Streeck over de noodzaak van de natiestaat en het einde van het kapitalisme

Als het kapitalisme al niet dood is, dan toch wel stervende, aldus de Duitse socioloog Wolfgang Streeck in How Will Capitalism End?, een bundeling essays geschreven sinds de financiële crisis, waarin hij de onvermijdelijke ondergang van het kapitalistische bestel beschrijft. Dat bestel is ten dode opgeschreven niet omdat er een alternatief klaar zou staan dat een beter antwoord zou bieden op de uitdagingen van deze tijd (een overtuigende visie op een meer rechtvaardige maatschappij, en hoe daar te komen, ontbreekt ten enen male nog altijd), maar omdat het kapitalisme bezwijkt onder zijn interne contradicties. Het is te succesvol geworden, heeft de beperkingen die het leefbaar had kunnen houden uit de weg geruimd, waardoor het alle domeinen van het leven heeft overwoekerd en zo de fundamenten van de maatschappij zelf heeft ondermijnd. Waar geen enkele limiet meer staat op het behandelen als louter handelswaar van land, geld, en arbeid, waar zij louter als middel worden gezien tot het vergaren van meer rijkdom, daar wordt het samenleven zelf onmogelijk gemaakt — wat meteen ook het einde van een kapitalistische samenleving betekent.

streeck

Dat wil echter niet zeggen dat we mogen hopen morgen te ontwaken in een nieuwe maatschappij, precies omdat er geen enkel alternatief voorhanden lijkt te zijn:

Before capitalism will go to hell, then, it will for the foreseeable future hang in limbo, dead or about to die from an overdose of itself but still very much around, as nobody will have the power to move its decaying body out of the way.

Wat ons rest is geen ‘echte’ samenleving meer, maar een steeds verder om zich heen grijpende “sociale entropie, of wanorde”; geen samenleving maar “minder dan een samenleving, een post-sociale samenleving”, waar het ieder voor zich is en ieder apart voor z’n eigen veiligheid en z’n eigen zekerheid zal moeten instaan. In zulk een ‘samenleving’ zal elk voor zich moeten “worstelen om zich te beschermen tegen dreigend ongeluk en structurele druk op hun sociale en economische status”, terwijl de wereld “elk moment getroffen kan worden door rampspoed, zoals imploderende bubbels, of geweld dat vanuit een in elkaar stortende periferie het centrum penetreert.”

Een optimist kan men Streeck alleszins niet noemen: hij wijst erop dat de geschiedenis “ook verlies kent, een beweging van beschaving naar een langere periode van barbarij, zoals die blijkbaar volgde op het ineenstuiken van het Westerse Romeinse Rijk.” Die vergelijking is geen toevalstreffer; Streeck herneemt ze meermaals. Want nu, net als toen en in de ‘Dark Ages’ die volgden, leven we in onzekere en onveilige tijden, terwijl oligarchen en krijgsheren profiteren van de chaos.

We heeft er schuld aan dit apocalyptische scenario dat zich volgens Streeck voor onze ogen afspeelt?  De vloedgolf van het neoliberalisme heeft “staten, overheden, grenzen, vakbonden en andere matigende krachten” volledig weggespoeld, en daarmee alle mogelijkheden om het kapitalisme in te dijken. Absoluut cruciaal hier, en het punt dat Streeck doorheen de verschillende essays steeds weer herneemt, is het wegvallen van grenzen tussen natiestaten; zijn boek had net zo goed “De noodzaak van de natiestaat” kunnen heten.

Een dubbel antagonisme ligt aan de basis van Streecks analyse van onze tijd: die tussen wat hij ‘Marktvolk’ en ‘Staatsvolk’ noemt enerzijds, en die tussen ‘centrum’ en ‘periferie’ anderzijds. Het wegvallen van grenzen en de verzwakking van de natiestaat levert het Staatsvolk (de ‘gewone’ burger) over aan de egoïstische willekeur van het Marktvolk (een internationale kaste van financierders en oligarchen) en het centrum (Duitsland en enkele omliggende landen) aan het economische en fysieke geweld van de periferie. Het is geen toeval dat het net de herauten van het neoliberalisme zijn die de mond vol hebben van open grenzen, al verschuilen zij zich dan achter mooie praatjes over “persoonlijke vrijheid en mensenrechten”. Hun enige doel was echter altijd: de macht van het volk breken. Immigratie, en het spook van een onuitputtelijke arbeidsreserve in de periferie waarmee arbeiders in het centrum door het wegvallen van grenzen plots moeten concurreren, breekt de eenheid, de solidariteit, en daarmee de kracht van de arbeidersklasse, terwijl door het opgaan van natiestaten in supranationale molochen zoals de Europese Unie de werkelijke beslissingsmacht geëvacueerd wordt naar onzichtbare en onaantastbare controlecentra waar het volk niets meer te zeggen heeft. De staat, of wat er nog van overblijft, wordt zo volledig de speelbal van het Marktvolk, die haar kan inzetten als instrument en beschermheer van de zogenaamde vrije markt, tegen het ‘echte’ volk in, zonder enige tegenmacht. Het wegvallen van grenzen, en daarmee van wat een natiestaat tot natiestaat maakt, is zo niet meer of minder dan de voorwaarde voor de ultieme overwinning van het ongebreidelde kapitalisme — en daarmee van zijn eigen neergang in een maatschappij waar het elk voor zich is, “minder dan een samenleving, een post-sociale samenleving.”

Gegeven deze diagnose, ligt Streecks remedie voor de hand: het kapitalisme weer onder controle krijgen zal alleen lukken wanneer we de slagbomen aan de grenzen weer sluiten en de souvereiniteit van de natiestaat herstellen. Alleen een terugkeer naar gesloten nationale economieën, of een “deglobalisering van het kapitalisme”, zoals hij het noemt, kan de wederopstanding van de samenleving mogelijk maken. Het is echter volstrekt onduidelijk waarom Streeck denkt dat de duistere kliek van financierders en oligarchen die hij identificeert als het Marktvolk hun greep op de staatsmacht zou lossen binnen de grenzen van een versterkte natiestaat; waar hij de bron van het huidige neoliberalisme ziet in het ordoliberalisme geeft hij trouwens zelf aan dat die duistere kliek een sterke staatsmacht steeds opnieuw zal gebruiken tegen de rechtmatige eisen van het volk in. Wat zou er nu dan anders zijn? Wat maakt dat het volk zich bij een terugkeer van de soevereine natiestaat wel afdoende zou kunnen organiseren en verenigen om een tegenmacht te vormen? Streeck wijst hier op het belang van “sociale cohesie”, die alleen binnen de grenzen van een natiestaat voldoende opgebouwd kan worden om een systeem van geïnstitutionaliseerde solidariteit op poten te zetten bestand tegen neoliberale aanvallen. Maar tegelijk geeft hij zelf ook aan dat die sociale cohesie ook binnen een natiestaat niet gegarandeerd is, wanneer de onderlinge verschillen binnen het volk te groot zijn.

Eén van de stokpaardjes van Streeck is de noodzaak de euro op te breken en terug te keren naar nationale munten want, zegt hij, de euro heeft een “transferunie” noodzakelijk gemaakt tussen noord en zuid die niet meer of minder is dan “a levy on northern taxpayers for the higher productivity of their countries’ corporations” zonder dat er een economische regeneratie van ‘het zuiden’ tegenover staat. Hardwerkende Noord-Europeanen zullen die subsidiëring van ‘het zuiden’ niet blijven tolereren; de ontmanteling van die transferunie, en daarmee dus ook van de euro, is dan ook noodzakelijk. Opvallend genoeg illustreert Streeck zijn argument met het voorbeeld van Italië, waar het zuiden ook al minstens sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog afhankelijk is van het noorden, en waar ‘het geduld’ volgens Streeck ook opraakt: de sociale cohesie die geïnstitutionaliseerde solidariteit mogelijk maakt ontbreekt. Moet dus, volgens zijn logica, na de euro ook Italië maar opgebroken worden? Vereist een natiestaat naar zijn model, een natiestaat die sterk genoeg is om een samenleving in stand te houden, een voldoende mate van homogeniteit die alvast Italië niet heeft? Waar de grenzen eerst rond de natiestaten werden getrokken in naam van het beschermen van samenleving en solidariteit, moeten er nu grenzen getrokken worden binnen die staten.

En daar stopt het niet. Het wegvallen van grenzen opende ‘het centrum’ voor ‘de periferie’, wat voor Streeck niet meer is dan een oord van sweatshops die de eerlijke arbeid van ‘onze’ werknemers ondermijnen, een zone die “onontkombaar uit elkaar valt”, waar “fundamentalistische religieuze bewegingen de controle hebben overgenomen”, een bron van “migratie naar het centrum” die toegejuicht wordt door neoliberalen omdat “de import van arbeid uit de periferie” en “etnische diversiteit” arbeiders “onderdanig” maakt, de arbeidersklasse “verdeelt”, onderlinge solidariteit onmogelijk maakt, en zo de macht van het kapitaal tegenover een door hun diversiteit niet te organiseren en niet te verenigen arbeidersklasse onaantastbaar maakt. Bovendien ontmoeten die nieuwe migranten uit de periferie hier de nakomelingen van voorgaande migratiestromen: een kaste “die heeft opgegeven ooit deel uit te maken van de kapitalistisch-consumeristische mainstream van hun samenleving”, wat leidt tot “another migration, this time of the violence that is destroying the stateless societies of the periphery into the metropolis, in the form of the ‘terrorism’ of a new class of ‘primitive rebels’.” Als deze analyse klopt, is het moeilijk te zien hoe het sluiten van grenzen soelaas kan bieden: de periferie is al te diep doorgedrongen in het centrum, volgens Streecks eigen analyse; de etnische diversiteit die de arbeidersklasse verdeelt en machteloos maakt, verhindert de sociale cohesie die inclusieve solidariteit vereist. Als etnische diversiteit binnen één land de macht van het volk breekt, kan alleen etnische homogeniteit hier een oplossing bieden. Opnieuw leidt Streecks nadruk op het trekken van grenzen tussen natiestaten in naam van het beschermen van samenleving en solidariteit, dus tot het trekken van grenzen binnen die staten.

Streeck weet misschien wel waar hij begint wanneer hij een internationale kaste van financierders en groepen migranten die het centrum infiltreren vanuit de periferie identificeert als de ondermijners van de sociale cohesie en de volkssolidariteit, hij wil niet weten waar het eindigt. Een socialisme dat zich fundeert op scherpe grenzen tussen de eigen groep en buitenstaanders maakt misschien wel voor analyses die populair zijn bij Alternative für Deutschland, het leidt vooral tot gevaarlijke ontsporingen.

– Deze bijdrage verscheen in het februari-nummer van Samenleving en Politiek.

Uitzetten van mensen die hier geboren zijn: laten we dit zomaar passeren?

Maakt iedereen die in België geboren en getogen is volwaardig deel uit van deze samenleving, met alle plichten en ook alle rechten die daarbij horen? En kan de staat – niet het gerecht, maar de administratie – iemand zwaar bestraffen, louter op grond van vermoedens, zonder dat een rechtbank zich moet uitspreken over zijn schuld of onschuld? Op die twee vragen moeten onze volksvertegenwoordigers donderdag een antwoord geven.

Dan stemmen zij immers over een wet die staatssecretaris voor Asiel en Migratie Francken (N-VA) en zijn administratie de mogelijkheid geeft mensen die hun hele leven legaal in België hebben gewoond het land uit te zetten op grond van “aanwijzingen” dat “de vreemdeling een bedreiging is voor de openbare orde of de nationale veiligheid” (alle citaten komen uit het wetsontwerp). Een veroordeling voor strafbare feiten is “geen voorwaarde sine qua non”: het vermoeden van de administratie volstaat.

De wet is nodig om hen “voldoende vrijheid van handelen” te geven, en de “waarborgen” die inwoners van dit land momenteel genieten “verhinderen de bevoegde overheden efficiënt op te treden.” Iemand uit dit land verbannen, wordt zo een puur administratieve beslissing waar geen rechtbank, laat staan een veroordeling, aan te pas hoeft te komen: de ambtenaar wikt, de ambtenaar beschikt. Lekker efficiënt.

Ter verdediging schermt Francken graag met het terroristische gevaar: hij gelooft dus werkelijk dat we veiliger zijn wanneer iemand die echt een aanslag zou beramen de grens over wordt geflikkerd, dan wanneer hij wordt berecht en vastgezet. Dat zo’n vermeende terrorist uitwijzen naar bijvoorbeeld Frankrijk eerder onze zuiderbuur in gevaar brengt dan onze veiligheid verhoogt – hun terrorist, hun probleem – zal Francken een zorg zijn.

Bovendien beperkt de wet zich niet tot aanwijzingen van terrorisme, maar kan de administratie elk vermoeden van een minder of meer ernstige “verstoring van de openbare orde” aangrijpen om iemand het land uit te zetten. Is die maatregel buiten alle proportie of blijkt er eigenlijk niets aan de hand, dan moet de gestrafte achteraf maar bij een rechter proberen aan te kloppen. Dat hij ondertussen van huis en haard verbannen wordt: tough luck.

Het recht op een eerlijk proces overboord gooien als inefficiënt, en al die macht over het leven van een persoon in handen leggen van een staatssecretaris of zijn ambtenaar: geen rechtgeaard liberaal kan de inwoners van een land zo afhankelijk maken van de willekeur van de staat.

Mensen die hier van kinds af hebben gewoond duidelijk maken dat zij België nooit echt hun thuis mogen noemen, dat zij hier altijd hoogstens te gast zullen zijn: geen christendemocraat kan zo’n onderscheid tolereren tussen wie wel en wie niet volwaardig tot onze samenleving zou behoren. Hebben onze volksvertegenwoordigers de moed van hun overtuiging, verbannen zij deze onzalige wet, die elk rechtsgevoel tart en onze buren veroordeelt tot tweederangsstatus, naar de vuilnisbak. Als deze aanfluiting passeert zonder dat een storm van protest opsteekt, is dit geen democratie maar een lethargie.

– Dit stuk verscheen op 07/02 in De Morgen.

Een lachwekkend lamentabel schouwspel

“Ik ben hier echt ziek van geweest”, en toch keurde Nahima Lanjri (CD&V) samen met de rest van haar partij de omstreden vreemdelingenwet van Theo Francken (N-VA) goed, waardoor ook mensen die in België geboren zijn en altijd hier geleefd hebben uitgewezen kunnen worden, zonder enige vorm van proces, puur op basis van vermoedens van de administratie.

Ze is er echt ziek van geweest, omdat die wet indruist tegen alles waar ze voor staat, tegen heel haar visie op de maatschappij en het samenleven – en toch stemde ze voor die wet, zonder in het plenaire debat ook maar eenmaal tussen te komen, al was het maar om haar reserves te uiten, haar twijfels, zonder ook maar eenmaal de moed te vinden het woord te nemen om uit te leggen waarom ze ondanks alles er toch voor kiest die onzalige wet mogelijk te maken. Zwijgend zat ze op de groene banken, zwijgend drukte ze op het groene knopje, zwijgend verzaakte ze samen met de rest van haar fractie aan haar taak als volksvertegenwoordiger, wetgever en controleur van de regering, zwijgend abdiceerde ze elke verantwoordelijkheid.

Ach, al maakte die wet haar wel onpasselijk, een volksvertegenwoordiger heeft blijkbaar niet te kiezen waarvoor hij kiest. Iemand die louter dient als stemmachine, hoeft niet op zoek te gaan naar de moed om de eigen diepste overtuiging te volgen. Of is de lieve vrede bewaren in een regering die volgens de visie van CD&V zelf de fundamenten van de samenleving onderuithaalt hen dan werkelijk zo veel meer waard dan die samenleving zelf?

Men zou het niet durven denken, net zomin als men zou durven beweren dat hun parlementaire zitjes voor hen belangrijker zijn dan hun visie op de samenleving, want zeg nu zelf, als ze door een tegenstem straks niet meer in het parlement zouden mogen zitten, hoe zouden ze dan nog die onzalige wetten kunnen tegenhouden die lijnrecht ingaan tegen hun visie op de samenleving? Braaf meestemmen, dus, altijd braaf meestemmen, al maakt het ziek, tot ze zelf niet meer weten waarom ze daar eigenlijk zitten.

Het is niet eerlijk hen zo aan te pakken. Lanjri had meer moed dan de helft van het parlement samen: ze durfde toegeven dat ze stemde tegen haar eigen ideeën in, en ze zat er tenminste tijdens het hele plenaire debat. Dat kan van geen enkele volksvertegenwoordiger van Open Vld gezegd worden. Een debat over grondrechten, over de fundamenten van de rechtsstaat, over de manier waarop we met mensen die hier geboren zijn omgaan? Niet de moeite om het parlement zelfs maar te verwaardigen met hun aanwezigheid, laat staan om iets te zeggen.

Wellicht veel belangrijker zaken aan hun hoofd, met al hun nevenactiviteiten. Maar zij beseffen misschien dat een partij niet wordt afgerekend op het beleid dat ze effectief voert, maar op wat ze toetert in de kranten en op tv. Waarom dan energie steken in het parlementaire debat?

Een lachwekkend lamentabel schouwspel. Het hoeft niet te verbazen dat Siegfried Bracke (N-VA) kan toegeven ongeloofwaardig te zijn, en er toch geen enkel probleem in ziet dat theater te blijven voorzitten.
— Deze column verscheen op 21/02 in De Morgen.

Over de crisis van links en de opkomst van het populisme

De sociaal-democratie gaat door een diep dal; de traditionele socialistische partijen zitten overal in de verdrukking. Ondertussen weten populisten ter linker- en, vooral, rechter- en zelfs uiterst rechterzijde meer en meer aanhangers voor zich te winnen, niet in de laatste plaats onder kiezers die traditioneel tot de socialistische en sociaal-democratische achterban behoorden. Wat is er gebeurd? Is dit een tijdelijk fenomeen, de politieke conjunctuur die even tegenzit maar die ook wel weer zal keren, of is er meer aan de hand? Kan een politieke ideologie die gelijkheid centraal stelt en als bron van vrijheid ziet vandaag nog overtuigen?

Het is geen nieuws dat het streven naar een meer gelijke samenleving de massa makkelijker inspireert wanneer klaar en duidelijk is dat zij daar bij te winnen heeft, dan wanneer ze grotendeels is opgeklommen tot middenklasse en zij voortdurend te horen krijgt dat ze haar duur bevochten verworvenheden dreigt te verliezen (de sociale zekerheid is in gevaar, uw pensioen wordt onbetaalbaar). Zij zien zich nu niet meer als winnaars van een meer gelijke samenleving; een pleidooi voor gelijkheid klinkt in hun oren vooral als een claim die hun rechtmatige deel van de koek bedreigt. Verwondert het dan dat de socialistische boodschap zijn wervende kracht verloren heeft, en dat partijen voor de keuze staan die boodschap ofwel grondig bij te stellen, ofwel dreigen gemarginaliseerd te worden?

En dus verdwijnt gelijkheid, de grondwaarde van socialisme en sociaal-democratie, uit het politieke vocabularium: socialistische partijen streven niet meer naar een samenleving van gelijken, maar naar een samenleving waarin iedereen gelijke kansen krijgt – een streven onschuldig genoeg om er niemand mee voor de borst te stoten, zo onschuldig zelfs, dat het, minstens in woorden toch, gedeeld wordt door partijen doorheen het hele politieke spectrum. Handig genoeg kan diezelfde frase ook dienen als zelfrechtvaardiging voor de positie van de middenklasse om wiens hand elke partij dingt: in een samenleving waarin iedereen gelijke kansen krijgt, hoef ik me niet druk te maken om de achterblijvers; zij hadden maar, net zoals ik, hun kans moeten grijpen. Of zoals Gwendolyn Rutten het zei: “Eerlijk aan de start, zonder de belofte samen aan te komen.” Wie hard rent, verdient zijn prijs; wie er op z’n dooie gemakje achteraan komt sloffen, moet achteraf ook niet lopen zeuren. Meritocratie verving aristocratie, de idolatrie van de succesvolle man de strijd voor een samenleving van gelijken.

Het terrein ligt zo open voor populisten die ‘het volk’ zeggen te vertegenwoordigen, beweren het te verdedigen tegen wie de positie en de welvaart van dat volk bedreigt – en in een zogezegd meritocratische samenleving is dat niet wie van het systeem weet te profiteren om een boven het volk verheven positie te verwerven (hij is een voorbeeld van iemand die de kansen grijpt die het leven hem biedt), maar de achterblijver. De welvaart en positie van het middenklassevolk beschermen, dat betekent dan: de claim van de ander op een plaats aan de tafel verwerpen. Hij heeft zijn kansen niet gegrepen, hij maakt geen deel uit van de gemeenschap: om het sociaal systeem te redden, de sociale cohesie te bewaren die solidariteit maar mogelijk maakt, moeten zijn aanspraken als onrechtmatig verworpen worden. En hoe meer de welvaart van het land en van ‘de mensen’ in gevaar lijkt, hoe meer zij te verliezen dreigen te hebben, hoe donkerder het toekomstperspectief, hoe aantrekkelijker het wordt het onderscheid te maken tussen wie wel en wie geen recht heeft op een deel van de welvaart van dit land, hoe belangrijker het wordt de grens te trekken tussen een ‘wij’ en een ‘zij’. En er zal altijd een ‘zij’ gevonden worden, iemand die zijn kansen niet greep, of iemand die niet er niet echt bij hoort, er niet echt bij wil horen, en dus uit ons midden geband dient te worden.

Welk antwoord kan een socialist hierop bieden, wanneer hij het ideaal van een samenleving van gelijken heeft opgegeven, en enkel nog durft spreken over het nastreven van gelijke kansen? Een absoluut essentieel element is hier immers verloren gegaan: dat het socialisme een verhaal van inclusie was, een democratisch ideaal nastreefde, waarin iedereen volwaardig, op gelijke voet, aan de samenleving kon deelnemen.

De kinderbijslagkoterij

De hervorming van de kinderbijslag moest het paradepaardje van deze Vlaamse regering worden. Wat ze laat opdraven is een amechtig steunende ezel met een poot te weinig en een staart te veel.

Dat komt zo.

Er was eens een troep staatsmannen die zo betoverd raakten van hun eigen getoeter, dat een grote staatshervorming hen plots een zaak van leven en dood toescheen, en een grote staatshervorming, dat betekent vooral: een grote zak geld. En dus vielen begerige blikken op de kinderbijslag. Een mooi budget, de mensen kennen dat, dat draait goed: de bijl erin, dus, en vierendelen die handel, zodat een Vlaams minister wilde weldoener kan spelen.

En zo geschiedde. Bijna 3,5 miljard euro werd in de schoot van de Vlaamse regering geworpen om uit te delen aan Vlaamse kinderen. Eén op acht van die kinderen moet nu nog in armoede opgroeien. De prioriteit leek duidelijk: komaf maken met die schande.

Niet dus. Tussen droom en daad stond het plotse besef in de weg dat geld vrijmaken om kinderen uit armoede te halen alleen mogelijk is door aan kinderen van middenklassers minder te geven, en dat kon nu ook weer niet de bedoeling zijn. Dus moesten we het doen met het ietwat treurige schouwspel van een minister die zichzelf trots op de borst klopt dat dankzij zijn hervorming van de kinderbijslag nog geen procentpunt minder kinderen in armoede zouden moeten opgroeien. Hoe noem je dat anders dan het absolute nulpunt van elke ambitie?

Maar Vlaanderen zou Vlaanderen niet zijn als het vertimmeren van de kinderbijslag niet gepaard ging met het zetten van een extra bijbouw hier en nog wat koterijen daar. Het geld is er nu toch, beter om er meteen van te profiteren.

Een enkel voorbeeld. De zelfstandige kinderopvang heeft hogere subsidies nodig om te kunnen overleven, maar dat kost geld, en waar is er geld? In die grote zak van de kinderbijslag. En dus wordt binnen de kinderbijslag een hele nieuwe constructie getimmerd speciaal voor ouders die hun kinderen naar de zelfstandige kinderopvang sturen: zij zullen daar een extra premie voor kunnen krijgen, wat de kinderopvang op zijn beurt toelaat de prijs die ze aan ouders aanrekenen te verhogen. En zo verwordt de kinderbijslag, met dank aan een hoop extra administratie en gedoe, tot een extra subsidiekanaal voor de kinderopvang zonder dat het zo genoemd mag worden.

Want zo slim is de regering wel. Zeg niet: we willen extra geld voor de zelfstandige kinderopvang en slaan daarvoor een deel van de kinderbijslag aan, ook al betekent dat dat we de kinderarmoede nauwelijks zullen verminderen. Zeg wel: we zetten de kinderbijslag in om de kleuteropvangparticipatie te verhogen – en noemen het meteen een sociale toeslag. En ijverig wordt een extra koterij getimmerd.

Creatief, dat zeker. Maar het is een creativiteit die louter dient om armoe te versluieren, en de absolute visieloosheid verheft tot ultieme visie. Tekenend voor het Vlaamse beleid.

— Deze tekst verscheen op dinsdag 24 januari in De Morgen.

De moedige minister en het sociaal profitariaat

Iemand die ouder is dan 65 jaar en zelf geen recht op pensioen heeft of een pensioen krijgt dat onder de armoedegrens ligt, en die niet over voldoende eigen bestaansmiddelen beschikt (zoals spaargeld of het inkomen van de partner), kan recht hebben op de zgn. ‘inkomensgarantie voor ouderen’ (IGO): een sociale toekenning die het inkomen aanvult tot net onder de wettelijke armoedegrens, en voor heel wat ouderen het verschil betekent tussen het hoofd net boven water kunnen houden en helemaal kopje onder gaan. In 2015 kregen in totaal 113.662 mensen zo’n IGO-uitkering, wat de Schatkist maandelijks 43.179.399 € kostte, of gemiddeld bijna 380 € per persoon, per maand.

Gisteren keurden de meerderheidspartijen in de Kamer een wetsontwerp goed, ingediend door minister van Pensioenen Daniël Bacquelaine (MR), dat de voorwaarden tot toekenning van een IGO verstrengt: om recht te hebben op een IGO zal men vanaf september 2017 minstens tien jaar in ons land moeten verblijven, waarvan minstens vijf jaar onafgebroken. Dit is noodzakelijk, zo lichtte minster Bacquelaine het wetsontwerp toe, want:

De minister meent dat de ontworpen maatregel wordt onderbouwd door heel forse argumenten van algemeen belang: met de maatregel wordt beoogd de evolutie van het IGO-budget, dat in tien jaar tijd meer dan verdubbeld is, onder controle te houden.

In 2005 moest de Staat maandelijks 21 miljoen euro voorzien voor IGO’s, in 2015 was dat opgelopen tot 43 miljoen euro. Bovendien is het aantal personen dat aanspraak maakt op een IGO in dezelfde periode ook met bijna een kwart toegenomen: van 92.115 tot 113.662.

Wat minister Bacquelaine daar niet bij vertelt: die stijging is het gevolg van 1) inflatie, en -vooral- 2) een bewuste keuze, het invoeren van de automatische toekenning van de IGO, een instrument dat enorm belangrijk is geweest is in het terugdringen van armoede bij ouderen. Wie vroeger wel recht had op een aanvullende uitkering maar dat niet wist, had pech, terwijl hij of (vooral) zij nu wel krijgt waar men recht op heeft. – In vergelijking met het budget dat uitgetrokken wordt voor pensioenen is het IGO-budget trouwens peanuts: dat bedraagt immers geen half miljard euro per jaar, maar wel 42 miljard, bijna honderd keer meer.

Hoe dat ook zij, laten we even aannemen dat die stijging van het IGO-budget inderdaad neerkomt op “heel forse argumenten van algemeen belang”, en dat zij tot maatregelen noopt met “als doelstelling het onder controle houden van de kostprijs van de IGO” (nog steeds volgens minister Bacquelaine). Als dat de reden is, en de doelstelling, dan zou men denken dat de voorgestelde maatregel een belangrijke impact zal hebben op het IGO-budget, en bovendien niet zal leiden tot een verschuiving van het kostenplaatje van de ene budgettaire post naar de andere – bijvoorbeeld omdat mensen die geen IGO krijgen, wel nog bij het OCMW mogen aankloppen voor een leefloon (dat weliswaar bijna een vijfde lager ligt, en dus nog een pak dieper onder de armoedegrens). Wel…

We citeren even minister Bacquelaine tijdens de eerste bespreking in de commissie van zijn eigen wetsontwerp, dat ingegeven was met als doelstelling “het onder controle houden van de kostprijs van de IGO”:

[De minister] beschikt niet over de gegevens waarmee hij kan beoordelen hoeveel huidige IGO-begunstigden niet zouden voldoen aan de nieuwe verblijfsverplichting. […] Het is onmogelijk in te schatten aan hoeveel mensen in de toekomst de toekenning van de IGO zal worden geweigerd. […] Om dezelfde reden valt vandaag moeilijk te bepalen welke impact een en ander zal hebben op het budget van de OCMW’s.

Of nog: over hoeveel mensen het eigenlijk gaat, en welke impact zijn voorstel werkelijk zal hebben op de evolutie van het IGO-budget en het budget van de OCMW’s, de minister die het wetsontwerp zelf zo noodzakelijk acht uit ‘algemeen belang’ heeft er niet het flauwste benul van.

Maar al draait minister Bacquelaine er z’n hand niet voor om hoogstnoodzakelijke maatregelen te nemen waarvan hij niet kan zeggen wat de gevolgen zullen zijn (wie maalt er ook om zulke details?), je moet hem niet leren wat de diepste en welhaast de enige drijfveer van de mens is: geld. En zolang iets als de inkomensgarantie voor ouderen bestaat, tot zolang zullen profiteurs aangetrokken worden tot dit land van melk en honing. Laat er geen twijfel over bestaan: de dreiging is reëel.

Enkele citaten uit het commissieverslag:

Daniël Bacquelaine (MR): Deze maatregel is nodig, want nu “… ontstaan bepaalde mogelijkheden voor mensen die van de voordelige situatie willen profiteren.”

Daniël Bacquelaine (MR): “België is thans een heel aantrekkelijke bestemming. Niet alleen is het bedrag van de IGO hoog [het ligt onder de armoedegrens – MS], bovendien is België centraal gelegen en worden er verschillende talen gesproken. Het zou dus niet verantwoord zijn om daar geen rekening mee te houden. Dat aantrekkelijkheidsaspect houdt een gevaar in voor het voortbestaan van ons stelsel van sociale zekerheid. Het wetsontwerp beoogt dat aspect aan te pakken.”

Jan Spooren (N-VA): Deze maatregel is nodig, want hij “vermindert het aanzuigeffect voor migranten.”

Egbert Lachaert (Open VLD): “… risico op sociale shopping. […] Het voorliggende wetsontwerp beoogt aan die negatieve evolutie het hoofd te bieden en ondersteunt daardoor de sociale houdbaarheid…” (Dit niet doen) “brengt het fundament zelf van ons sociaal stelsel in gevaar.”

Vincent Van Quickenborne (Open VLD): Dit wetsontwerp “gaat sociale misbruiken tegen.”

Het belang van het wetsontwerp kan dus niet overschat worden: “het voortbestaan van ons stelsel van sociale zekerheid” zélf staat op het spel, dat immers bedreigd wordt door het “aanzuigeffect voor migranten”, mensen die “van de voordelige situatie willen profiteren.”

Noch minister Bacquelaine, noch de volksvertegenwoordigers Spooren, Lachaert, of Van Quickenborne konden verwijzen naar cijfers die hun uitspraken over “sociale misbruiken”, “negatieve evolutie in sociale shopping”, of een “aanzuigeffect voor migranten” zouden bevestigen. Maar men voelt zoiets aan, nietwaar: iedereen die ogen heeft, ziet toch wat er gaande is.

Enkele weken later, op een volgende commissievergadering, had minister Bacquelaine echter goed nieuws: eindelijk, maanden nadat zijn hoognodige wetsontwerp op de ministerraad was goedgekeurd en was ingediend in het parlement, wist hij hoeveel mensen nu een IGO krijgen die, moesten de nieuwe voorwaarden gelden, géén IGO zouden krijgen.

692

692 mannen en vrouwen op een totaal van bijna 115.000 IGO-gerechtigden, of amper 0,6% personen die een deeltje ontvangen van een budget dat 1% van het pensioenbudget bedraagt. Ziedaar de ondergravers van de fundamenten van ons sociaal stelsel, ziedaar het gevaar voor onze sociale zekerheid: nog geen zevenhonderd oudere mannen en vrouwen die een inkomen ontvangen dat nog steeds onder de armoedegrens ligt. Tegen hen moeten wij hoognodig beschermd worden, zij zijn minister Bacquelaines et al. “profiteurs” en “sociale shoppers”, zij zijn de “forse argumenten van algemeen belang.” (NB: Goed mogelijk dat die mannen en vrouwen hier wel jarenlang gewerkt hebben, en dus hebben bijgedragen aan de sociale zekerheid: voor een grote groep personen van buitenlandse nationaliteit geldt nu al dat zij slechts recht hebben op een IGO als en slechts als “een recht op een rust- of overlevingspensioen werd geopend krachtens een Belgische regeling.” No matter.)

Moest iemand zich ongerust maken over het lot van 65+’ers die geen recht meer zouden hebben op een IGO, en toch nog in België zouden willen wonen, geen nood: zij kunnen immers altijd nog bij het OCMW terecht, waar zij in bepaalde omstandigheden een leefloon kunnen ontvangen – dat weliswaar een vijfde lager ligt, en fors onder de armoedegrens. Maar dat hoeft geen probleem te zijn, beweert minister Bacquelaine, want:

Het verschil tussen de inkomensgarantie voor ouderen en het leefloon “wordt evenwel uitgevlakt door de actieve ondersteuning van de OCMW’s.”

En hij vult aan:

De minister benadrukt voorts dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen actieve en passieve sociale ondersteuning. De IGO valt onder passieve ondersteuning, OCMW-steun daarentegen een vorm van actieve ondersteuning, die gepaard gaat met begeleidingsmaatregelen. De minister vindt dat het systeem moet evolueren naar de geleidelijke verdwijning van passieve ondersteuning, ten gunste van actieve ondersteuning.

En even verderop:

Hij is ervan overtuigd dat er moet worden nagedacht of de handhaving van passieve sociale bescherming wel relevant is.

Daar valt een forse boom over op te zetten, maar onthoud dat het hier gaat om mensen op pensioenleeftijd, en dat dus de vraag gesteld kan worden hoe hij die ‘actieve ondersteuning’ dan wel ziet. Gelukkig heeft hij ook daar een antwoord op:

Actieve ondersteuning van ouderen door de OCMW’s kan verschillende vormen aannemen:

  • Vooreerst zal controle worden uitgeoefend op de inkomsten van de betrokken persoon, zodat duidelijk wordt of er een recht op leefloon bestaat.
  • Vervolgens kan worden nagegaan of de voorwaarden voor een waardig leven vervuld zijn op het vlak van huisvesting, gezondheidszorg en andere domeinen van het dagelijks leven.

De ‘actieve ondersteuning’ en ‘begeleidingsmaatregelen’ bestaan dus uit… een financiële controle. Dat een recht op IGO óók gepaard gaat met een voorafgaand inkomensonderzoek: weer zo’n onnozel detail waarmee je een minister toch niet aan z’n hoofd moet zeuren. Maar dat het nagaan of de voorwaarden voor “een waardig leven” vervuld zijn gebeurd nadat eerst een inkomen dat al onder de armoedegrens lag, nog eens fors verláágd werd – hoe moet je dat noemen? Wat voor een cynische mens moet men zijn om zoiets uit z’n strot te krijgen?

En wat, in godsnaam, te denken van een partij als CD&V, die zonder enige aarzeling dit wetsvoorstel goedkeurt dat met haken en ogen aan elkaar hangt, niet gebaseerd is op cijfers, door de Raad van State is bestempeld als in strijd met artikel 23 van de Grondwet (waarin het recht op sociale bescherming wordt vastgelegd), enkele honderden mensen in nog diepere armoede zal duwen, en de factuur simpelweg doorschuift van het federale niveau naar de gemeentes? En waarvoor? Enkele likes, wat retweets, en het verder om zich heen grijpende idee dat onze sociale zekerheid onbetaalbaar wordt door de toevloed aan ‘vreemden’ die van ons komen ‘profiteren’.

screen-shot-2017-01-13-at-15-30-06

— Deze tekst werd op 18 januari geherpubliceerd op Knack.be.

“Wie heeft, zal meer krijgen.”

“Wie heeft, zal meer krijgen”: dat lijkt het devies te zijn waaronder deze regering vaart. En al zwalpt het regeringsschip van hier naar ginder, de koers lijkt duidelijk: we varen naar het land waar fortuin de fortuinlijken beloont, en waar voor de onfortuinlijken geldt dat het wel hun eigen schuld zal wezen, een vorm van immanente rechtvaardigheid, boete voor hun zonden – waaronder luiheid wel de voornaamste is. Erg enthousiasmerend klinkt zo’n slogan natuurlijk niet, en dus worden grootse pleidooien opgezet over de noodzaak van een verlaging van de vennootschapsbelasting, en over de ondraaglijke zwaarte van de lasten op rijkdom. Maar maak u vooral geen zorgen: dat wie veel heeft minder zal moeten bijdragen, hoeft niemand een cent te kosten – behalve wie uw geld toch niet waard is; u weet zelf wel wie dat zijn.
Één zaak staat echter vast: er is geen alternatief. Nochtans. De laatste decennia verschoven de verhoudingen in de economie structureel. De extra rijkdom die we met z’n allen creëren in onze economie, de geproduceerde meerwaarde -het verschil tussen de waarde van de producten die een bedrijf binnenkomen als grondstof (bijvoorbeeld staal, glas, en rubber) en de waarde van de producten die weer uit dat bedrijf vertrekken (een gloednieuwe auto)-, wordt niet meer op dezelfde manier verdeeld als vroeger. Een deel van die meerwaarde komt ten goede aan werknemers als brutoloon en in de vorm van de socialezekerheidsbijdragen, en het andere deel vloeit terug naar de houders van kapitaal, naar zij die geld gestoken hebben in het bedrijf. Het deel van de nieuw gecreëerde rijkdom dat arbeid beloont neemt de laatste decennia echter stelselmatig af, terwijl het deel dat terugvloeit naar het kapitaal sterk gegroeid is en nog blijft groeien.*
Een relatief kleine groep mensen (‘de rijken’) slaagt er dus in zichzelf te belonen met een steeds groter deel van de rijkdom die hier samen gemaakt werd. Maar in plaats van hun beide handen te kussen voor zoveel geluk, roepen net zij nu het luidst dat het onontkombaar is, en de rechtvaardigheid zelve, dat zij voor hun steeds grotere rijkdom beloond worden met lagere bijdragen aan de rest van de samenleving: omlaag dus met die vennootschapsbelasting, en omlaag de lasten op kapitaalinkomsten! Laat de anderen die bijdragenvermindering maar betalen. Want dat is de consequentie: als de ene minder betaalt, zal de andere meer moeten betalen. Ofwel in de vorm van hogere belastingen voor de rest (daar klinkt weer het pleidooi voor hogere consumptiebelastingen, die zwaarder vallen op wie een lager inkomen heeft), ofwel in de vorm van minder publieke diensten en sociale voorzieningen (waar net zij die het minst konden profiteren van de nieuwe rijkdommen het meest nood aan hebben).
Nu kapitaal ontlasten, is het dessert toeschuiven naar wie al het grootste deel van het diner naar binnen heeft geschrokt, en vervolgens verwijten dat wie hongerig achterblijft zulke afgunstige ogen trekt.
– Dit stuk verscheen in De Morgen van 10 januari.

“Ik ben links, maar…”

“Ik ben links, maar…”: deze keer was het aan schrijver Yves Petry om een bijdrage te leveren aan de metershoge stapel stukjes in dit schier onuitputtelijke genre. “Ik ben links, maar…”: en tegenover het valse morele superioriteitsgevoel van links wordt dan de gekwetste redelijkheid geplaatst van — niet van rechts, god beware Yves Petry, maar van al wie ogen in zijn hoofd heeft om te zien en te begrijpen dat het ‘zo’ toch niet verder kan.

Die redelijkheid blijkt weliswaar vooral de redelijkheid van de intuïtie en het buikgevoel te zijn, maar moet daarom niet minder ernstig genomen worden. Yves Petry wéét dat we al veel te veel vluchtelingen opvangen, hij wéét dat al die kinderen uit de arbeidersmigratie alleen maar heibel veroorzaken en broeihaarden vormen van radicalisering en terrorisme, en in al zijn redelijke buikgevoel wéét Yves Petry ook dat wijzen op discriminatie en achterstelling in feite niets meer is dan alle Vlamingen als racist bestempelen – hij weet dus genoeg om niet meer op links te hoeven stemmen zolang links zijn wetenschap niet zonder meer wil aanvaarden en zolang links de bezorgdheden van ‘de mensen’ niet ernstig neemt.

Onder ‘de mensen’, versta: zij die vinden dat er ‘te veel vreemden’ zijn; niet bijvoorbeeld: die ‘vreemden’ zelf. Hun bezorgdheden -de extra moeilijkheden die zij ondervinden bij het zoeken naar een goede school, naar een goede job, naar een leuk huis-, die hoeven we blijkbaar niet ernstig te nemen: dat zit tenslotte allemaal in hun hoofd, het zijn niet meer dan gemakzuchtige excuses om het eigen falen te verdoezelen. Nee, het zijn de bezorgdheden van de Yves Petry’s van deze wereld die we ernstig moeten nemen: dààr moeten we een antwoord op formuleren. En dat antwoord heet: meestappen in dat verhaal, of als wegkijker met een messiascomplex weggezet worden.

De bezorgdheden van Yves Petry zullen de inzet vormen van de volgende verkiezingen, aldus diezelfde Petry, of hem dat nu bevalt of niet. Alsof hij niet zelf bepaalt wat voor hem het belangrijkste vraagstuk van deze tijd is. Verschillende partijen hebben verschillende visies op hoe de samenleving vorm moet krijgen, waarbij verschillende partijen ook verschillen in welke breuklijnen zij fundamenteel achten. Petry’s idee dat ‘het vluchtelingenprobleem’ (lees: er zijn te veel vreemden in dit land) dé inzet van de verkiezingen zal zijn, en dus zwaarder weegt dan bijv. sociaal-economische ongelijkheden, of de klimaatuitdaging, of de strijd voor Vlaamse onafhankelijkheid, toont vooral dat dit voor hem de meest fundamentele breuklijn, de grootste uitdaging voor onze maatschappij is. Dat is zeker een legitieme keuze, net zoals de kant die hij daarin kiest legitiem is, maar het is wel zijn keuze.

Al is ‘keuze’ misschien een fout woord. Elk van ons wordt bewogen door fundamentele waarden die met elkaar in conflict komen, Yves Petry net zo goed als ik, en welke waarde dan het zwaarste doorweegt, welke waarde het meest het hart beweegt, is geen kwestie van rationaliteit tegenover sentimentaliteit, maar van het hart zelf: “Le cœur a ses raisons que la raison ne connaît point.”

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van dinsdag 27 december.)

Leve de vooruitgang!

Luidt de klokken, want 2017 wordt een erg mooi jaar, zo wist de bank ING ons gisteren in deze krant te vertellen: een stralende zon, nauwelijks een wolkje aan de hemel.

Ik hoef niet te vertellen dat deze boodschap voor wie net door diezelfde bank op straat is gezet om de winstmarges te beschermen weleens cynisch kan overkomen. Zonnig weer? Voor wie z’n werk verloor vooral gevaar kopje onder te gaan.

Natuurlijk, de gezondheid van een economie, en al zeker van de wereldeconomie, kan niet afgemeten worden aan de werkgelegenheidspolitiek van een enkel bedrijf. Voor elke bank die mensen ontslaat, is er misschien wel een veiligheidsbedrijf dat mensen aanwerft om te kunnen profiteren van de privatisering van politietaken; voor elke bankbediende die te horen heeft gekregen dat hij niet meer nodig is, is er misschien wel een ander die loonsopslag of een bonus krijgt. Macro-economisch gezien brengt dat de zaak misschien wel in evenwicht. Of misschien blijkt zelfs dat we er dan met z’n allen inderdaad op vooruit zijn gegaan. Maar kan je het iemand die net zijn job is verloren kwalijk nemen dat hij daar misschien een ander idee over heeft, en dat hij zich afvraagt wat voor goeds die zogenaamde vooruitgang voor hem in petto heeft?

Het probleem is algemeen. Leve de vooruitgang!, wil ik uit volle borst brullen. Alleen… Vooruitgang voor wie? Vooruitgang voor wat? Wie zal en wie mag de vruchten van die vooruitgang plukken?

Globalisering en technologisering hebben de voorbije decennia onze wereld grondig door elkaar geschud, en die aardverschuiving is nog lang niet voorbij. Meer containerschepen dan ooit tuffen over de wijde oceaan; in onze landen wordt de laagtechnologische industrie verdrongen door hoogtechnologische. En het resultaat van deze evoluties mag -globaal gezien- gezien worden: velen op deze wereld hebben het nog nooit zo goed gehad, en dat mogen we nooit vergeten. Net zomin als we mogen vergeten welke enorme druk al die containerschepen die over de oceaan tuffen op ons klimaat en onze aarde leggen: een verdoken kost die we maar liever niet willen betalen, en dus maar doorschuiven naar de volgende generaties.

Maar globaal gezien, en ook als we alleen naar ons eigen land kijken, hebben globalisering en technologisering tot meer welvaart geleid, en houdt de verdere vooruitgang van de technologie nog grote beloftes in, kan ze meer groei mogelijk maken, of mensen meer vrijheid geven zonder dat ze daarvoor op hun welvaart moeten inboeten. En zoals ons zo vaak verteld wordt: we moeten eerst welvaart creëren, voor die welvaart verdeeld kan worden. Al te vaak wordt daarbij echter vergeten: die welvaart moet niet alleen gecreëerd worden, ze moet ook effectief verdeeld worden – wat trouwens zelf opnieuw tot meer welvaartcreatie kan leiden. Maar bij die herverdeling loopt het maar al te vaak mis.

Belgie heeft het op dat vlak, de afgelopen decennia niet slecht gedaan – toch als we ons vergelijken met sommige andere landen. Nog steeds leven veel te veel mensen onnodig in armoede in ons land, maar in vergelijking met bijvoorbeeld de Verenigde Staten zijn we haast een egalitair paradijs, terwijl we tegelijkertijd een van de rijkste landen ter wereld zijn, met gemiddeld de rijkste burgers. En dat bewijst meteen dat het beleid niet machteloos hoeft te staan tegenover de impact van globalisering en technologisering: een overheid heeft de macht, de middelen, en de mogelijkheden om die evoluties te controleren en in goede banen te leiden, ervoor te zorgen dat iedereen ervan kan profiteren, en dat zonder dat het de rijkdom van een land hoeft in te perken. Of iedereen de vruchten van de vooruitgang kan plukken, is dus een keuze die wij zelf als maatschappij kunnen maken. En het is een keuze die we -ondanks de goednieuwsshow die ik net afstak- nog te weinig maken, en te weinig radicaal maken.

Want wat betekent die welvaartsstijging concreet, hier in Belgie? De kansen op werk voor wie lagergeschoold is, zijn in vrije val. Minder dan de helft van hen heeft nog een job, en ook middengeschoolden hebben het moeilijker en moeilijker om aan de bak te komen. Sinds de eeuwwisseling is, gemiddeld, het reële loon van een voltijdse laaggeschoolde of middengeschoolde werknemer gedaald: zij verdienen nu, zeventien jaar later, minder dan in 1999. Sinds 2004 is, gemiddeld, alleen het loon van wie minstens een master-diploma heeft erop vooruitgegaan: de rest zag zijn loon in reële termen dalen. Vooruitgang? Voor sommigen wel, ja. De rest blijft ter plaatse trappelen, of gaat er zelfs op achteruit. Voor hen biedt de toekomst geen zonnig weer, zoals ING vrolijk voorspelt, maar regen en tegenwind. En een beleid dat hen geen beschutting biedt, is geen goed beleid. Vooruitgang betekent maar iets als ze ten goede komt aan wie die vooruitgang het meest nodig heeft.

— Dit stuk verscheen op donderdag 15 december in De Standaard.