Wachtlijsten negeren doet ze nog niet verdwijnen

Een jonge vrouw uit het publiek, op een debat enkele weken voor de verkiezingen, vertelde hoe haar schoonbroer leeft met een ernstige handicap en permanente zorg en ondersteuning nodig heeft. Zijn ouders krijgen het niet meer gebolwerkt, dus blijft zij nu thuis om die zorg op zich te nemen. Zonder morren, met veel liefde.

Een tijdelijke oplossing, dacht ze, tot hij het zorgbudget ontvangt dat de Vlaamse overheid hem heeft toegezegd en dat hij nodig heeft voor professionele zorg, permanente hulp aan huis of een plek in een voorziening. Helaas moesten ze vervolgens horen dat hij nog even geduld zal moeten hebben voor hij dat budget, en de zorg en ondersteuning die eraan vasthangen, ook effectief krijgt. Precies omdat zijn schoonzus nu voor hem thuisblijft, belandt hij op de wachtlijst met de laagste prioriteit. En op die wachtlijst duurt het twintig jaar voor hij aan de beurt is.

Ze was boos, die jonge vrouw. Boos, omdat haar schoonbroer niet de zorg krijgt die hij nodig heeft. Boos ook, omdat zij gedwongen wordt haar leven op pauze te zetten, niet voor even, maar twintig jaar lang. Ze is afgestudeerd, ze wil werk zoeken, zelf haar leven kiezen – ze zal moeten wachten. Nog zeker twintig jaar.

Het is jammer genoeg geen bijzonder verhaal. Vandaag wachten bijna vijftienduizend volwassenen met een handicap, en hun omgeving, op het zorgbudget dat hen is toegezegd. Jaar na jaar worden die wachtlijsten langer, jaar na jaar wordt van de mensen op die wachtlijst en van hun naasten meer geduld gevraagd. Vijf jaar wachten, tien jaar wachten, twintig jaar wachten – voor ze de zorg en ondersteuning krijgen die ze zo hard nodig hebben.

Hoe gaan we als samenleving antwoord bieden op die uitdaging? Welke nieuwe Vlaamse regering er ook komt: welk antwoord zal zij geven aan die mensen op de wachtlijst en aan hun omgeving?

Het volstaat niet er stilletjes over te zwijgen, in de hoop er niet publiek op afgerekend te worden. De wachtlijsten negeren, doet ze niet verdwijnen. Het volstaat ook niet te zeggen dat we moeten streven naar zorg­garantie, zonder dit concreet te maken, zonder ook effectief de middelen vrij te maken die hiervoor nodig zijn: woorden zijn lucht.

Elke politicus die erin slaagt het budget voor personen met een handicap de komende legislatuur met nog eens 300 miljoen euro te verhogen, evenveel als de afgelopen legislatuur, zal zich trots op de borst kloppen. Maar geen enkele politicus zal durven te zeggen wat de consequenties zijn van een budgetverhoging van ‘maar’ 300 miljoen euro: wachtlijsten die nog langer worden dan ze vandaag al zijn.

Personen met een handicap op de wachtlijst met de hoogste prioriteit, zullen in dit scenario meer dan zes jaar moeten wachten op de nodige zorg, mensen op de wachtlijst met lagere prioriteit, ­ zoals de schoonbroer van de jonge vrouw, ­ zelfs drieëntwintig jaar, tonen simulaties van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. 300 miljoen euro extra is veel geld. 300 miljoen euro extra is zelfs nog geen begin van een oplossing.

Om de vijftienduizend volwassenen met een handicap aan wie een zorgbudget is toegezegd maar die ‘voorlopig’ geparkeerd staan op een wachtlijst, en dus niet de zorg en ondersteuning krijgen die zij nodig hebben, van die wachtlijst te halen, is een permanente budgetverhoging nodig van 670 miljoen euro.

Om te vermijden dat vervolgens nieuwe wachtlijsten ontstaan, moet het budget de komende regeerperiode elk jaar opnieuw met nog eens 150 miljoen à 160 miljoen euro verhoogd worden. Het aantal mensen met een handicap blijft immers stijgen, een consequentie van medische door­braken en stijgende levensverwachting, ­ ook van personen met een handicap.

Het gaat om een smak geld, zeker, maar het verhaal van de schoonzus wier leven op pauze staat, maakt op z’n minst dit duidelijk: we kunnen er als samenleving niet voor kiezen de kosten van de zorg en ondersteuning van personen met een handicap niet te dragen.

Er is altijd iemand die de prijs betaalt. Doen we het niet collectief, als gemeenschap, dan zijn die kosten nog niet verdwenen. Het betekent alleen dat we ze afwentelen op de personen met een handicap zelf, en op hun naasten. Zij staan er alleen voor.

De onderhandelingen voor een nieuwe Vlaamse regering spelen zich af in het schemerdonker. Hoe we een antwoord willen bieden op de wachtlijsten voor personen met een handicap verdient echter een maatschappelijk debat, in het schelle licht van de schijnwerpers.

Het publiek moet weten wat de uitdaging is, mee nadenken over de mogelijkheden die we hebben als samenleving, wat de consequenties zijn van de keuzes die we maken – voor de personen met een handicap zelf, voor hun omgeving, voor de hele samenleving. Zodat eindelijk iedereen weet waar ze aan toe zijn.

Er is genoeg gewacht.

—Deze bijdrage verscheen eerder in De Standaard.

Een volk krijgt de leiders die het verdient

Een land krijgt de leiders die het verdient, zegt men, en ik vraag me af: wat hebben wij de goden verzocht dat zij ons dit lot bereiden? Voor welke misdaad moeten wij zo boeten? Botsende persoonlijke ambities manifesteren zich in kortzichtigheid en de vurigste debatten over — niets.

Leerrijk is De wissel van de macht van journalist Marc Van De Looverbosch, zijn relaas uit 2015 van de periode sinds de ondergang van de CVP en de opkomst en neergang van Paars-Groen tot aan de machtsgreep van de N-VA en de formatie van de “Zweedse coalitie”.

Het is, zoals de ondertitel aangeeft, een “kroniek van een Wetstraatwatcher”, en dus (sic) krijgen we haast niets te lezen over gevoerd beleid, laat staan over de zin of onzin ervan, en alles over de roddels, de achterklap, het geruzie, de stratego en de poppetjes, en vooral: over het eindeloze communautaire gerel, de geel-zwarte draad doorheen het hele boek, alsof geen zaak ter wereld een groter belang heeft dan de precieze omschrijving van een kieskring en de vraag of de organisatie van het rij-examen een bevoegdheid is van Vlaanderen dan wel van België.

Het kan Van De Looverbosch niet aangewreven worden: het is tenslotte de kwestie Brussel-Halle-Vilvoorde waarop het land en zijn bewindvoerders vastliepen, rond BHV was geen vergelijk mogelijk. Niet fundamentele meningsverschillen over hoe de welvaart van de Belgen ook in de toekomst veilig te stellen, niet tegengestelde visies over hoe het hoofd te bieden aan de klimaatcrisis en het energievraagstuk, niet de plaats van België in de Europese Unie en al evenmin de banken- en schuldencrisis — wel BHV stortte politiek België in een existentiële crisis.

Van het moment af dat de Amerikaanse investeringsbank Lehman Brothers in elkaar klapte in september 2008, het startsein voor de Grote Financiële Crisis die de wereld in een diepe economische recessie duwde, doorheen de mutatie van de bankencrisis in een schuldencrisis die de Europese Unie uit elkaar dreigde te trekken en waarin ook België haast verzwolgen werd, tot de uiteindelijke ondergang van Dexia in november 2011, werd ons land verlamd door staatszaak BHV. En niets in De wissel van de macht leert ons waarom de communautaire kwestie zulk existentieel belang kon aannemen, behalve: de cynische machtsstrijd in een Wetstraatbubbel bevolkt door allemaal kleine mensen die kwaken als de dikste kikkers.

Paars heeft populaire kopstukken die het maar wat graag breder wil kunnen uitspelen dan in de petieterige toenmalige arrondissementskieskringen, en dus krijgt België provinciale kieskringen — en de anomalie BHV. Van een debat over de manier hoe de keuze voor een bepaald kiessysteem en de grootte van de kieskringen erin slaagt “het volk” wel of niet te vertegenwoordigen in een representatieve democratie is geen sprake: het kiesstelsel staat ten dienste van het winnen van de volgende verkiezingen, en wat de gevolgen later zijn, zien we dan wel weer.

De christendemocraten, op zoek naar manieren om Paars te onttronen en hun natuurlijke plaats in het centrum van de macht weer te kunnen opnemen, sluiten het splinterpartijtje N-VA in de armen: die paar stemmen van de enkele overlevende communautaire scherpslijpers kunnen het verschil maken in de komende verkiezingen, en wat de gevolgen later zijn, zien we dan wel weer. Leterme promoveert BHV van technische kwestie tot de halszaak waarvoor Verhofstadt moet hangen en dwingt in één moeite door de Franstalige partijen — zelf verwikkeld in een machtsstrijd — in een onmogelijke positie: wat de gevolgen daarvan later zijn, zien we dan wel weer. Het is het begin van jarenlang wild gekwaak en woest getater over — tja, waarover eigenlijk?

Schijnmanoeuvres en wederzijdse vetos, hijgerige verslaggeving van de laatste uitspraak van deze of gene politicus die zich wil kronen tot held van de dag. Krantenvulsel, de uitstoot van een Wetstraatbubbel die zichzelf naar zo’n ijle hoogten heeft geblazen dat het verstand erbij bevriest.

Een opbod van onzinnigheden om toch even in de schijnwerpers te staan, culminerend in Vincent Van Quickenborne, wiens grootste verwezenlijking als politicus van nationaal statuut het versturen van een tweet in 2010 was (“alea jacta est”) die het begin betekende van een regeringsloze periode van haast twee jaar.

Een prijs die hij België graag liet betalen om zelf een dag in het zonnetje te staan en zich al tweetend hip en modern te tonen. Wat de gevolgen van de regeringsval zouden zijn voor z’n eigen partij en voor België, met een wankele economie en nog meer wankele banken: zorgen voor later, niet zijn zaak, niets mee te maken. Het schijnt het devies te zijn van wel meer van onze staatsmannen.

Nu werpt diezelfde Van Quickenborne zich opnieuw in de strijd: al te lang van het voorplan verdwenen, de provinciestad is te klein voor een man van zijn formaat. Zwaaide hij zijn voorzitter onlangs nog alle lof toe, niet veel later brandt hij ze af, want: Open VLD zou “te links” geworden zijn. Le ridicule ne tue pas, en de kranten vullen zichzelf niet met zijn naam: daarvoor moet hard gewerkt worden aan lekkere quotes die in het luchtledige zweven.

De Noordpool staat in brand, de ene hittegolf is amper weggeëbd of de volgende overspoelt het land, de Vlaamse akkers zijn niet meer dan rul zand, het kanaal naar de Gentse zeehaven wordt onbevaarbaar voor grotere schepen en met de Rijn dreigt de belangrijkste industriële verkeersader van Europa halfdroog te vallen — voor de tweede keer ooit, voor het tweede jaar op rij.

Toeval, niets aan de hand, zorgen voor later, niets mee te maken. En dus hinnikt en grinnikt Van Quickenborne — ach, is het geen smakelijke mop — dat een regering met een partij die de klimaatcrisis ernstig neemt alleen kan als die ‘hun programma verbranden in een open haard.’ Badineren en boutades kunnen niet verhullen dat persoonlijke ambitie het wint van ambitie voor ons land. Klimaatcrisis? We willen er wel aan werken, zolang we maar niets hoeven te doen.

—Deze bijdrage verscheen eerder in Mo*.

Hebben onze Europese leiders lef?

De taart moet eerst gebakken worden voor we ze kunnen verdelen (en hoe de taart nadien verdeeld wordt, zien we dan wel weer). De taartthese vat mooi de politieke doctrine samen die het financiële, fiscale, en economische beleid van de afgelopen decennia heeft gestuurd, in België net als in de andere post-industriële landen.

De taartthese rationaliseert de prioriteit die het beleid geeft aan de belangen van bedrijven en hun eigenaars, van grote vermogens en multinationals. Eerst maken we ons de fictie eigen dat zij de taart bakken, terwijl de rest van ons er maar wat bij staat en toekijkt hoe de grote vermogens zich bij het vlammende licht van de taartenoven in het zweet werken. Vervolgens buigen we deemoedig het hoofd voor zoveel ondernemingszin en werkkracht, en erkennen we hun wensen als leidende principes voor de keuzes die wij maken: zij weten immers wat het inhoudt taarten te bakken, zij weten wat ze daarvoor nodig hebben, we kunnen hun maar best geven wat zij verlangen, of er zal voor niemand nog taart te eten zijn.

In de Verenigde Staten is de taartthese reeds het langst en het meest consequent de leidraad van het beleid. Het gevolg: volgens berekeningen van Matt Bruenig van People’s Policy Project op basis van gegevens van de Fed, de Amerikaanse Centrale Bank, is het netto-vermogen van de 1% rijkste Amerikanen sinds 1989 met 21 biljoen dollar gegroeid, van 8,4 biljoen dollar naar 29,5 biljoen dollar. Het netto-vermogen van de 50% armste Amerikanen daalde in dezelfde periode met 0,9 biljoen dollar: zij hebben nu meer schulden dan vermogen.

Taarten werden vol ijver gebakken, taarten werden met iets minder ijver verdeeld: de grote vermogens schrokken steeds grotere stukken taart naar binnen, en laten voor de rest steeds kleinere kruimels achter.

Het is het rechtstreekse gevolg van het systematisch verder drijven van het ‘ontlasten’ van de ‘wealth creators‘: hun werkkracht en ondernemingszin moet immers gestimuleerd en beloond, niet bestraft worden. En dus gingen de belastingen op de hoogste inkomens, de grote vermogens, en op schenkingen en erfenissen drastisch omlaag, terwijl de belastingsubsidies op snoepjes voor de rijksten systematisch uitgebreid werden. De Amerikaanse schatkist –de Amerikaanse burger, dus– blijft achter met een tekort van meer dan 22 biljoen dollar.

De cruciale stap in de redenering, die van ‘het stimuleren van de creatie van welvaart’ uitkomt bij ‘het belonen van de bezitter van rijkdom’, moet hier ongezegd en ongemerkt blijven. Alleen zo kan de taartthese als rationalisatie dienen van een beleid dat wie rijk is steeds rijker maakt, desnoods op kosten van de rest van de bevolking.

Nog in de Verenigde Staten, en opnieuw een consequentie van een beleid stoelend op de taartthese, boerde het loonaandeel in de verdeling van de welvaart de laatste decennia stelselmatig achteruit. Het loonaandeel is het deel van de welvaart dat arbeid ‘beloont’, in de vorm van brutolonen en bijdragen aan de sociale zekerheid; het complement hiervan is het kapitaalaandeel, het deel van de welvaart dat ten goede komt aan ‘het kapitaal’, in de vorm van bedrijfswinsten, die dan ook structureel en systematisch stegen. Een rapport van McKinsey dat enkele weken geleden verscheen, toont dat de gemiddelde werknemer in de VS vandaag —ceteris paribus— zo’n drieduizend dollar per jaar méér zou verdienen, was het loonaandeel sinds 1998 constant gebleven in plaats van gedaald.

Die drieduizend dollar per werknemer die bedrijven niet moeten uitkeren in de vorm van hogere lonen of hogere bijdragen aan de sociale zekerheid, spijzen de bedrijfskoffers en de zakken van de grootaandeelhouders. Ondertussen zitten de rijkste bedrijven op zulke bergen geld, dat ze er letterlijk geen blijf meer mee weten.

Eerder al rekende de hoofdeconoom van de Bank of England voor dat het mediane jaarloon van werknemers in het Verenigd Koninkrijk zo’n twintig procent hoger zou liggen dan het geval is, was dat jaarloon sinds 1990 op hetzelfde ritme geëvolueerd als de productiviteitsstijging.

Wat dus niet gebeurde. Men bakte grotere taarten, maar het stuk taart dat werkers mogen eten, groeide niet mee. De ‘loonkost’ mocht immers niet te veel stijgen, want dat zou de vestiging van bedrijven in het Verenigde Koninkrijk bedreigen. De taartthese schrijft een politiek van loonmatiging en een verlaging van de vennootschapsbelasting voor, om de bedrijfswinsten veilig te stellen.

Zoals in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, ook in Nederland, ook in Frankrijk, ook in Duitsland, ook in België. We concurreren ons arm. Duitsland voert een politiek van loonmatiging, dus België moet volgen. Nederland verlaagt de vennootschapsbelasting, dus België moet volgen. België smijt met loonsubsidies en bedrijfssubsidies, dus onze buurlanden schakelen ook een versnelling hoger. Telkens met de taartthese als rationalisatie: we moeten de grote bedrijven en de grote vermogens in de watten leggen, want zonder hen zijn we niets. Probleem: het andere land legt de zogezegde taartenbakker telkens net iets meer in de watten, dus we moeten telkens opnieuw nog een extra inspanning doen. En de rijke telt lachend z’n geld.

Sprekend voorbeeld: de Amerikaanse staten Kansas en Missouri hebben elkaar de laatste jaren systematisch bekampt met investeringssubsidies en andere lokkertjes, met als doel bedrijven de staatsgrens over te lokken: verhuis twee kilometer, ontvang zoveel miljoen dollar extra subsidie. Netto-banenwinst, nihil. Kost aan de staatskas: honderden miljoenen. Missouri stelt nu, zoveel jaar later, zoveel miljoen armer, geen job rijker, een wapenstilstand voor.

Onze economieën zijn zo verweven, kapitaal zo snel verschoven van de ene staat naar de andere, dat het wel lijkt alsof onze democratieën elke controle verloren hebben. Het is slechts schijn, een illusie gecreëerd door de propagandamachine van de grootste bedrijven die liever zien dat landen elkaar bekampen om de laatste kruimels, dan dat die landen de handen in elkaar slaan om bedrijven weer hun faire bijdrage te laten leveren.

De vraag is of onze Europese leiders, zo bevangen door de taartthese, het lef vinden om uit die wapenwedloop te stappen — en te kiezen voor een faire verdeling van de taart.

— Deze bijdrage verscheen eerder op Knack.be.

De sp.a als gemeenschapspartij

Waarheen met de sociaaldemocratie in Vlaanderen? Een journalist van deze krant ziet de SP.A worstelen met de vraag (DS 15 juni). Moet de partij leren uit het Deense voorbeeld? Moet ze een hard antivreemdelingendiscours voeren om de ‘traditionele’ kiezer die de partij de rug toekeerde terug te winnen?

In een Vlaanderen waar meer dan vier op de tien kiezers hun stem gaven aan nationalistisch- en extreemrechts, ondanks – of net dankzij – een campagne waarin het rechtse kamp de xenofobe boodschap niet schuwde, ligt het advies om dat discours over te nemen voor de hand. Want wie vertegenwoordigt een socialistische partij nog, als zij niet toont ‘de angsten en bezorgdheden’ van ‘de mensen’ ernstig te nemen? Je moet de kiezer zoeken waar hij is, niet waar je zou willen dat hij is. Bovendien zou precies door het antivreemdelingendiscours van rechts over te nemen en zo als verschilpunt uit te vlakken, pas de ruimte ontstaan voor de ‘eigen’, ‘linkse’ thema’s. Wil de sociaaldemocratie in Vlaanderen nog een toekomst hebben, moet zij dus resoluut de ruk naar rechts maken.

Het zou een grove vergissing zijn. De vraag hoe we de grenzen van de gemeenschap trekken, is geen bijkomstigheid die we aan rechts kunnen overlaten, opdat wij ons zouden kunnen richten op de ‘eigen’ thema’s. De vraag wie erbij hoort en wie niet, wie deel uitmaakt van onze gemeenschap en wie niet, gaat naar de kern van het socialisme.

Het socialisme streeft naar een samenleving van gelijken, een gemeenschap waarin de ene niet de meerdere of de mindere is van de andere, maar iedereen op gelijke voet staat en gelijk kan participeren aan de samenleving. Het socialisme streeft naar een samenleving waarin we onze lotsverbondenheid erkennen en de ander niet verschijnt als obstakel, als beperking van je vrijheid, maar steeds ook doel van je handelen is. Het socialisme streeft naar een samenleving waarin de vrije ontplooiing van iedereen de voorwaarde is voor de vrije ontplooiing van allen. Dat zeg ik niet, dat zegt Marx, in zijn omschrijving van de klasseloze maatschappij. Socialisme sloopt de muren die mens van mens afzonderen. Socialisme is gemeenschapsvormend. Want alleen bevrijd van elke onderwerping kunnen mensen samen vorm geven aan de samenleving, met elkaar, voor elkaar.

Dat samenlevingsideaal is in elk opzicht onverenigbaar met het antivreemdelingendiscours dat de sociaaldemocraten wordt aangemaand te papegaaien. Dat discours splijt gemeenschappen, creëert een klassenmaatschappij, vervreemdt mensen van elkaar — precies het tegendeel van de samenleving waar socialisten naar streven.

Sommigen beweren: een solidaire gemeenschap vereist duidelijke grenzen, we moeten durven te zeggen: ‘Genoeg is genoeg, de grenzen gaan toe.’ We moeten, luidt het advies, dus niet alleen de ‘open grenzen’-fictie bevestigen, we moeten meegaan in het verhaal dat de aanwezigheid van migranten in de samenleving ‘een probleem’ zou zijn. Die taal doet de ander verschijnen als bedreiging en trekt muren op tussen mensen. Dat discours creëert een klassenmaatschappij en staat een samenleving van gelijken in de weg.

Sommigen zeggen: we moeten de angsten en bezorgdheden van ‘de mensen’ ernstig nemen, ze herkennen ‘hun eigen wijk’ niet meer. Maar ‘de mensen’, dat zijn nooit de mensen die in het antivreemdelingendiscours geviseerd worden. Hun angsten en bezorgdheden zijn niet van tel, de wijk is niet net zo goed ook hun thuis. Die taal doet de ene verschijnen als de mindere van de andere. Dat discours bevestigt dat de geviseerde groepen hier niet echt thuis horen, niet op gelijke voet mogen participeren aan ‘onze’ samenleving.

Of die zogenaamde ‘vreemden’ hier nu twee weken, twee jaar, of al twee generaties wonen: hun aanwezigheid blijft in dat discours even problematisch. Zij blijven steeds ‘vreemden’, ‘indringers’ in ‘onze’ gemeenschap. Maar hoe kan iemand zich thuis voelen in een gemeenschap die zijn aanwezigheid steeds in vraag stelt, hem degradeert tot tweederangsburger, tot ‘een probleem’, tot bron van angsten en bezorgdheden? Hoe kan op zo’n discours een solidaire samenleving gebouwd worden?

Geen enkel discours is neutraal. In woord en in daad geven we telkens opnieuw vorm aan de gemeenschap. Het publieke debat is niet louter een passieve afspiegeling van wat leeft bij ‘de mensen’, maar een actieve creatie: in het publieke debat scheppen we een beeld van de gemeenschap, van wie wij als gemeenschap zijn, wat voor ons als gemeenschap van belang is – wie erbij hoort en wie niet. Een discours dat de aanwezigheid van de ander tot probleem maakt, voedt de argwaan en het wantrouwen, en ondermijnt elke mogelijkheid tot gemeenschapsvorming. Het staat haaks op het socialistische ideaal van de goede samenleving, een samenleving van gelijken.

Kan de SP.A iets leren uit het Deense voorbeeld? Het stelt op z’n minst de inzet van het debat op scherp: gelooft de partij nog in het ideaal van een samenleving van gelijken, of verkiest ze de klassenmaatschappij?

— Deze bijdrage verscheen op 22 juni 2019 in De Standaard.

Sociaal-democratie in de uitverkoop.

Goed nieuws uit het Noorden. De Deense sociaaldemocratische partij toont de weg voor haar zusters hier en elders in Europa: het volstaat om enkele basisprincipes van de sociaaldemocratie als overbodige ballast af te werpen, om weer met lichte tred en opgeheven hoofd de kiezer tegemoet te treden. Mette Frederiksen, leider van de Deense sociaaldemocraten, zou haar partij naar de overwinning leiden in de verkiezingen voor het nieuwe parlement.

De feestelijkheden waren al weken gepland, de champagne stond gereed: iedereen verwachtte een eclatante verkiezingsoverwinning voor de sociaaldemocraten. De eerste resultaten die binnenliepen waren weliswaar bemoedigend, maar weinig spectaculair. Het gaf niet, het verhaal was al geschreven: Mette Frederiksen had met haar linkse blok de rechtse regering onttroond, en ze slaagde waar zovelen in Europa faalden, door ongegeneerd het verhaal dat rechtse partijen over ‘het vreemdelingenprobleem’ vertellen over te nemen en eigen te maken. De partijen in de socialistische familie die elders in Europa liggen te zieltogen, leren dus maar best uit het Deense voorbeeld. Denemarken is de toekomst, Denemarken toont de weg naar de overwinning.

Nu ja, overwinning…

Uiteindelijk verliezen de sociaaldemocraten onder Mette Frederiksens harde lijn weer wat van het terrein dat ze onder haar voorgangster Helle Thorning-Schmidt hadden heroverd. Het is enkel door de forse vooruitgang van de andere partijen in het linkse blok, partijen die zich verzetten tegen het rechtse discours in plaats van het na te praten, dat het linkse blok nu aan zet is om de nieuwe regering te vormen.

Het klopt dat de extreemrechtse en populistische Deense Volkspartij behoorlijk wat van haar pluimen verloor, maar dat had meer te maken met de schandalen waarin ze verwikkeld raakte en opeenvolgende breuken in de partij dan met Frederiksens discours: de stemmen die de Volkspartij verloor gingen naar de rechtse Venstre-partij van uittredend premier Lars Løkke Rasmussen, niet naar de sociaaldemocraten.

Moeten we het verhaal dus helemaal herschrijven, en is het niet dankzij, maar net ondanks het overnemen van het praatje over ‘het vreemdelingenprobleem’ dat Frederiksen de nieuwe premier van Denemarken kan worden? Eerder gingen ook andere socialistische en sociaaldemocratische partijen die een meer rechtse lijn volgen op het migratiethema onderuit, zoals in Nederland de SP, terwijl de PSOE in Spanje kon winnen zonder alarmerend de migratietrom te beslaan.

Zelfs al had het nabauwen van het meest rechtse migratiediscours Mette Frederiksen geholpen aan de overwinning waarop iedereen al rekende – quod non –, was het werkelijk een overwinning op het xenofobe populisme geweest? Het volstaat dan om dezelfde xenofobe praat te verkopen, het volstaat om een beleid te steunen dat stoelt op xenofobe vooroordelen, om de xenofoben een smadelijke nederlaag toe te brengen. Neem hun discours over, voer hun programma uit: dat krijgt hen wel klein! Een vreemde redenering.

Wat meer is: het is een ijdele poging de sociaaldemocratie te redden door de sociaaldemocratie in de uitverkoop te zetten.

Het doel van de sociaaldemocratie is de nieuwe samenleving, waarin de leus van de Franse Revolutie – ‘vrijheid, gelijkheid, broederlijkheid’ –  verwezenlijkt wordt. Vrijheid kan dan niet betekenen wat het wel betekent in een maatschappij overheerst door de kapitalistische markt, waarin vrijheid verengd wordt tot louter het zo ongehinderd mogelijk nastreven van het particuliere eigenbelang. Dat vrijheidsbegrip komt immers onvermijdelijk in conflict met de morele eisen die gelijkheid en broederlijkheid ons stellen. De sociaaldemocratie streeft dus een nieuwe samenleving na, waarin vrijheid, gelijkheid, en broederlijkheid harmonieus samengaan. Of beter: dat was het doel van de sociaaldemocratie.

Vandaag schiet van die droom van een ‘nieuwe samenleving’ niets meer over, is men de noties ‘gelijkheid’ en ‘broederlijkheid’ volledig uit het oog verloren. Als men de sociale zekerheid weet te verdedigen, zal het allemaal allang goed zijn. De sociaaldemocratie verbeeldt vandaag geen nieuwe samenleving meer, maar is verworden tot de belangenbehartiger van deze of gene groep binnen de bestaande orde, waarvoor anderen zonodig geslachtofferd worden. Een partij kan alleen het rechtse discours over ‘het vreemdelingenprobleem’ overnemen, waarin mens tegen mens wordt opgehitst, als ze niet meer droomt van de nieuwe samenleving waarin ‘vrijheid, gelijkheid, en broederlijkheid’ werkelijkheid worden – als ze dus geen sociaaldemocratische partij meer is. Op verdeeldheid kan men geen solidaire samenleving bouwen.

—Deze bijdrage verscheen op 7 juni in De Morgen.

Het stond in de sterren geschreven.

Mij werd, op de democratische hoogdag laatstleden zondag, de weinig benijdenswaardige taak toebedeeld secretaris te zijn van een stembureau in het kieskanton Sint-Jans-Molenbeek (Brussel). Ik was me maar al te zeer bewust van het feit dat ik bij een volgende verkiezing geen jonge man meer zou zijn, maar de veertig voorbij, en op weg naar het einde; het was dan ook met een enigszins bezwaard gemoed dat ik ontwaakte.

Wie mij kent zal weten dat het voeren van een gesprek, op zo vroeg een uur, voor mij onmogelijk is. Al schijnt buiten de zon en kwinkeleren de vogels vrolijk hun lied, in mij heerst nog het duister van de nacht, en elk geluid voortgebracht door een mens klinkt als de aankondiging van een spoedig zich voltrekkend drama. Op meer dan ontstemd gegrom ten antwoord hoeft men dan ook niet te rekenen. Dat ik mijn ochtendlijke koffie die zondagmorgen haastig naar binnen had te slokken, hielp mijn humeur geenszins.

Laat daarmee niet gezegd zijn dat ik ook maar voor een moment overwoog me aan mijn burgerlijke plicht te onttrekken: zonder mij geen verkiezingen, en zonder verkiezingen is het meteen uit met onze democratie. Op mijn al te tengere schouders rustte dan ook een al te zware verantwoordelijkheid, al kon ik me optrekken aan het feit dat ik op z’n minst niet voorzitter van een stembureau was. Zo alles in het honderd zou lopen, ik kon me altijd nog als een hazewind uit de voeten maken, de boel de boel latend. Met rampscenario’s weigerde ik echter rekening te houden; eerder was het met een zekere trots dat ik uiteindelijk, een kwartier voor zeven, het stembureau betrad. Hier zou het gebeuren. Hier zou geschiedenis geschreven worden.

Het stembureau bevond zich in een kaal klaslokaal. Enkel een kalender aan de muur herinnerde aan de kinderen die hier doordeweeks tot brave burgers van het land worden gekneed: vier heldere kleurvlakken deelden voor de leerlingen het jaar op in vier seizoenen, de witte winter lag achter ons, de groene lente was aangebroken.

Keurig in het gelid rezen de stemhokjes op uit het halfduister waarin het klaslokaal nog baadde. Enkel de wastafel in de hoek lichtte op in het binnenvallende zachte zonlicht. Het zorgde voor een mooi, verstild plaatje. Even later ging de deur van het stemlokaal open, en de dag bergaf.

Het was pas later dat de pathetische symboliek van het beeld tot me doordrong. Hoe de dag in de tussentijd verlopen was, ik zou het niet kunnen vertellen. Ik moet een achttal uren aan één stuk door hebben rechtgestaan aan de urne, terwijl ik met mijn meest vriendelijke stem aan vele honderden kiezers uitlegde hoe hun stembiljet te scannen en vervolgens in de stembus te deponeren, ondertussen zelf het lokaal scannend op onverlaten die met een kiezer mee het stemhokje indoken — gedrag in strijd met de kieswet dat niet getolereerd kan worden.

Het afsluiten van de stemming, het invullen van alle documenten, het noteren van de talrijke incidenten in het proces verbaal — ach, het geheim van de stemming verbiedt me er meer over te zeggen, en wat een zonde dat is, het nakijken van de stemregisters op eventuele fouten, het joggen door Brussel — absurd beeld — met zakken vol stembiljetten om ze aan het hoofdbureau te bezorgen.

Eindelijk daar — doodop, het was niet “gaan zitten” dat ik deed tussen de vele wachtenden, het was neerzijgen — kwamen me de binnenstromende resultaten voor het eerst ter ore.

Dat de uitslag dramatisch zou zijn, het stond in de sterren geschreven. Dag in, dag uit, jarenlang, krijgen we de boodschap door de strot geramd dat dit land het land van de duizend rampen is, een boodschap met onvermoeibare energie in de markt gezet door bedrijfsbazen voor wie geen winstmarge groot genoeg en geen bijdrage aan de sociale zekerheid en de landsfinanciën klein genoeg is.

We betalen “te veel” belastingen (al heeft dat niet verhinderd dat de doorsnee-Belg zowat de rijkste burger ter wereld is, maar laat dat niet gezegd zijn), toch worden ons steeds hogere facturen opgesolferd — iemand moet tenslotte de stelselmatige verlaging van de bedrijfsbijdragen compenseren, al lijkt niemand zich daar vragen bij te stellen, zo geïndoctrineerd zijn we door de propagandamachine van het conglomeraat dat onze economie bestiert.

En dus vraagt de burger: als ik zoveel betaal, en toch staat dit land zogezegd op de rand van het faillissement (quod non, maar wie maalt daarom?), waar is dat geld dan naartoe? Tegelijk worden we —opnieuw, dag in, dag uit, jarenlang— overspoeld door een hitserig discours, vol gelieg en bedrieg, dat dreigt met tsunami’s aan migranten en de ondergang van het avondland door horden barbaren die zich al in ons midden bevinden. Is het dan zo moeilijk te bevatten dat de kiezer de puzzelstukken bij elkaar legt, en kiest voor de partijen die beloven hen te beschermen door te stampen naar wie hen bedreigt?

Geen verrassend resultaat dus, maar daarom niet minder ontstellend, toen ik daar zondagavond half ingestort op een houten zitbank zat te wachten in het telbureau van Molenbeek, en de wereld van me af wilde trappen. Wat dat precies opgeleverd zou hebben, was me ook toen al niet geheel duidelijk, maar in mijn woede en vermoeidheid heb ik de onbedwingbare neiging te vervallen tot het gedrag van een peuter die, wanneer hij zijn zin niet krijgt, zich krijsend op de grond gooit en wild met zijn kleine beentjes in het rond begint te trappelen.

Ondertussen, na de nodige nachtrust, ben ik alweer bedaard. Ik heb geleerd dat men de kiezer zijn keuze niet mag aanwrijven. Ik heb geleerd dat het niet meer dan een foert-stem was, die massale steun voor niet eens zo verholen racisten en hun nabauwers, waarmee men weliswaar zijn ongenoegen uit, maar zich daarom nog niet inschrijft in het discours waarvoor men wel gekozen heeft. Ik moest weer denken aan de stemhokjes, die daar in het halfduister oprezen in het klaslokaal, en de wastafel verlicht door de binnenvallende zon. De kiezer verschuilt zich achter een gordijntje en steekt zijn middelvinger op — en wast vervolgens zijn handen in onschuld. Vrij van zonden, onschuldig als een lam, wandelt hij het stemlokaal buiten, het zonlicht in. Het wordt een mooie dag.

—Deze bijdrage verscheen eerder op Mo*.

Waarom België steeds rijker wordt — en toch steeds meer mensen moeilijk rondkomen

Het gaat goed met België en de Belgen. We zijn een rijk land, met rijke burgers, die ook steeds rijker worden. Hoe komt het dan dat toch een steeds grotere groep in armoede leeft, en dat steeds meer mensen —niet alleen mensen in armoede, maar ook mensen in de lage middenklasse— het gevoel hebben dat ze niet rondkomen? Twee tendensen blijken van cruciaal belang: de shift van kostwinners- naar tweeverdienersmaatschappij enerzijds, waarbij gezinnen die geen beroep kunnen doen op twee inkomens uit arbeid steeds verder achterop raken; en de disfunctionele woningmarkt anderzijds, waarbij lagere inkomens geconfronteerd worden met een disproportioneel zware druk die huisvestingskosten op hun budget leggen. Daar zou morgen de prioriteit moeten liggen van het beleid.

Deze bijdrage herneemt enkele belangrijke bevindingen uit het Denktank Minerva onderzoeksrapport ‘Een nieuwe kwetsbaarheid’, uitgevoerd door het Centrum voor Sociologisch Onderzoek aan de K.U.Leuven. Het volledige rapport is hier te lezen.

Eerste, methodologische, bemerking: de verschillende inkomensklassen waarvan sprake zijn bepaald op basis van het netto inkomen waarover mensen beschikken, dus hun inkomen na de toekenning van sociale transfers en de aftrek van de verschuldigde inkomensbelasting. Vervolgens wordt dit netto beschikbare inkomen gecorrigeerd voor de gezinssamenstelling: een koppel heeft immers per persoon een lager inkomen nodig dan een alleenstaande om er toch dezelfde levensstandaard op na te kunnen houden, vermits bepaalde belangrijke kosten gedeeld kunnen worden. Het is op basis van dit (equivalente) netto beschikbare inkomen dat vervolgens het mediaaninkomen bepaald wordt: de helft van de inwoners in België beschikt over een lager inkomen, de helft over een hoger inkomen. In 2016 bedroeg het mediaaninkomen voor een alleenstaande bijna 1.900 euro, voor een koppel bijna 3.000 euro.

equivalentietabel.png

Wie beschikt over een inkomen rondom de mediaan, behoort tot de kernmiddenklasse. Wiens inkomen meer dan een vijfde meer bedraagt, behoort tot de hoge middenklasse. Wie zelfs twee keer meer verdient, is rijk. Omgekeerd geldt dat wie moet rondkomen met een inkomen dat lager is dan zestig procent van die mediaan, arm is. In 2016 betekent dat dus een inkomensgrens van 1.790 euro voor een koppel, en 1.190 euro voor een alleenstaande. Uit budgetonderzoek van de Universiteit Antwerpen blijkt ook dat deze (internationaal bepaalde) armoedegrens ongeveer overeenstemt met het minimale inkomen waarover iemand moet beschikken om te kunnen participeren aan de samenleving. Wie over een inkomen beschikt dat hoger is dan deze armoedegrens, maar toch niet voldoet voor de kernmiddenklasse, behoort tot de lage middenklasse.

Eerste vaststelling: de kernmiddenklasse in België kalft langzaam maar zeker af. In 1985 behoorden nog meer dan vier op tien Belgen tot de kernmiddenklasse, vandaag is dat nog maar drie op tien. Het aandeel mensen dat in armoede moet leven, is tezelfdertijd sterk gestegen: van negen procent midden de jaren tachtig tot zestien procent vandaag. Dat betekent dat meer dan 1,7 miljoen Belgen vandaag in armoede leven.

Grafiek_1.png

Tussen 1985 en 2016 steeg de levensstandaard natuurlijk wel: we zijn in de tussentijd heel wat rijker geworden. Terwijl de totale economie tussen 1985 en 2016 groeide met gemiddeld zo’n 1,9 procent per jaar (gecorrigeerd voor inflatie en bevolkingstoename), gingen de inkomens van de kernmiddenklasse er gemiddeld elk jaar met zo’n 1,65% op vooruit.

Grafiek_3.png

De laagste inkomens blijven echter ver achter: hun inkomen steeg ook, maar lang niet zo snel als de inkomens van de rest van de samenleving. Niet alleen is het aandeel mensen in armoede dus sterk toegenomen de laatste dertig jaar, ze zijn verhoudingsgewijs dus ook steeds armer.

Vanwaar die dynamiek tussen enerzijds een stijgende levensstandaard voor de middenklasse, en anderzijds meer en diepere armoede?

Een begin van verklaring schuilt in een evolutie die we de afgelopen decennia hebben doorgemaakt, van een ‘kostwinnersmaatschappij’ naar een ‘tweeverdienerssamenleving’. Omdat in 1985 in heel veel gezinnen maar één partner werkte (veelal de man), volstond één inkomen per gezin ook om er de levensstandaard van de middenklasse op na te kunnen houden: zelfs in de kernmiddenklasse zien we dus dat bij volwassenen minder dan zes op tien mensen werkt. Eén inkomen uit arbeid in het gezin volstaat opdat beide partners toch over een inkomen kunnen beschikken waarmee ze tot de kernmiddenklasse behoren.

Grafiek_2.png

Met de instroom van vrouwen in (betaalde) arbeid, en dus ook met de opkomst van tweeverdienersgezinnen, stijgt echter ook de levensstandaard die het ‘typische middenklasse-gezin’ erop na kan houden, of nog: precies omdat in meer en meer gezinnen beide partners uit werken gaan, is het nu ook nodig dat beide partners werken om over een gezinsinkomen te beschikken dat voldoende is om als middenklasser te gelden. De levensstandaard van de middenklasse wordt niet langer bepaald door éénverdieners, maar door tweeverdieners. En dat betekent natuurlijk ook dat huishoudens die niet (kunnen) beschikken over twee inkomens uit arbeid, in de problemen komen: zij verliezen voeling met de levensstandaard van de middenklasse.

Denk bijvoorbeeld aan alleenstaanden en alleenstaande ouders: zij vormen een steeds grotere groep in onze samenleving (o.a. ook precies omdat vrouwen nu ‘gaan werken’ en dus ook financieel onafhankelijk zijn geworden en niet meer ‘veroordeeld zijn’ tot een man), en moeten per definitie rondkomen met maximaal één inkomen uit arbeid — wat vaak niet volstaat om tot de middenklasse te kunnen behoren. Het zal dan ook niet verbazen dat we alleenstaanden en zeker alleenstaande ouders disproportioneel vaak terugvinden onder de armoedegrens of in de lage middenklasse.

Grafiek_10.png

Een tweede belangrijke risicogroep zijn kortgeschoolden: zij lopen een veel hoger risico op (langdurige) werkloosheid en ziekte, invaliditeit, enz. Omdat we tegelijk ook een tendens zien waarbij meer en meer kortgeschoolden samenwonen met kortgeschoolden, en hooggeschoolden met hooggeschoolden, betekent dit ook dat deze arbeidsmarktrisico’s zich concentreren binnen huishoudens: huishoudens gevormd door kortgeschoolden zullen zo véél vaker geen beroep kunnen doen op twee inkomens uit arbeid, en dus ook elke aansluiting met de levensstandaard van de middenklasse verliezen. Ter illustratie: in 1985 was nog drie op tien rijken kortgeschoold, vandaag is dat nog maar drie op honderd. In de laagste twee inkomensklassen is ongeveer de helft van de mensen kortgeschoold.

Grafiek_11.png

Een derde risicogroep wordt gevormd door personen die niet in de EU geboren zijn. Zij ondervinden een resem drempels die hun arbeidsparticipatie belemmeren, en kunnen dan ook veel minder vaak een beroep doen op twee inkomens uit arbeid dan het doorsnee-gezin in België. Wel blijkt dat hoe langer zij in België wonen, hoe meer zij opklimmen in de inkomensverdeling.

Figuur_geboorteland.png

Alleenstaanden, alleenstaande ouders, kortgeschoolden, nieuwkomers: gezinnen die (per definitie of door omstandigheden) moeten leven met ten hoogste één inkomen uit arbeid komen in deze tweeverdienersmaatschappij in de problemen. Hun inkomen, zelfs wanneer zij werken, volstaat niet om de levensstandaard van de middenklasse te verwerven. Zij lopen een disproportioneel hoog risico op armoede.

Grafiek_1.png

Met hun inkomens die (relatief gezien) vér achter blijven op de inkomens van (tweeverdienende) middenklassegezinnen, en met de sterk stijgende woningprijzen, verliezen zij ook elke toegang tot de woningmarkt. Een eigen huis is voor hen geen bereikbare droom meer, maar een illusie. Terwijl het woningbezit onder de bevolking op actieve leeftijd in de hogere inkomensklassen tussen 1985 en 2016 sterk gestegen is, zien we een daling voor gezinnen in de lage middenklasse en zelfs een implosie voor (de steeds grotere groep) gezinnen met een inkomen onder de armoedegrens. Het woningbezit polariseert zeer sterk, mensen met lagere inkomens blijven met lage handen achter.

Grafiek_7.png

Het gevolg is dat een steeds grotere groep gezinnen met een laag inkomen terugvalt op de (kleine en relatief dure) private huurmarkt; het aandeel sociale woningen (vijf à zes procent van de totale woningmarkt) is véél te laag om aan de vraag te voldoen of om een impact te hebben op huurprijzen in het lagere huursegment. Gezinnen in het onderste kwart van de inkomensverdeling moeten daardoor —en door de tendens naar steeds hogere forfaitaire facturen— haast de helft van hun beschikbare inkomen uitgeven aan onontkoombare huisvestingskosten: afbetalingen, huur, water, energie. Zij houden van hun al magere beschikbare inkomen nog nauwelijks iets over om te leven.

20190416_Uitgaven_naar_inkomenskwartiel_2016_BIA.png

Gevolg: met hun erg kleine inkomen, waarvan bijna de helft meteen weer wegvloeit naar huisvestingskosten, komen gezinnen in de lagere inkomensklassen simpelweg niet meer rond. Zij kampen steeds meer met materiële deprivatie, waarbij zelfs basisgoederen voor hen onbereikbaar worden. Meer dan een kwart van de bevolking op actieve leeftijd die moeten rondkomen met een inkomen onder de armoedegrens, is materieel gedepriveerd, en ook in de lagere middenklasse kampt ondertussen bijna één op tien personen met materiële deprivatie.

Grafiek_8.png

Het aandeel gezinnen op actieve leeftijd in de lagere inkomensklassen, zowel bij armen als in de lage middenklasse, dat aangeeft niet rond te komen is schrikbarend snel gestegen: een gevolg van de steeds zwaardere druk die huisvestingskosten en facturen leggen op hun magere gezinsbudget. In de lage middenklasse geeft onder de bevolking op actieve leeftijd ondertussen al bijna vier op tien personen aan dat zij niet weten rond te komen. Bij 65-plussers zien we diezelfde stijging niet: zij beschikken in de grote meerderheid immers over een eigen woning die ook afbetaald is, en worden dus niet geconfronteerd met dezelfde stijgende huisvestingskosten. Dat zal in de toekomst anders zijn: we zien immers dat gezinnen in de lagere inkomensklassen véél minder dan vroeger erin slagen een eigen woning te kunnen kopen.

Grafiek_9.png

Twee grote tendensen zorgen er dus voor dat we in België weliswaar steeds rijker worden en dat onze middenklasse zich tot de rijkste van de wereld kan rekenen, maar dat we toch kampen met grote armoede en ook gezinnen in de lagere middenklasse meer en meer in de problemen komen:

1) De shift van kostwinnersmodel naar tweeverdienersmaatschappij zorgde voor een sterke stijging van de welvaart, waarbij de levensstandaard van de middenklasse nu bepaald wordt door gezinnen met twee inkomens uit arbeid — maar waardoor gezinnen die niet kunnen rekenen op twee inkomens uit arbeid ook steeds verder achterop raken.

2) De disfunctionele woningmarkt, met slechts een marginale plaats voor sociale huisvesting en een kleine en dure private huurmarkt, zorgt voor een onhoudbare druk op het beschikbare inkomen van gezinnen met lagere inkomens. Zij houden steeds minder over om te leven, en worden zo kopje onder geduwd.

‘Meer mensen aan het werk’ en ‘hogere vervangingsinkomens’ als antwoord op de nieuwe kwetsbaarheid? Het is nodig, maar lang niet voldoende. We moeten prioritair werk maken van het verlichten van de zware druk die huisvestingskosten leggen op gezinnen met een laag inkomen.

Een betaalbaar pensioen is een keuze

Een discussie over ‘langer werken’ die geen rekening houdt met de dramatische verschillen in gezondheid tussen de verschillende sociale klassen, is simpelweg niet ernstig. De constante nadruk op de stijgende (gemiddelde) levensverwachting (DS 16 mei) verdonkeremaant volledig de enorme en nog groeiende ongelijkheden in levenskansen en levens­jaren.

Een stijgende levensverwachting betekent voor iemand in een ‘hogere’ sociale klasse iets helemaal anders dan voor iemand in een ‘lagere’ sociale klasse. De gezonde levensverwachting van een kortgeschoolde ligt bijna twintig jaar lager dan die van een hooggeschoolde. Iemand die in een arme wijk woont, heeft de helft meer kans te sterven binnen een gegeven jaar dan iemand die in een rijke wijk woont. Wie in een middenklassenwijk woont, loopt dertig procent meer kans uit te vallen met langdurige ziekte dan iemand in een rijke wijk. Voor iemand uit een arme wijk loopt dat risico op langdurige ziekte – net zoals voor chronische aandoeningen, invaliditeit, noem maar op – nog veel hoger op. Elke discussie over langer werken botst hier op haar grenzen: als we die ongelijkheden niet ten gronde aanpakken, betekent langer werken voor brede lagen van de bevolking niet meer dan ‘werken tot we erbij neervallen’.

Dat gezondheidsproblemen toenemen naarmate we dieper afzakken op de inkomensverdeling, en daarmee ook de periodes van inactiviteit, betekent ook dat elk voorstel dat periodes van langdurige ziekte en invaliditeit wil afstraffen met een nog lager pensioen, ongelijkheid op ongelijkheid stapelt. Lagere inkomens betekenen ziekere mensen, ziekere mensen betekenen lagere inkomens: willen we die vicieuze cirkel echt in stand houden?

Het is nodig om de betaalbaarheid van de pensioenen te verzekeren, klinkt het dan. Maar het klopt niet dat de pensioenen binnenkort niet meer betaalbaar zullen zijn, zelfs niet wanneer – oh horror – de ‘gemiddelde’ levensverwachting zou blijven stijgen. Wat wél klopt, is dat we meer zullen moeten uitgeven aan de pensioenen, zelfs fors meer. Spreek ik mezelf dan niet tegen? Neen, want: we bouwen met z’n allen ondertussen ook heel wat meer rijkdommen op. En dan is het niet omdat we een wat groter aandeel van die welvaart zullen moeten aanwenden om de levensstandaard van een groter deel van de bevolking te garanderen, dat we zelf plots slechter af zouden zijn.

Twee zaken kunnen in een rijker wordende samenleving tegelijk waar zijn: een verhoudingsgewijs groter deel van de welvaart zal ten goede komen aan ouderen (logisch, want een groep die verhoudingsgewijs zal groeien), en ook wie werkt zal rijker zijn dan vandaag het geval is. De vraag is niet of de vergrijzing betaalbaar is: natuurlijk is die betaalbaar. De vraag is of we die prijs wíllen betalen. Dat we altijd langer zullen moeten werken, is geen onontkoombare noodzaak, maar een keuze. De keuze die we moeten maken, is wat we het meest prijs op stellen: een steeds hoger inkomen in de periodes dat we werken, of meer vrije tijd — tijdens of na de carrière.

In heel deze discussie over de noodzaak van langer werken om de betaalbaarheid van de sociale zekerheid te garanderen, wordt over één factor in alle talen gezwegen. We worden met z’n allen steeds rijker – maar wie komt die stijgende welvaart het meest ten goede? Waar is dat geld naartoe? Waarom lijkt het zo moeilijk de sociale zekerheid afdoende te financieren?

Een rapport van de Oeso dat enkele weken geleden verscheen, brengt wat meer duidelijkheid. De Oeso ging na hoe de welvaart die we met z’n allen in onze economie produceren verdeeld wordt tussen enerzijds het ‘arbeidsaandeel’ (de vergoeding voor de geleverde arbeid in het productieproces, in de vorm van lonen en socialezekerheidsbijdragen) en anderzijds het kapitaalaandeel (de vergoeding voor het geleverde kapitaal in het productieproces, in de vorm van de bedrijfswinsten en de opbrengsten voor bedrijfseigenaars en aandeelhouders). Wat blijkt: tussen 2001 en 2017 daalde het arbeidsaandeel in de industriesector met maar liefst zeven procentpunten, in de dienstensector zelfs met tien procentpunten. Omgekeerd groeide het deel van de koek die we bakken dat bedrijven voor zich weten te houden dus met respectievelijk zeven en tien procentpunten.

Dat is een gigantische verschuiving, van miljarden en miljarden euro’s welvaart, die niet meer naar lonen en socialezekerheidsbijdragen vloeien, zoals vroeger, maar blijven plakken in de handen van bedrijven en hun eigenaars. De ontslagnemende regering heeft die tendens nog versterkt door de socialezekerheidsbijdragen die bedrijven verschuldigd zijn verder te verlagen: het idee was de ‘kosten’ van arbeid te verlagen, in de praktijk leidde het tot een verdere stijging van de bedrijfswinsten, zoals ook Gert Peersman aantoonde. De sociale zekerheid bleef achter met het tekort. Tegelijk verlaagde deze regering – nog maar eens – het belastingtarief op die stijgende bedrijfswinsten.

Dáár ligt het kalf gebonden. Dáár zit het ‘betaalbaarheidsprobleem’ van onze pensioenen.

— Dit stuk verscheen op 19 mei in De Standaard.