Bakens

Noot: Vanaf deze week verschijnt om de 14 dagen mijn column in De Morgen. Hieronder de eerste.

— — —

Al scheidt een oceaan mij van de Verenigde Staten, toch voelde het als een klap in mijn gezicht, toen de uitslag van de presidentsverkiezingen binnenliep: een harde veroordeling van het liberale wereldbeeld dat ik zo graag het mijne noem, een scherpe afwijzing van een wereld in verandering. We dromen weleens van Utopia, een ideale samenleving – dit leek een zoveelste terechtwijzing van die droom.

Het was dan ook met een zwaar gemoed dat ik in de dagen die volgden door Thomas Mores Utopia bladerde, zijn blauwdruk van de ideale samenleving. En het werd me hoe langer hoe meer duidelijk hoezeer ik miskend had wat nochtans zowat de grondregel is van dit utopische land. Want al is Utopia inderdaad een harmonieuze samenleving, die harmonie rust in de eerste plaats hierop: alles kent er zijn plaats, de mens is er meester over de omstandigheden en heeft zijn zaakjes mooi op orde, hij weet waar hij aan toe is.

More had natuurlijk gelijk: de mens heeft zijn zekerheden nodig, vaste grond onder de voet, vertrouwde bakens die braaf op hun vertrouwde plaats blijven staan, onveranderlijk doorheen de jaren. Hij heeft zijn tijd voor het exotische, zeker, maar het is precies dat: een wonderlijk schouwspel dat fascineert en intrigeert maar op afstand gehouden wordt, niets dat echt met hem te maken heeft, niets dat kan bedreigen, momentane verstrooiing. Hij moet zich thuis kunnen weten, niets mag zijn wereld fundamenteel in vraag stellen. De mens wil verrast worden, maar niet waar het pijn kan doen. Zoals ook ik verrast wil worden, maar niet wanneer het mijn wereldbeeld overhoop haalt en alles in vraag stelt waarin ik geloof.

Hoe meer zelfs de meest solide bakens lijken af te brokkelen, hoe groter de nood aan beschutting; hoe meer de vaste grond onder de voeten lijkt weg te glijden, hoe groter het verlangen naar controle, naar iets dat alles op z’n vertrouwde plaats doet vallen. In tijden van nood trek ik naar mijn stamcafé, naar mijn vaste plek aan de toog en het vaste praatje met de barvrouw – zoals ik er ook een jaar geleden zat, toen de wereld in elkaar klapte. Maar dat verlangen meester te blijven over de omstandigheden door beschutting te zoeken in het vertrouwde mag dan wel een onvermijdelijk verlangen zijn, al even onvermijdelijk is het gedoemd altijd gefrustreerd te blijven. Het is bovendien een gevaarlijk verlangen, als het ertoe aanzet dit Utopia werkelijk te willen verwezenlijken. Thomas More wist al: zijn Utopia kon niet anders dan het product zijn van de onderwerping van ‘onbeschaafde bruten’ die niet pasten in het beeld van een harmonieuze samenleving, en het kon niet anders dan een kunstmatig eiland zijn, afgesneden van de rest van de wereld door een diepe en brede gracht, gegraven op bevel van de nieuwe overheerser om de wereld buiten te houden.

De wereld buiten houden is, helaas, een onmogelijke opgave. De wereld klapte niet minder hard in elkaar omdat ik op mijn vaste plek aan de toog zat.

Werk en armoede in Duitsland en daarbuiten

Beginnen we met het goede nieuws:

Sinds de invoering van de befaamde Hartz-hervormingen in de periode 2003-2005 onder de sociaal-democraat Gerhard Schröder, die een complete hertekening inhielden van het werkloosheids- en sociale bijstandssysteem en de creatie van de zgn. ‘mini-jobs’, slaagt Duitsland er op spectaculaire wijze in om de werkloosheidscijfers terug te dringen en om meer mensen dan ooit aan een job te helpen. Tussen 2005 en 2015 steeg de totale werkgelegenheid in Duitsland met meer dan 3,3 miljoen jobs, terwijl het aantal werklozen met meer dan 2,5 miljoen eenheden daalde. In vergelijking met enkele andere Europese landen ziet die evolutie er zo uit (alle cijfers komen van Eurostat):

screen-shot-2016-10-17-at-12-45-35

Het aantal mensen met een job steeg in Duitsland dus met 9%: een groeitempo dat enkel België en het Verenigd Koninkrijk enigszins konden volgen; in Italië daalde het aantal werkenden zelfs. Die stijging van de werkgelegenheid in Duitsland vertaalt zich ook in de werkloosheidscijfers, waar Duitsland van de eerste naar de laatste plaats zakt in onze ranking. De werkloosheidscijfers in België blijven daarentegen stabiel, ondanks het stijgend aantal mensen met een job: een gevolg van de bevolkingsgroei.

In dezelfde periode (2005-2015) ging ook het inkomen van de modale Duitser erop vooruit, zelfs wanneer we corrigeren voor inflatie.

screen-shot-2016-10-17-at-13-00-22Opmerkelijk is de veel sterkere stijging van het mediaaninkomen in Frankrijk, en pijnlijk om vast te stellen: de modale Italiaan en zeker de modale Brit gingen er de afgelopen tien jaar erg op achteruit, met een daling van het reële mediaaninkomen van 7% resp. 12%.

Altijd interessant is het om die evolutie van het inkomen uit te splitsen naar leeftijd:

screen-shot-2016-10-17-at-13-08-54

Op Duitsland na is de grote winnaar telkens de groep +65-jarigen. In Italië en het Verenigd Koninkrijk zijn zij zelfs de enigen die hun koopkracht enigszins hebben zien stijgen.

De evolutie van het mediaaninkomen is niet alleen belangrijk om te kunnen nagaan hoe de levensstandaard van de modale burger veranderde in een bepaalde tijdspanne, maar ook voor een juiste interpretatie van de armoedecijfers. De inkomensgrens waaronder iemand als ‘arm’ wordt gerekend, is immers gekoppeld aan het mediaaninkomen. Stijgt het mediaaninkomen, dan stijgt ook de armoedegrens, en vice versa. De theorie hierachter is dat armoede in onze maatschappij erin bestaat niet over voldoende middelen te beschikken om te kunnen leven zoals de modale burger — en dat hangt op zijn beurt weer af van de koopkracht van die burger. De armoedegrens wordt daarom op 60% van het mediaaninkomen gelegd.*

Hoe zit het dus met de evolutie van de armoedecijfers in Duitsland en daarbuiten?

screen-shot-2016-10-17-at-13-27-37Het aantal personen dat in armoede leeft is in Duitsland met maar liefst 35% gestegen: waren het er in 2005 nog 9,96 miljoen, in 2015 was dat al opgelopen tot 13,43 miljoen. In 2015 leefden dus 3,5 miljoen méér Duitsers in armoede dan tien jaar eerder. Er zijn dus 200.000 méér Duitsers onder de armoedegrens beland na de hervormingen van het werkloosheids- en sociale bijstandssysteem, dan dat er in diezelfde periode extra jobs zijn gecreëerd. Ter vergelijking: In België steeg het aantal personen onder de armoedegrens van 1,5 miljoen naar 1,6 miljoen, een stijging van 7%. (Merk ook de daling van het aantal personen in armoede in het Verenigd Koninkrijk op: een gevolg van de sterke daling van het mediaaninkomen. De inkomens van de armsten gingen er niet op vooruit, maar het inkomen van de ‘gewone’ Brit ging erop achteruit.)

Niet alleen het aantal Duitsers dat onder de armoedegrens van 60% leeft ging er sterk op vooruit in de tien jaar na de Hartz-hervormingen, ook het aantal Duitsers met een inkomen dat minder dan 40% van het mediaaninkomen bedraagt steeg sterk: maar liefst 1,5 miljoen méér Duitsers leeft nu in diepe armoede.

screen-shot-2016-10-18-at-00-47-39

De armoede steeg dus niet alleen erg hard in Duitsland, maar verdiepte zich ook. Eenzelfde tendens zien we ook in België, al is het in veel mindere mate.

Interessant zijn ook de cijfers in procentuele aantallen in internationaal perspectief: het aandeel van de bevolking dat onder de (diepe) armoedegrens leeft.

screen-shot-2016-10-17-at-13-44-28

Maar wat met de link tussen armoede en arbeid? Klassiek klinkt het immers dat een job de beste manier is om uit armoede te ontsnappen — en dat is en blijft ook grotendeels waar. Er is echter een grote maar. Tien jaar na de Hartz-hervorming, die tot doel had mensen uit de werkloosheid te halen door o.a. het sneller afbouwen van de werkloosheidsuitkeringen, het introduceren van ‘sancties’, en de creatie van ‘mini-jobs’, is het aantal Duitsers dat wél werkt en toch een inkomen heeft dat niet boven de armoedegrens uitkomt meer dan verdubbeld: verkeerden in 2005 al 1,7 miljoen mensen in die situatie, in 2015 waren daar nog eens meer dan 2 miljoen Duitsers bijgekomen. Bijna één op tien van de Duitsers die werken, moeten nu dus arbeiden om een inkomen te vergaren dat nog steeds minder bedraagt dan de armoedegrens.screen-shot-2016-10-17-at-23-33-51

Die evolutie —een stijging van het aantal mensen dat wel werkt, maar toch arm is— doet zich wel in de meeste landen voor maar, zo mag duidelijk zijn, nérgens zo uitgesproken als in Duitsland, integendeel.

screen-shot-2016-10-18-at-00-05-00

Samengevat, sinds de Hartz-hervormingen telt Duitsland:

  • 3,3 miljoen bijkomende jobs (+9%);
  • 3,5 miljoen meer mensen in armoede (+35%);
  • 1,5 miljoen meer mensen in diepe armoede (+61%);
  • 2,0 miljoen meer mensen die werken en toch arm zijn (+119%).

Of nog: de hervorming van het werkloosheids- en sociale bijstandssysteem mag dan wel een positief effect hebben gehad op de werkgelegenheid, de gevolgen voor de armoede waren desastreus. Een job hebben betekent niet langer de armoede kunnen ontvluchten.

screen-shot-2016-10-17-at-23-50-30

* Soms worden andere manieren gebruikt om armoede te meten: Eurostat verspreidt bijvoorbeeld ook cijfers van het aantal mensen ‘at risk of poverty or social exclusion’, waarbij het aantal mensen onder de armoedegrens en het aantal mensen dat leeft in een huishouden zonder inkomen uit arbeid bij elkaar wordt geteld. Dat cijfer heeft ook z’n nut, maar is hier minder bruikbaar, precies omdat we de relatie willen nagaan tussen armoede en arbeid. Bovendien helpt het de analyse maar weinig om verschillende categorieën samen te voegen onder één noemer.

** 23.51: Deze blogpost geüpdatet omdat ik -idioot die ik ben- de verkeerde tabel als bron had gebruikt bij het berekenen van het aantal mensen die wel werken maar waarvan het inkomen toch onder de armoedegrens ligt (die met het aantal jongeren dat werkt en toch arm is, i.p.v. de totale werkende bevolking). Dat kwam de cijfers van Duitsland ten goede (de stijging van het aantal werkende armen stijgt immers niet met 75%, zoals ik eerst zei, maar met maar liefst 119%), maar was erg vertekenend voor de Nederlandse cijfers: daar is het aantal werkende armen immers gedaald, en niet gestegen. Altijd alles drie, neen, vier keer checken, jongens en meisjes.

Een einde en een begin

Iets meer dan twee jaar geleden kreeg ik telefoon. Het was even na de verkiezingen, en Freya Van den Bossche, vers verkozen in het Vlaams Parlement, zocht een medewerker. Ik kende haar niet, we hadden elkaar voordien nooit gezien, op een telefoontje na ook nooit gesproken, maar zij zocht mij. En ik vond haar. En samen hebben we keihard gewerkt in dat Vlaams Parlement, in de commissie Welzijn. We kloegen de gebrekkige investeringen in de kinderopvang aan, de armetierige hervorming van de kinderbijslag –een enorme gemiste kans–, de desinteresse in geestelijke gezondheidszorg, en we zetten het thema van de jeugdhulp weer op de kaart: we gingen heel Vlaanderen rond om ons oor te luister te leggen bij mensen die elke dag opnieuw geconfronteerd worden met de gebrekkige manier waarop Vlaanderen omgaat met zijn kwetsbare jongeren, we dwongen hoorzittingen af in het parlement om Vandeurzen met die problemen te confronteren, we realiseerden hoognodige aanpassingen. En Freya zal zich de komende jaren onvoorwaardelijk blijven inzetten in het Vlaams Parlement voor de meest kwetsbare mensen in onze samenleving. Mijn traject hier zit er echter bijna op: veel kan ik er nog niet over kwijt -watch this space!-, maar ik heb een aanbod gekregen dat ik niet kon weigeren, en waardoor ik, met erg veel spijt in het hart, afscheid zal moeten nemen van mijn werk in het Vlaams Parlement. Dat betekent natuurlijk ook dat Freya op zoek moet naar een nieuwe medewerker: wie zich de komende jaren met hart en ziel wil inzetten ‘voor de goede zaak’, en de jeugdhulp en geestelijke gezondheidszorg kent: laat van u horen. 

— — —

Freya Van den Bossche zoekt dus: een parlementair medewerker (m/v/x):

De medewerker ondersteunt Freya Van den Bossche in haar parlementair werk, waarbij de focus ligt op jeugdhulp en geestelijke gezondheidszorg. De gezochte medewerker kent dan ook zijn/haar weg in die domeinen: hij/zij heeft een gedegen dossierkennis, en kan bogen op een breed netwerk. Kennis van andere welzijnsthema’s strekt tot aanbeveling.

Als parlementair medewerker bouw je de welzijnsdossiers verder op en ontwikkel je mee nieuwe acties om de jeugdhulp en de geestelijke gezondheidszorg in Vlaanderen verder te verbeteren. Je bereidt mondelinge en schriftelijke vragen voor over actuele thema’s, en verzorgt mee de communicatie van het parlementslid. 

We zoeken een gedreven persoon die inhoudelijk sterk is en een vlotte pen heeft, pro-actief is, en zelfstandig kan werken.
Wie zich herkent in dit profiel, kan cv en motivatiebrief opsturen naar job.freya@gmail.com.

Genoeg

We moeten de problemen benoemen, heet het. We kunnen ze niet onder de mat blijven vegen, we mogen niet blijven wegkijken. Goed: benoem ze dus.

Een partijvoorzitter die mensen die “hier geboren en getogen zijn” vereenzelvigt met hun “land van herkomst”, niet met België, doet verstaan: dit zijn geen echte Belgen, laat staan echte Vlamingen, dit zijn en blijven steeds vreemdelingen die dit land niet hun thuis mogen noemen, hier ‘te gast’ zolang het ons goeddunkt, al hebben ze nooit een ander land gekend. Een minister die visioenen heeft van dansende moslims, een staatssecretaris die inwoners van dit land die de Belgische nationaliteit verwerven een “vergiftiging” noemt, en dit in één ruk door koppelt aan de “linkse onveiligheidspuinhoop”. Laten we niet bang zijn het te benoemen: paroxysme van xenofobie, het aanjagen van de sluimerende veenbrand die racisme heet tot een verzengend vuur.

Het zogenaamde terrorismedebat is verworden tot het onbeschaamd appelleren aan de meest basale impulsen: ‘onze’ veiligheid versterken, dat betekent, ‘ons’ beschermen tegen de vreemdelingen die ons en onze beschaving dreigen te overspoelen. En telkens als de weverianen hun mond opendoen, blazen ze de veenbrand nog wat harder aan.

Alles en iedereen wordt op één hoop gegooid: terreurverdachten, vluchtelingen, asielzoekers, migranten – van de eerste tot en met de vierde generatie -, iedereen die er van ver of van dichtbij uitziet of er ‘vreemd’ bloed door zijn aderen stroomt, moslims: onbekend met ‘onze’ normen en waarden, onbetrouwbare sujetten die maar beter scherp in het oog gehouden worden, gasten die zich moeten aanpassen of opkrassen.

Dubbele nationaliteit? Gebrek aan loyaliteit. Zegt de separatist. Of men marcheert mee met ons op, of men is tegen ons. Niet blind zijn voor de problemen van het multiculturalisme, heet dat, en: de terreursympathisanten zijn onder ons, we mogen geen duimbreed toegeven. Alles één pot nat.

De weverianen rammen een spie in de barsten in onze maatschappij, proberen de samenleving te splijten voor electoraal gewin – en verwijten anderen, die zich niet schikken naar de marsorders van De Wever, te willen appelleren aan iedereen die hier woont en leeft, want dat is ‘stemmen ronselen bij moslims’. Alsof zij minder recht hebben hun stem te laten horen en zich te laten vertegenwoordigen, alsof het vies is ook met hen en hun bezorgdheden rekening te willen houden, alsof dit niet net zozeer hun land en hun samenleving is als die van De Wever en zijn “stemvee”, zoals hij het zo poëtisch en respectvol omschrijft wanneer het om kiezers van andere partijen gaat.

De stank van het pus wanneer de etterbuil iets te publiekelijk barst, wanneer de reacties op de dood van een jongen iets te onkies zijn: niets mee te maken.

Waar is de politieke leider die de moed heeft om hier een halt aan toe te roepen? Wie durft nog te zeggen dat dit land en deze samenleving van iedereen is die hier geboren en getogen is, ongeacht de voorgeschiedenis van ouders of voorouders, ongeacht hun religie, ongeacht hun huidskleur, zonder enig voorbehoud? Wie gaat wel het verhaal brengen dat iedereen hier tot ‘onze’ gemeenschap behoort, de ene niet meer en niet minder dan de andere?

De gemeenschapsafbakening te ‘onzer’ bescherming slaat een diepe kloof dwars doorheen onze steden en gemeenten, en wij staan erbij en kijken ernaar. Het is hoog tijd om te zeggen: genoeg.

*Dit stuk verscheen op woensdag 3 augustus in De Morgen.

De ondergang 

Het is in vele opzichten een ellendige tijd geweest, waarin wanhoop en woede en ontreddering ons vaak nader stonden dan stil geluk. En dat maakt het ook tot gevaarlijke tijden, waarin volksmenners gereed staan om angsten niet in te tomen maar voor hun strijdwagen te spannen en aan te sporen. Uit opportunisme, op jacht naar eigen glorie, met een verblindend waanbeeld voor ogen jagen ze onze onzekerheid aan.

De volksmenner waant zich de vertolker van de grondstroom, de personificatie van het ware volk en de volle waarheid, die niet toevallig samenvallen met hem en in hem en door hem — wat meteen elke tegenstem leugenachtig maakt, delegitimiseert, en elke tegenstander tot een lid van de vijfde kolonne, een collaborateur met de vijand, een volksvreemd element dat met alle middelen moet bestreden worden om het echte volk te bewaren. Juu!, brult de volksmenner, en hij knalt met de zweep, de ondergang van het avondland profeterend, waar alleen hij ons voor kan behoeden. Juu!

Ondergang? Collectief hebben wij het nog nooit zo goed gehad. De gemiddelde Belg is rijker dan ooit — meer: de gemiddelde Belg is één van de rijkste burgers ter wereld. Bijna twee op drie Belgen bezit dan wel minder dan het gemiddelde nettovermogen (bijna 200.000 euro!), maar zelfs met de ongelijkheid valt het in ons land, vergeleken met vele andere landen, best mee. Sinds 1999, het aantreden van de historische Paars-Groene meerderheid, groeide de Belgische economie en koopkracht sneller dan in de ons omliggende landen.

De Belgische huizen zijn soms spectaculair lelijk, wat ook telt is dat spectaculair veel Belgen het huis waarin ze wonen ook echt het hunne mogen noemen. De auto’s die me van het voetpad rijden lijken elk jaar groter, imposanter, luxueuzer te worden, en vormen een steeds wassende vloed die onze wegen overspoelt. En nooit waren die straten zo veilig, was er zo weinig misdaad. De koffiebars zitten stampvol, en vanaf de eerste zonnestralen in het jaar is het vechten om een plek op een terras te veroveren.

Ons onderwijs is bij het beste ter wereld. Nog nooit hadden zo veel Belgische jongeren de kans om naar universiteiten van wereldniveau te trekken. We leven steeds langer, we blaken van gezondheid, en wie toch het ongeluk heeft door ziekte getroffen te worden is bijna nooit zo goed omringd geweest met zorgen als vandaag in België.

En alsof dat alles nog niet volstond: vanavond trapt KV Mechelen het nieuwe voetbalseizoen op gang, op z’n eigen heilige grond, in een gloednieuw stadion, voor meer volk dan ooit.

Afgemeten aan zowat alle maatstaven die er toe doen, zijn wij bij de meest succesvolle landen ooit. Ondergang? De toekomst kan bijzonder mooi zijn, als we maar willen.

De grenzen van de vrije meningsuiting

Het is een wat bevreemdende maar daarom niet minder belangrijke discussie: moet de vrijheid van meningsuiting, één van de pilaren van onze maatschappij, ingeperkt worden? Bevreemdend, omdat het volstrekt onduidelijk is hoe onze basisvrijheden beknotten hen zou beschermen. Belangrijk, precies omdat het gaat over het belang dat we hechten aan de meest fundamentele principes die onze samenleving schragen.

Het recht op vrije meningsuiting is nu al niet absoluut: de wetgever verbiedt het aanzetten tot haat, oproepen tot geweld, en negationisme, het ontkennen van de Holocaust. En precies die inperking van wat een absoluut recht heet te zijn, precies dat gebrek aan zuiverheid van de wet die de vrijheid van meningsuiting garandeert, wordt nu als een koevoet ingezet om de wet verder open te breken — of juister, uit te hollen. Want als het recht op vrije meningsuiting nu al niet absoluut is, wat let ons dan om, wanneer de nood het eist, dat recht verder in te perken?

Verdedigers van de vrijheid van meningsuiting, enerzijds uit een drang naar absolute zuiverheid, anderzijds bezorgd om dit hellend vlak, pleiten er in respons weleens voor om de bestaande uitzonderingen af te schaffen: principieel is er geen enkele goede reden te bedenken om negationisme wél strafbaar te maken wanneer verder alles gezegd moet kunnen worden. En al valt daar zeker iets voor te zeggen, ik volg hen niet. Want het is een jammerlijke realiteit dat antisemitisme dezer dagen weer meer opgang maakt: nu de negationismewet afschaffen mag vanuit principieel oogpunt wel juist schijnen, het signaal zou fout zijn.

Arbitrair? Zeer zeker. Want waarom het ontkennen van de Holocaust strafbaar maken, maar niet het ontkennen van de Armeense genocide? Waarom een oproep tot geweld verbieden, maar niet uitingen van sympathie met terroristen? Waarom een boodschap die aanzet tot haat bestraffen, en waar stopt het satirische karakter van een cartoon? — Paradoxaal genoeg is echter net die arbitrariteit, net dat gebrek aan zuiverheid, een reden te meer om de wet niet open te breken: elke nieuwe uitzondering vandaag wordt morgen een argument om nog meer uitzonderingen strafbaar te maken, en overmorgen blijkt het uw mening te zijn die men opruiend vindt, en daarom best verboden wordt. Net dat gevaar gebiedt ons dus de palen van het hek dat de uitzonderingen op het recht op vrije meningsuiting begrenst, nog dieper in de grond te heien: aan deze grens valt niet te tornen. Maar het is niet omdat we van iets vinden dat het niet verboden mag worden, dat we daarom ook vinden dat het moet kunnen. Met wettelijke verboden horen we heel wat spaarzamer om te springen dan met morele oordelen; de grenzen van de wet en die van de moraal vallen niet samen.

*Dit stuk verscheen op donderdag 28 juli in DS Avond.

Paniek

Nog maar eens. De opeenvolging slaat murw, maakt machteloos, onzeker. Nog maar eens. Kinderen en grootouders, joden en atheïsten, katholieken, moslims, toeristen en feestgangers, politieagenten en priesters, in grote steden en kleine – overal, lijkt het soms, en altijd kunnen ‘zij’ toeslaan. Een idee met de werking van een gif, dat langzaam het hele weefsel van de samenleving aanvreet.

Wie zijn zij? Jonge mannen, soms zijn het haast kinderen nog, verdwaald in hun leven, die zich beroepen op een God die zij amper lijken te kennen — een beroep dat andere gelovigen met afschuw doet terugdeinzen: dit is niet hun God, dit is niemands God, dit is een onbevattelijke waanzin. Waanzin, maar daarom niet minder besmettelijk.

We zagen het eerder bij de opeenvolging van schietpartijen in Amerikaanse scholen, universiteiten, winkelcentra, bioscopen: meestal jonge mannen, soms met moeilijkheden thuis, soms niet. Soms met psychische problemen, soms niet. Soms sociaal geïsoleerd, soms niet. Een lijn viel er niet in te trekken. Behalve deze: de ene daad leek aan te zetten tot de andere, de ene moordende tocht de vonk die de idee van een volgende deed ontbranden. Ze besmetten elkaar, beriepen zich op elkanders voorbeeld in zelfopgenomen videoboodschappen en bijeengekribbelde manifesten. Hoe beschermt een maatschappij zich daartegen?

Murw geslagen, angstig, woedend, onzeker, machteloos, — hoe leven met het schrikbeeld van een terreur die schijnbaar overal kan toeslaan, elk moment? Door welke vrijheden op te geven kunnen we onze veiligheid verzekeren? Want dat zou de “ijzeren paradox” zijn: alleen door onze waarden “in quarantaine” te plaatsen, alleen door onze vrijheden op te schorten, kunnen we onze veiligheid bewaren. En dus pleiten de vaandeldragers van de nieuwe politieke correctheid tegen de godsdienstvrijheid, en voor het inperken van de vrijheid van meningsuiting. Alsof een vals gevoel van veiligheid gewekt zou worden door de fundamentele vrijheden waar we trots op horen te zijn uit te schakelen. Alsof we hierdoor onze veiligheid zouden terugwinnen. Door vrijheid van meningsuiting en godsdienstvrijheid af te schaffen terreur uitbannen? Illusies voor gevorderden, kwaadaardige waanbeelden. Alsof de fundamenten van onze samenleving ondermijnen onze samenleving overeind zou houden.

De wetgeving die onze vrijheden vandaag opschort om ze te beschermen, wordt morgen tegen ons ingezet. Kijk naar Frankrijk, dat de noodtoestand uitriep en anti-terrorismewetgeving door het Parlement joeg — waarna de regering diezelfde wapens gebruikte om het protest tegen de nieuwe arbeidswetgeving de kop in te drukken. Reële vrijheden werden opgegeven, welk idee van veiligheid werd gewonnen? Hoed u voor schijndilemma’s, en geef in paniek niet op waar zo hard voor gevochten werd.

*Dit stuk verscheen eerder in DS Avond op woensdag 27 juli.

Frivoliteit

Ware het niet verontrustend, het was grappig om te zien: zelfverklaarde ‘Bernie-fans’ die Sanders uitjouwen wanneer hij oproept om bij de presidentsverkiezingen zijn voormalige rivale te steunen, Hillary Clinton. “Bernie or Bust!” – en nog liever Trump aan de macht dan zij die tot een symbool verworden is van alles wat mis is met het Amerikaanse politieke systeem. Dat Trump een wispelturige xenofoob is, een mysogiene demagoog, het heeft geen belang: hij is op z’n minst niet Hillary. En al had het wel belang, het kan eens interessant zijn om Trump de macht te zien grijpen, “to see what happens“, zoals een jongeman met de glimlach zei.

Zelfingenomen onverantwoordelijkheid; de frivoliteit van het politieke bedrijf. Alsof het allemaal een spel is, één grote grap, een verzetje, een leuk tijdverdrijf, en ge moet toch eens zot kunnen doen. Alsof het geen reële gevolgen heeft in het reële leven van reële mensen – onzichtbaar voor hen, blijkbaar.

Natuurlijk: zulke kerels vormen maar een kleine minderheid. Zij komen prominent in beeld, want het levert leuke televisie op, een straf verhaal voor de krant. Voor de meesten zal wel gelden: al is zij niet mijn eerste keuze, Clinton is op z’n minst de beste keuze van de twee, en wie president wordt van de Verenigde Staten, is te belangrijk om er een zaak van gespeelde verontwaardiging van te maken. Slikken en doorgaan.

Alsof ik zelf niet weet hoe moeilijk dat soms is. Alsof ik zelf altijd zo makkelijk en enthousiast meestap in de richting die ‘mijn’ partij uitmarcheert: sociaal-economisch niet links genoeg naar mijn zin, op migratie en veiligheid verontrustend rechts. Luid en duidelijk verkondigen dat iedereen die hier woont en leeft deel uitmaakt van deze samenleving, met al zijn fouten en gebreken: onverkiesbare waanzin. Willen vechten voor iedereen die leeft in de rafelrand van deze samenleving, naar de kant geduwd door het systeem: een getuigenis van economische onverantwoordelijkheid. En waarschijnlijk klopt het wel: trek morgen naar de verkiezingen met een door mij geschreven politiek programma, en overmorgen kunnen een veertigtal parlementsleden op zoek naar een nieuwe job omdat niemand herkozen raakte. Dat besef stemt nederig. En misschien is het wel een teken dat al die anderen het, inderdaad, beter weten dan ik?

Wie met politiek bezig is, wil een verschil maken, de maatschappij stap voor stap veranderen in de richting van een ideaalbeeld. Gelijkgestemden overtuigen van het eigen gelijk en de eigen superioriteit is misschien wel leuk, maar volstaat daartoe niet. Probeer dus anderen te overtuigen van uw beeld van een goede samenleving, en hoe die te realiseren; probeer op z’n minst het discours te doen verschuiven naar de juiste prioriteiten. En als dat niet volstaat: slik uw trots in.

 

*Een versie van dit stuk verscheen op dinsdag 26 juli 2016 in DS Avond.

Collateral damage

Breed lachend staan ze op de foto. Na de Vlaamse Regering een tiental dagen geleden was het nu aan de federale ministers om zichzelf schouderklopjes te geven voor het gevoerde beleid. Twee jaar sociaal-economische herstelregering vanaf dag één: dat moest gevierd. Dat België in die tijd is teruggevallen van één van de snelst groeiende economieën in de EU naar één van de slechtst presterende landen: geen hond die erom maalt, zolang VBO en Voka hen maar bemoedigend toeknikken. Want we hebben geleerd: het kon zo niet verder. We moeten snoeien om te groeien, de tering naar de nering zetten, komaf maken met het sociaal profitariaat, mensen uit de hangmat van de sociale zekerheid schudden: al die werklozen en al die langdurig zieken, we kunnen ons dat niet blijven permitteren. Responsabilisering is het ordewoord. Minder uitkeringen, minder belastingen. En vanaf morgen zal dan de motor wel weer aanslaan. En als het niet morgen is, dan wel overmorgen.

Anekdotiek kan net zozeer verblinden als ideologie. En toch.

Enkele weken geleden werd ik voorgesteld aan een koppel uit de Kempen. Hij werkte in een magazijn voor een mager loon, zij had ontslag moeten nemen om voor één van de kinderen te kunnen zorgen, een jongen met een zware autismespectrumstoornis die al te vaak niet naar school kon. Ziekteperiodes volgden elkaar op, facturen bleven liggen, de huur bleef noodgedwongen een keer onbetaald, en voor zij het goed en wel beseften belandden ze in schuldbemiddeling, kwam de deurwaarder langs met een bevel tot uithuiszetting, en kregen ze van het OCMW een briefje waarmee ze bij de voedselbedeling terecht konden, goed voor brood en vervallen pasta.

Het zijn de vernederingen: telkens opnieuw moeten uitleggen hoe ze terecht gekomen zijn waar ze zijn terecht gekomen, telkens opnieuw de beschuldigende vragen, zich telkens opnieuw moeten verantwoorden bij één of andere anonieme ambtenaar voor elke stap die zij zetten (dat treinticket naar Brussel, waar ik hen zag, zou hen nog zuur opbreken, wisten ze: ze hadden het recht niet hun geld te besteden aan zulke tierlantijntjes), telkens opnieuw dankbaar moeten zijn voor het pakketje voedsel dat in hun handen geduwd wordt, telkens weer ’s avonds weten dat de volgende dag net hetzelfde brengt, en de dag nadien opnieuw, en de dag daarna weer – terwijl elke dag de dag dichterbij komt waarop ze uit hun appartement gezet zouden worden, zonder iets in het verschiet.

We hebben de afgelopen decennia een hele machinerie gebouwd om te activeren en te responsabiliseren, om mensen ‘vooruit te helpen’ en ‘alle kansen te geven om te groeien’. Brute pech voor wie door die machine vermalen wordt. Collateral damage.

 

*Een versie van dit stuk verscheen op maandag 25 juli 2016 in DS Avond en op dinsdag 26 juli in De Standaard.