Multinationals dicteren de wet, regeringsleiders volgen gedwee

Dit is hoe de wereld werkt, en de wereld werkt goed zo: multinationals dicteren de wet, en regeringsleiders volgen gedwee. Lafhartige blufpoker en laag-bij-de-grondse chantage worden vergoelijkt als wetten van de wereldmarkt waar niet tegenin valt te tornen; Nederland moet plat op de buik voor multinationals wanneer zij dreigen te verkassen naar het Verenigd Koninkrijk, en omdat Nederland door het stof gaat, zal ook België moeten volgen. En vervolgens beginnen die bedrijven een nieuwe bedelronde waarin ze landen tegen elkaar opzetten, want nooit zal het genoeg zijn. Ze laten zich de gunsten van de gemeenschap welgevallen, maar weten zichzelf tot niets verplicht.

Bijna 238 miljard euro hebben gevestigde bedrijven in Nederland ondertussen op hun rekeningen geparkeerd, een cashberg die in twintig jaar maar liefst elf keer hoger is geworden, waarmee Nederland een lange schaduw werpt over de omliggende landen. Rutte kan zich trots op de borst kloppen. Wat hij dan maar beter verzwijgt: dat die multinationals, wiens smeekbedes hij zo gretig verhoort, Nederland gebruiken als nauwelijks meer dan een veredelde postbus. Een landje waar ze zachte kussens toegestopt krijgen opdat ze zo comfortabel mogelijk hun goud- en zilverstukken kunnen tellen, maar waar die honderden miljarden euro’s hoge geldberg steeds minder gebruikt wordt voor nieuwe investeringen in de economie.

De Nederlandse economie trekt, verhoudingsgewijs, minder kapitaalinvesteringen aan dan de Britse, de Italiaanse, de Franse, de Duitse, en jawel, de Belgische. Meer zelfs: dat kleine landje waar Rutte met zo veel dedain over spreekt om zijn weggeefactie voor multinationals goed te praten, is zelfs investeringskampioen: nergens investeren bedrijven meer in de economie dan bij ons. En terwijl de investeringen in Nederland in twintig jaar flink zijn achteruitgeboerd, bouwt België zijn voorsprong steeds verder uit.

Om die machtige bedrijfsconglomeraten te belonen die zo goed zijn hun fortuinen in Nederland te parkeren – weliswaar dus zonder ook in Nederland te investeren, maar dat terzijde – laat Rutte nu nog eens 1,4 miljard euro schieten, geld waarvan hij blijkbaar vindt dat die bedrijven en hun rijke, vaak buitenlandse aandeelhouders het veel beter kunnen gebruiken dan de Nederlandse staat. Leerkrachten die om meer ondersteuning smeekten werden daarentegen met een kluitje in het riet gestuurd. Voor de jeugdzorg die kampt met ellenlange wachtlijsten: geen geld – de armlastige gemeenten moeten het maar zelf oplossen. Voor de geestelijke gezondheidszorg die kopje onder dreigt te gaan: geen geld. Voor de ouderenzorg: geen geld. De wensen van de hoge heren verheven tot wet, de noden van de kleine man weggewuifd.

De schaamteloze macht van het grote geld, de lege doos die democratie maar al te vaak is: een gefluisterd woord van een bedrijfsbonzen klinkt luider in de cenakels van de macht dan de machteloze schreeuw van vele duizenden op straat. Rutte verruilde zijn zetel in de cockpit van een multinational voor een zetel in de cockpit van de Nederlandse politiek, en gebruikt die positie nu om de overvolle koffers van diezelfde multinational nog meer te overladen. Dat is hoe de wereld werkt, en de wereld werkt goed zo. Zeg dat Rutte het gezegd heeft.

En de rijke, hij graaide voort

Elk jaar nieuwe onthullingen: LuxLeaks, Panama Papers, Paradise Papers, telkens opnieuw hetzelfde patroon. Wie tot de rijksten van de rijksten behoort, betaalt aan vermogensbeheerders en fiscale advocaten een klein fortuin – voor hen een peulschil – om geen cent méér te moeten bijdragen aan de samenlevingen waaraan zij hun grote fortuin te danken hebben dan wat zelfs met alle truken van de foor niet te vermijden is. Miljarden en miljarden worden weggesluisd uit onze samenleving, terwille van een kleine kliek die zwemt in het geld en voor wie genoeg nooit genoeg is, zelfs niet als dat ten koste gaat van de rest van ons.

Het gaat hier niet over het appeltje voor de dorst van een arme sloeber die zich een leven lang heeft uitgesloofd om iets te kunnen nalaten aan zijn kinderen. Het gaat om gigantische fortuinen van superrijken die luxeappartementen in wereldsteden verzamelen als waren het postzegels, om de opgepotte winst van de grootste bedrijven, geldbergen die zo groot zijn geworden dat ze landen kunnen overschaduwen en politici er angstig voor buigen.

Het zal wel kloppen dat vaak alleen de marges worden opgezocht van wat mogelijk is met de bestaande wetgeving en dat het dus om belastingontwijking gaat, fiscale optimalisatie, zoals dat met een eufemisme heet, en niet altijd om belastingontduiking en fraude. Maar dat betekent nog niet dat we ons er niet druk om mogen maken. Veel van die sluipwegen bestaan immers alleen maar dankzij de macht en de kracht van lobbymachines die schermen met grote begrippen en donderende dreigementen: alsof vrijhandel en internationale investeringen niet mogelijk zouden zijn zonder het bestaan van belastingparadijzen op de Kaaimaneilanden en de Bahama’s, zonder geheime rekeningen in Panama en belastingconstructies in Luxemburg, Ierland en Nederland.

Als dan keer op keer blijkt dat die pijplijnen alleen worden opengehouden opdat de allerrijksten op deze aarde op industriële schaal fortuinen onbelast kunnen wegsluizen naar belastingparadijzen, dan kan dat volgens de letter van de wet misschien nog net legaal zijn (maar vaak ook niet) en toch in alle opzichten verwerpelijk. Dat is geen fiscale optimalisatie: het is bedrog, misbruik van vertrouwen, diefstal van de rest van de samenleving.

Het is des te meer verwerpelijk, omdat die superrijken en hun trawanten, vermogensbeheerders die netjes in het pak zitten, ondertussen de eersten zijn om – in naam van het algemeen belang, dat spreekt – offers te eisen van de rest van de samenleving: wie minder heeft dan zij, moet de buikriem aanhalen. Bedrijfsbelastingen moeten omlaag opdat zij nog grotere winsten zouden kunnen evacueren naar paradijselijke eilanden, en pensioenen zijn onbetaalbaar. De allerrijksten ontduiken zo’n dertig procent van hun belastingen, dat toont onderzoek aan van Gabriel Zucman, gerenommeerde professor economie aan de universiteit van Berkeley. Maar de doodgraver van ons sociaal systeem is de officieel alleenstaande werkloze die samenhokt omdat appartementen onbetaalbaar zijn geworden.

Het is ziekelijke hebzucht, het moreel failliet van een kaste die zich te goed voelt voor de rest van de samenleving en er alleen met misprijzen op kan neerkijken.

— Dit stuk verscheen op 7 november in De Standaard.

Feest bij het VBO

Het was één groot feest op het hoofdkwartier van grotebedrijvenlobby VBO de afgelopen dagen. Zware basdreunen deden de ruiten aan de Ravensteinstraat rinkelen, champagne vloeide rijkelijk, vrolijk lachend dansten de gekostumeerde heren de polonaise, stropdas rond het hoofd geknoopt: de regering had immers de vurig verlangde hervorming van de vennootschapsbelasting goedgekeurd.

Die vrolijkheid mag bevreemden, want minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) had ons met de hand op het hart verzekerd én dat de hervorming zelfs zonder magische terugverdieneffecten minstens budgetneutraal zou zijn, én dat de kleine bedrijven minder belasting zouden moeten betalen. Wat dus betekent dat de rekening voor grote bedrijven omhoog zou moeten.

Nu wil ik best geloven dat Pieter Timmermans, de grote baas van de grotebedrijvenlobby, altijd en overal het algemeen belang voor ogen heeft, maar iets zegt mij dat hij niet, feestdronken nog, in filmpjes zou uitleggen waarom die hervorming van de vennootschapsbelasting zo’n prachtige zaak is als zij de factuur van ‘zijn’ bedrijven effectief zou verzwaren. Ach, misschien ben ik inderdaad behept met complottheorieën, maar zo onwaarschijnlijk lijkt het me niet dat wanneer de grootste bedrijven een belastinghervorming toejuichen, die hervorming hen niet bepaald zal verarmen.

Van Overtveldt sust echter: vertrouw mij maar, die hervorming van de vennootschapsbelasting kost ons geen cent. Nog eerder trof een blinde dronkaard die een dartspijl in zijn handen gestopt krijgt bij zijn eerste worp de roos, dan dat Van Overtveldt de kosten of opbrengst van een van zijn fiscale maatregelen ook maar enigszins juist ingeschat krijgt, en toch bezweert hij: vertrouw me maar, die hervorming zit zó ingenieus in elkaar dat ze én een logisch en coherent geheel van maatregelen vormt, precies wat onze bedrijven wensen, én – wat een aardig toeval! – aan de begroting precies nul euro zal kosten.

Hoe hij tot die wetenschap komt, houdt de minister angstvallig verborgen. Zelfs de Europese Commissie krijgt zijn rekensommetjes niet te zien. Ook tegen hen zegt hij: vertrouw me maar. Die Europese Commissie is weliswaar vernietigend voor de Belgische begroting en beschouwt zijn plannen met de vennootschapsbelasting als niet meer dan een zwart gat dat miljarden naar zich toe kan zuigen, maar kom, weten zij veel. Het brengt de grote bedrijven in een feestroes, dus zal het wel in orde zijn, zeker?

Voor onze volksvertegenwoordigers lijken de sussende woorden van Van Overtveldt te volstaan. Nu weet ik ook wel dat het parlement soms niet meer is dan een praatgrage stemmachine en dat geen lid van de meerderheid het aandurft om tegen een begroting te stemmen, al hangt ze met niet meer dan spuug en paktouw aan elkaar, maar toch. Het zou fijn zijn mocht iemand daar nu zijn verantwoordelijkheid nemen en de taak van onze volksvertegenwoordigers verrichten: de ministers ter verantwoording roepen, eisen dat zij van naaldje tot draadje uitleggen hoe zij de opbrengst en kosten van de verschillende maatregelen hebben berekend, en niet blind goedkeuren wat hen ook maar wordt opgesolferd.

Het zijn onze volksvertegenwoordigers die moeten vermijden dat nu plannen worden goedgekeurd die de komende jaren nieuwe gaten in de begroting zullen slaan, gaten die niet meer zijn dan een transfer van algemene middelen naar de bedrijven en hun aandeelhouders, transfers waar u en ik voor zullen opdraaien. Zij moeten nu hun verantwoordelijkheid nemen. Of zijn ook zij allemaal bevangen door de champagne geschonken door het VBO?

— Dit stuk verscheen op 31 oktober in De Morgen.

De veilige thuishaven die het conservatisme ons belooft

Geloof ze niet, mensen die beweren dat zij houden van avontuur, van telkens nieuwe verrassingen, van niet weten wat de dageraad brengt: ten diepste verlangen wij in het leven allemaal naar zekerheid. We willen weten waar we aan toe zijn, en niets is zo ontstellend als moeten merken dat de regels die het leven altijd in goede banen hebben geleid, plots van geen tel meer zijn, en de dingen net dat beetje anders werken dan ze altijd gedaan hebben. Op reis gaan is alleen fijn in de zekerheid te kunnen terugkeren naar een onveranderde, onveranderlijke thuishaven, een ankerpunt waar alles op zijn plaats staat, en we ons niet schrap hoeven te zetten voor onverwachte wendingen en verrassingen die ons van ons stuk brengen. We verwelkomen de wereld, zolang de wereld alles netjes bij het oude laat.

Die rust is ons echter niet gegund. Veruit de meesten onder ons leiden een behoorlijk comfortabel leven, veel comfortabeler dan onze voorouders ooit voor mogelijk hadden gehouden; tegelijkertijd komt de wereld ons soms bedreigender over dan ooit tevoren. Het gaat goed, maar we hebben schrik te verliezen wat we hebben; om ons heen verandert alles, en we vrezen de greep op die veranderingen te verliezen. En dus kijken we naar de staat om ons te beschermen tegen die wereld die zonder kloppen binnenvalt en ons gerieflijke bestaan verstoort. We eisen nu van de overheid dat zij reguleert, controleert, disciplineert, sanctioneert: alles om de wereld rondom ons beheersbaar te maken en ons te behoeden voor verrassingen.

Ik ben mij ervan bewust dat dit een door en door conservatief mensbeeld is, dat in het huidige politieke landschap van Vlaanderen beter gecapteerd wordt door de N-VA dan door eender welke andere partij. In de rol die dit conservatisme toeschrijft aan de staat, verschilt het echter van ee traditioneler conservatisme, dat deze regulerende, controlerende, disciplinerende, en sanctionerende rol immers aan de samenleving zelf toeschreef, die met zijn ongeschreven voorschriften en geboden het leven van elke mens structureerde en in vaste baan leidde, en elk individu dat de rust dreigde te verstoren door uit de ban te springen onder sociale druk kon versmoren. De homogene samenleving die zulke sociale conformiteit kon afdwingen is echter schielijk van ons heengegaan; de moderne conservatief ziet in de staat het uitgelezen instrument om dat vacuüm opnieuw te vullen met een wettelijk afdwingbare conformiteit.

Het moderne conservatisme voldoet zo aan een diepmenselijk verlangen naar zekerheid, de zekerheid te weten waar we aan toe zijn in een wereld die verder voortdurend verandert en waarin we ons anders verloren weten. Hoe bedreigender de wereld lijkt, hoe aantrekkelijker de veilige thuishaven die het conservatisme ons zegt te garanderen.

— Dit stuk verscheen op 17 oktober in De Morgen.

Enkele vragen over de werkgelegenheidsgraad bij ouderen

Hier geen column of een uitgewerkte analyse, maar enkele cijfers op een rijtje om mijn gedachten te ordenen en input van meer bekwame mensen te vragen. De aanleiding is het merkwaardige verschil in evolutie van de werkgelegenheidsgraad bij ouderen tussen België enerzijds en Nederland en Duitsland anderzijds: wat verklaart dit verschil?

Ten eerste: de evolutie van de werkgelegenheidsgraad van enkele leeftijdsgroepen in België, Nederland, en Duitsland sinds 1983 (de eerste jaren waarin we via de Labour Force Survey van Eurostat vergelijkbare cijfers over de verschillende landen vinden; de Duitse cijfers voor 1990 slaan op West-Duitsland).

Screen Shot 2017-10-17 at 11.09.46Screen Shot 2017-10-17 at 11.10.01Screen Shot 2017-10-17 at 11.10.17

Eerste opvallende conclusie: in alle drie de verschillende leeftijdscategorieën liggen de Belgische cijfers lager dan de Nederlandse en de Duitse, maar waar België voor de leeftijdsgroep van 50- tot 54-jarigen de kloof enigszins verkleind heeft, en waar de kloof voor de leeftijdsgroep van 55- tot 59-jarigen doorheen de jaren relatief stabiel is gebleven, is het verschil in evolutie voor de oudste leeftijdsgroep van 60- tot 64-jarigen sinds de eeuwwisseling meer dan opmerkelijk te noemen.

De verschillende evolutie doet zich ook zowel voor mannen als voor vrouwen voor:

Screen Shot 2017-10-17 at 11.16.39

Uit het beeld van de grafieken blijkt duidelijk dat het omslagpunt voor de leeftijdsgroep van 60- tot 64-jarigen rond de eeuwwisseling ligt. Voordien ligt de werkgelegenheidsgraad in België weliswaar lager dan in Nederland en Duitsland, maar de evolutie in de drie landen vertoont een gelijkaardig patroon: een lichte daling in de jaren ’80 en begin jaren ’90, vervolgens een stabilisatie van de werkgelegenheidsgraad van ouderen op een laag niveau. Vanaf de eeuwwisseling begint de werkgelegenheidsgraad van 60- tot 64-jarigen in de drie verschillende landen te stijgen, maar in Nederland en Duitsland wel aan een veel sterker tempo dan in België:

Screen Shot 2017-10-17 at 11.21.22

Uit bovenstaande grafiek blijkt duidelijk dat, ook al slaagt België er wel degelijk in om de werkgelegenheidsgraad van 60- tot 64-jarigen jaar na jaar op te trekken sinds het begin van de jaren 2000, het tempo van die stijging ook jaar na jaar fors onder de versnelling van Nederland en Duitsland ligt. Of het nu onder paars-groen is, onder paars, onder rooms-blauw, of onder blauw-geel: België presteert opmerkelijk veel slechter wat betreft het optrekken van de werkgelegenheidsgraad van 60- tot 64-jarigen dan Nederland en Duitsland, en bovendien vertraagt het Belgische groeitempo zelfs jaar na jaar. De kloof groeit dus nog, en de opeenvolgende regeringen in België zijn er niet in geslaagd een antwoord op deze uitdaging te formuleren.

We kunnen de evolutie van de werkgelegenheidsgraad in de verschillende leeftijdscategorieën op nog een andere manier nagaan: we kijken nu niet naar de evolutie van de verhouding tussen het aantal werkenden binnen een bepaalde leeftijdscategorie en de totale populatie van die leeftijdscategorie, zoals hierboven, maar we volgen een bepaalde bevolkingscategorie doorheen de verschillende jaren en kijken hoeveel mensen uit die groep aan de slag blijven. We weten immers dat wie in 2000 tot de categorie van 45- tot 49-jarigen behoorde, in 2005 tot de categorie van 50- tot 54-jarigen behoorde, in 2010 tot de categorie 55- tot 59-jarigen, en in 2015 tot de categorie 60- tot 64-jarigen. Door het aantal werkenden binnen die leeftijdscategorieën doorheen de jaren met elkaar te vergelijken, kunnen we dus nagaan hoeveel procent van de werkende bevolking binnen een bepaalde leeftijdscategorie vijf jaar later nog steeds aan het werk was. Of nog: hoeveel van hen de drempel van 50 jaar, van 55 jaar, en van 60 jaar met succes als werkende namen.

Screen Shot 2017-10-17 at 11.37.54

Lees: in de periode 2014-2016 was 94% van de Belgische werknemers die in de periode 2009-2011 tot de leeftijdscategorie 45- tot 49-jaar behoorden en aan de slag waren, nog steeds aan de slag: 94% van de werknemers slaagt er dus in om ook na hun vijftigste verjaardag aan het werk te blijven. Dit cijfer lag begin jaren ’90 op 85%, lager dan het toenmalige Nederlandse cijfer, maar is geleidelijk blijven stijgen, tot iets boven het Nederlandse cijfer.

Screen Shot 2017-10-17 at 11.38.02Lees: in de periode 2014-2016 was 82% van de Belgische werknemers die in de periode 2009-2011 tot de leeftijdscategorie 50- tot 54-jaar behoorden en aan de slag waren, nog steeds aan de slag: 82% van de werknemers slaagt er dus in om ook na hun vijfenvijftigste verjaardag aan het werk te blijven. Dit cijfer lag begin jaren ’90 op 65%, en is sinds het begin van de jaren 2000 in stijgende lijn, maar ligt nog steeds iets onder het Nederlandse cijfer, al verkleint de kloof wel langzaam.

Screen Shot 2017-10-17 at 11.38.10Het is echter bij drempel-60 dat het kalf gebonden ligt. In de periode 2014-2016 was amper 44% van de Belgische werknemers die in 2009-2011 tot de leeftijdscategorie 55- tot 59-jaar behoorden en aan de slag waren, nog steeds aan de slag. Meer dan de helft van de werkenden in België geeft er met hun zestigste verjaardag dus de brui aan. En, opvallend: alleen in de periode van paars is dat cijfer verbeterd, om vervolgens nauwelijks nog te veranderen – in tegenstelling tot in Nederland. Het is hier dat de kloof gemaakt wordt.

Wat leren we hieruit? België slaagt er wél meer dan vroeger in om werkenden voorbij de drempel van 50 jaar en 55 jaar aan het werk te houden; hier heeft België de kloof met Nederland (en Duitsland) verkleind. We slagen er echter niet beter in dan vroeger om wie na zijn/haar vijfenvijftigste maar vóór zijn/haar zestigste verjaardag nog aan het werk is, ook na de zestigste verjaardag aan het werk te houden. De stijgende werkgelegenheidsgraad bij 60- tot 64-jarigen is dus louter een gevolg van een grotere doorstroming van werkenden in de categorie 55- tot 59-jarigen, en niet van een succes in het slechten van de drempel van 60 jaar. Die blijft al sinds midden de jaren 2000 even hoog.

Dus is de vraag —en vandaar deze blogpost—: wat heeft België gedaan, of nagelaten te doen, dat de kloof met Nederland en Duitsland kan verklaren? Shoot.

Nationalisme als curiosum

Een vraag scheurt een samenleving aan stukken, en ik begrijp niet eens waarnaar men vraagt. Nationalisme, het gezwaai met Catalaanse, Spaanse, Vlaamse vlaggen: ik kan er begrip voor opbrengen, zoals ik ook begrip kan opbrengen voor andere merkwaardige fenomenen die men enigszins argwanend, enigszins gefascineerd gadeslaat, als curiosa, vanuit antropologisch oogpunt interessante verschijnselen, zonder ooit hun werkelijke betekenis echt te kunnen vatten. Een religie met al haar geloofsartikelen, haar rituelen, geboden en verboden, hogepriesters en profeten, die men wel kan bestuderen, maar die voor een buitenstaander toch altijd vreemd zullen blijven.

Wat is een volk? Wanneer kan een groep mensen met recht en rede zelfbeschikkingsrecht opeisen, wanneer is het duidelijk onzinnig? Zijn de Catalanen een volk? Wat maakt iemand tot Catalaan? Heeft Linkebeek zelfbeschikkingsrecht? Ik begrijp de inzet van de vraag niet eens.

Men neemt een stok en trekt een lijn in het zand, rondomrond, en zegt: dit zijn wij, dit is het onze en ziehier onze vlag. Een reeks symbolische gebaren roept een werkelijkheid in leven die de wereld bezet en doordesemt, elke steen in betekenis drenkt, die families verscheurt, vrienden tot vreemden maakt en vreemden in elkaars armen laat vallen, tot tranen toe bewogen. Het is onzin, zeg ik, zo geroerd te zijn door vlaggenvertoon, een op mythes gebouwd droombeeld tot inzet van leven en dood te maken – maar dat toont eerder aan dat ik de vraag verkeerd begrijp dan dat het antwoord onzinnig is. Zoals Wittgenstein de idee bestrijdt dat we geloofsovertuigingen volgens de normale regels van evidentie en waarheidsvinding moeten begrijpen, zo geldt misschien ook voor nationalisme: for a blunder, it’s too big.

De briefwisseling tussen Leibniz en Arnauld, twee filosofen uit de 17de eeuw, is intellectueel vertoon van het hoogste niveau. Twee genieën gaan tot het uiterste in hun poging om orde te scheppen in hun denken over God en de menselijke vrijheid, schroeien zich aan elkaars denkvermogen. Ik begrijp elk woord wel, maar uiteindelijk gaat het, voor mij, nergens om. Terwijl het voor hen, diepgelovig als zij waren, om méér ging dan een zaak van leven en dood, namelijk om hun zielenheil zelve. Ik kan de zetten in het schaakspel wel volgen, hoe ingenieus hun strategie is, maar het blijft voor mij niet meer dan een spel dat ik op elk moment kan achterlaten. Ik kan de betekenis van de begrippen waarmee gespeeld wordt wel opzoeken in het woordenboek, maar ze zijn niet betekenisvol – toch niet voor mij. Hoe dan ooit de echte inzet van hun debat te vatten, het alles verterende belang ervan voor hen?

Hoe te antwoorden op een vraag die geen betekenis heeft voor mij, maar die een samenleving verscheurt? Hoe te antwoorden wanneer Catalaan en Spanjaard steeds driftiger de stukken verschuiven op het bord, zonder de legitimiteit van andermans zetten nog te willen erkennen? Elk voor zich claimt dat zijn spelregels de enige juiste zijn, toont zo ongewild aan hoe arbitrair die regels zijn, maar daarmee verliest dat spel voor hen niets aan inzet. En er is geen meta-spel dat hier uitsluitsel kan brengen, alleen twee spelsystemen waarvan de botsing niet verlicht maar wel vonkt, en anders dan bij het lezen van de briefwisseling van Leibniz en Arnauld, zoveel eeuwen later, valt er geen boek toe te klappen om te ontkomen aan de vlammen. Wat rest is hulpeloosheid, en de hoop dat dit curieuze vuur de samenleving niet verzengt.

— Dit stuk verscheen op 3 oktober in De Morgen.

Zes kanttekeningen bij het pensioendebacle

1. Elk pensioen wordt betaald met middelen die dat jaar door de maatschappij in z’n geheel worden geproduceerd. Dat geldt voor 2017, en dat geldt voor 2040: wie in een gegeven jaar op pensioen is, zal dat jaar een inkomen moeten ontvangen uit wat in dat jaar door de maatschappij in zijn geheel wordt geproduceerd. Er is géén pot geld die van jaar tot jaar wordt doorgegeven en die in 2040 plots ‘leeg’ kan zijn. Zolang wij als maatschappij blijven produceren, zijn er middelen. De vraag is hoe we die middelen willen verdelen.

2. Gepensioneerden kunnen alleen een inkomen ontvangen van wie niet op pensioen is. Hoe pensioenen precies worden opgebouwd, is op dat vlak irrelevant. De overheid kan alleen pensioen uitbetalen aan de ene als het belastingen kan innen bij de andere. Een pensioenfonds kan alleen een pensioen uitbetalen aan de ene als het inkomen verwerft van de andere, bijv. door het innen van dividenden van een draaiend bedrijf, door de verkoop van aandelen, of doordat iemand nieuw instapt en een recht aankoopt op toekomstige inkomsten. Ook in dit geval gaat het dus telkens om een overdracht van inkomsten van wie op dat moment actief is naar wie op dat moment op pensioen is.

3. Zijn er meer gepensioneerden, zal ook het deel van de taart groter worden dat gepensioneerden voor zich kunnen opeisen, ofwel zal -gemiddeld gezien- elke gepensioneerde zich tevreden moeten stellen met een in verhouding kleiner stukje taart. Als de taart die we in de maatschappij bakken groter blijft worden, hoeft dat níet te betekenen dat die stukken taart zelf kleiner worden. Daarom moeten we ook blijven inzetten op een hoog-productieve economie en niet zwichten voor het stimuleren van laag-betaalde en laag-productieve arbeid.

4. De pensioendiscussie gaat in se niet over de betaalbaarheid van de pensioenen in hun geheel, maar is een herverdelingskwestie: welk deel van de taart is voor wie op pensioen is, en hoe gaan we dat stuk taart verdelen tussen gepensioneerden?

5. In dat kader past ook de discussie over de zogenaamde gelijkgestelde periodes (“werken hoort meer te lonen dan niet werken, dus mogen gelijkgestelde periodes niet zoveel recht geven op pensioen als nu”): het is de maatschappelijke keuze om minder taart te geven aan wie zijn werk verliest, zwanger wordt, thuisblijft om voor de baby te zorgen, zelf langere tijd ziek is, of minder gaat werken om voor een familielid te zorgen. Enerzijds wordt er -ook vanuit budgettaire overwegingen- zwaar ingezet op “vermaatschappelijking van de zorg”: wie hulp nodig heeft, moet in de eerste plaats terugvallen op zijn netwerk, bijv. een zoon of dochter die de zorg kunnen opnemen van een ouder die niet meer uit de voeten kan. Anderzijds wordt dat kind hiervoor beloond met de boodschap dat “werken meer moet lonen dan niet werken”, en dat de keuze om minder te werken dus ook een lager pensioen betekent. Het is geen keuze voor meer betaalbare pensioenen, maar een maatschappelijke keuze om minder solidair te zijn in het opnemen van sociale risico’s, en die af te wentelen op het individu.

6. De verschuiving van overheids- naar privépensioenen maakt de pensioenen in hun geheel niet meer of minder betaalbaar, maar is, opnieuw, de keuze om minder solidair te zijn in het opnemen van sociale risico’s, en die af te wentelen op het individu.

— Deze column verscheen op 19 september in De Morgen.

Hoe een klein groepje het verpest voor de rest van ons

Het is een klein groepje dat het verpest voor de rest van ons. Ze voelen zich te goed, te belangrijk, te speciaal voor de spelregels die voor de anderen gelden, ze weigeren hun verantwoordelijkheid te nemen. Het is een klein groepje dat zich afzondert van de maatschappij, en zich een wet stelt voor zichzelf. Ze voelen zich verheven boven de samenleving, waar ze schijnbaar met misprijzen op neerkijken, en de geschreven en ongeschreven regels die het goede samenleven moeten verzekeren zijn aan hen niet besteed. Het is maar een klein groepje, maar ze hebben een grote impact op het leven van alle anderen.

Tweeëntachtig miljard dollar, of zeventig miljard euro, het equivalent van bijna twintig procent van de totale waarde die we elk jaar in ons land produceren, zoveel hebben rijke Belgen weggestopt in buitenlandse belastingparadijzen opdat ze niet zouden moeten bijdragen aan de samenleving zoals u en ik. Een klein groepje sluist zeventig miljard euro uit België weg, en zadelt de rest met de factuur van de gemiste inkomsten op.

Voor alle duidelijkheid: dit kleine groepje is niet ‘de middenklasse’, zelfs niet de betere middenklasse. Het gaat niet om de tweeverdiener die na lang werken en veel sparen zich een tweede appartement op de dijk in Nieuwpoort aanschaft. Tachtig procent van het fortuin dat verstopt zit in Panama, Zwitserland, en andere belastingparadijzen is in handen van amper 0,1% van de Belgische gezinnen. De helft ervan is zelfs in handen van niet meer dan 0,01% van de Belgische gezinnen. Dat zijn minder dan vijfhonderd gezinnen, de rijksten van de rijken, die samen vijfendertig miljard euro vanuit onze samenleving hebben weggesluisd naar lege postbussen, anonieme bankrekeningen, en andere constructies die in kleur variëren van lichtgrijs tot donkerzwart.

Elke euro die dat kleine kliekje superrijken uit België doet verdwijnen, elk van die tientallen miljarden euro’s die zij op hun buitenlandse bankrekeningen bijschrijven om er toch maar niets van te moeten bijdragen aan de rest van de maatschappij, is een euro minder die ten goede komt aan onze samenleving. Dat kleine kliekje superrijken betaalt miljoenen aan vermogensbeheerders en financiële adviseurs om tientallen miljoenen minder te moeten aan belastingen — waarna de economen van de banken die zulke belastingontwijking mogelijk maken de rest van ons de les komen spellen over begrotingsdiscipline.

Ze klagen over de te hoge belastingen op ‘de middenklasse’, maar vertellen er niet bij dat elke euro die de superrijken verbergen in een belastingparadijs, bijgepast moet worden door wie minder fortuinlijk is — diezelfde middenklasser om wie ze zo bezorgd beweren te zijn. Het is lachwekkend, moest het niet zo cynisch zijn. Het is haast crimineel, als je de miljarden die wegvloeien naar tropische paradijzen vergelijkt met het gesjacher dat eraan te pas komt om de allerlaagste uitkeringen voor de allerlaagste inkomens met vijf euro te verhogen. Het is wraakroepend.

België is een egalitair land, zo zegt men. Wat men er dan niet bij vertelt: dat de ongelijkheid in België meevalt, omdat een klein groepje superrijken zich te goed voelt voor de rest van ons en zijn fortuin angstvallig verborgen houdt. Er moest maar eens een cent méér van hun fortuin van vele tientallen miljoenen euro’s terechtkomen bij wie het wél nodig heeft.

— Dit stuk verscheen op 13 september in De Morgen.

Komt de herfst, rammelt het Zomerakkoord uit elkaar

Dankzij het rammelende Zomerakkoord van deze regering weten we dat er mensen zijn die over iets meer dan een jaar met pensioen zullen gaan en die een lager of zelfs veel lager pensioen zullen krijgen dan hen tot nu toe voorgespiegeld werd. Alleen kan niemand met zekerheid zeggen wie die mensen zijn, op welke grond hun pensioen verlaagd zal worden, en hoeveel zij zullen verliezen. Het enige dat geweten is: die verlaging van de pensioenen zal de begroting twintig miljoen euro opleveren. Elk beetje helpt om het gat te vullen dat de verlaging van de vennootschapsbelasting zal achterlaten.

Nu ja, kan echt niemand het zeggen? Vincent Van Quickenborne wist het wel: vijftig-plussers die hun job verloren, zouden veel sneller terugvallen op de minimumberekening en daardoor een lager pensioen ontvangen. De minister van Pensioenen Daniel Bacquelaine bevestigde dit in een persbericht dat hij gisterenavond liet verspreiden. Maar Gwendolyn Rutten wist wel beter dan haar partijgenoot en de minister van Pensioenen in haar regering: “Fake news!“, tweette ze — de formulering van eenieder die iets liever niet weten wilt.

Op de toch wel eenvoudige vraag wie dan wél pensioen zou verliezen, moest ze het antwoord echter schuldig blijven. “Fake news!”, en daarmee was de kous af. Ik durf niet te denken dat ze werkelijk gelooft dat ze twintig miljoen euro minder pensioen kan uitbetalen dan voorzien zonder iemand een lager dan voorzien pensioen uit te keren. Dat de mensen om wie het gaat in onzekerheid moeten leven: het zal haar een zorg zijn. Dat een (veel) lager dan voorzien pensioen voor sommigen van hen kan betekenen dat ze plots in armoede belanden, hun huur niet meer zullen kunnen betalen, niet weten hoe rond te komen: het maakt haar zaak niet. “Fake news!“, en kan het nu terug over iets relevants zoals kermisattracties gaan, alstublieft?

De andere optie was natuurlijk geweest om de genomen beslissing te verdedigen. De logica erachter is immers eenvoudig: het verschil tussen werken en niet-werken moet groter, en om dat te bereiken gaan we niet de pensioenen van wie gewerkt heeft verhogen, maar de al lage pensioenen van wie zijn werk verloor verder verlagen – waarmee deze regering verder gaat op de weg die de vorige regering in al haar dwaasheid insloeg. Een man of vrouw die zijn werk verliest en zijn inkomen de dieperik ziet ingaan, krijgt nu dus te horen -de kers op de taart- dat ook hun pensioen eigenlijk toch wel veel te hoog is voor zo’n luiwammessen. Alsof iemand die het moeilijk heeft nog een beetje dieper duwen hetzelfde is als een job voor hen creëren.

Moet werken dan niet beter beloond worden dan niet-werken? Twee op drie mensen in een gezin waar niet of nauwelijks gewerkt wordt, leeft in armoede. Tien jaar geleden was dat ‘maar’ de helft. Bij gezinnen met kinderen ten laste loopt dat aandeel van mensen in armoede op tot tachtig procent: een stijging van vijftien procent op tien jaar tijd. Het gezin waar de kostwinner zijn werk verliest, wordt daar nu dus al voor gestraft met een leven in armoede. Is dat niet genoeg? Is het nooit genoeg? Zijn wij echt zo’n wrokkige samenleving dat zij nog harder gestraft moeten worden?

— Dit stuk verscheen op 5 september in De Morgen.

Ford Genk en NedCar. De Belgische en Nederlandse maakindustrie vergeleken.

In De Tijd contrasteert Stefaan Michielsen vandaag (25 juli) het verhaal van twee autobedrijven: Ford Genk ging teloor, maar even verderop, aan de andere zijde van de grens, floreert Nedcar als nooit tevoren dankzij een influx van nieuwe investeringen. Het contrasterende lot van deze twee bedrijven toont afdoende het contrasterende lot van de Belgische en de Nederlandse maakindustrie aan, aldus Michielsen, het gevolg van een falend politiek en economisch beleid in België: we moeten ons dus opnieuw meer spiegelen aan het Nederlandse voorbeeld.

Ford Genk en Nedcar zijn natuurlijk maar twee bedrijven; de totale maakindustrie is veel groter. Om de beweringen van Stefaan Michielsen na te gaan, is het dus nuttig die totale sector even van naderbij te bekijken en België (11 miljoen inwoners) met Nederland (17 miljoen inwoners) te vergelijken.

Het klopt niet dat in België minder geïnvesteerd zou worden in de maakindustrie dan in Nederland. Integendeel: ondanks het feit dat Nederland heel wat groter is dan België, wordt er zelfs in absolute termen méér geïnvesteerd in de Belgische maakindustrie dan in de Nederlandse — in 2015, het laatste jaar waarvoor we over cijfers beschikken, investeerden bedrijven voor 15 miljard euro in de Belgische maakindustrie en voor 14 miljard euro in de Nederlandse maakindustrie. (Alle cijfers die volgen komen van Eurostat.)

Bovendien vertonen de investeringen in de Belgische maakindustrie een sterker stijgende tendens dan de investeringen in de Nederlandse maakindustrie. Contrasteren we de periode 2011-2015 met de periode 1995-1999, dan zien we een stijging van de bedrijfsinvesteringen in de maakindustrie in België met 28% en in Nederland met 21%. (Vergelijken we de twee uiterste jaren waarover we over cijfers beschikken, 1995 en 2015, dan is het verschil nog veel groter. Door tijdsvakken van vijf jaar te beschouwen, kunnen we het effect van uitzonderlijke (des)investeringen uitvlakken.)

Houden we ook rekening met de grootte van België en Nederland, dan is het verschil in investeringen nog veel groter. In de periode 2011-2015 investeerden bedrijven jaarlijks gemiddeld 1.126 euro per persoon in de Belgische maakindustrie, en slechts 775 euro in de Nederlandse maakindustrie. Die hogere investeringen in de Belgische maakindustrie uiten zich ook in de productiviteitscijfers: per gewerkt uur produceren werknemers in de Belgische maakindustrie gemiddeld 15% méér toegevoegde waarde dan werknemers in de Nederlandse maakindustrie.

Bovendien is de Belgische maakindustrie ook een (iets) belangrijkere werkgever dan de Nederlandse maakindustrie — niettegenstaande het succesverhaal van Nedcar en de flop van Ford Genk. De Belgische maakindustrie is goed voor meer dan 11% van het totale aantal gewerkte uren in de Belgische economie; het vergelijkbare cijfer in Nederland is net geen 10%.

Ondanks de doemberichten van Stefaan Michielsen, ondanks het mooie verhaal dat hij ophangt aan het contrasterende lot van Nedcar en Ford Genk, kunnen we dus niet anders dan besluiten dat zijn verhaal wel goed klinkt, maar niet illustratief is voor de werkelijke krachtverhoudingen tussen de Belgische en de Nederlandse maakindustrie. De Belgische maakindustrie haalt méér investeringen binnen dan de Nederlandse, ziet die investeringen ook sterker stijgen, en is een belangrijkere werkgever.

Waarom dan toch het tegendeel suggereren, zoals Michielsen doet? Cui bono?

Edit: Stefaan Michielsen laat me weten dat hij in zijn edito geenszins de bedoeling had te suggereren dat de situatie van NedCar en Ford Genk illustratief zou zijn voor de situatie van de maakindustrie in Nederland en België. Het weze genoteerd.