werkt: een systeem waarin het vermeerderen van de rijkdom waar Bezos zelf geen blijf mee weet en dus maar de ruimte in blaast zwaarder doorweegt dan een goed leven voor de werkers in zijn magazijnen.

Dit is geen uitwas van het kapitalisme, dit is het kapitalisme: een decadent nihilisme.

En deze maatschappelijke ordening horen jullie rechtvaardig te vinden, elke kritiek in termen van klassenbelangen pervers, want — zo wordt jullie verteld — de belangen van de werker en de belangen van Jeff Bezos zijn toch dezelfde: de werker van vandaag kan immers morgen Jeff Bezos worden. “Men heeft immers zulke mirakels bijgewoond.”

Het socialisme kan zich hier niet bij neerleggen, net zomin als een socialist de klassenstrijd kan wegwuiven als niets meer dan een stoffige theorie die elke relevantie verloren heeft. Om nogmaals Huysmans te citeren: “Vooraleer het socialisme te willen hernieuwen, zouden de vernieuwers, tenminste een kleine poging moeten doen om het socialisme te begrijpen.”

Het socialisme weigert te aanvaarden: dat het leidend principe van de maatschappelijke ordening, waaraan al het andere ondergeschikt is, de botsing is van mens alleen en mens alleen, elk zijn eigenbelang najagend, wat hem overlevert aan de dominantie en de willekeur van wie machtiger is dan hem. Het socialisme is zo een bevrijdingsideologie, en vecht voor instituties die de mens emanciperen: de garantie van een goed loon, goede arbeidsvoorwaarden, decente vervangingsinkomens is niet alleen een kwestie van rechtvaardigheid, een faire verdeling van de koek, maar bovenal een noodzakelijke verzekering tegen de onderwerping van de mens aan de willekeur en de dominantie van werkgever en staat.

De klassenstrijd is een strijd tegen alle ongelijke machtsverhoudingen. Het is dus ook een feministische strijd, en een strijd tegen de maatschappelijke achterstelling van wie wordt weggezet als ‘niet echt van hier’; het is een strijd voor iedereen die uit de boot dreigt te vallen, voor iedereen die zich aan de rafelranden van de samenleving vindt, voor iedereen wier stem niet gehoord wordt. Het socialisme sloopt de muren die mens van mens afzonderen. Socialisme, in al zijn klassenstrijd, is gemeenschapsvormend, brengt mensen samen, op gelijke voet. Want alleen bevrijd van elke onderwerping kunnen mensen elkaar recht in de ogen kijken, gelijkelijk participeren aan de samenleving, samen vorm geven aan die samenleving, met elkaar, voor elkaar.

Wat een job.

Glimmend van trots stelden Michel, Peeters en co. hun arbeidsdeal voor: een groots plan om bedrijven de helpende hand te bieden waar ze zo naarstig naar op zoek zijn, en dat de federale overheid in één klap meer dan een half miljard extra inkomsten moet opleveren.

Elk plan moet vertrekken vanuit een vaststelling van de feiten, en misschien drukte ondernemer Rudi De Kerpel op Twitter wel het beste uit hoe deze regering die feiten ziet, wanneer hij over werklozen opmerkte: “Het enige wat de meeste nodig hebben is een wekker.”

Wie geen job vindt, heeft niet gezocht; wie werkloos blijft, wil niet werken. Als er dus nog steeds zoveel mensen werkloos zijn, kan dat alleen maar betekenen dat het veel te comfortabel toeven is in de werkloosheid. De weg vooruit: gedaan met pamperen. Als werklozen niet spontaan het werk aannemen dat overal voor het grijpen ligt, dan moeten ze er naartoe geranseld worden. Vandaar twee grote maatregelen in de arbeidsdeal: het versneld verlagen van de werkloosheidsuitkering, en gemeenschapsdienst voor langdurig werklozen. Want wie niet horen wil, moet voelen.

Of deze maatregelen effectief zullen leiden tot de extra jobs waarmee de regering zich alvast rijk rekent, hangt af van de correctheid van de diagnose: er is werk voor wie wil werken, en alleen omdat niet werken nog te veel loont, blijven mensen werkloos.

Verlaag de uitkeringen, verhoog de prijs van het werkloos zijn, en mensen zullen eerder vroeger dan later weer aan de slag zijn.

De vorige regering onder leiding van de socialist Di Rupo probeerde al eens hetzelfde: ook hij deed in 2012 de werkloosheidsuitkeringen al sneller dalen – waar deze regering dus nog eens een schep bovenop wil doen. Leverde dat wat op?

De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, een adviesorgaan waarin werkgevers en werknemers verenigd zijn, onderzocht het. Het loont de moeite even uit dat onderzoek te citeren: “We kunnen ons afvragen in hoeverre werklozen nog bijkomend financieel moeten worden gestimuleerd, of zelfs meer algemeen of er vóór de hervorming niet al voldoende financiële prikkels waren om werklozen te stimuleren niet lang te wachten om werk te zoeken en te aanvaarden. (…) De keerzijde van de hervorming is de aantasting van het vermogen van werkloosheidsuitkeringen om de werkloze, én zijn gezin, tegen armoede te beschermen wanneer hij werkloos blijft.”

Of in het kort: de inkomenskloof tussen werkloosheid en werk is al meer dan voldoende groot om mensen ertoe aan te zetten aan de slag te gaan, zelfs vóór de hervorming van 2012 – áls er tenminste werk zou zijn voor die werklozen. Quod non. De resultaten zijn ernaar: de hervorming heeft er niet voor gezorgd dat meer werkzoekenden uitstromen naar werk, maar wel geleid tot een forse stijging van de armoedecijfers bij werkzoekenden: moest in 2012 ongeveer een op de drie werkzoekenden rondkomen met een inkomen onder de armoedegrens, dan is dat vijf jaar later gestegen tot een op de twee. De helft van alle werkzoekenden leeft nu in armoede. Iets waar niemand die zichzelf nu zo feliciteert met de moedige beslissing om hun uitkering nog sneller te verlagen zich ooit zorgen om moet maken.

Eenzelfde verhaal geldt voor gemeenschapsdienst voor langdurig werklozen. De Britse overheid heeft de effectiviteit hiervan uitgebreid onderzocht, de conclusie was vernietigend: wie wel gemeenschapsdienst moest verrichten, had even weinig kans om na afloop van de testperiode van bijna twee jaar werk te hebben dan wie geen gemeenschapsdienst moest verrichten. Anders dan zovelen graag denken, kiezen mensen immers niet vrijwillig voor een leven zonder werk en met een inkomen waarvan men amper rond kan komen. Mensen willen werken. Maar dan moet er wel werk voor hen zijn. Quod non.

Voerde de Britse overheid gemeenschapsdienst voor werklozen af toen bleek dat het geen enkel nut had? Natuurlijk niet. Het gaat immers niet om het effectief aan werk helpen van werkzoekenden. Het gaat om het straffen van mensen die minder fortuinlijk zijn. En net zo zal onze regering zich er niets van aantrekken dat onderzoek aantoont dat noch gemeenschapsdienst, noch het verder verlagen van de werkloosheidsuitkeringen zal leiden tot meer uitstroom naar werk, maar enkel tot meer armoede.

Verblind door doctrinaire dwaasheid lichtzinnig experimenteren met het leven van gezinnen die op de rand van de armoede balanceren: gewoon doen.

— Dit stuk verscheen op 26 juli in De Morgen.

De laksheid waarmee Vlaanderen zijn mobiliteit organiseert, is clownesk

De balans van het Vlaamse mobiliteitsbeleid samengevat. Volgens officiële cijfers van het Vlaams Verkeerscentrum stond er in 2011 op de gemiddelde werkdag bijna 280 km aan files op Vlaamse wegen. In 2017 stond er op een doordeweekse werkdag al bijna 300 km méér file: een 570 km lang rijtje auto’s, elke dag weer. Meer dan een verdubbeling, in amper zes jaar tijd. En de eerste cijfers van 2018 geven aan: nóg meer aanschuiven.

De balans van het Vlaamse mobiliteitsbeleid samengevat (bis). Nog volgens het Vlaams Verkeerscentrum verloren voertuigen op Vlaamse wegen in 2010 op een doordeweekse werkdag samen gemiddeld 57.000 uur. Ook hier een verdubbeling: in 2017 stonden auto’s en vrachtwagens op een gemiddelde werkdag al meer 114.000 uren langer vast dan bij ‘normaal’ verkeer. Om dat wat meer tastbaar te maken: een heel jaar telt ‘maar’ 8.760 uur. Op een gemiddelde werkdag verliezen we ondertussen dus al meer dan dertien jaar aan vertraagd verkeer en files.

De balans van het Vlaamse mobiliteitsbeleid samengevat (tris). Het aantal kilometers die de bussen en de trams van De Lijn jaarlijks afleggen, is in enkele jaren tijd met 10 procent gedaald. Dit weekend bracht De Standaard ook het nieuws dat alleen al in de provincie Antwerpen het afgelopen jaar maar liefst 12.500 busritten geschrapt werden door De Lijn omdat er geen chauffeur beschikbaar was – bijna een verachtvoudiging tegenover vier jaar eerder. Ook het aantal ritten dat geschrapt moest worden omdat er geen functionerende bus beschikbaar was, verdubbelde in die periode. Steeds vaker staan mensen te wachten aan de halte op een bus die nooit komt, omdat de chauffeur ziek werd en reservechauffeurs weggesaneerd zijn (‘te duur’), of omdat de bus kapot is en reserveonderdelen niet meer standaard voorradig zijn (want, opnieuw, ‘te duur’). Dat onze wegen ondertussen volledig vastlopen, kost ons daarentegen blijkbaar niets.

De balans van het Vlaamse mobiliteitsbeleid samengevat (quatro). In de Grote Vlaamse Ontvoogdingsstrijd hebben we het toch maar mooi voor elkaar gekregen: sinds de Zesde Staatshervorming is er niet één verkeersreglement meer dat voor heel België geldt (de horror!), maar mag Vlaanderen eindelijk zijn eigen regels bepalen, en zelfs – er is op het Vlaams Nationaal Zangfeest lang genoeg om gejodeld – zelf bepalen hoe het rij-examen moet verlopen. Ontgaat mij de zin daarvan, op zijn minst geeft het de Vlaamse minister van Mobiliteit Ben Weyts (N-VA) de kans te foeteren op de dwaasheid van Brusselaars en Walen die niet gewoon zijn nieuwigheidjes overnemen. Hij moet zijn energie ergens in kunnen steken, als het niet het aanpakken van de files is.

De laksheid waarmee Vlaanderen zijn mobiliteit organiseert – of, beter, weigert te organiseren –, is clownesk, en valt best samen te vatten als: “On s’en fout.” Zolang we maar geen maatregelen moeten nemen die iemand tegen de borst kunnen stuiten, maken we onszelf wijs dat we goed bezig zijn. Want het moet toch nog plezant blijven, nietwaar? En dus wordt De Lijn uitgekleed, mag niet geraakt worden aan het gunstige regime voor bedrijfswagens, doen we er alles aan om het veralgemeend rekeningrijden niet te moeten invoeren (er valt altijd wel nog een nieuwe studie te bestellen, we willen toch zeker niets overhaasten), en blijven we Vlaanderen verder betonneren onder steeds nieuwe verkavelingen en bedrijfsterreinen op ‘den buiten’ die haast alleen per auto bereikbaar zijn.

Het Vlaamse mobiliteitsbeleid samengevat: de files zijn er vanzelf gekomen, en zullen ook wel vanzelf weer verdwijnen.

–Dit stuk verscheen op 19 juni in De Morgen.

Tussen democratie en gemeenschap

In de hedendaagse samenleving sluimert voortdurend een conflict dat misschien wel zo valt samen te vatten: het is een strijd tussen enerzijds het respect voor het democratische basisprincipe recht te doen aan de veelheid van soms radicaal conflicterende visies op ‘het algemeen belang’ en ‘het goede leven’, en anderzijds het respect voor het verlangen zich deel te weten van één gemeenschap.

We vrezen de versplinterende gemeenschap waarin we ons niet thuis voelen, een samenleving waarin de mens geen gedeeld doel meer herkent dat hem overstijgt, dat hem inschrijft in een gemeenschappelijk verhaal, met een gedeeld verleden en een gedeelde toekomst die meer is dan het lege formalisme dat we nu eenmaal met elkaar opgescheept zitten op dit kleine lapje grond. We hebben nood aan een gemeenschappelijk ideaal, meer te zijn dan een eenvoudige optelsom van particulieren met elk hun particuliere belangen.

De Franse filosoof en historicus Marcel Gauchet ziet de opkomst van de democratie door de eeuwen heen als een strijd voor de verovering van de autonomie op de heteronomie: een strijd om ons te ontworstelen aan de wet die ons door de goden wordt opgelegd, om onszelf de wet te stellen. Zolang die strijd nog echt gestreden moest worden, zolang er nog een concurrerend ideaal bestond – God – waartegen democraten zich konden afzetten, kon men zich beroepen op de idee van de ‘collectieve wil’ als alternatief ideaal: niet God stelt de wet, het volk stelt zichzelf de wet.

Maar nu God is weggevallen, blijkt die collectieve wil maar een problematisch substituut. Want hoe kan die wil van het volk een ideaal vormen dat ons overstijgt maar waarin elk van ons zich toch terugvindt? Hoe kan die volkswil méér zijn dan een kakofonie van conflicterende belangen?

Het populistisch nationalisme geeft antwoord op die vraag. Het volk, zo redeneren populistisch-nationalisten, vormt een homogeen blok, met een gedeeld moreel begrip, een gedeeld idee van zichzelf en de samenleving, een gedeelde visie op ‘het algemeen belang’ en ‘het goede leven’: er is één volk, met één volkswil, de populistisch-nationalistische partij is de unieke vertolker van die wil van het volk, en de staat moet aan die volkswil beantwoorden om legitiem te zijn.

Populistisch-nationalisten ontkennen de inherente pluraliteit van het volk, met conflicterende visies op wat ‘het goede leven’ en ‘het algemeen belang’ is: wie niet hun mening is toegedaan, toont daarmee niet tot het echte volk te behoren; zulke visies op de samenleving zijn dan ook illegitiem, niet van tel, want volksvreemd.

Maar wie weigert om die pluraliteit een plaats te geven binnen dezelfde democratische ruimte, plaatst zichzelf buiten de democratie. Een democratische gemeenschap die zich alleen als gemeenschap kan redden door elk element dat de illusie van eenheid doorbreekt uit te bannen, is geen democratie.

— Dit stuk verscheen op 6 juni in De Morgen.