Lof der zichtbaarheid.

In de weekendkrant een pleidooi van Mark Elchardus tegen quota en positieve discriminatie. Zulke maatregelen herleiden mensen immers tot hun uiterlijke kenmerken en sluiten zo naadloos aan bij andere abjecte vormen van essentialistisch denken, waarbij een persoon niet beoordeeld wordt op wat hij zegt en doet maar op uiterlijke bijkomstigheden zoals geslacht en huidskleur. Een pleidooi voor quota, hoe goedbedoeld ook, valt terug te voeren tot eenzelfde denkvorm als racisme, en daarvoor mag in onze maatschappij geen plaats zijn. Bovendien geeft het ook geen pas om mensen als ik – jonger, man, blank – rechten te ontnemen omwille van het feit dat mensen als Mark Elchardus – ouder , man, blank – in het verleden bevoordeeld zouden zijn geweest.

Voor alle duidelijkheid: ik ben, net zomin als Elchardus, voorstander van de reductie van democratie tot een kwestie van ‘afspiegeling’. Kiezers moeten in alle vrijheid kunnen kiezen wie zij aanstellen als vertegenwoordiger van het volk, en horen daarbij niet beperkt te worden door regels van bovenaf opgelegd die de manoeuvreerruimte van de kiezer steeds meer willen beperken (zoals, tussen haakjes, ook een veralgemeend cumulverbod zou doen).

Maar dat is, ten eerste, een theoretisch argument dat gemakshalve negeert hoe de praktische werking van onze samenleving garandeert dat zonder regels om een meer gelijkwaardige vertegenwoordiging af te dwingen, vrouwen weer naar de zijkant gedrongen zullen worden. En het miskent, ten tweede, een belangrijke reden waarom gevraagd wordt naar een meer getrouwe afspiegeling in gezagsposities van de verscheidenheid in onze maatschappij.

Deze vraag moet niet geconstrueerd worden als een delegitimatie van blanke mannen ‘omdat’ ze blank en man zijn: alsof dat feit een afdoende reden zou zijn om niet meer te hoeven luisteren naar wat Mark Elchardus of ik te zeggen hebben. Het gaat er niet om dat de één meer of minder recht van spreken zou hebben ‘omwille van’ zijn geslacht of huidskleur. Dat zou inderdaad een abjecte vorm van essentialistisch denken zijn. Maar dat is niet waar die vraag om draait. Wat er op het spel staat, is de manier waarop een gemeenschap zichzelf begrijpt.

Men zou verwachten dat net Mark Elchardus, die zo’n belangrijke rol geeft aan de idee van gemeenschap in zijn denken, oog zou hebben voor de manier waarop een gemeenschap een beeld van zichzelf vormt. Wat wordt zichtbaar gemaakt in de publieke ruimte, wat blijft in het verborgene: het bepaalt welke kenmerken verschijnen als volledig transparant in hun alomtegenwoordigheid, als ‘niet ter zake doende’ (mijn man-zijn, mijn blank-zijn), en achter welke bijkomstigheden het oog blijft haken en zo beletten dat de persoon zelf kan verschijnen als iemand die iets te zeggen en te tonen heeft.

De vraag naar een meer getrouwe afspiegeling van onze maatschappelijke verscheidenheid in gezagsfuncties is er precies op gericht om die ongelijkheid weg te gommen. Het verschil zichtbaar maken, normaliseert het, maakt het transparant: het verliest aan belang als verschilpunt. Hoe meer vrouwen verschijnen, hoe meer hun vrouw-zijn als bijzonder kenmerk kan verdwijnen. Dat is de inzet: identiteitspolitiek zinloos maken door het verschil zichtbaar te maken.

— Dit stuk verscheen eerder in De Morgen.

Nooit is de democratie definitief verworven

Op een week tijd werd Amerika driemaal door elkaar geschud door wit-nationalistische terreur. Na de eerste aanval, een reeks bommen geadresseerd aan prominente Democratische politici en multimiljardair George Soros, geliefkoosd object van complottheorieën want van joodse afkomst, bestond de populaire vooruitgangsdenker Steven Pinker het zich te beklagen over het feit dat zoveel aandacht werd besteed aan wat bommetjes: het zou maar de aandacht afleiden van de vredige tijden waarin we leven.

Helaas voor Pinker stuit zijn optimisme over de longue durée op het onhandige gegeven dat mensen leven en sterven in het nu, zoals enkele dagen later akelig duidelijk werd, toen nog een wit-nationalistische terrorist probeerde een zwarte kerk binnen te breken. Toen dat niet lukte, schoot hij twee zwarte voorbijgangers dood.

Weer enkele dagen later richtte een derde wit-nationalistische terrorist een bloedbad aan in een synagoge, waar hij elf joodse mannen en vrouwen vermoordde. Zijn motivatie: de overtuiging dat ‘joden’, met George Soros als grote marionet, een complot hebben gesmeed om het witte ras uit te roeien door ‘omvolking’.

Het is een complottheorie uit de diepste krochten van de neonazistische onderwereld die deze dagen vlot naar de oppervlakte komt, in alle ernst wordt besproken op televisiezenders, en gepromoot wordt door prominente Republikeinen en de Amerikaanse president Trump zelf. Uit overtuiging? Uit electorale overwegingen (en wat zegt dát dan over het klimaat)? Omdat het aardige kijkcijfers oplevert? Het gevolg blijft: alle vooruitgangsdenken ten spijt is een antisemitisch, xenofoob, en wit-nationalistisch discours genormaliseerd, infecteert het politiek en samenleving, en drijft het mensen tot moord.

Amerika? Alsof hier niet salonfähige rechtse clubjes en doordeweekse televisiezenders extreemrechtse volkshitsers als een Thierry Baudet op de schouders hijsen. Dat ook hij grossiert in antisemitische complottheorieën en het meest zwarte ‘omvolking’-discours is geen enkel bezwaar; het volstaat te murmelen dat men het niet per se met alles eens is om het geweten rein te weten. Fascisten krijgen alle aandacht in de media die ze zich maar kunnen dromen: als ze maar netjes gekapt zijn en een proper pak aantrekken worden ze gebombardeerd tot prikkelende denkers waarover het publiek wijd en zijd geïnformeerd hoort te worden, alsof ons een onrecht wordt aangedaan wanneer de pers er zich van weerhoudt xenofobe, homofobe, en misogyne waanbeelden te normaliseren tot een discours als elk ander.

Als een zwerm sprinkhanen daalt de woordenwolk neer op onze geesten, vreet het onze gedachten kaal, tot er niets overblijft dan een lege woestenij, een echoput in onze hoofden waar hun gemekker en hun geblaat, hun gemeier en hun beunhazerij, hun geloei en hun gebrul blijft galmen tot in de eeuwigheid amen.

Democratie en respect voor mensen in al hun verscheidenheid is nooit definitief verworven. We kunnen alles nog verliezen.

—Dit stuk verscheen op 30 oktober in De Morgen.

Tien jaar na Lehman Brothers. (Geen) lessen uit de Grote Financiële Crisis.

Maandag 15 september 2008: de val van Lehman Brothers. De iconische Wall Street investeringsbank moet de boeken sluiten. Woensdag 5 mei 2010: demonstraties in de Griekse hoofdstad Athene. Drie mensen sterven wanneer relschoppers het bankkantoor waarin ze aan de slag zijn aanvallen met brandbommen. Donderdag 23 juni 2016: het Verenigd Koninkrijk kiest in een volksraadpleging voor uittrede uit de Europese Unie. Vier maanden later, dinsdag 8 november 2016, wint Donald Trump de presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten: hij wordt de vijfenveertigste president van de machtigste staat op aarde. Wat is er gebeurd?

Wat veroorzaakte de financiële crisis die het einde betekende van Lehman Brothers en, dichter bij huis, Fortis en Dexia? Waarom luidde de ondergang van een investeringsbank in New York de zwaarste recessie sinds de jaren 1930 eeuw in; waarom verloren tientallen miljoenen Europeanen hun werk? Hoe heeft die dubbele uppercut van financiële crisis en economische recessie de wereld waarin we vandaag leven gevormd en vervormd? Een gebrek aan ambitie valt de Britse historicus Adam Tooze niet te verwijten. Crashed. How a Decade of Financial Crises Changed the World is een wijdlopende studie naar de oorzaken van de financiële crisis, waarom ze kon uitmonden in een globale recessie van ongeziene omvang, en hoe de crisis de geopolitieke kaarten grondig hertekende. Komen onder andere aan bod: een analyse van het trans-Atlantische bankwezen, de investeringspolitiek van China, de spanningen tussen de Europese Unie en Rusland en het conflict in Oekraïne, hoe Griekenland in de gracht belandde, Brexit en Trump. Het verhaal dat Tooze vertelt in Crashed is echter veel meer dan louter een overzicht van de belangrijkste spelers en de meest bepalende gebeurtenissen in de reeks crisissen die de wereld sinds 2008 door elkaar schudden. Tooze gaat op zoek naar het waarom: hij wil de kanalen blootleggen waarlangs het lot van Lehman Brothers verbonden was met het lot van Griekenland.

Tooze vertelt het verhaal dus niet vanuit het gezichtspunt van het gezin in Florida dat uit z’n huis wordt gezet omdat het de hypotheek niet meer kan aflossen, de Spaanse jongeling die het steeds verder aanzwellende leger van werklozen vervoegt, de Griekse gepensioneerde die op het Syntagmaplein demonstreert tegen de voortdurende bezuinigingen, of de Oekraïner die op het Maidanplein zwaait met een Europese vlag. Crashed is, in de formulering van Tooze, ‘een poging te tonen hoe macht en geld circuleren’: het is een briljante analyse van de machtsverhoudingen en geldstromen die de wereld vormen, en hoe politieke en economische beleidsmakers die circulatie van geld en macht begrepen, en misbegrepen.

Crashed vervult hiermee een kritische opdracht die Tooze eerder dit jaar verwoordde in een beschouwing over Globalists. The End of Empire and the Birth of Neoliberalism, een studie van Quinn Slobodian naar de oorsprong van het neoliberalisme. Kritiek op het neoliberalisme, schrijft Adam Tooze daar, kan zich niet beperken tot princiepsdiscussies, maar moet de focus leggen op ‘de reële mechanismen van macht en productie’. Kritiek op het neoliberalisme moet ‘de ware vijanden van Hayek nieuw leven inblazen: de impuls om te weten, de wil om in te grijpen, de vrijheid om te kiezen’. Kritiek moet focussen ‘op wat het neoliberalisme wil verbergen: de grote en kleine motoren die de sociale en economische realiteit voortdurend maken en hermaken (…). Hier ontmoeten we het werkelijk bestaande neoliberalisme – en het is hier dat we kunnen hopen het te bestrijden.’

In Crashed vervult Tooze de opdracht die hij daar formuleerde met verve. Hij concentreert zich op de regulerende en deregulerende activiteiten van overheden, centrale banken en toezichthouders, en de gevolgen van die activiteiten voor de ontwikkeling van de vastgoedmarkt, het bankwezen, en pensioen- en geldfondsen; hij analyseert het precieze functioneren van het netwerk van investerings- en grootbanken dat de Atlantische Oceaan overspant en de geldstromen die tussen die banken heen en weer klotsen; hij stelt een bestiarium op van financiële instrumenten die banken ontwikkelden in hun jacht naar steeds meer geld; hij laat zien waarom de ontwikkeling van die financiële producten zo veel winst kon opleveren voor dat netwerk van financiële instellingen, en wat dit te maken heeft met de opkomst van China, de steeds verder aanwassende cashreserves van een select groepje multinationals, de verschuiving naar private pensioenen, en de groeiende ongelijkheid en vermogenspolarisatie in de westerse wereld. Tooze werpt in Crashed een koele blik op het praktisch functioneren van de mechanismes van het neoliberale regime.

Wat hij hierbij blootlegt kan, zo geeft hij zelf aan, niet meer toegedekt worden met ‘geruststellende eufemismen,’ zoals de noodzaak om de koek eerst te bakken voor hij verdeeld kan worden. In de hedendaagse economie heeft een coterie van financiële instituties zich getransformeerd van de smeerolie die nodig is om de motor van de reële economie vlot te doen draaien tot heer en meester over die economie. Het gaat om een ‘nauw verweven oligarchie’, een netwerk van een kleine groep systematisch belangrijke financiële instellingen waarbinnen triljoenen dollars worden rondgepompt in een poging de eigen winsten en de eigen bonussen steeds verder de hoogte in te jagen. Dat kliekje is verantwoordelijk voor het gros van de private geldschepping – en heeft zo de globale economie van zich afhankelijk gemaakt en aan zich weten te onderwerpen. Precies die rol in de economie die de oligarchie zich heeft weten toe te meten, maakte wat volgde even schandalig als onvermijdelijk.

In 2008 klapte het kaartenhuisje in elkaar. Grootbanken, investeringsbanken en geldfondsen verloren het vertrouwen in de financiële instrumenten die zij in hun winstbejag zelf zo ingenieus hadden uitgedacht. De kredietstromen droogden op, de financiële economie sleurde de reële economie in zijn val mee. In respons op die crisis konden overheden en centrale banken die wilden vermijden dat de economie volledig zou imploderen niet anders dan de centrale rol van die coterie van financiële instellingen erkennen: om het systeem overeind te houden, werden triljoenen dollars versluisd naar het netwerk van financiële instellingen dat verantwoordelijk was voor het uitbreken van de systeemcrisis waaraan ze zelf dreigden ten onder te gaan. ‘It was a deep crisis of modern politics,’ aldus Tooze: ‘Though it is hardly a secret that we inhabit a world dominated by business oligopolies, during the crisis and its aftermath this reality and its implications for the priorities of government stood nakedly exposed. It is an unpalatable and explosive truth that democratic politics on both sides of the Atlantic has choked on.

Was het dan ook enkel om die oligopolie ter wille te zijn dat de economische depressie die Europa in haar greep kreeg zo diep moest snijden, met als trieste exponent het Griekse drama? Geenszins, toont Tooze. Meer dan het verhaal van een neoliberaal ‘complot’ ter wille van het bedrijfsleven, is de Eurocrisis het verhaal van de incompetentie van conservatieve Europese beleidsmakers die geen enkel begrip schenen te hebben van het functioneren van de globale economie in de 21e eeuw, van partijpolitiek opportunisme voor binnenlands gebruik dat elke tijdige oplossing op Europese schaal in de weg stond, van kortzichtigheid, en niet in de laatste plaats van doctrinaire verdwazing. Het was een bewuste, politieke keuze om het verhaal van de crisis in Europa te transformeren van het failliet van een economisch model aangedreven door een oligopolie van hebzuchtige banken tot dat van een al te vrijgevige overheid en een al te ruimhartig sociaal beleid. Die mix volstond om het continent de afgrond in te rijden. Tientallen miljoenen burgers werden het slachtoffer van bewuste beleidskeuzes die nergens voor nodig waren en nergens goed voor waren. Alleen woede om wat hen werd aangedaan, schrijft Tooze, is hier op zijn plaats: ‘It was a spectacle that ought to inspire outrage. (…) The story told here is not that of a successful political conjuring trick, in which EU elites neatly veiled their efforts to protect the interests of European big business. The story told here is of a train wreck (…) If we take the cynical view that the basic mission of the eurozone was not to serve its citizens but to provide European capital with a field for profitable domestic accumulation, then the conclusion is inescapable: between 2010 and 2013 it failed spectacularly.

Tien jaar na de ondergang van Lehman Brothers hebben bewust gecultiveerde mythes over de oorzaken van de crisis ons in hun greep, en lijken beleidsmakers alleen de foute lessen te trekken uit het dramatische decennium dat zovelen zoveel gekost heeft. Crashed van Adam Tooze is een noodzakelijk boek. Het hoort verplichte lectuur te zijn voor iedereen die van ver of van dichtbij betrokken is bij het uittekenen van het economische en sociale beleid – en voor iedereen die de wereld waarin we vandaag leven wil begrijpen.

— Deze bijdrage verscheen in het oktober-nummer van Samenleving en Politiek.

De Groene maagd, of: Le changement, c’est maintenant

Brussel heeft gekozen, en het Vlaamse commentariaat krabt zich vertwijfeld in de haren: hoorde de PS niet afgestraft te worden? Als Brussel al eens het vermelden waard werd geacht in Vlaamse media, dan was het om een schandaaltje hier en bestuurlijke chaos daar, en daarvoor kon maar één partij verantwoordelijk zijn: de Franstalige socialisten. En zij hebben géén zware klappen gekregen? De Brusselse kiezer is duidelijk niet goed bij zijn of haar verstand — maar die woont dan ook in Brussel.

Nochtans. De Samusocial-affaire was, inderdaad, behoorlijk onverkwikkelijk. Maar Mayeur werd de deur gewezen, zijn opvolger Close ging de wildgroei aan structuurtjes met de heggeschaar te lijf. En de Brusselaar zelf? Die wilde wat de meeste stedelingen willen: een aangename stad om in te leven. En de historie van de centrale lanen kan daar symbool voor staan.

Het duurde veel te lang, en het was alleen dankzij burgerprotest, maar uiteindelijk begon de stad wel met het aanpakken van de centrale lanen: weg de autostrade die de stad doormidden sneed, weg de permanente file van toeterende auto’s, eindelijk plaats voor een wandelpromenade in het hart van de stad. En de Brusselse kiezer zag dat het de PS was, toen nog samen met de sp.a, die toen ze eindelijk overstag ging de piétonnier ook effectief doordrukte — terwijl de Brusselse liberalen vanuit de meerderheid bleven tegenstribbelen, en er alles aan deden om de auto zo veel mogelijk vrije baan te geven. De Brusselse kiezer die een leefbare stad wil zag het, en hij verkocht de MR en hun zusjes van Open Vld een ferme oplawaai.

De MR voerde campagne met een taalgebruik dat bijwijlen tegen ranzig rechts aanschuurde, met een programma dat zo uit de jaren 80 gelicht leek en een kopstuk dat ritselde en regelde dat het een lieve aard had en zijn ziel nog zou verkopen voor een snelle auto. De Brusselaar zag het, de Brusselse kiezer bleek hoegenaamd niet geïnteresseerd. De PS, die vermaledijde, inerte PS, bleef dus toch overeind; MR en Open Vld met hun regressieve liberalisme mochten beschikken.

En nu? De PS hijst Ecolo-Groen, samen met de PTB-PVDA dé grote winnaar van de verkiezingen in Brussel, mee aan boord. Mogen ook meedoen: de oude kameraden van de sp.a – pardon, Change.Brussels. Zal Brussel veranderen? De grote uitdaging blijft dezelfde: hoe een plek geven aan iedereen in deze krioelende, verwarrende, wondermooie stad? In geen enkele stad in België groeit de bevolking zo snel als in Brussel: het afgelopen jaar nam het aantal Brusselaars drie keer sneller toe dan het aantal Gentenaars en Antwerpenaars, zelfs vijf keer sneller dan het aantal Carolo’s. Al die mensen moeten op zoek naar een woning, al die mensen willen wat groen in hun buurt, een speelplein, een school en een werkplek. Maar hoe gaat het nieuwe Brusselse stadsbestuur al die mensen de ruimte geven die zij nodig hebben? Meer woningen, meer werk, meer groen, meer plaats voor mensen. Begin er maar aan.

Zal Brussel werkelijk veranderen? Dat groenen in het bestuur nog geen garantie zijn voor een groen bestuur, bewijzen de buren in Schaarbeek waar Ecolo-Groen ook alweer bijna twee decennia tussen de lakens van de macht ligt. Maar als er één Brusselse gemeente is geweest die de afgelopen jaren ongehinderd getiranniseerd werd door straatraces en wegpiraterij, dan zal het wel Schaarbeek geweest zijn.

Het merkwaardige is: het doet de groenen geen pijn. Zoals het vertwijfeld klonk bij een kennis die voor de verkiezingen de straat optrok: iedereen klaagt over het compleet ontbreken van elk mobiliteitsbeleid in Schaarbeek, en wie er het hardst om klaagt, is het meest vastbesloten Ecolo-Groen te stemmen.

Kortom: al liggen ze nog zo lang in bed, de groenen blijven eeuwig maagd. Wat zij ook doen of laten, het deert hen niet: zij blijven de belichaming van al uw dromen.

Als het is om kiezers te lokken, toont het Schaarbeekse voorbeeld dus dat het voor de groenen volstaat om rustig mee te dobberen in de meerderheid. Voor het goed van Brussel mag dat niet volstaan. Om even een slogan van de MR te lenen – zij hebben er nu toch geen nood meer aan: Le changement, c’est maintenant.

— Dit stuk verscheen eerder in De Morgen.

Een ode, een lamentatie

Liefde is irrationeel, de liefde voor een voetbalclub grenst aan waanzin. Vanwaar die gehechtheid aan wat kleuren, een stamnummer, een geschiedenis waar men part noch deel aan had? Liefde is een daad van geloof, en wie gelooft, weet; en wie niet gelooft, kan nooit weten.

Geel en rood: het is de hartslag van mijn leven. KV Mechelen won niet en KV Mechelen verloor niet: wij wonnen en wij verloren. Wij speelden voor promotie en wij degradeerden. De liefde is irrationeel, biedt geen houvast, en maakt ons tot wie wij zijn – soms tot ontsteltenis van wie ons kent. 

Wij zijn de Malinwa, de Malinwa is deel van ons. En zij hebben het vergooid. Zij offerden onze club op een altaar ter hunner roem: wis dus hun namen uit ieders hart, laat het grote vergeten hun deel zijn. Ze hebben op ons hart getrapt, ze spuugden in ons gezicht, ze raakten ons in wat ons het dierbaarst is: onze trots op onze kleuren.

Vijftien jaar geleden was KV Mechelen op sterven na dood. Een zakenman met meer geld dan verstand zag de club als speeltuin van zijn dromen, en leidde de club te midden van steeds grotere chaos en steeds absurdere intriges naar de afgrond. Hij wilde de grote dagen terugbrengen, hij wilde gevierd zijn: hij gaf ons een schuldenberg en – onbedoeld – misschien wel het mooiste gebeuren in ons bestaan. Het was liefde die de Malinwa redde. De liefde van stoere middelbare mannen met tranen in hun ogen, de liefde van kinderen en hun wafelbak, de irrationele liefde van mensen die hun werk opzijzetten om in zeven haasten en vanuit de kofferbak van hun auto een winkeltje uit de grond te stampen van clubmemorabilia – om Malinwa een toekomst te geven. Zij gaven hun ziel en zij gaven hun zaligheid. Zij hebben KV Mechelen gered, want zij hadden liefde en geloof.

Deze mensen hebben ons gered en maakten er de mooiste ploeg van die ooit in ons land mocht voetballen. Hoe vaak heb ik mijn liefde niet vervloekt wanneer ik in de vrieskou en terwijl sneeuwregen mij in het gezicht sloeg op de betonnen gradinen stond en er weer een verloren bal over de zijlijn hobbelde. Maar hoe trots was ik dat ik daar mocht staan, dat ik deel mocht zijn van de Malinwa. Supporters hebben KV Mechelen gered, dankzij supporters bestaan de kleuren nog, het stamnummer, de geschiedenis. Bestaan wij nog. En we kwamen terug.

En toen kwamen zij. Ze hadden alles: geld en eigendunk, geld en roemzucht, geld en de vaste overtuiging dat de club hen toebehoorde en het instrument was van hun wanen. Ze hadden alles, behalve het enige dat telt: liefde en eergevoel.

Na de onwaarschijnlijke redding van KV Mechelen door de supporters nu vijftien jaar geleden, werd boven de eretribune waar de bestuurders van de club zitten een bord geschroefd: ‘Remember 2002-2003’. Dit jaar ging die oude betonnen tribune tegen de vlakte, een modern gevaarte van glas en staal komt in de plaats, met comfortabele zeteltjes voor de nieuwe bestuurders. Voor het gedenkbord werd nog geen plaats gevonden.

Niemand droomt nog van een sociale stad

De laatste rechte lijn naar de verkiezingen is ingezet en lusteloos werp ik de glanzende foldertjes in de papiermand. Een schijnbaar goedgemutste kandidaat lacht me blijmoedig toe, en ik breek me er het hoofd over wie dat wel wezen mag, die mij vreemde man, en waar hij dan wel voor mag staan. Hij wil vooruit met Jette: het tegendeel zou verbazen. Maar waarheen ‘vooruit’ is, daar heb ik het raden naar, het is schijnbaar nauwelijks van belang.

De enige kiesstrijd die om me heen woedt, gaat over de breedte van het fietspad. Stadsbeleid gereduceerd tot de vraag of op het asfalt een dunne witte dan wel een dikke rode streep geverfd moet worden. Mag het alstublieft ietsje meer zijn?

Dat stadsbeleid een motor van sociale verheffing kan zijn: het idee wordt niet zozeer genegeerd, het lijkt totaal vergeten. Waar is de burgemeester met de branie van de sociaal-democratische verkozenen van het ‘Rode Wenen’ van het interbellum, die aan een stad bouwden waar iedereen goed kon wonen en leven, en niet enkel de burgerij aan de Ringstrasse? Vandaag gelooft niemand nog in het idee dat ambitieuze sociale woonprojecten de kern uitmaken van een beleid dat hele stadswijken en hun inwoners kan optillen naar een beter leven. Het is verworden tot louter symptoombestrijding, een noodoplossing waar het echt niet anders kan, zo veel mogelijk weggestopt uit het zicht van de welgestelde en weldenkende burger.

Nu verbannen we wie het moeilijker heeft naar de rafelranden in de stad, opeengepropt in overvolle huisjes en ontzielde appartementsblokken, waar niemand zich nog om hen bekommert – zolang ze maar niet in de weg lopen van een of ander blinkend stadsverfraaiingsproject. Want dat lijkt nog het enige doel te zijn van een stadsbestuur ‘met ambitie’, van welke gezindte ook: hun ‘vernieuwde’ stadscentrum verkocht krijgen in een glossy bijlage. Maar hoe aan een stad bouwen die plaats biedt voor iedereen: het is het vermelden niet waard.

Als wonen dan toch eens opduikt in de campagne, dan omdat men vuil kan spuien: schande! Want iemand die in een sociale woning kon intrekken toen ze moeilijk kon rondkomen, woont er nog steeds nu het haar beter vergaat – weliswaar aan een marktconforme huurprijs. Zodra men zich weet te ontworstelen aan armoede, hoort men dus te vertrekken, de kinderen naar een andere school te sturen en de banden met de buren door te knippen: in een sociale wijk mag men zich niet opwerken, op straffe van verbanning. Het hele verwijt staat haaks op wat het doel van een ambitieus sociaal woonbeleid hoort te zijn: wijken en hun bewoners optillen naar een beter leven. Het ontbreken van dat beleid veroordeelt de sociale wijk zo tot het afvoerputje van de stad. Maar over die kern van de zaak, over wat een sociaal woonbeleid kan betekenen voor een stad en haar inwoners? Nauwelijks een woord.

Toegegeven, hier en daar zal wel een stem weerklinken dat het niet klopt, dat het niet waar is, dat ze het in hun programma wél over meer hebben dan wat fietsen en een mooi aangelegd pleintje in het centrum: kijk maar, als je goed zoekt op het internet vind je een uitgebreider programma, en kijk hier, op bladzijde 37, net na het puntje over hondenpoep: we zijn tegen armoede. Zie je wel? Fair enough. En toegegeven, er zijn er die wel degelijk hun stinkende best doen om de discussie over meer te laten gaan dan de plaats van de bakfiets in de stad – helaas zonder al te veel succes. Het doet me denken aan een kennis van me: als politicus elke dag opnieuw zwoegen om sociaal beleid op de kaart te zetten en nergens gehoor krijgen, maar zodra ze (o godsgruwel!) een ‘ludieke actie’ opzet voor een parkje: bingo.

Misschien ligt het dus niet aan hen, dat gebrek aan ambitie, de totale afwezigheid van enige sociale visie. Misschien willen ze wel, maar hebben ze moeten vaststellen dat wij er niet in geïnteresseerd zijn. We willen een fietspad, de rest kan ons gestolen worden.

— Dit stuk verscheen op 9 oktober in De Morgen.

Een rode neus alleen is niets waard.

Dat jonge jongens en meisjes het afgelopen jaar meer dan vijftig nachten in een Antwerpse politiecel moesten overnachten omdat er nergens anders plek voor hen was, nergens een bed om in te slapen, is alleen nog goed voor een klein berichtje ergens op de binnenpagina’s van de krant: wie ligt er nog wakker van? We laten kwetsbare kinderen in de steek, maar zo gaat het al jaren; op meer dan schouderophalen wordt het nieuws niet meer onthaald. Zo ging het altijd, zo zal het altijd gaan.

Een minister zet een rode neus op om ‘aandacht te vragen voor psychologische problemen bij jongeren’ – ondertussen kunnen steeds minder kinderen terecht bij de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg, moeten die kinderen steeds langer wachten op hulp, en blijft Vlaanderen kampen met schrikbarend hoge zelfdodingscijfers. Het is makkelijker een rode neus op te zetten – lekker ludiek – dan effectieve hulp bereikbaar te maken.

Eind 2017 kregen bijna 5.300 kinderen met een zware zorgnood niet de intensieve zorg en ondersteuning waar zij nood aan hebben. Die vele duizenden kinderen stonden op dat moment gemiddeld al langer dan een jaar geparkeerd op een wachtlijst voor hulp. De wachtlijsten groeien aan, en ondertussen kan voor steeds minder kinderen met de nodige ondersteuning gestart worden: de jeugdhulp is volledig dichtgeslibd. Maar fondsen vrijmaken om die duizenden kinderen wél zorg te bieden, blijkt onmogelijk: zij zijn niet belangrijk genoeg, hun stem klinkt niet luid genoeg.

De tientallen jongeren die noodgedwongen de nacht doorbrengen in een politiecel, de duizenden kinderen met een beperking en een zware zorgnood die op een maanden- en zelfs jarenlange wachtlijst voor hulp worden geparkeerd: collateral damage van het gebrekkige Vlaamse welzijnsbeleid.

Vandaag wordt in het Vlaams Parlement het Jaarverslag Jeugdhulp besproken. Wat de vorige jaren al gezegd werd, kan nog eens uit de archieven opgediept worden: stof de tekst wat af en hij kan zo weer dienen; au fond verandert er toch niks. Te veel kinderen kregen geen hulp, krijgen nog steeds geen hulp, en als we blijven verder doen zoals vandaag zullen ze ook morgen geen hulp krijgen.

We zouden nooit aanvaarden dat een kind met een longontsteking zonder zorg naar huis wordt gestuurd omdat alle ziekenhuizen volzet zijn. Voor kinderen met een fysieke of een verstandelijke beperking is dat de realiteit van elke dag.

Zonder een grondige discussie over het financieringsmodel van de jeugdhulp komen we er niet. Zolang het budget dat vrijgemaakt wordt voor jeugdhulp meer uitstaans heeft met wat er toevallig nog achter de zetel gevonden wordt bij begrotingsbesprekingen dan met de reële noden en behoeften, blijft het jeugdhulpbeleid louter het beheren van wachtlijsten, beredderen en behelpen, schaarse middelen heen en weer schuiven van crisis naar crisis, en de goden afsmeken dat er toch in hemelsnaam geen al te grote drama’s gebeuren.

Het is koken met ingrediënten voor tien man terwijl een veelvoud aan hongerigen op eten wacht, en hopen dat met een iets andere tafelschikking iedereen wel voldoende aan zijn trekken zal komen. Het kan zo niet verder.

— Dit stuk verscheen op 2 oktober in De Morgen.

Tussen kunst en seks.

De mens is een ziek dier, en zoekt verlichting in de vernedering van zijn naaste; hij weet pas dat hij bestaat wanneer hij een ander doet buigen voor zijn wil. Geef hem andermans lot in handen, als was het een pop om mee te spelen, en hij zal die pop in honderd onmogelijke houdingen plooien om zichzelf meer mens te weten, alsof hij de pijn van een ander nodig heeft om te voelen dat hij leeft.

Maar noem het kunst, en het wordt verdoezeld. Is de man die zich poppenspeler waant een man van aanzien, het wordt verontschuldigd.

In te veel commentaren op Jan Fabre blijft de verwarring voortduren tussen het aftasten van artistieke grenzen en het afdwingen van seks in ruil voor een artistieke toekomst. Maar welke verwarring is er dan mogelijk? Het afdwingen van seks in ruil voor een artistieke toekomst heeft net zomin met kunst te maken als het afdwingen van seks in ruil voor een academische toekomst met wetenschap te maken heeft: het is kunst noch wetenschap, het is seksueel misbruik. Dat misbruik trachten te verdrinken in een discours dat de artistieke waarde benadrukt van het kunstenaarschap van Jan Fabre is een abjecte vergoelijking van misbruik en bovendien een degradatie van de waarde van de kunst zelf.

Het is niet de taak van een dansvoorstelling of een pentekening om het karakter van hun maker wit te wassen. Als er geen sprake is van misbruik, zal het geen toneelstuk zijn dat zijn onschuld aantoont; als er wel sprake is van misbruik, zal er geen sculptuur zijn die de maker desondanks kan vrijpleiten. Ter verdediging van Fabre zijn kunstenaarschap aanhalen is een zwaktebod dat de aanklagers niet ernstig neemt. Het is de mens niet meer zien in de nevelbanken van de kunst. Maar geen mens hoort geslachtofferd te worden op het altaar van een zogenaamd hoger ideaal: niet in naam van ‘het volk’, niet in naam van ‘de revolutie’, en al helemaal niet in naam van ‘God’ of –godbetert – ‘kunst’.

Dat misbruik ook de kunstsector treft, mag niet verbazen. ‘Macht corrumpeert, en absolute macht corrumpeert absoluut’ is een boutade die te veel waarheid bevat om ons comfortabel bij te voelen. De mens is immers een ziek dier, en de kunstsector – net zoals de academische sector – vormt een wereld waarin jonge mannen en vrouwen in het najagen van hun droom afhankelijk zijn van de grillen van een kleine groep poortwachters: de weg naar hun hemel leidt te vaak door de hel.

Het toont de fragiliteit aan van elke situatie waarin de lotsverbetering van een mens geen zaak is van afdwingbare rechten maar van de goedgunstigheid van een ander. Het plaatst mensen in relaties van afhankelijkheid die vernederend zijn, hen kwetsbaar maken, hun vrijheid inperken in het besef de poortwachter niet voor het hoofd te mogen stoten. Haal dus de stormram boven en beuk de poorten in.

—Dit stuk verscheen op 18 september in De Morgen.

De nacht van 3 op 4 september

Op de avond van 3 september 1942 sluiten Duitse ordetroepen in Brussel de Marollen en enkele straten rond het Zuidstation af. Huizen waarvan ze weten of vermoeden dat er Joden wonen, worden uitgekamd. 597 mannen, vrouwen en kinderen worden die nacht weggevoerd naar de Dossinkazerne in Mechelen. Sommigen verblijven er vier dagen, anderen net iets langer dan een week. Allen worden ze gedeporteerd naar het concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau.

Na een eerdere actie in Antwerpen op 22 augustus was het de eerste razzia in Brussel. Op de transportlijst naar het vernietigingskamp: mensen als Feiga Perkel-Eppel, 32 jaar, geboren in Keulen, ‘statenloos’. Haar zoontje, net geen vier maanden oud, Aron Nathan Perkel, geboren in Brussel, ook ‘statenloos’. Rosalie Frojerman-Ring, 26 jaar, geboren in Berlijn, ‘statenloos’. Elkuna Frojerman, 34 jaar, geboren in Lodz, ‘statenloos’. Adeline Razjner, vier jaar, geboren in Elsene, ‘statenloos’. Hun afkomst (Duitsland, Polen, voor de jongsten België) en hun statuut (‘statenloos’) een reflectie van het doelwit van de razzia: Joden die eerdere vervolgingsgolven ontvlucht hadden, en hun heil en hun onderkomen zochten in België.

De werkelijkheid achterhaalde hen. Mensen achterhaalden hen.

Van de 597 mannen, vrouwen en kinderen opgepakt in de nacht van 3 op 4 september 1942 in de Brusselse razzia en afgevoerd naar Auschwitz overleven er slechts vijftien de oorlog.

Precies een jaar later, in de nacht van 3 op 4 september 1943, volgt een nieuwe grootschalige actie in Brussel en Antwerpen. 593 Joden worden opgepakt. Deze keer zoeken de autoriteiten geen vluchtelingen uit Duitsland of Polen, officieel statenloos, maar Belgische Joden, zoals Charles Grabiner en Debora Brandstädter, die in Sint-Gillis wonen. Hun dochter, Renée Grabiner, net twee jaar oud, wordt verborgen op een schuiladres. Ze overleeft de oorlog. Haar ouders, op 20 september 1943 op het transport XXII-b gezet naar Auschwitz, worden beiden vermoord.

Op 3 september 1944 wordt Brussel bevrijd. Een maand eerder vertrok het laatste transport uit de Dossinkazerne naar Auschwitz. Onder de gedeporteerden de Duitse schilder Felix Nussbaum, die uit zijn vaderland verdreven toevlucht had gezocht in Brussel. Hij wordt vermoord op 9 augustus 1944: een van de 25.484 Joden en 352 Roma en Sinti die tussen de zomer van 1942 en de zomer van 1944 in de Dossinkazerne passeren op hun dodentocht naar Auschwitz.

Op 6 december 1938 schrijft de Duitse Jood Victor Klemperer in zijn dagboek: “Nu noteer ik alleen nog de steeds vaker gebruikte zinswending ‘Het komt met het gezonde rechtsgevoel van het volk overeen’, die altijd te vinden is als er met een nieuwe wreedheid wordt begonnen. Daarmee is het contemplatieve intermezzo ten einde.”

Vijf jaar eerder, bij de machtsovername door de nazi’s, schreef hij: “Ik voel eigenlijk meer schaamte dan angst, schaamte om Duitsland. Ik heb me waarlijk altijd Duitser gevoeld. En ik heb altijd gedacht: de twintigste eeuw en Midden-Europa, dat is iets anders dan de veertiende eeuw en Roemenië. Fout.”

Het kon niet gebeuren. Het gebeurde.

— Dit stuk verscheen op 4 september in De Morgen.