De moedige minister en het sociaal profitariaat

Iemand die ouder is dan 65 jaar en zelf geen recht op pensioen heeft of een pensioen krijgt dat onder de armoedegrens ligt, en die niet over voldoende eigen bestaansmiddelen beschikt (zoals spaargeld of het inkomen van de partner), kan recht hebben op de zgn. ‘inkomensgarantie voor ouderen’ (IGO): een sociale toekenning die het inkomen aanvult tot net onder de wettelijke armoedegrens, en voor heel wat ouderen het verschil betekent tussen het hoofd net boven water kunnen houden en helemaal kopje onder gaan. In 2015 kregen in totaal 113.662 mensen zo’n IGO-uitkering, wat de Schatkist maandelijks 43.179.399 € kostte, of gemiddeld bijna 380 € per persoon, per maand.

Gisteren keurden de meerderheidspartijen in de Kamer een wetsontwerp goed, ingediend door minister van Pensioenen Daniël Bacquelaine (MR), dat de voorwaarden tot toekenning van een IGO verstrengt: om recht te hebben op een IGO zal men vanaf september 2017 minstens tien jaar in ons land moeten verblijven, waarvan minstens vijf jaar onafgebroken. Dit is noodzakelijk, zo lichtte minster Bacquelaine het wetsontwerp toe, want:

De minister meent dat de ontworpen maatregel wordt onderbouwd door heel forse argumenten van algemeen belang: met de maatregel wordt beoogd de evolutie van het IGO-budget, dat in tien jaar tijd meer dan verdubbeld is, onder controle te houden.

In 2005 moest de Staat maandelijks 21 miljoen euro voorzien voor IGO’s, in 2015 was dat opgelopen tot 43 miljoen euro. Bovendien is het aantal personen dat aanspraak maakt op een IGO in dezelfde periode ook met bijna een kwart toegenomen: van 92.115 tot 113.662.

Wat minister Bacquelaine daar niet bij vertelt: die stijging is het gevolg van 1) inflatie, en -vooral- 2) een bewuste keuze, het invoeren van de automatische toekenning van de IGO, een instrument dat enorm belangrijk is geweest is in het terugdringen van armoede bij ouderen. Wie vroeger wel recht had op een aanvullende uitkering maar dat niet wist, had pech, terwijl hij of (vooral) zij nu wel krijgt waar men recht op heeft. – In vergelijking met het budget dat uitgetrokken wordt voor pensioenen is het IGO-budget trouwens peanuts: dat bedraagt immers geen half miljard euro per jaar, maar wel 42 miljard, bijna honderd keer meer.

Hoe dat ook zij, laten we even aannemen dat die stijging van het IGO-budget inderdaad neerkomt op “heel forse argumenten van algemeen belang”, en dat zij tot maatregelen noopt met “als doelstelling het onder controle houden van de kostprijs van de IGO” (nog steeds volgens minister Bacquelaine). Als dat de reden is, en de doelstelling, dan zou men denken dat de voorgestelde maatregel een belangrijke impact zal hebben op het IGO-budget, en bovendien niet zal leiden tot een verschuiving van het kostenplaatje van de ene budgettaire post naar de andere – bijvoorbeeld omdat mensen die geen IGO krijgen, wel nog bij het OCMW mogen aankloppen voor een leefloon (dat weliswaar bijna een vijfde lager ligt, en dus nog een pak dieper onder de armoedegrens). Wel…

We citeren even minister Bacquelaine tijdens de eerste bespreking in de commissie van zijn eigen wetsontwerp, dat ingegeven was met als doelstelling “het onder controle houden van de kostprijs van de IGO”:

[De minister] beschikt niet over de gegevens waarmee hij kan beoordelen hoeveel huidige IGO-begunstigden niet zouden voldoen aan de nieuwe verblijfsverplichting. […] Het is onmogelijk in te schatten aan hoeveel mensen in de toekomst de toekenning van de IGO zal worden geweigerd. […] Om dezelfde reden valt vandaag moeilijk te bepalen welke impact een en ander zal hebben op het budget van de OCMW’s.

Of nog: over hoeveel mensen het eigenlijk gaat, en welke impact zijn voorstel werkelijk zal hebben op de evolutie van het IGO-budget en het budget van de OCMW’s, de minister die het wetsontwerp zelf zo noodzakelijk acht uit ‘algemeen belang’ heeft er niet het flauwste benul van.

Maar al draait minister Bacquelaine er z’n hand niet voor om hoogstnoodzakelijke maatregelen te nemen waarvan hij niet kan zeggen wat de gevolgen zullen zijn (wie maalt er ook om zulke details?), je moet hem niet leren wat de diepste en welhaast de enige drijfveer van de mens is: geld. En zolang iets als de inkomensgarantie voor ouderen bestaat, tot zolang zullen profiteurs aangetrokken worden tot dit land van melk en honing. Laat er geen twijfel over bestaan: de dreiging is reëel.

Enkele citaten uit het commissieverslag:

Daniël Bacquelaine (MR): Deze maatregel is nodig, want nu “… ontstaan bepaalde mogelijkheden voor mensen die van de voordelige situatie willen profiteren.”

Daniël Bacquelaine (MR): “België is thans een heel aantrekkelijke bestemming. Niet alleen is het bedrag van de IGO hoog [het ligt onder de armoedegrens – MS], bovendien is België centraal gelegen en worden er verschillende talen gesproken. Het zou dus niet verantwoord zijn om daar geen rekening mee te houden. Dat aantrekkelijkheidsaspect houdt een gevaar in voor het voortbestaan van ons stelsel van sociale zekerheid. Het wetsontwerp beoogt dat aspect aan te pakken.”

Jan Spooren (N-VA): Deze maatregel is nodig, want hij “vermindert het aanzuigeffect voor migranten.”

Egbert Lachaert (Open VLD): “… risico op sociale shopping. […] Het voorliggende wetsontwerp beoogt aan die negatieve evolutie het hoofd te bieden en ondersteunt daardoor de sociale houdbaarheid…” (Dit niet doen) “brengt het fundament zelf van ons sociaal stelsel in gevaar.”

Vincent Van Quickenborne (Open VLD): Dit wetsontwerp “gaat sociale misbruiken tegen.”

Het belang van het wetsontwerp kan dus niet overschat worden: “het voortbestaan van ons stelsel van sociale zekerheid” zélf staat op het spel, dat immers bedreigd wordt door het “aanzuigeffect voor migranten”, mensen die “van de voordelige situatie willen profiteren.”

Noch minister Bacquelaine, noch de volksvertegenwoordigers Spooren, Lachaert, of Van Quickenborne konden verwijzen naar cijfers die hun uitspraken over “sociale misbruiken”, “negatieve evolutie in sociale shopping”, of een “aanzuigeffect voor migranten” zouden bevestigen. Maar men voelt zoiets aan, nietwaar: iedereen die ogen heeft, ziet toch wat er gaande is.

Enkele weken later, op een volgende commissievergadering, had minister Bacquelaine echter goed nieuws: eindelijk, maanden nadat zijn hoognodige wetsontwerp op de ministerraad was goedgekeurd en was ingediend in het parlement, wist hij hoeveel mensen nu een IGO krijgen die, moesten de nieuwe voorwaarden gelden, géén IGO zouden krijgen.

692

692 mannen en vrouwen op een totaal van bijna 115.000 IGO-gerechtigden, of amper 0,6% personen die een deeltje ontvangen van een budget dat 1% van het pensioenbudget bedraagt. Ziedaar de ondergravers van de fundamenten van ons sociaal stelsel, ziedaar het gevaar voor onze sociale zekerheid: nog geen zevenhonderd oudere mannen en vrouwen die een inkomen ontvangen dat nog steeds onder de armoedegrens ligt. Tegen hen moeten wij hoognodig beschermd worden, zij zijn minister Bacquelaines et al. “profiteurs” en “sociale shoppers”, zij zijn de “forse argumenten van algemeen belang.” (NB: Goed mogelijk dat die mannen en vrouwen hier wel jarenlang gewerkt hebben, en dus hebben bijgedragen aan de sociale zekerheid: voor een grote groep personen van buitenlandse nationaliteit geldt nu al dat zij slechts recht hebben op een IGO als en slechts als “een recht op een rust- of overlevingspensioen werd geopend krachtens een Belgische regeling.” No matter.)

Moest iemand zich ongerust maken over het lot van 65+’ers die geen recht meer zouden hebben op een IGO, en toch nog in België zouden willen wonen, geen nood: zij kunnen immers altijd nog bij het OCMW terecht, waar zij in bepaalde omstandigheden een leefloon kunnen ontvangen – dat weliswaar een vijfde lager ligt, en fors onder de armoedegrens. Maar dat hoeft geen probleem te zijn, beweert minister Bacquelaine, want:

Het verschil tussen de inkomensgarantie voor ouderen en het leefloon “wordt evenwel uitgevlakt door de actieve ondersteuning van de OCMW’s.”

En hij vult aan:

De minister benadrukt voorts dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen actieve en passieve sociale ondersteuning. De IGO valt onder passieve ondersteuning, OCMW-steun daarentegen een vorm van actieve ondersteuning, die gepaard gaat met begeleidingsmaatregelen. De minister vindt dat het systeem moet evolueren naar de geleidelijke verdwijning van passieve ondersteuning, ten gunste van actieve ondersteuning.

En even verderop:

Hij is ervan overtuigd dat er moet worden nagedacht of de handhaving van passieve sociale bescherming wel relevant is.

Daar valt een forse boom over op te zetten, maar onthoud dat het hier gaat om mensen op pensioenleeftijd, en dat dus de vraag gesteld kan worden hoe hij die ‘actieve ondersteuning’ dan wel ziet. Gelukkig heeft hij ook daar een antwoord op:

Actieve ondersteuning van ouderen door de OCMW’s kan verschillende vormen aannemen:

  • Vooreerst zal controle worden uitgeoefend op de inkomsten van de betrokken persoon, zodat duidelijk wordt of er een recht op leefloon bestaat.
  • Vervolgens kan worden nagegaan of de voorwaarden voor een waardig leven vervuld zijn op het vlak van huisvesting, gezondheidszorg en andere domeinen van het dagelijks leven.

De ‘actieve ondersteuning’ en ‘begeleidingsmaatregelen’ bestaan dus uit… een financiële controle. Dat een recht op IGO óók gepaard gaat met een voorafgaand inkomensonderzoek: weer zo’n onnozel detail waarmee je een minister toch niet aan z’n hoofd moet zeuren. Maar dat het nagaan of de voorwaarden voor “een waardig leven” vervuld zijn gebeurd nadat eerst een inkomen dat al onder de armoedegrens lag, nog eens fors verláágd werd – hoe moet je dat noemen? Wat voor een cynische mens moet men zijn om zoiets uit z’n strot te krijgen?

En wat, in godsnaam, te denken van een partij als CD&V, die zonder enige aarzeling dit wetsvoorstel goedkeurt dat met haken en ogen aan elkaar hangt, niet gebaseerd is op cijfers, door de Raad van State is bestempeld als in strijd met artikel 23 van de Grondwet (waarin het recht op sociale bescherming wordt vastgelegd), enkele honderden mensen in nog diepere armoede zal duwen, en de factuur simpelweg doorschuift van het federale niveau naar de gemeentes? En waarvoor? Enkele likes, wat retweets, en het verder om zich heen grijpende idee dat onze sociale zekerheid onbetaalbaar wordt door de toevloed aan ‘vreemden’ die van ons komen ‘profiteren’.

screen-shot-2017-01-13-at-15-30-06

“Wie heeft, zal meer krijgen.”

“Wie heeft, zal meer krijgen”: dat lijkt het devies te zijn waaronder deze regering vaart. En al zwalpt het regeringsschip van hier naar ginder, de koers lijkt duidelijk: we varen naar het land waar fortuin de fortuinlijken beloont, en waar voor de onfortuinlijken geldt dat het wel hun eigen schuld zal wezen, een vorm van immanente rechtvaardigheid, boete voor hun zonden – waaronder luiheid wel de voornaamste is.
Erg enthousiasmerend klinkt zo’n slogan natuurlijk niet, en dus worden grootse pleidooien opgezet over de noodzaak van een verlaging van de vennootschapsbelasting, en over de ondraaglijke zwaarte van de lasten op rijkdom. Maar maak u vooral geen zorgen: dat wie veel heeft minder zal moeten bijdragen, hoeft niemand een cent te kosten – behalve wie uw geld toch niet waard is; u weet zelf wel wie dat zijn. Één zaak staat echter vast: er is geen alternatief.
Nochtans. De laatste decennia verschoven de verhoudingen in de economie structureel. De extra rijkdom die we met z’n allen creëren in onze economie, de geproduceerde meerwaarde -het verschil tussen de waarde van de producten die een bedrijf binnenkomen als grondstof (bijvoorbeeld staal, glas, en rubber) en de waarde van de producten die weer uit dat bedrijf vertrekken (een gloednieuwe auto)-, wordt niet meer op dezelfde manier verdeeld als vroeger. Een deel van die meerwaarde komt ten goede aan werknemers als brutoloon en in de vorm van de socialezekerheidsbijdragen, en het andere deel vloeit terug naar de houders van kapitaal, naar zij die geld gestoken hebben in het bedrijf. Het deel van de nieuw gecreëerde rijkdom dat arbeid beloont neemt de laatste decennia echter stelselmatig af, terwijl het deel dat terugvloeit naar het kapitaal sterk gegroeid is en nog blijft groeien.*
Een relatief kleine groep mensen (‘de rijken’) slaagt er dus in zichzelf te belonen met een steeds groter deel van de rijkdom die hier samen gemaakt werd. Maar in plaats van hun beide handen te kussen voor zoveel geluk, roepen net zij nu het luidst dat het onontkombaar is, en de rechtvaardigheid zelve, dat zij voor hun steeds grotere rijkdom beloond worden met lagere bijdragen aan de rest van de samenleving: omlaag dus met die vennootschapsbelasting, en omlaag de lasten op kapitaalinkomsten! Laat de anderen die bijdragenvermindering maar betalen.
Want dat is de consequentie: als de ene minder betaalt, zal de andere meer moeten betalen. Ofwel in de vorm van hogere belastingen voor de rest (daar klinkt weer het pleidooi voor hogere consumptiebelastingen, die zwaarder vallen op wie een lager inkomen heeft), ofwel in de vorm van minder publieke diensten en sociale voorzieningen (waar net zij die het minst konden profiteren van de nieuwe rijkdommen het meest nood aan hebben).
Nu kapitaal ontlasten, is het dessert toeschuiven naar wie al het grootste deel van het diner naar binnen heeft geschrokt, en vervolgens verwijten dat wie hongerig achterblijft zulke afgunstige ogen trekt.
– Dit stuk verscheen in De Morgen van 10 januari.

“Ik ben links, maar…”

“Ik ben links, maar…”: deze keer was het aan schrijver Yves Petry om een bijdrage te leveren aan de metershoge stapel stukjes in dit schier onuitputtelijke genre. “Ik ben links, maar…”: en tegenover het valse morele superioriteitsgevoel van links wordt dan de gekwetste redelijkheid geplaatst van — niet van rechts, god beware Yves Petry, maar van al wie ogen in zijn hoofd heeft om te zien en te begrijpen dat het ‘zo’ toch niet verder kan.

Die redelijkheid blijkt weliswaar vooral de redelijkheid van de intuïtie en het buikgevoel te zijn, maar moet daarom niet minder ernstig genomen worden. Yves Petry wéét dat we al veel te veel vluchtelingen opvangen, hij wéét dat al die kinderen uit de arbeidersmigratie alleen maar heibel veroorzaken en broeihaarden vormen van radicalisering en terrorisme, en in al zijn redelijke buikgevoel wéét Yves Petry ook dat wijzen op discriminatie en achterstelling in feite niets meer is dan alle Vlamingen als racist bestempelen – hij weet dus genoeg om niet meer op links te hoeven stemmen zolang links zijn wetenschap niet zonder meer wil aanvaarden en zolang links de bezorgdheden van ‘de mensen’ niet ernstig neemt.

Onder ‘de mensen’, versta: zij die vinden dat er ‘te veel vreemden’ zijn; niet bijvoorbeeld: die ‘vreemden’ zelf. Hun bezorgdheden -de extra moeilijkheden die zij ondervinden bij het zoeken naar een goede school, naar een goede job, naar een leuk huis-, die hoeven we blijkbaar niet ernstig te nemen: dat zit tenslotte allemaal in hun hoofd, het zijn niet meer dan gemakzuchtige excuses om het eigen falen te verdoezelen. Nee, het zijn de bezorgdheden van de Yves Petry’s van deze wereld die we ernstig moeten nemen: dààr moeten we een antwoord op formuleren. En dat antwoord heet: meestappen in dat verhaal, of als wegkijker met een messiascomplex weggezet worden.

De bezorgdheden van Yves Petry zullen de inzet vormen van de volgende verkiezingen, aldus diezelfde Petry, of hem dat nu bevalt of niet. Alsof hij niet zelf bepaalt wat voor hem het belangrijkste vraagstuk van deze tijd is. Verschillende partijen hebben verschillende visies op hoe de samenleving vorm moet krijgen, waarbij verschillende partijen ook verschillen in welke breuklijnen zij fundamenteel achten. Petry’s idee dat ‘het vluchtelingenprobleem’ (lees: er zijn te veel vreemden in dit land) dé inzet van de verkiezingen zal zijn, en dus zwaarder weegt dan bijv. sociaal-economische ongelijkheden, of de klimaatuitdaging, of de strijd voor Vlaamse onafhankelijkheid, toont vooral dat dit voor hem de meest fundamentele breuklijn, de grootste uitdaging voor onze maatschappij is. Dat is zeker een legitieme keuze, net zoals de kant die hij daarin kiest legitiem is, maar het is wel zijn keuze.

Al is ‘keuze’ misschien een fout woord. Elk van ons wordt bewogen door fundamentele waarden die met elkaar in conflict komen, Yves Petry net zo goed als ik, en welke waarde dan het zwaarste doorweegt, welke waarde het meest het hart beweegt, is geen kwestie van rationaliteit tegenover sentimentaliteit, maar van het hart zelf: “Le cœur a ses raisons que la raison ne connaît point.”

(Dit stuk verscheen eerder in De Morgen van dinsdag 27 december.)

Leve de vooruitgang!

Luidt de klokken, want 2017 wordt een erg mooi jaar, zo wist de bank ING ons gisteren in deze krant te vertellen: een stralende zon, nauwelijks een wolkje aan de hemel.

Ik hoef niet te vertellen dat deze boodschap voor wie net door diezelfde bank op straat is gezet om de winstmarges te beschermen weleens cynisch kan overkomen. Zonnig weer? Voor wie z’n werk verloor vooral gevaar kopje onder te gaan.

Natuurlijk, de gezondheid van een economie, en al zeker van de wereldeconomie, kan niet afgemeten worden aan de werkgelegenheidspolitiek van een enkel bedrijf. Voor elke bank die mensen ontslaat, is er misschien wel een veiligheidsbedrijf dat mensen aanwerft om te kunnen profiteren van de privatisering van politietaken; voor elke bankbediende die te horen heeft gekregen dat hij niet meer nodig is, is er misschien wel een ander die loonsopslag of een bonus krijgt. Macro-economisch gezien brengt dat de zaak misschien wel in evenwicht. Of misschien blijkt zelfs dat we er dan met z’n allen inderdaad op vooruit zijn gegaan. Maar kan je het iemand die net zijn job is verloren kwalijk nemen dat hij daar misschien een ander idee over heeft, en dat hij zich afvraagt wat voor goeds die zogenaamde vooruitgang voor hem in petto heeft?

Het probleem is algemeen. Leve de vooruitgang!, wil ik uit volle borst brullen. Alleen… Vooruitgang voor wie? Vooruitgang voor wat? Wie zal en wie mag de vruchten van die vooruitgang plukken?

Globalisering en technologisering hebben de voorbije decennia onze wereld grondig door elkaar geschud, en die aardverschuiving is nog lang niet voorbij. Meer containerschepen dan ooit tuffen over de wijde oceaan; in onze landen wordt de laagtechnologische industrie verdrongen door hoogtechnologische. En het resultaat van deze evoluties mag -globaal gezien- gezien worden: velen op deze wereld hebben het nog nooit zo goed gehad, en dat mogen we nooit vergeten. Net zomin als we mogen vergeten welke enorme druk al die containerschepen die over de oceaan tuffen op ons klimaat en onze aarde leggen: een verdoken kost die we maar liever niet willen betalen, en dus maar doorschuiven naar de volgende generaties.

Maar globaal gezien, en ook als we alleen naar ons eigen land kijken, hebben globalisering en technologisering tot meer welvaart geleid, en houdt de verdere vooruitgang van de technologie nog grote beloftes in, kan ze meer groei mogelijk maken, of mensen meer vrijheid geven zonder dat ze daarvoor op hun welvaart moeten inboeten. En zoals ons zo vaak verteld wordt: we moeten eerst welvaart creëren, voor die welvaart verdeeld kan worden. Al te vaak wordt daarbij echter vergeten: die welvaart moet niet alleen gecreëerd worden, ze moet ook effectief verdeeld worden – wat trouwens zelf opnieuw tot meer welvaartcreatie kan leiden. Maar bij die herverdeling loopt het maar al te vaak mis.

Belgie heeft het op dat vlak, de afgelopen decennia niet slecht gedaan – toch als we ons vergelijken met sommige andere landen. Nog steeds leven veel te veel mensen onnodig in armoede in ons land, maar in vergelijking met bijvoorbeeld de Verenigde Staten zijn we haast een egalitair paradijs, terwijl we tegelijkertijd een van de rijkste landen ter wereld zijn, met gemiddeld de rijkste burgers. En dat bewijst meteen dat het beleid niet machteloos hoeft te staan tegenover de impact van globalisering en technologisering: een overheid heeft de macht, de middelen, en de mogelijkheden om die evoluties te controleren en in goede banen te leiden, ervoor te zorgen dat iedereen ervan kan profiteren, en dat zonder dat het de rijkdom van een land hoeft in te perken. Of iedereen de vruchten van de vooruitgang kan plukken, is dus een keuze die wij zelf als maatschappij kunnen maken. En het is een keuze die we -ondanks de goednieuwsshow die ik net afstak- nog te weinig maken, en te weinig radicaal maken.

Want wat betekent die welvaartsstijging concreet, hier in Belgie? De kansen op werk voor wie lagergeschoold is, zijn in vrije val. Minder dan de helft van hen heeft nog een job, en ook middengeschoolden hebben het moeilijker en moeilijker om aan de bak te komen. Sinds de eeuwwisseling is, gemiddeld, het reële loon van een voltijdse laaggeschoolde of middengeschoolde werknemer gedaald: zij verdienen nu, zeventien jaar later, minder dan in 1999. Sinds 2004 is, gemiddeld, alleen het loon van wie minstens een master-diploma heeft erop vooruitgegaan: de rest zag zijn loon in reële termen dalen. Vooruitgang? Voor sommigen wel, ja. De rest blijft ter plaatse trappelen, of gaat er zelfs op achteruit. Voor hen biedt de toekomst geen zonnig weer, zoals ING vrolijk voorspelt, maar regen en tegenwind. En een beleid dat hen geen beschutting biedt, is geen goed beleid. Vooruitgang betekent maar iets als ze ten goede komt aan wie die vooruitgang het meest nodig heeft.

— Dit stuk verscheen op donderdag 15 december in De Standaard.

“Het multiculturele experiment?, een kostelijke vergissing.”

Het multiculturalisme wordt deze dagen makkelijk weggezet als een slechte grap, een sociaal experiment ons opgedrongen door wereldvreemde leerling-tovenaars. Men zou denken dat voor iemand die woont waar ik woon —in een straat met meer nationaliteiten dan huizen, in een wijk waar haast elke avond de gesprekken enkele decibels hoger moeten om de patrouillerende politiehelikopter te overstemmen, die nu eens onder luid gebrom boven voetballende jongetjes hangt als een vlieg boven een tafel vol zoets, dan weer met bruuske bewegingen een nieuwe positie zoekt boven de wirwar aan straatjes en pleintjes waar Anderlecht, Brussel, en Molenbeek elkaar ontmoeten—, het inderdaad moet lijken of het vonnis reeds geveld is. Het multiculturele experiment?, een kostelijke vergissing.

Alleen: voor wie er woont, is dit geen experiment, maar realiteit, niet meer of minder het product van een particuliere geschiedenis en particuliere keuzes dan elke andere omgeving. Het is de plek waar je opgroeit, de straat waar je thuis komt, een buurt waar je vrienden wonen en veel mensen die je al bij al onverschillig laten. Net als elk ander dorp.

Een buurt waar velen vreemden voor elkaar zijn, dat ook. En het is soms moeizaam laveren: weigeren dat de terreur van het kleine verschil tussen ons komt te staan, maar ook niet doen alsof het verschil niets te betekenen heeft. Tegelijk erkennen dat we in dezelfde stad wonen, maar ook durven erkennen dat de wereld er voor elk van ons anders uitziet, haast onvergelijkbaar. Maar die moeilijkheid is niet onoverkomelijk, en bepaald niet zonder precedent. Het is de arrogantie van elk tijdstip te denken dat het uniek is.

In De ontdekking van Frankrijk beschrijft Graham Robb de halve paniek van de ‘oude’ Parijzenaren die, in de 19e eeuw, met lede ogen toekeken hoe hun stad wel leek overspoeld te worden door vreemde mensen uit verre contreien die exotische talen spraken, met hun haast heidense gebruiken, hoe ze samenhokten, elk apart in hun eigen wijk, opgesloten in hun eigen gemeenschap. Sommigen kwamen zelfs uit de verre hoge Alpen, of de diepe Languedoc! — een uniek multicultureel experiment.

In mijn oude dorp woonde ik in een achterafstraatje, ver van iedereen, en al helemaal van de jongens uit de wijk, die op hun brommertjes luid door de straten knetterden. Hoe vreemd leken ze mij, hoe ver verwijderd: wezens uit een ander universum. En voor zover zij mij zagen staan —wat, toegegeven, eerder zelden was—, zal ik voor hen ook maar een raar creatuur geweest zijn, waar zij geen uitstaans mee hadden. Maar samenleven moesten we toch, in ons sociaal experiment.

Voor die ketjes die vandaag voetballen in de Brusselse straten, onder het gebrom van de helikopter, is hun sociaal experiment nog niet mislukt. In hun wereld is alles nog mogelijk. Houden zo.

 

Deze column verscheen op dinsdag 13 december in De Morgen.

 

 

Denktank Minerva 

Dienstbericht:

Vandaag werd op een persvoorstelling Minerva gelanceerd, een denktank binnen de brede progressieve beweging, en meteen ook onze eerste studie de wereld in gestuurd, waarin in een eerste luik enkele principes van een rechtvaardige fiscaliteit uit de doeken worden gedaan, en waarin ik in een tweede luik enkele maatschappelijke en economische tendensen onder de loep neem die de basis van de overheidsfinanciering in gevaar brengen. 

Je vindt denktank Minerva, en de eerste studie, hier terug:

http://bit.ly/2gQPS9S