Primo Levi 100: literatuur als restitutie

“Tegenwoordig weet ik dat het een hopeloze onderneming is een mens in woorden te willen vangen, hem te laten herleven op een geschreven bladzij, en een mens als Sandro al helemaal. Hij was geen mens over wie je verhalen kunt vertellen of voor wie je monumenten kunt oprichten, hij die lachte om monumenten; hij leefde in zijn daden en nu die gedaan zijn rest er niets van hem; niets dan woorden, jawel.”

Primo Levi is zich in Het periodiek systeem goed bewust van de ambiguïteit van de opdracht die hij zichzelf geeft. Sandro studeerde samen met hem chemie, hij deed Levi de bergen boven Turijn ontdekken, ging hem voor in het verzet tegen de fascistische Republiek van Salò. Hoe geef je aan de wereld een mens terug die vermoord werd door een kind-beul, geronseld door de fascisten, zoals met Sandro gebeurde? Met woorden? Een monument is de mens niet, een verhaal geen wedergeboorte. Een hopeloze onderneming, inderdaad, maar in al zijn hopeloosheid niet minder noodzakelijk. Het onherstelbare kan weliswaar niet hersteld worden, maar misschien toch voorgesteld, aanwezig gemaakt, zichtbaar. In de verzameling opstellen Campo Santo zegt de Duitse schrijver W.G. Sebald, wiens hele oeuvre cirkelt rond de misdaden van de nazi-tijd, dat er vele vormen van schrijven bestaan, maar alleen in literatuur gaat het om “een poging tot restitutie.” Het schrijven van Primo Levi is precies dat — niet om de bezwarende last van het verleden draaglijker te maken, maar om hem te presenteren in al zijn ondraaglijke onontkoombaarheid, en ons ermee op te zadelen.

De nog jonge Primo Levi werkte aan zijn debuut Is dit een mens in de jaren onmiddellijk na zijn terugkeer in Turijn uit Auschwitz, dat hij slechts ternauwernood wist te overleven. (Op 22 februari 1944 vertrok het eerste transport joden uit concentratiekamp Fossoli richting de vernietigingskampen. Van de vijfenveertig mensen die, samen met Levi, op elkaar gestouwd in één van de beestenwagons van dat eerste transport werden afgevoerd, keerden er maar vier terug naar Italië en, schrijft Levi, “onze wagon was verreweg de fortuinlijkste”; de anderen vielen ten prooi aan de moordzucht en de vernietigingsdrift van het nazisme.) Het schrijven van Is dit een mens heeft iets van een reinigingsritueel, alsof Levi de ondergang van de mens in de kampen ter schrift moest stellen om zelf weer mens te kunnen worden, maar algauw krijgt het een ander statuut en een andere inzet: niet alleen moet Levi zijn plaats terugvinden in een wereld die hem heeft afgescheept en hem heeft willen vernietigen, een onwillig publiek moet dat onherstelbare feit zelf een plaats geven in hun wereld.

Een voorafschaduwing van die onwil beklemt Levi reeds in het concentratiekamp, in een steeds terugkerende droom die hij blijkt te delen met veel van zijn lotgenoten daar: hij is weer thuis, hij is onder vrienden, en hij heeft “zo ontzettend veel te vertellen; maar ik moet nu wel merken dat mijn toehoorders me niet volgen. Mijn verhaal laat ze zelfs totaal onverschillig: ze praten met en door elkaar over andere dingen, alsof ik er niet ben. Mijn zuster kijkt me aan, staat op en gaat zonder iets te zeggen weg. (…) Waarom neemt onze dagelijkse kwelling in onze dromen zo hardnekkig de gestalte aan van het verhaal dat wij doen en waarnaar niet wordt geluisterd?”

Alles liever dan te horen hoe Levi het kamp vat in zijn karakter van “reusachtig biologisch en sociaal experiment.” Alles beter dan te moeten weten “wat in Auschwitz de mens van de mens heeft durven maken.” Is dit een mens analyseert hoe, als in een chemisch proces, de verschrikkingen van het concentratie- en vernietigingskamp de mens ontbinden tot hij gereduceerd wordt tot “de meest extreme menselijke staat,” uit elkaar valt in zijn meest basale elementen, en daarmee de eigenschappen verliest waarin hij als mens te herkennen is.

Na enkele maanden in het kamp wordt Levi —eerder, Häftling 174517— opgeroepen voor een scheikunde-examen: hij beweert immers opgeleid te zijn als chemicus, en de Buna-fabriek verbonden met het concentratiekamp heeft laboranten nodig. Hij weet dat een overplaatsing naar het laboratorium hem kan behoeden voor een al te zekere ondergang; zijn leven staat hier op het spel. De examinator kijkt hem aan, en: “Vanaf die dag heb ik dikwijls en op vele manieren aan Doktor Pannwitz gedacht. (…) Omdat die blik geen blik tussen twee mensen was; en als ik precies zou kunnen zeggen wat voor blik dat was, als door een aquariumruit gewisseld tussen twee wezens die verschillende elementen bewonen, zou ik ook de kern van de grote waanzin van het derde Duitsland hebben blootgelegd.”

Hoe komt een mens ertoe een mens niet als mens te zien? Wat is een mens, wanneer “mensen Auschwitz hadden gemaakt en Auschwitz miljoenen menselijke wezens had opgeslokt”?

Doktor Pannwitz kon naar Häftling 174517 kijken zonder een mens te zien. In heel zijn oeuvre probeert Primo Levi die mens terug te vinden. Het periodiek systeem, opgebouwd als een reeks verhalen die in het teken staan van een chemisch element en ruwweg Levi’s levensloop volgen, begint met ‘Argon’ —een inert gas, weliswaar niet al te zeldzaam, maar toch een element dat zich enigszins afzijdig houdt—, en is het verhaal van Primo Levi’s familie, die zich rond 1500 in Piemonte had gevestigd, in de dorpen rondom Turijn. Zelf werd hij geboren in 1919, in het Turijnse appartement waar hij haast zijn hele verdere leven zou wonen: zijn schrijftafel stond, vertelt de familie, precies op de plek waar hij het levenslicht zag. Zijn moeder woonde in bij hem en zijn vrouw, zijn zoon in het appartement naast het hunne, zijn dochter niet veel verder. En in het appartementsblok waar hij geboren was, stierf hij ook, in 1987, door een val —een sprong?, hij worstelde met zijn depressies— van de derde verdieping in de trappenhal. Primo Levi was thuis in Turijn, zoals ook zijn familie diep ingebed was in het Turijnse land.

In een interview met Levi, afgenomen niet lang voor diens dood, merkt Philip Roth op dat Levi’s “geworteld-zijn in die joodse wereld van [zijn] voorouders niet alleen verweven is met, maar, op een essentiële manier, identiek is aan [zijn] diepe, uitgebreide geworteld-zijn in de regio zelf.” (London Review of Books, 23 oktober 1986) De invoering van de rassenwetten in 1938, de manier ook waarop hij nu door zijn medestudenten wordt behandeld en aangekeken —of net niet meer wordt aangekeken—, maken echter dat Levi, scheikundige-in-opleiding, zijn joods-zijn gaat beschouwen, haast moet beschouwen, als een ‘onzuiverheid’. In hoeverre is hij thuis waar hij zich thuis weet? In elke vezel van zijn wezen Italiaans, tot in het diepste van zijn ziel verbonden met het Italiaanse land, tot vreemd element in Italië verklaard.

Sebald stelt in De emigrés een zelfde paradox vast, wandelend over het joodse kerkhof van Bad Kissingen: “Ik kon de ingebeitelde letters [op de grafstenen] niet meer allemaal ontcijferen, maar wat er aan namen nog leesbaar was —Hamburger, Kissinger, Wertheimer, Friedländer, Arnsberg, Frank, Auerbach, Grunwald, Leuthold, Seligmann, Hertz, Goldstaub, Baumblatt en Blumenthal—, dat bracht mij op de gedachte dat de Duitsers de joden misschien niets zozeer hebben misgund als hun mooie namen, die zo sterk verbonden waren met het land en de taal waarin zij leefden.”

Het vergde Sebald enige moeite om het joodse kerkhof van Bad Kissingen te vinden. De sleutel van de poort duikt pas na zoeken op, maar blijkt uiteindelijk ook overbodig, want hij past toch niet in het slot; Sebald moet over de muur rondom het kerkhof klimmen; het kerkhof dat hij er vindt valt uiteen en zakt weg, overwoekerd door gras en weidebloemen. Het is een plek die niet bestaat in het Duitse stadje: verlaten en vergeten. De joodse inwoners van Bad Kissingen en omstreken zelf, de families van wie hier begraven ligt, hun ouders en hun kinderen, hun neven en hun nichten, zijn verdreven. Wie met het wild om zich heen grijpende antisemitisme van de vroege Hitler-tijd nog niet in ballingschap gedwongen werd, ontvluchtte de stad wel nadat bij de Kristallnacht de synagoge vernield en in de daaropvolgende weken volledig afgebroken werd, of verdween in de vernietigingskampen van het Derde Rijk. Er bleef niemand over om het graf van hun ouders te onderhouden. De joden verdwenen uit Bad Kissingen — nu moest de verdwijning zelf verdwijnen.

Men moest vergeten dat de uitgemoorde joden uit al die steden, stadjes en dorpen Duitsers onder de Duitsers waren, Italianen onder de Italianen, onze buren en onze kennissen, onze handelspartners, onze winkeliers en onze klanten, onze dokters en onze patiënten, medeburgers van onze samenleving, niet een vage abstractie waar men nauwelijks uitstaans mee had. Het vergeten moest grondig, een vergeten voorbij het vergeten. Om niet met het trauma van de schuldige te moeten leven in al zijn ondraaglijke onontkoombaarheid, wist men de herinnering uit: de herinnering aan de ramp, de herinnering aan het gemeenschappelijke leven vóór de ramp. Alsof dat gemeenschappelijke leven niet alleen definitief voorbij is en nooit meer terug kan keren, maar alsof zo’n gemeenschappelijk leven nooit zelfs maar bestaan heeft. In een hernieuwde vernietigingsdrift worden de joden opnieuw uit het leven gedreven: een sanering van het geheugen.

Het is een droom die Primo Levi al kwelt terwijl hij nog in Auschwitz zit: “Ze praten met en door elkaar over andere dingen, alsof ik er niet ben.” Het oeuvre van Levi, de nauwgezette vertelling van wat er gebeurde, van de blik van Doktor Pannwitz “als door een aquariumruit gewisseld tussen twee wezens die verschillende elementen bewonen” tot het leven van Sandro “die geen mens was over wie je verhalen kunt vertellen”, is meer dan een simpel feitenrelaas. Het is een vorm van verzet tegen het vergeten. Het zijn “niets dan woorden, jawel”, maar die woorden zijn “een poging tot restitutie.”

Een poging, niet meer dan dat. Want de ramp, moet Levi vaststellen zoals ook Sebald het zal vaststellen na Levi, echoot nauwelijks na in de straten waarin zij leven.

Na het mislukken van hun onderneming als zelfstandig chemicus, ontmantelen Primo en zijn vriend Emilio het laboratorium dat ze hebben opgezet in de keuken van Emilio’s ouders. Het takeltouw knapt, de zelfgefabriceerde afzuigkap dondert vier verdiepingen naar beneden en slaat tegen de straatstenen te pletter. “Emilio zei: ‘Ik had gedacht dat het meer lawaai zou maken.’”

Duitse werkloosheid daalt, Duitse werknemer betaalt

In de queeste om meer mensen aan het werk te krijgen, wordt nogal eens met enig enthousiasme verwezen naar de Duitse ervaring. Duitsland werd, tot het midden van de jaren tweeduizend, aangeduid als de “zieke man van Europa”. De hereniging van Duitsland was dan wel een politiek succes, economisch ging het onze oosterburen na de hereniging heel wat minder voor de wind. Meer dan één op de tien Duitsers die wilde werken, zat werkeloos thuis.

Vandaag ligt de situatie heel anders. In de meeste Europese landen mag de structurele werkloosheidsgraad dan wel sterk gedaald zijn sinds 2005 (in België bijvoorbeeld met meer dan een derde), weinig landen hebben het, zo gemeten, beter gedaan dan Duitsland.

Om het Duitse succes te verklaren, grijpt men gauw terug naar de Hartz-hervormingen die de rood-groene regering-Schröder van 2003 tot 2005 invoerde. De hervormingen hielden onder andere een herstructurering van de publieke tewerkstellingsbureaus in en een versoepeling van de regels voor het aanwerven van tijdelijke werkkrachten. Maar er was ook —het meest notoir— een beleid dat “werkweigeraars” zwaarder sanctioneerde, en een scherpe daling van de werkloosheidsvergoeding voor langdurig werklozen. Dat werd samengevoegd met de middelen-getoetste bijstand.

Een direct gevolg van deze hervormingen was alvast een sterke stijging van het aantal Duitsers dat moest rondkomen met een inkomen onder de armoedegrens. In de jaren onmiddellijk volgend op de Hartz-hervormingen belandden bijna 2,5 miljoen méér Duitsers in armoede dan voordien. Sindsdien zijn daar nog eens zo’n miljoen Duitsers bijgekomen. Meer dan 13 miljoen Duitsers leeft vandaag in armoede.

Wat daarbij vooral opvalt, is dat deze sterke stijging van de Duitse armoede zich niet alleen voordoet bij wie zonder werk zit, zoals verwacht kon worden na de scherpe daling van het inkomen van langdurig werklozen. Het armoederisico voor huishoudens waarin relatief weinig gewerkt wordt, is inderdaad verdubbeld.

Maar als de stijgende armoede beperkt bleef tot mensen zonder werk, zouden sommigen durven argumenteren dat dit de prijs is die ‘wij’ moeten willen betalen om meer mensen aan het werk te krijgen.

Nee, de armoede steeg sinds de Hartz-hervormingen ook sterk bij wie wél werkt. Meer dan een op de tien Duitsers in een huishouden waarin veel gewerkt wordt (bijvoorbeeld een partner voltijds, de andere partner halftijds), moet het toch doen met een inkomen onder de armoedegrens. Zij werken, en niet een klein beetje, en zijn toch arm.

De vraag blijft dan nog steeds: klopt het dat de Hartz-hervormingen verantwoordelijk zijn voor de structurele daling van de Duitse werkloosheidscijfers? In een recente paper die verscheen in de European Economic Review wordt dieper op deze vraag ingegaan.

De onderzoekers, Jake Bradley en Alice Kügler, proberen er de effecten van de verschillende Hartz-hervormingen zelf te isoleren van bredere macro-economische evoluties. Dat doen ze door nauwkeurig de microdata te analyseren op het niveau van individuele werkkrachten en bedrijven. Zo willen ze een beter beeld te krijgen van de reële impact van de verschillende hervormingen.

Het spreekt voor zich dat deze beleidsevaluatie van de Hartz-hervormingen — welke effecten ze in werkelijkheid hebben gehad, in plaats van geacht werden te hebben — hoogst relevant is. En, opvallend: de resultaten die in het paper gepresenteerd worden, zijn volstrekt in tegenspraak met het gebruikelijke verhaal dat verteld wordt over de Hartz-hervormingen.

Het gecombineerde effect van de verschillende Hartz-hervormingen laat zich volgens deze studie samenvatten als, paradoxaal genoeg, een lichte daling in de tewerkstellingsgraad, compleet tegengesteld aan het bedoelde effect.

Deze daling in de tewerkstellingsgraad gaat bovendien gepaard met een daling van de lonen (door de Hartz-hervormingen veroorzaakt), die scherper wordt naarmate werkers minder lang geschoold zijn. Voor kortgeschoolden is de daling in lonen het meest uitgesproken: hun inkomen uit werk daalde door de Hartz-hervormingen met meer dan tien procent.

De onderzoekers hebben ook het effect van de verschillende hervormingen afzonderlijk proberen te evalueren, op basis van de beschikbare microdata.

Een eerste golf van hervormingen had tot doel de tewerkstelling te stimuleren en extra jobs te creëren door ‘kleine banen’ te subsidiëren. Baantjes van korte duur, of met weinig uren, aan lage lonen, waarbij bedrijven grote kortingen kregen op de verschuldigde sociale bijdragen. Op die manier, beweerde men, kon de drempel tot herintrede op de arbeidsmarkt laag gehouden worden.

Het effect, zo blijkt uit de studie, van deze subsidiëring van kleine baantjes was echter niet dat veel extra jobs werden gecreërd en dat de tewerkstelling zo werd opgedreven. Firma’s reageerden niet op de hervorming door extra banen te creëren, maar door banen met betere arbeidsvoorwaarden te vervangen door tijdelijke contracten met minder uren. Voor hen veel goedkoper, want door de overheid gesubsidieerd. De hervorming had in de eerste plaats een sterke daling van de jobzekerheid tot gevolg, in plaats van een stijging van de tewerkstellingsgraad.

De laatste en meest notoire hervormingen perkten het recht op en de hoogte van de werkloosheidsuitkering drastisch in. Die maatregel had een verwaarloosbaar effect op de tewerkstelling, maar vooral een groot effect op het loon van wie wél werkt: hun lonen liggen veel lager dan ze zonder de hervormingen zouden liggen. Tot meer dan tien procent lager voor kortgeschoolden.

Het is in deze context dan ook niet verwonderlijk dat de armoede in Duitsland sinds de hervormingen scherp gestegen is, niet in het minst in de gezinnen van werkende Duitsers. Dat terwijl anderzijds Duitse bedrijven de exportmarkten domineren.

De Hartz-hervormingen hadden niet tot doel of als effect het creëren van tewerkstelling aan correcte arbeidsvoorwaarden, maar wel een kunstmatige verlaging van de prijs die firma’s moeten betalen voor arbeid in Duitsland. De ontkoppeling van de gestegen productiviteit en de loonontwikkeling is er sinds de Hartz-hervormingen bijzonder uitgesproken, en de effecten op de winstmarges van de bedrijven navenant.

Maar wat als Duitsland niet kan blijven rekenen op een stijgende vraag naar Duitse goederen aan kunstmatig lage prijzen door het van overheidswege drukken van de prijs van arbeid? De slabakkende Italiaanse economie, de Brexit-dreiging, een vertraging van de Chinese economie en een handelsoorlog dreigen zware gevolgen te hebben voor het Duitse exportmodel.

Het Duitse beleid moet dringend de interne vraag stimuleren door de reële inkomens van de Duitse huishoudens te verhogen, en door eindelijk de broodnodige publieke investeringen te ondernemen die al zo lang uitblijven door de eenzijdige fixatie op begrotingsoverschotten.

Zonder die heroriëntering van het beleid dreigt Duitsland weer weg te zakken in het moeras. Het alternatief is nog maar eens een nieuwe ronde van loonverlagingen, en de Verelendung (achteruitgang, verpaupering, red.) van de rest van Europa.

— Deze bijdrage verscheen eerder bij Mo*.

Digitale ‘revolutie’ zet tegenstellingen op scherp die nooit echt verdwenen zijn

Wat brengt de digitale toekomst? De ons voorgespiegelde visioenen zwenken wild tussen dystopie en utopie. Nemen robots de wereld over? Betekent dat massale werkloosheid, of net de bevrijding van de last van arbeid die zwaar op ons drukt? De zaak zo voorstellen maakt de impact van digitalisering op onze economie sexy, want spectaculair — en laat het veld aan visionairen die hun lofzang op de digitale toekomst laten overvloeien in pleidooien om de instituties van de sociale welvaartsstaat als al te hinderlijk op de schop te doen.

De werkelijkheid is prozaïscher: de digitale ‘revolutie’ betekent niet dat robots de wereld zullen overnemen, maar zet tegenstellingen die nooit echt verdwenen zijn weer op scherp. Drie gevaren zijn bijzonder acuut.

Ten eerste stijgt de polarisatie op de arbeidsmarkt. Nieuwe technologieën maken het mogelijk om steeds meer taken met een routinematig karakter over te laten aan robots en computers. Het gaat hier veelal om taken die uitgevoerd worden in het ‘middensegment’ van de arbeidsmarkt, door middengeschoolde arbeiders en bedienden met een redelijk loon. Het loont voor bedrijven de moeite om te investeren in technologie die net dat type jobs vervangt: het routinematige karakter ervan maakt het ontwikkelen van arbeidsvervangende technologie haalbaar, terwijl de redelijke verloning van die jobs het ook voordelig maakt voor een bedrijf om net voor die jobs te investeren in arbeidsvervangende technologie.

Gevolg: het middensegment van de arbeidsmarkt kalft af. Dat wil niet zeggen dat massale werkloosheid dreigt. De jobs die hier verdwijnen, worden meer dan gecompenseerd door nieuwe jobs aan de boven- én de onderkant van de arbeidsmarkt, jobs die niet makkelijk te automatiseren zijn, of jobs die te goedkoop zijn om het lonend te maken te investeren in arbeidsvervangende technologie: de arbeidsmarkt polariseert. Het gevaar is dus niet massale werkloosheid, maar wel een toenemende ongelijkheid in lonen en arbeidsbescherming. Het toont de nood aan een beter kader voor het beschermen van wie zwakker staat op de arbeidsmarkt.

Het tweede gevaar sluit daar nauw bij aan. We zien immers dat de technologische doorbraken die ons doen geloven in een wonderlijke nieuwe wereld in de praktijk ingezet worden op de werkplaats om arbeiders beter te kunnen monitoren, surveilleren, controleren. Het is niet de technologie zelf die de menselijke geest kleineert en vermaalt, maar de nietsontziende jacht naar ‘efficiëntie’ en winst die van de mens niets meer maakt dan een door technologische toepassingen beter te beheren kostenpost. Opnieuw dreigt polarisatie, tussen zij voor wie de digitale revolutie net méér vrijheid op het werk betekent, en zij bij wie het laatste restje autonomie dooft. De macht verschuift nog meer van werknemer naar bedrijf.

Die versterkte machtspositie toont zich ook in het derde gevaar. De koek die we met z’n allen bakken in onze economie wordt initieel verdeeld tussen enerzijds ‘arbeid’ (in de vorm van lonen en socialezekerheidsbijdragen) en anderzijds ‘kapitaal’ (in de vorm van bedrijfswinst en uitkeringen aan aandeelhouders); vervolgens houdt de staat belastingen af van die inkomens om de publieke dienstverlening te verzorgen. Lange tijd ging men ervan uit dat de verhouding tussen die twee factoren ‘arbeid’ en ‘kapitaal’ bij de verdeling van de koek stabiel was, maar dat blijkt niet langer het geval: de westerse, post-industriële samenleving kent een structurele verschuiving, waarbij minder van de meerwaarde die we creëren ten goede komt aan ‘arbeid’, en steeds meer aan ‘kapitaal’: bedrijfswinsten stijgen ten koste van de lonen en socialezekerheidsbijdragen. De digitale revolutie versterkt het belang van arbeidsvervangende investeringen, ondergraaft onderhandelingsmacht van werknemers, en wordt aangewend om arbeids- en loonvoorwaarden aan de onderkant van de arbeidsmarkt nog verder te ondermijnen, en versterkt zo die tendens: bedrijven gaan met de vruchten van de digitale revolutie lopen, werkers blijven met lege handen achter.

Hoe moeten we onze fiscale regels aanpassen, gegeven die verschuiving in de verdeling van de meerwaarde van arbeid naar kapitaal? Hoe kunnen we de autonomie en de werkzekerheid van werknemers in zwakkere posities op de arbeidsmarkt garanderen? Op welke manier kunnen we vermijden dat jobpolarisatie leidt tot sociale polarisatie? We hoeven geen schrik te hebben voor een overname van de wereld door robots. We moeten waakzaam zijn dat de digitale disruptie niet ongelijke machtsverhoudingen betonneert.

—Deze bijdrage verscheen eerder op Knack.be en in Franse vertaling in L’Echo.

Wachtlijsten negeren doet ze nog niet verdwijnen

Een jonge vrouw uit het publiek, op een debat enkele weken voor de verkiezingen, vertelde hoe haar schoonbroer leeft met een ernstige handicap en permanente zorg en ondersteuning nodig heeft. Zijn ouders krijgen het niet meer gebolwerkt, dus blijft zij nu thuis om die zorg op zich te nemen. Zonder morren, met veel liefde.

Een tijdelijke oplossing, dacht ze, tot hij het zorgbudget ontvangt dat de Vlaamse overheid hem heeft toegezegd en dat hij nodig heeft voor professionele zorg, permanente hulp aan huis of een plek in een voorziening. Helaas moesten ze vervolgens horen dat hij nog even geduld zal moeten hebben voor hij dat budget, en de zorg en ondersteuning die eraan vasthangen, ook effectief krijgt. Precies omdat zijn schoonzus nu voor hem thuisblijft, belandt hij op de wachtlijst met de laagste prioriteit. En op die wachtlijst duurt het twintig jaar voor hij aan de beurt is.

Ze was boos, die jonge vrouw. Boos, omdat haar schoonbroer niet de zorg krijgt die hij nodig heeft. Boos ook, omdat zij gedwongen wordt haar leven op pauze te zetten, niet voor even, maar twintig jaar lang. Ze is afgestudeerd, ze wil werk zoeken, zelf haar leven kiezen – ze zal moeten wachten. Nog zeker twintig jaar.

Het is jammer genoeg geen bijzonder verhaal. Vandaag wachten bijna vijftienduizend volwassenen met een handicap, en hun omgeving, op het zorgbudget dat hen is toegezegd. Jaar na jaar worden die wachtlijsten langer, jaar na jaar wordt van de mensen op die wachtlijst en van hun naasten meer geduld gevraagd. Vijf jaar wachten, tien jaar wachten, twintig jaar wachten – voor ze de zorg en ondersteuning krijgen die ze zo hard nodig hebben.

Hoe gaan we als samenleving antwoord bieden op die uitdaging? Welke nieuwe Vlaamse regering er ook komt: welk antwoord zal zij geven aan die mensen op de wachtlijst en aan hun omgeving?

Het volstaat niet er stilletjes over te zwijgen, in de hoop er niet publiek op afgerekend te worden. De wachtlijsten negeren, doet ze niet verdwijnen. Het volstaat ook niet te zeggen dat we moeten streven naar zorg­garantie, zonder dit concreet te maken, zonder ook effectief de middelen vrij te maken die hiervoor nodig zijn: woorden zijn lucht.

Elke politicus die erin slaagt het budget voor personen met een handicap de komende legislatuur met nog eens 300 miljoen euro te verhogen, evenveel als de afgelopen legislatuur, zal zich trots op de borst kloppen. Maar geen enkele politicus zal durven te zeggen wat de consequenties zijn van een budgetverhoging van ‘maar’ 300 miljoen euro: wachtlijsten die nog langer worden dan ze vandaag al zijn.

Personen met een handicap op de wachtlijst met de hoogste prioriteit, zullen in dit scenario meer dan zes jaar moeten wachten op de nodige zorg, mensen op de wachtlijst met lagere prioriteit, ­ zoals de schoonbroer van de jonge vrouw, ­ zelfs drieëntwintig jaar, tonen simulaties van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. 300 miljoen euro extra is veel geld. 300 miljoen euro extra is zelfs nog geen begin van een oplossing.

Om de vijftienduizend volwassenen met een handicap aan wie een zorgbudget is toegezegd maar die ‘voorlopig’ geparkeerd staan op een wachtlijst, en dus niet de zorg en ondersteuning krijgen die zij nodig hebben, van die wachtlijst te halen, is een permanente budgetverhoging nodig van 670 miljoen euro.

Om te vermijden dat vervolgens nieuwe wachtlijsten ontstaan, moet het budget de komende regeerperiode elk jaar opnieuw met nog eens 150 miljoen à 160 miljoen euro verhoogd worden. Het aantal mensen met een handicap blijft immers stijgen, een consequentie van medische door­braken en stijgende levensverwachting, ­ ook van personen met een handicap.

Het gaat om een smak geld, zeker, maar het verhaal van de schoonzus wier leven op pauze staat, maakt op z’n minst dit duidelijk: we kunnen er als samenleving niet voor kiezen de kosten van de zorg en ondersteuning van personen met een handicap niet te dragen.

Er is altijd iemand die de prijs betaalt. Doen we het niet collectief, als gemeenschap, dan zijn die kosten nog niet verdwenen. Het betekent alleen dat we ze afwentelen op de personen met een handicap zelf, en op hun naasten. Zij staan er alleen voor.

De onderhandelingen voor een nieuwe Vlaamse regering spelen zich af in het schemerdonker. Hoe we een antwoord willen bieden op de wachtlijsten voor personen met een handicap verdient echter een maatschappelijk debat, in het schelle licht van de schijnwerpers.

Het publiek moet weten wat de uitdaging is, mee nadenken over de mogelijkheden die we hebben als samenleving, wat de consequenties zijn van de keuzes die we maken – voor de personen met een handicap zelf, voor hun omgeving, voor de hele samenleving. Zodat eindelijk iedereen weet waar ze aan toe zijn.

Er is genoeg gewacht.

—Deze bijdrage verscheen eerder in De Standaard.

Een volk krijgt de leiders die het verdient

Een land krijgt de leiders die het verdient, zegt men, en ik vraag me af: wat hebben wij de goden verzocht dat zij ons dit lot bereiden? Voor welke misdaad moeten wij zo boeten? Botsende persoonlijke ambities manifesteren zich in kortzichtigheid en de vurigste debatten over — niets.

Leerrijk is De wissel van de macht van journalist Marc Van De Looverbosch, zijn relaas uit 2015 van de periode sinds de ondergang van de CVP en de opkomst en neergang van Paars-Groen tot aan de machtsgreep van de N-VA en de formatie van de “Zweedse coalitie”.

Het is, zoals de ondertitel aangeeft, een “kroniek van een Wetstraatwatcher”, en dus (sic) krijgen we haast niets te lezen over gevoerd beleid, laat staan over de zin of onzin ervan, en alles over de roddels, de achterklap, het geruzie, de stratego en de poppetjes, en vooral: over het eindeloze communautaire gerel, de geel-zwarte draad doorheen het hele boek, alsof geen zaak ter wereld een groter belang heeft dan de precieze omschrijving van een kieskring en de vraag of de organisatie van het rij-examen een bevoegdheid is van Vlaanderen dan wel van België.

Het kan Van De Looverbosch niet aangewreven worden: het is tenslotte de kwestie Brussel-Halle-Vilvoorde waarop het land en zijn bewindvoerders vastliepen, rond BHV was geen vergelijk mogelijk. Niet fundamentele meningsverschillen over hoe de welvaart van de Belgen ook in de toekomst veilig te stellen, niet tegengestelde visies over hoe het hoofd te bieden aan de klimaatcrisis en het energievraagstuk, niet de plaats van België in de Europese Unie en al evenmin de banken- en schuldencrisis — wel BHV stortte politiek België in een existentiële crisis.

Van het moment af dat de Amerikaanse investeringsbank Lehman Brothers in elkaar klapte in september 2008, het startsein voor de Grote Financiële Crisis die de wereld in een diepe economische recessie duwde, doorheen de mutatie van de bankencrisis in een schuldencrisis die de Europese Unie uit elkaar dreigde te trekken en waarin ook België haast verzwolgen werd, tot de uiteindelijke ondergang van Dexia in november 2011, werd ons land verlamd door staatszaak BHV. En niets in De wissel van de macht leert ons waarom de communautaire kwestie zulk existentieel belang kon aannemen, behalve: de cynische machtsstrijd in een Wetstraatbubbel bevolkt door allemaal kleine mensen die kwaken als de dikste kikkers.

Paars heeft populaire kopstukken die het maar wat graag breder wil kunnen uitspelen dan in de petieterige toenmalige arrondissementskieskringen, en dus krijgt België provinciale kieskringen — en de anomalie BHV. Van een debat over de manier hoe de keuze voor een bepaald kiessysteem en de grootte van de kieskringen erin slaagt “het volk” wel of niet te vertegenwoordigen in een representatieve democratie is geen sprake: het kiesstelsel staat ten dienste van het winnen van de volgende verkiezingen, en wat de gevolgen later zijn, zien we dan wel weer.

De christendemocraten, op zoek naar manieren om Paars te onttronen en hun natuurlijke plaats in het centrum van de macht weer te kunnen opnemen, sluiten het splinterpartijtje N-VA in de armen: die paar stemmen van de enkele overlevende communautaire scherpslijpers kunnen het verschil maken in de komende verkiezingen, en wat de gevolgen later zijn, zien we dan wel weer. Leterme promoveert BHV van technische kwestie tot de halszaak waarvoor Verhofstadt moet hangen en dwingt in één moeite door de Franstalige partijen — zelf verwikkeld in een machtsstrijd — in een onmogelijke positie: wat de gevolgen daarvan later zijn, zien we dan wel weer. Het is het begin van jarenlang wild gekwaak en woest getater over — tja, waarover eigenlijk?

Schijnmanoeuvres en wederzijdse vetos, hijgerige verslaggeving van de laatste uitspraak van deze of gene politicus die zich wil kronen tot held van de dag. Krantenvulsel, de uitstoot van een Wetstraatbubbel die zichzelf naar zo’n ijle hoogten heeft geblazen dat het verstand erbij bevriest.

Een opbod van onzinnigheden om toch even in de schijnwerpers te staan, culminerend in Vincent Van Quickenborne, wiens grootste verwezenlijking als politicus van nationaal statuut het versturen van een tweet in 2010 was (“alea jacta est”) die het begin betekende van een regeringsloze periode van haast twee jaar.

Een prijs die hij België graag liet betalen om zelf een dag in het zonnetje te staan en zich al tweetend hip en modern te tonen. Wat de gevolgen van de regeringsval zouden zijn voor z’n eigen partij en voor België, met een wankele economie en nog meer wankele banken: zorgen voor later, niet zijn zaak, niets mee te maken. Het schijnt het devies te zijn van wel meer van onze staatsmannen.

Nu werpt diezelfde Van Quickenborne zich opnieuw in de strijd: al te lang van het voorplan verdwenen, de provinciestad is te klein voor een man van zijn formaat. Zwaaide hij zijn voorzitter onlangs nog alle lof toe, niet veel later brandt hij ze af, want: Open VLD zou “te links” geworden zijn. Le ridicule ne tue pas, en de kranten vullen zichzelf niet met zijn naam: daarvoor moet hard gewerkt worden aan lekkere quotes die in het luchtledige zweven.

De Noordpool staat in brand, de ene hittegolf is amper weggeëbd of de volgende overspoelt het land, de Vlaamse akkers zijn niet meer dan rul zand, het kanaal naar de Gentse zeehaven wordt onbevaarbaar voor grotere schepen en met de Rijn dreigt de belangrijkste industriële verkeersader van Europa halfdroog te vallen — voor de tweede keer ooit, voor het tweede jaar op rij.

Toeval, niets aan de hand, zorgen voor later, niets mee te maken. En dus hinnikt en grinnikt Van Quickenborne — ach, is het geen smakelijke mop — dat een regering met een partij die de klimaatcrisis ernstig neemt alleen kan als die ‘hun programma verbranden in een open haard.’ Badineren en boutades kunnen niet verhullen dat persoonlijke ambitie het wint van ambitie voor ons land. Klimaatcrisis? We willen er wel aan werken, zolang we maar niets hoeven te doen.

—Deze bijdrage verscheen eerder in Mo*.

Hebben onze Europese leiders lef?

De taart moet eerst gebakken worden voor we ze kunnen verdelen (en hoe de taart nadien verdeeld wordt, zien we dan wel weer). De taartthese vat mooi de politieke doctrine samen die het financiële, fiscale, en economische beleid van de afgelopen decennia heeft gestuurd, in België net als in de andere post-industriële landen.

De taartthese rationaliseert de prioriteit die het beleid geeft aan de belangen van bedrijven en hun eigenaars, van grote vermogens en multinationals. Eerst maken we ons de fictie eigen dat zij de taart bakken, terwijl de rest van ons er maar wat bij staat en toekijkt hoe de grote vermogens zich bij het vlammende licht van de taartenoven in het zweet werken. Vervolgens buigen we deemoedig het hoofd voor zoveel ondernemingszin en werkkracht, en erkennen we hun wensen als leidende principes voor de keuzes die wij maken: zij weten immers wat het inhoudt taarten te bakken, zij weten wat ze daarvoor nodig hebben, we kunnen hun maar best geven wat zij verlangen, of er zal voor niemand nog taart te eten zijn.

In de Verenigde Staten is de taartthese reeds het langst en het meest consequent de leidraad van het beleid. Het gevolg: volgens berekeningen van Matt Bruenig van People’s Policy Project op basis van gegevens van de Fed, de Amerikaanse Centrale Bank, is het netto-vermogen van de 1% rijkste Amerikanen sinds 1989 met 21 biljoen dollar gegroeid, van 8,4 biljoen dollar naar 29,5 biljoen dollar. Het netto-vermogen van de 50% armste Amerikanen daalde in dezelfde periode met 0,9 biljoen dollar: zij hebben nu meer schulden dan vermogen.

Taarten werden vol ijver gebakken, taarten werden met iets minder ijver verdeeld: de grote vermogens schrokken steeds grotere stukken taart naar binnen, en laten voor de rest steeds kleinere kruimels achter.

Het is het rechtstreekse gevolg van het systematisch verder drijven van het ‘ontlasten’ van de ‘wealth creators‘: hun werkkracht en ondernemingszin moet immers gestimuleerd en beloond, niet bestraft worden. En dus gingen de belastingen op de hoogste inkomens, de grote vermogens, en op schenkingen en erfenissen drastisch omlaag, terwijl de belastingsubsidies op snoepjes voor de rijksten systematisch uitgebreid werden. De Amerikaanse schatkist –de Amerikaanse burger, dus– blijft achter met een tekort van meer dan 22 biljoen dollar.

De cruciale stap in de redenering, die van ‘het stimuleren van de creatie van welvaart’ uitkomt bij ‘het belonen van de bezitter van rijkdom’, moet hier ongezegd en ongemerkt blijven. Alleen zo kan de taartthese als rationalisatie dienen van een beleid dat wie rijk is steeds rijker maakt, desnoods op kosten van de rest van de bevolking.

Nog in de Verenigde Staten, en opnieuw een consequentie van een beleid stoelend op de taartthese, boerde het loonaandeel in de verdeling van de welvaart de laatste decennia stelselmatig achteruit. Het loonaandeel is het deel van de welvaart dat arbeid ‘beloont’, in de vorm van brutolonen en bijdragen aan de sociale zekerheid; het complement hiervan is het kapitaalaandeel, het deel van de welvaart dat ten goede komt aan ‘het kapitaal’, in de vorm van bedrijfswinsten, die dan ook structureel en systematisch stegen. Een rapport van McKinsey dat enkele weken geleden verscheen, toont dat de gemiddelde werknemer in de VS vandaag —ceteris paribus— zo’n drieduizend dollar per jaar méér zou verdienen, was het loonaandeel sinds 1998 constant gebleven in plaats van gedaald.

Die drieduizend dollar per werknemer die bedrijven niet moeten uitkeren in de vorm van hogere lonen of hogere bijdragen aan de sociale zekerheid, spijzen de bedrijfskoffers en de zakken van de grootaandeelhouders. Ondertussen zitten de rijkste bedrijven op zulke bergen geld, dat ze er letterlijk geen blijf meer mee weten.

Eerder al rekende de hoofdeconoom van de Bank of England voor dat het mediane jaarloon van werknemers in het Verenigd Koninkrijk zo’n twintig procent hoger zou liggen dan het geval is, was dat jaarloon sinds 1990 op hetzelfde ritme geëvolueerd als de productiviteitsstijging.

Wat dus niet gebeurde. Men bakte grotere taarten, maar het stuk taart dat werkers mogen eten, groeide niet mee. De ‘loonkost’ mocht immers niet te veel stijgen, want dat zou de vestiging van bedrijven in het Verenigde Koninkrijk bedreigen. De taartthese schrijft een politiek van loonmatiging en een verlaging van de vennootschapsbelasting voor, om de bedrijfswinsten veilig te stellen.

Zoals in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, ook in Nederland, ook in Frankrijk, ook in Duitsland, ook in België. We concurreren ons arm. Duitsland voert een politiek van loonmatiging, dus België moet volgen. Nederland verlaagt de vennootschapsbelasting, dus België moet volgen. België smijt met loonsubsidies en bedrijfssubsidies, dus onze buurlanden schakelen ook een versnelling hoger. Telkens met de taartthese als rationalisatie: we moeten de grote bedrijven en de grote vermogens in de watten leggen, want zonder hen zijn we niets. Probleem: het andere land legt de zogezegde taartenbakker telkens net iets meer in de watten, dus we moeten telkens opnieuw nog een extra inspanning doen. En de rijke telt lachend z’n geld.

Sprekend voorbeeld: de Amerikaanse staten Kansas en Missouri hebben elkaar de laatste jaren systematisch bekampt met investeringssubsidies en andere lokkertjes, met als doel bedrijven de staatsgrens over te lokken: verhuis twee kilometer, ontvang zoveel miljoen dollar extra subsidie. Netto-banenwinst, nihil. Kost aan de staatskas: honderden miljoenen. Missouri stelt nu, zoveel jaar later, zoveel miljoen armer, geen job rijker, een wapenstilstand voor.

Onze economieën zijn zo verweven, kapitaal zo snel verschoven van de ene staat naar de andere, dat het wel lijkt alsof onze democratieën elke controle verloren hebben. Het is slechts schijn, een illusie gecreëerd door de propagandamachine van de grootste bedrijven die liever zien dat landen elkaar bekampen om de laatste kruimels, dan dat die landen de handen in elkaar slaan om bedrijven weer hun faire bijdrage te laten leveren.

De vraag is of onze Europese leiders, zo bevangen door de taartthese, het lef vinden om uit die wapenwedloop te stappen — en te kiezen voor een faire verdeling van de taart.

— Deze bijdrage verscheen eerder op Knack.be.

De sp.a als gemeenschapspartij

Waarheen met de sociaaldemocratie in Vlaanderen? Een journalist van deze krant ziet de SP.A worstelen met de vraag (DS 15 juni). Moet de partij leren uit het Deense voorbeeld? Moet ze een hard antivreemdelingendiscours voeren om de ‘traditionele’ kiezer die de partij de rug toekeerde terug te winnen?

In een Vlaanderen waar meer dan vier op de tien kiezers hun stem gaven aan nationalistisch- en extreemrechts, ondanks – of net dankzij – een campagne waarin het rechtse kamp de xenofobe boodschap niet schuwde, ligt het advies om dat discours over te nemen voor de hand. Want wie vertegenwoordigt een socialistische partij nog, als zij niet toont ‘de angsten en bezorgdheden’ van ‘de mensen’ ernstig te nemen? Je moet de kiezer zoeken waar hij is, niet waar je zou willen dat hij is. Bovendien zou precies door het antivreemdelingendiscours van rechts over te nemen en zo als verschilpunt uit te vlakken, pas de ruimte ontstaan voor de ‘eigen’, ‘linkse’ thema’s. Wil de sociaaldemocratie in Vlaanderen nog een toekomst hebben, moet zij dus resoluut de ruk naar rechts maken.

Het zou een grove vergissing zijn. De vraag hoe we de grenzen van de gemeenschap trekken, is geen bijkomstigheid die we aan rechts kunnen overlaten, opdat wij ons zouden kunnen richten op de ‘eigen’ thema’s. De vraag wie erbij hoort en wie niet, wie deel uitmaakt van onze gemeenschap en wie niet, gaat naar de kern van het socialisme.

Het socialisme streeft naar een samenleving van gelijken, een gemeenschap waarin de ene niet de meerdere of de mindere is van de andere, maar iedereen op gelijke voet staat en gelijk kan participeren aan de samenleving. Het socialisme streeft naar een samenleving waarin we onze lotsverbondenheid erkennen en de ander niet verschijnt als obstakel, als beperking van je vrijheid, maar steeds ook doel van je handelen is. Het socialisme streeft naar een samenleving waarin de vrije ontplooiing van iedereen de voorwaarde is voor de vrije ontplooiing van allen. Dat zeg ik niet, dat zegt Marx, in zijn omschrijving van de klasseloze maatschappij. Socialisme sloopt de muren die mens van mens afzonderen. Socialisme is gemeenschapsvormend. Want alleen bevrijd van elke onderwerping kunnen mensen samen vorm geven aan de samenleving, met elkaar, voor elkaar.

Dat samenlevingsideaal is in elk opzicht onverenigbaar met het antivreemdelingendiscours dat de sociaaldemocraten wordt aangemaand te papegaaien. Dat discours splijt gemeenschappen, creëert een klassenmaatschappij, vervreemdt mensen van elkaar — precies het tegendeel van de samenleving waar socialisten naar streven.

Sommigen beweren: een solidaire gemeenschap vereist duidelijke grenzen, we moeten durven te zeggen: ‘Genoeg is genoeg, de grenzen gaan toe.’ We moeten, luidt het advies, dus niet alleen de ‘open grenzen’-fictie bevestigen, we moeten meegaan in het verhaal dat de aanwezigheid van migranten in de samenleving ‘een probleem’ zou zijn. Die taal doet de ander verschijnen als bedreiging en trekt muren op tussen mensen. Dat discours creëert een klassenmaatschappij en staat een samenleving van gelijken in de weg.

Sommigen zeggen: we moeten de angsten en bezorgdheden van ‘de mensen’ ernstig nemen, ze herkennen ‘hun eigen wijk’ niet meer. Maar ‘de mensen’, dat zijn nooit de mensen die in het antivreemdelingendiscours geviseerd worden. Hun angsten en bezorgdheden zijn niet van tel, de wijk is niet net zo goed ook hun thuis. Die taal doet de ene verschijnen als de mindere van de andere. Dat discours bevestigt dat de geviseerde groepen hier niet echt thuis horen, niet op gelijke voet mogen participeren aan ‘onze’ samenleving.

Of die zogenaamde ‘vreemden’ hier nu twee weken, twee jaar, of al twee generaties wonen: hun aanwezigheid blijft in dat discours even problematisch. Zij blijven steeds ‘vreemden’, ‘indringers’ in ‘onze’ gemeenschap. Maar hoe kan iemand zich thuis voelen in een gemeenschap die zijn aanwezigheid steeds in vraag stelt, hem degradeert tot tweederangsburger, tot ‘een probleem’, tot bron van angsten en bezorgdheden? Hoe kan op zo’n discours een solidaire samenleving gebouwd worden?

Geen enkel discours is neutraal. In woord en in daad geven we telkens opnieuw vorm aan de gemeenschap. Het publieke debat is niet louter een passieve afspiegeling van wat leeft bij ‘de mensen’, maar een actieve creatie: in het publieke debat scheppen we een beeld van de gemeenschap, van wie wij als gemeenschap zijn, wat voor ons als gemeenschap van belang is – wie erbij hoort en wie niet. Een discours dat de aanwezigheid van de ander tot probleem maakt, voedt de argwaan en het wantrouwen, en ondermijnt elke mogelijkheid tot gemeenschapsvorming. Het staat haaks op het socialistische ideaal van de goede samenleving, een samenleving van gelijken.

Kan de SP.A iets leren uit het Deense voorbeeld? Het stelt op z’n minst de inzet van het debat op scherp: gelooft de partij nog in het ideaal van een samenleving van gelijken, of verkiest ze de klassenmaatschappij?

— Deze bijdrage verscheen op 22 juni 2019 in De Standaard.

Sociaal-democratie in de uitverkoop.

Goed nieuws uit het Noorden. De Deense sociaaldemocratische partij toont de weg voor haar zusters hier en elders in Europa: het volstaat om enkele basisprincipes van de sociaaldemocratie als overbodige ballast af te werpen, om weer met lichte tred en opgeheven hoofd de kiezer tegemoet te treden. Mette Frederiksen, leider van de Deense sociaaldemocraten, zou haar partij naar de overwinning leiden in de verkiezingen voor het nieuwe parlement.

De feestelijkheden waren al weken gepland, de champagne stond gereed: iedereen verwachtte een eclatante verkiezingsoverwinning voor de sociaaldemocraten. De eerste resultaten die binnenliepen waren weliswaar bemoedigend, maar weinig spectaculair. Het gaf niet, het verhaal was al geschreven: Mette Frederiksen had met haar linkse blok de rechtse regering onttroond, en ze slaagde waar zovelen in Europa faalden, door ongegeneerd het verhaal dat rechtse partijen over ‘het vreemdelingenprobleem’ vertellen over te nemen en eigen te maken. De partijen in de socialistische familie die elders in Europa liggen te zieltogen, leren dus maar best uit het Deense voorbeeld. Denemarken is de toekomst, Denemarken toont de weg naar de overwinning.

Nu ja, overwinning…

Uiteindelijk verliezen de sociaaldemocraten onder Mette Frederiksens harde lijn weer wat van het terrein dat ze onder haar voorgangster Helle Thorning-Schmidt hadden heroverd. Het is enkel door de forse vooruitgang van de andere partijen in het linkse blok, partijen die zich verzetten tegen het rechtse discours in plaats van het na te praten, dat het linkse blok nu aan zet is om de nieuwe regering te vormen.

Het klopt dat de extreemrechtse en populistische Deense Volkspartij behoorlijk wat van haar pluimen verloor, maar dat had meer te maken met de schandalen waarin ze verwikkeld raakte en opeenvolgende breuken in de partij dan met Frederiksens discours: de stemmen die de Volkspartij verloor gingen naar de rechtse Venstre-partij van uittredend premier Lars Løkke Rasmussen, niet naar de sociaaldemocraten.

Moeten we het verhaal dus helemaal herschrijven, en is het niet dankzij, maar net ondanks het overnemen van het praatje over ‘het vreemdelingenprobleem’ dat Frederiksen de nieuwe premier van Denemarken kan worden? Eerder gingen ook andere socialistische en sociaaldemocratische partijen die een meer rechtse lijn volgen op het migratiethema onderuit, zoals in Nederland de SP, terwijl de PSOE in Spanje kon winnen zonder alarmerend de migratietrom te beslaan.

Zelfs al had het nabauwen van het meest rechtse migratiediscours Mette Frederiksen geholpen aan de overwinning waarop iedereen al rekende – quod non –, was het werkelijk een overwinning op het xenofobe populisme geweest? Het volstaat dan om dezelfde xenofobe praat te verkopen, het volstaat om een beleid te steunen dat stoelt op xenofobe vooroordelen, om de xenofoben een smadelijke nederlaag toe te brengen. Neem hun discours over, voer hun programma uit: dat krijgt hen wel klein! Een vreemde redenering.

Wat meer is: het is een ijdele poging de sociaaldemocratie te redden door de sociaaldemocratie in de uitverkoop te zetten.

Het doel van de sociaaldemocratie is de nieuwe samenleving, waarin de leus van de Franse Revolutie – ‘vrijheid, gelijkheid, broederlijkheid’ –  verwezenlijkt wordt. Vrijheid kan dan niet betekenen wat het wel betekent in een maatschappij overheerst door de kapitalistische markt, waarin vrijheid verengd wordt tot louter het zo ongehinderd mogelijk nastreven van het particuliere eigenbelang. Dat vrijheidsbegrip komt immers onvermijdelijk in conflict met de morele eisen die gelijkheid en broederlijkheid ons stellen. De sociaaldemocratie streeft dus een nieuwe samenleving na, waarin vrijheid, gelijkheid, en broederlijkheid harmonieus samengaan. Of beter: dat was het doel van de sociaaldemocratie.

Vandaag schiet van die droom van een ‘nieuwe samenleving’ niets meer over, is men de noties ‘gelijkheid’ en ‘broederlijkheid’ volledig uit het oog verloren. Als men de sociale zekerheid weet te verdedigen, zal het allemaal allang goed zijn. De sociaaldemocratie verbeeldt vandaag geen nieuwe samenleving meer, maar is verworden tot de belangenbehartiger van deze of gene groep binnen de bestaande orde, waarvoor anderen zonodig geslachtofferd worden. Een partij kan alleen het rechtse discours over ‘het vreemdelingenprobleem’ overnemen, waarin mens tegen mens wordt opgehitst, als ze niet meer droomt van de nieuwe samenleving waarin ‘vrijheid, gelijkheid, en broederlijkheid’ werkelijkheid worden – als ze dus geen sociaaldemocratische partij meer is. Op verdeeldheid kan men geen solidaire samenleving bouwen.

—Deze bijdrage verscheen op 7 juni in De Morgen.