Want een iegelijk die heeft, dien zal gegeven worden

Twee maatregelen die deze federale regering wil doorvoeren, en een mooi beeld geven van de richting van het beleid.

Eén. Om het pensioensparen verder aan te moedigen, wordt het maximale bedrag waarop u kan genieten van een fiscale vrijstelling uitgebreid van 940 euro naar 1.200 euro per jaar. Wie ruim genoeg verdient om rond te komen en bovendien elke maand nog eens honderd euro kan opzij zetten, wordt beloond met een fikse belastingvermindering. In 2013, het laatste jaar waarvoor cijfers beschikbaar zijn, liep de Staat ruim 600 miljoen euro inkomsten mis door deze belastingvrijstelling, die nu dus nog uitgebreid zou worden en dus ook nog veel meer zou gaan kosten. De gemiste inkomsten zullen elders goedgemaakt moeten worden.

Twee. Omdat de pensioenkosten te hoog zouden oplopen en de Staat elke cent driemaal moet omdraaien, zullen de al lage pensioenen van wie het ongeluk had zijn werk te verliezen of vervroegd op pensioen gestuurd te worden, nog verder verlaagd worden. Bovendien trekt de regering het brutoloon van een kortgeschoolde jongere die op z’n achttiende aan de bak moet, met bijna twintig procent naar beneden, en zal zijn pensioen later ook op dat fors verlaagde brutominimumloon berekend worden. Op die manier denkt de regering toch ook weer een honderd miljoen euro uit te sparen — honderd miljoen die het nodig zal hebben om de verruiming van de fiscale vrijstelling voor het pensioensparen te kunnen bekostigen.

Het is het beeld van deze regering in een notendop. Wie kortgeschoold is of zijn werk verloor, zal de belastingvermindering voor wie een ruimer inkomen heeft betalen: een verschuiving van middelen van wie weinig heeft naar wie meer heeft.

Bovendien moeten we ons de vraag stellen of die honderden miljoenen die de fiscale vrijstelling van het pensioensparen kost, niet beter gebruikt kunnen worden voor de versterking van de te lage wettelijke pensioenen, een maatregel waar iedereen van kan profiteren, en niet enkel de hogere inkomens. Zeker omdat we weten dat die fiscale vrijstelling nauwelijks effect heeft op het spaargedrag van mensen: het leidt enkel tot een verschuiving tussen verschillende types fondsen, op zoek naar het laagste belastingtarief, maar nauwelijks tot een verhoging van het totale bedrag dat belegd wordt. Het is, anders gesteld, niet meer of minder dan een dure subsidie voor de hogere inkomensklassen, betaald met de verlaging van de wettelijke pensioenen van wie sowieso al met een lager inkomen moet rondkomen.

“Want wie heeft zal nog meer krijgen, en wel in overvloed, maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij nog heeft worden ontnomen.” — Men had kunnen hopen dat met een christelijke volkspartij in de regering de machthebbers een ander Bijbelvers tot leidraad voor het beleid zouden gekozen hebben. Het is helaas anders uitgedraaid.

— Dit stuk verscheen op 25 juli in De Morgen.

Vijf kanttekeningen bij de verlaging van de minimumlonen voor jongeren

Minister van Werk Kris Peeters (CD&V) leurt er al een tijdje mee: de verlaging van de minimumlonen voor kortgeschoolde jongeren met weinig werkervaring. Werkgevers twijfelen om zulke jongeren aan te werven, zo redeneert minister Peeters, omdat zij verwachten dat die jongeren minder productief zijn dan anderen op de arbeidsmarkt: verlaag dus hun loon ter compensatie voor die gevreesde lagere productiviteit, en werkgevers zullen die laagbetaalde jongeren met open armen ontvangen. Werkgevers tevreden, want goedkope arbeidskrachten; jongeren tevreden, want een job; overheid tevreden, want minder werkloosheidsuitkeringen. Een win-win-win-situatie, dus, en dus moeten we ons ook afvragen hoe het komt dat zo’n systeem met schijnbaar alleen maar winnaars niet allang in voege is.

Eerste kanttekening. Volgens berekeningen van het Federaal Planbureau, zo berichtte De Morgen afgelopen donderdag, zou de voorgestelde maatregel amper 460 tot 670 nieuwe jobs opleveren, maar de overheid wel een smak geld kosten. De loonlasten verlagen komt immers niet zonder prijs: of het nu gebeurt via een vermindering van de socialezekerheidsbijdragen, via een gedeeltelijke vrijstelling van de bedrijfsvoorheffing, of —zoals in het voorstel-Peeters— via een premie voor de werknemer om de verlaging van zijn of haar brutoloon minstens ten dele bij te passen, de minderinkomsten of meeruitgaven voor de overheid moeten elders gecompenseerd worden. Wat meteen de vraag doet rijzen of tientallen miljoenen spenderen aan een maatregel die in het beste geval nog geen zevenhonderd jobs zou creëren de meest efficiënte inzet van middelen is.

Tweede kanttekening, daar nauw bij aansluitend. Met de Zesde Staatshervorming werden de gewesten bevoegd voor het al dan niet toekennen van loonlastenverlagingen aan specifieke doelgroepen, zoals kortgeschoolde jongeren. Vlaams minister van Werk Philippe Muyters (N-VA) besliste daarop om de bestaande loonlastenverlaging die specifiek gericht was op die doelgroep van kortgeschoolde jongeren zodanig uit te breiden met andere, minder kwetsbare categorieën, dat de oorspronkelijke groep volledig uit de boot dreigt te vallen, terwijl de kostprijs voor de overheid bijna verviervoudigt. Het is dan ook op z’n minst merkwaardig te noemen dat de federale regering, met dezelfde partijen aan de knoppen als op Vlaams niveau, nu wil beslissen om de teloorgang van de ene loonlastenverlaging voor kortgeschoolde jongeren te compenseren met het invoeren van een andere loonlastenverlaging voor dezelfde doelgroep.

Van twee dingen één. Ofwel heeft het verder verlagen van de loonkost specifiek voor kortgeschoolde jongeren inderdaad weinig zin, zoals Muyters denkt, en dan begaat de federale regering een serieuze stommiteit om daar toch tientallen miljoenen aan te willen spenderen. Ofwel is het wel degelijk zinvol om een loonlastenverlaging specifiek te richten op de groep van kortgeschoolde jongeren, en dan heeft Muyters behoorlijk geflaterd toen hij dat programma doodkneep.

Derde kanttekening. De tegenstrijdige maatregelen die op Vlaams en op federaal niveau genomen worden, zelfs wanneer dezelfde partijen op beide beleidsniveaus het arbeidsmarktbeleid kunnen uittekenen, tonen de complete incoherentie aan van het Belgische arbeidsmarktbeleid, dat niet gehinderd wordt door enige consistentie in beleid of visie, laat staan door enige doorgedreven wetenschappelijke ondersteuning ervan. Hoe veel maatregelen en maatregeltjes zijn er al genomen en weer afgevoerd en weer ingevoerd? Hoeveel algemene en specifieke loonlastenverlagingen, hoeveel ingewikkelde formules om hier of daar wat bij te sturen? En hoe vaak zijn die beleidsaanpassingen effectief onderzocht naar hun effectiviteit en efficiëntie, zodat ze zouden kunnen dienen als leidraad voor toekomstig beleid? Liever vaart men blind, nu eens peddelend in deze richting, dan weer een heel andere kant uit, zonder enig idee waar men uiteindelijk landen wil of hoe daar te raken.

Vierde kanttekening. Die incoherentie van het Belgische arbeidsmarktbeleid wordt deels gedreven door een gebrek aan eerlijkheid over wat er in België moet gebeuren om de werkgelegenheidsgraad van kortgeschoolden fundamenteel op te trekken. Belgische werknemers zijn, in vergelijking met hun collega’s in de omliggende landen, erg productief. Of het nu in de industriële sector is, in de handel, de logistiek, de bouw, of in de ict-sector: een werknemer in België creëert méér toegevoegde waarde per gewerkt uur dan werknemers in Nederland, Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, of Italië. Die hogere productiviteit wordt deels gedreven door hogere bedrijfsinvesteringen, en maken ook hogere lonen mogelijk. In zoverre de economische ontwikkeling van een land op langere termijn in hoge mate aangevuurd wordt door de productiviteitsontwikkeling in dat land, is de Belgische productiviteit ook een positieve zaak; ze maakt onze grote welvaart mogelijk (dat de gemiddelde Belgische burgers bij de rijksten van Europa is, komt niet uit de lucht vallen). De gerichtheid van de Belgische economie op hoogproductieve arbeid maakt ons land echter ook erg moeilijk voor wie minder productief is: zij zijn ‘te duur’, ‘passen niet in het arbeidsproces’, ‘halen de cijfers naar beneden’. Hun tewerkstellingscijfers fors optrekken, vereist een serieuze shift in onze economie, en het inzetten op de sterkere ontwikkeling van sectoren die relatief laagproductief zijn, slechter betaald worden, en waar de winstmarges vaak ook heel wat lager liggen.

Het is de weg die bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk is ingeslagen, waar opeenvolgende regeringen sterk hebben ingezet op het naar beneden drijven van de lonen en arbeidsvoorwaarden van wie zich aan de onderkant van de arbeidsmarkt bevindt, en de daarmee gepaard gaande sterke ontwikkeling van precaire arbeid, zoals met de infame nuluurcontracten. Het klopt dat het Verenigd Koninkrijk hierdoor behoorlijk goede tewerkstellingscijfers kan voorleggen (al werkt iemand maar één uur aan een minimaal loon: hij werkt), maar de prijs die de Britten hiervoor betalen is wel een scherpe daling in de lonen, niet alleen voor wie zich onderaan de ladder bevindt, maar ook voor de modale Brit. En doordat arbeid er zo goedkoop en flexibel geworden is, hoeft een Brits bedrijf ook niet meer te investeren in haar werknemers en in het opdrijven van de productiviteit. En ook dat toont zich: de bedrijfsinvesteringen liggen er heel wat lager dan in België, de productiviteitscijfers boeren achteruit. Op korte termijn tellen bedrijven hun winst, maar op langere termijn dreigt de Britse economie te stagneren.

Een tweede voorbeeld van een land dat gekozen heeft voor het opnieuw ontwikkelen van het laagproductieve en laagbetaalde segment van de economie is Duitsland. Ook daar zien we dat sinds de befaamde Hartz-hervormingen er heel wat jobs zijn bijgekomen (op tien jaar tijd meer dan 3,3 miljoen), maar ook dat de armoede er nog veel sterker gestegen is (in dezelfde periode kwamen er 3,5 miljoen mensen in armoede bij). Meer: het aantal mensen die wél werken, en toch een inkomen hebben dat onder de armoedegrens ligt, is er zelfs meer dan verdubbeld. Bijna één op tien werkende Duitsers leeft vandaag in armoede.

Het wijst erop dat voldoende jobs creëren voor wie kortgeschoold is en waarvan bedrijven verwachten dat ze minder productief zijn, in onze sociaal-economische context al te vaak betekent: ofwel hun lonen fors verlagen, ofwel hun sociale rechten afbouwen, ofwel hun arbeid sterk subsidiëren — of een combinatie van die maatregelen. Het is maar de vraag in hoeverre we kunnen en willen meestappen in die ontwikkeling, die niet alleen vanuit sociaal oogpunt niet zaligmakend is, maar ook een rem zet op de economische ontwikkeling van een land.

Vijfde kanttekening. In het verleden heeft België er veelal voor gekozen laagproductieve arbeid te ondersteunen door het op één of andere manier te subsidiëren. Denk aan de vermindering van socialezekerheidsbijdragen voor doelgroepen die verder van de arbeidsmarkt staan, of de ontwikkeling van het stelsel van dienstencheques. Het voorstel van minister van Werk Kris Peeters past in hetzelfde rijtje, in zoverre het de verlaging van de brutolonen van kortgeschoolde jongeren minstens ten dele zou compenseren door het toekennen van een premie aan de jongere: de overheid maakt het dus mogelijk voor het bedrijf om de brutolonen te verlagen en toch aantrekkelijk te blijven voor een werkzoekende jongere, doordat de overheid zelf het loonsverlies bijlegt.

Toch is er met het voorstel-Peeters nog iets meer aan de hand. De facto komt de verlaging van de brutolonen van kortgeschoolde jongeren, zelfs wanneer die in eerste instantie bijgepast wordt met een premie om het nettoloon op peil te houden, immers neer op de afbouw van de sociale rechten die werken normaal gezien met zich meebrengen.

Ons socialezekerheidsstelsel vertrekt vanuit een sterke band tussen werk enerzijds en sociale rechten anderzijds: wie werkt of gewerkt heeft en zo heeft bijgedragen aan de sociale zekerheid, opent daarmee ook het recht op een uitkering bij ziekte of verlies van werk en bouwt ondertussen pensioenrechten op. De mate waarin iemand werkt en de hoogte van het vervangingsinkomen waarop hij bij ziekte, werkloosheid, of pensioen recht heeft, wordt berekend aan de hand van zijn of haar brutoloon. Hoe lager dat brutoloon, hoe lager het vervangingsinkomen of het pensioen waarop iemand later recht zal hebben. En het is precies op die manier dat Kris Peeters kortgeschoolde jongeren ‘aantrekkelijker’ wil maken voor werkgevers: door hun brutoloon nog verder te verlagen — en daarmee ook hun vervangingsinkomen bij ziekte, werkloosheid, en ouderdom. Een jongere die in het nieuwe systeem aan de slag gaat in een bedrijf, daar hetzelfde werk verricht en dezelfde uren presteert als een leeftijdsgenoot die het jaar voordien in het oude systeem werkte, zal voor datzelfde werk minder sociale rechten opbouwen: een lager pensioen, lagere vervangingsinkomens. En dat voor een groep die zich nu al helemaal onderaan het inkomensspectrum bevindt.

Het voorstel-Peeters zet daarmee een tendens voort van het loskoppelen van werk enerzijds en de opbouw van sociale rechten anderzijds, een tendens die bijvoorbeeld ook al tot uiting kwam in het mogelijk maken van ‘goedkope’ overuren in de horeca: tot 360 uren per jaar, of meer dan negen weken van 38 uur per week. De werknemer draait die uren wel, maar bouwt tijdens die uren geen sociale rechten op: ze tellen niet mee voor de berekening van uitkering bij ziekte of werkloosheid, en ze tellen ook niet mee bij de berekening van het pensioen. Net wanneer de grootste inkomensschok opgevangen moet worden, wordt de werknemer met de neus op de feiten gedrukt: we maakten wel graag van uw arbeid gebruik, maar verwacht er niets voor in ruil — een sluipende ondermijning van het sociale contract.

— Dit stuk verscheen op 17 juli op Knack.be.

De zelfgekozen dood van het parlement

Het enthousiasme waarmee onze politici de nieuwe Franse president Emmanuel Macron hebben omarmd bevreemt. Het hoeft niet te verbazen dat zij zich aanschurken tegen wie het imago van een winnaar heeft, in de hoop dat iets van zijn magie op hen zal afstralen, maar iets meer terughoudendheid had toch niet misstaan. Want al belooft Macron wel eigenhandig het vastgeroeste Frankrijk weer in gang te duwen, de manier waarop hij dat wil doen kan men toch enigszins bedenkelijk vinden: mét het parlement als het kan, zo zei hij, maar zonder als het moet. Weigert de Assemblée zijn maatregelen goed te keuren, dan voert hij ze wel uit zonder de goedkeuring van de vertegenwoordigers van het volk.

Dat niet één van onze politici op dat moment even de wenkbrauwen fronstte, is tekenend voor de rol die het parlement in onze democratie nog te spelen heeft: een instituut dat z’n beste tijd wel gehad lijkt te hebben en enkel nog dient voor de formele stempel van goedkeuring, maar in niets meer lijkt op wat het hoort te zijn, het instituut dat stem geeft aan de veelheid van het volk, dat na intens debat de richting bepaalt waarin we als samenleving gaan, de lijnen uitzet waarbinnen de uitvoerende macht zich heeft te begeven en die uitvoerende macht ook voortdurend op het matje kan roepen en weer op het rechte pad kan brengen. Nu: een achterafje, een zoveelste stap in de moeizame procedure om een ministrieel ideetje werkelijkheid te laten worden, en dan nog één die ons een aardige duit kost ook. Fors inperken, dus, want het parlement simpelweg afschaffen lijkt voorlopig nog een iets te directe aanslag op wat een democratie hoort te zijn.

De irrelevantie van het parlement toont zich in Vlaanderen bijvoorbeeld in het debat over de hervorming van het jeugdrecht — of beter, het gebrek aan debat. Sinds de Zesde Staatshervorming is Vlaanderen bevoegd over alles wat met jeugdcriminaliteit te maken heeft, en dus wordt een grondige hervorming van het jeugdrecht voorbereid. Wat betekent: ergens in een achterafkamer van een kabinet wordt een akkoord in elkaar getimmerd, zonder enig publiek debat, zonder het parlement daar ook maar voor de vorm in te kennen. Meer, op z’n minst over de grote lijnen zou de regering zelfs al een akkoord bereikt hebben, maar wat dat akkoord moge inhouden, dat wordt angsvallig verborgen gehouden tot alle miniscule details zijn ingevuld en het in z’n geheel aan een rotvaart door het parlement gejaagd kan worden.

Voor de vorm zal men wel een stemming organiseren, men kan niet anders, en vóór die stemming moet er natuurlijk een debat zijn in het parlement, maar niemand maakt zich enige illusie dat het wat uitmaakt: aan het akkoord dat de regering bedisseld heeft zal geen letter meer veranderen, wat er in dat debat ook gezegd zal worden. Uiteindelijk zullen de volksvertegenwoordigers doen wat ze altijd doen: goedkeuren wat de regering hen voorlegt, zonder morren, zonder al te veel protest, de irrelevantie van het parlement bekrachtigend.

Een democratie waarin het parlement zichzelf zo monddood maakt, is geen gezonde democratie. Volksvertegenwoordigers moeten weer leren dat zij niet de regering vertegenwoordigen (de huidige regering voor de meerderheidspartijen, de komende regering voor de oppositie), maar het volk.

— Dit stuk verscheen op 11 juli in De Morgen.

Onvoltooid verleden

Van het Koninklijk Domein in het noorden tot het Dudenpark in het zuiden, van de Basiliek van Koekelberg in het westen tot het Jubelpark in het oosten, kreeg Brussel vorm onder en door Leopold II. Hij drukte zijn stempel op de hoofdstad, die een afspiegeling moest zijn van het statuur dat hij zichzelf toedichtte, machtig en imposant. En niet alleen Brussel: heel België was het schetsblad waar de koning zijn grootsheid op uittekende. Oostende kreeg de Koninklijke Gaanderijen, Antwerpen een treinstation dat de reiziger met verstomming moest slaan om zijn nietigheid tegenover Belgiës rijkdom, een kathedraal gewijd aan handel, nijverheid, en kapitaal, een monument ter ere van Belgiës nieuwverworven status als wereldmacht. Dankzij Leopold, die niet te beschroomd was om zijn initialen in het groot te laten verwerken in het bouwwerk – opdat wij niet zouden vergeten.

Wij zijn het vergeten. België is een land zonder verleden.

Of beter: ons gebrek aan patriottisme is maar al te vaak een handigheidje om ook de donkerste bladzijden uit onze geschiedenis niet te moeten lezen.

De generositeit van Leopold II was immers een in bloed gedrenkte vrijgevigheid, zijn bouwwerken monumenten van nietsontziend geldbejag, odes aan de rijkdom die te verwerven viel als men maar meedogenloos durfde zijn. En Leopold was meedogenloos, en wij met hem. Zijn project, zijn kindje, zijn Congo-Vrijstaat die België zijn rijkdom schonk, kostte aan naar schatting tien miljoen Congolezen het leven. Tien miljoen Congolezen de dood ingejaagd door uitbuiting en represailles, opdat het rubber zou blijven vloeien, Leopolds fortuin zou blijven aangroeien, Belgiës opgang in de vaart der volkeren niet te stuiten zou zijn. Tien miljoen Congolezen die de dood vonden, dat is zowat het dubbele van de bevolking van België in 1880, toen Leopold Congo naar zich toe trok. Tien miljoen Congolezen, dat is meer dan een achtste van de huidige bevolking van Congo, gestorven in de koortsdroom van een koning. De vroege Belgische geschiedenis van Congo is een horrorverhaal geschreven in rubber.

En toen begon het grote vergeten.

Congo-Vrijstaat werd Belgisch Congo, de rubberplantages werden afgelost door de Société Générale en zijn Union Minière, Congo’s rijkdommen bleven naar België vloeien, maar wat er daar precies gebeurd was, dat hoefden we niet te weten. Geef ons ons geld, en vergeetachtigheid.

We kunnen ons niet beroepen op belforten en kanten kathedraalgewelven, op Van Eyck, Rubens en Van Dyck, we kunnen niet pronken met de fraaiste bladzijden in onze geschiedenis, en vervolgens onze handen aftrekken van de misdaden begaan in Congo, alsof wij daar niets mee te maken hebben. De rijkdom die Congo ons schonk is overal rondom ons zichtbaar. Nergens, echter, is een plaats gegeven aan één van de grootste misdaden tegen de mensheid. Het standbeeld van Leopold II staat nog steeds te pronken voor het Koninklijk Paleis in hartje Brussel — en moet daar blijven staan. Maar tien miljoen doden die tot onze Belgische geschiedenis behoren, dat behoeft een monument, een gedenkingsplek in verhouding tot de misdaad. België mag niet vergeten.

Vrijdag, 30 juni, viert Congo zijn onafhankelijkheid. België kan tonen dat het niet wil vergeten, dat het weet dat het niet mag vergeten.

— Deze column verscheen op 27 juni in De Morgen.

Overzicht van de criminaliteitscijfers in België en de vier grote steden

Vandaag publiceerde de federale politie de criminaliteitsstatistieken voor het jaar 2016. Hieronder enkele opvallende cijfers en tendensen voor geheel België en voor de vier grote steden: Brussel (Hoofdstedelijk Gewest) (1,187 miljoen inwoners), Antwerpen (517.000 inwoners), Gent (257.000 inwoners), en Charleroi (202.000 inwoners). Noteer hierbij dat in alle cijfers ook de (aangegeven) ‘pogingen tot…’ zijn meegerekend, en noteer ook dat sommige fluctuaties in de cijfers te maken kunnen hebben met enerzijds aangiftegedrag en anderzijds welke prioriteiten de politie zich stelt.

Het totale aantal misdrijven is de laatste jaren stelselmatig gedaald, en blijft ook dalen. Dit is een tendens die zich ook elders in Europa (en de VS) voordoet.

Screen Shot 2017-06-27 at 15.49.15Eenzelfde fenomeen doet zich ook in de vier grote steden voor, al liggen de cijfers daar stelselmatig hoger dan in België in z’n totaliteit.

Screen Shot 2017-06-28 at 15.40.04

De vijf grootste categorieën misdrijven die de federale politie registreert zijn diefstal en afpersing, beschadiging van eigendom (het gros hiervan gaat om vandalisme), misdrijven tegen de lichamelijke integriteit (vooral slagen en verwondingen), drugsfeiten, en bedrog (oplichting).

In de categorie ‘diefstal en afpersing’ is het aantal getelde misdrijven op vijf jaar tijd met bijna dertig procent gedaald. Eenzelfde fenomeen in de vier grote steden.

Screen Shot 2017-06-27 at 16.03.52

 

Screen Shot 2017-06-28 at 15.40.24

De belangrijkste vormen van diefstal zijn achtereenvolgens ‘diefstal uit of aan een voertuig’, ‘zakkenrollerij’, en ‘diefstal met geweld zonder wapen’.

Screen Shot 2017-06-27 at 16.13.23.png

Screen Shot 2017-06-28 at 15.41.55

Screen Shot 2017-06-27 at 16.12.02

Screen Shot 2017-06-28 at 15.42.04

 

Screen Shot 2017-06-27 at 16.12.08

Screen Shot 2017-06-28 at 15.42.39

Inbraak in gebouwen:

Screen Shot 2017-06-27 at 16.41.14

Screen Shot 2017-06-28 at 15.41.43

In de categorie ‘beschadigen van eigendom’ is vandalisme goed voor het overgrote deel van de feiten. Net zoals in de categorie ‘diefstal en afpersing’ zien we hier een sterke daling: min 35% sinds 2009.

Screen Shot 2017-06-27 at 16.30.01

Screen Shot 2017-06-28 at 15.40.32

‘Misdrijven tegen de lichamelijke integriteit’ gaat in de eerste plaats om slagen en verwondingen. Opnieuw zien we hier een daling, maar heel wat minder uitgesproken dan in de categorieën ‘diefstal en afpersing’ en ‘beschadiging van eigendom’. Op vijf jaar tijd daalde het aantal feiten met bijna 15%.

Screen Shot 2017-06-27 at 16.49.07

Screen Shot 2017-06-28 at 15.40.46

Ook de categorie ‘moord en doodslag’ valt hieronder, en hier zien we -helaas- helemaal géén daling, integendeel:

Screen Shot 2017-06-27 at 16.53.37

Screen Shot 2017-06-28 at 15.41.24

In de categorie verkrachting zien we wel weer een (lichte) daling (maar let op: het gaat hier, zoals ook in de andere categorieën, alleen om die feiten die bij de politie bekend zijn als criminele feiten):

Screen Shot 2017-06-27 at 16.53.24

Screen Shot 2017-06-28 at 15.41.34

In vergelijking met de vorige categorie lijken de feiten die onder de ‘drugs’-categorie vallen peanuts. Het gaat hier voor het overgrote deel om het bezit van drugs.

Screen Shot 2017-06-27 at 17.01.26

Screen Shot 2017-06-28 at 15.40.57

In de categorie ‘bedrog’ gaat het onder andere om oplichting, verduistering, en misbruik van vertrouwen.

Screen Shot 2017-06-27 at 17.06.25

Screen Shot 2017-06-28 at 15.41.04

Ten slotte nog de categorie ‘misdrijven tegen de openbare veiligheid’. Hier valt bijvoorbeeld bendevorming onder, en hangt dus ook samen met vormen van zware criminaliteit. Hier zien we opnieuw een dalende tendens: min 23% misdrijven sinds 2009.

Screen Shot 2017-06-27 at 17.08.56

Screen Shot 2017-06-28 at 15.41.17

Uitgelezen: “Nieuwe vrijheid”, van Gwendolyn Rutten

Er verschijnen veel politieke boeken in Vlaanderen, misschien wel te veel. Of beter, er worden in Vlaanderen veel boekjes geschreven door politici, en nog meer door hun anonieme ghost writers. Het levert de m/v die ons vanop de cover toelacht enkele kranteninterviews op en een tv-optreden (“een heus boek?”), de partijleden krijgen een exemplaar in hun handen geduwd, en enkele maanden later staat het pamflet te vergelen in het rek van de stadsbibliotheek, netjes in het gelid naast zijn lotgenoten, waar het sneller wordt vergeten dan het werd geschreven.


Ook Nieuwe vrijheid is zo’n boek.

De opdracht die Gwendolyn Rutten zichzelf aan het begin van Nieuwe vrijheid stelt is nochtans ambitieus en lovenswaardig: “Laten we de vrijheid heroveren. Opnieuw definiëren. Bakens verzetten en opnieuw op zoek gaan naar een nieuwe vrijheid voor een nieuwe tijd.”

Ze stelt immers vast dat we ons op een keerpunt van de geschiedenis bevinden —het lijkt een constante te zijn dat elke tijd zich uniek acht, een moment van ongeziene verandering—, en dat betekent ook dat we de oude waarden en begrippen die onze samenleving mee vorm hebben gegeven moeten herijken, dat we ze opnieuw moeten uitvinden voor de maatschappij die nu gestalte krijgt. En opdat ook die komende maatschappij georganiseerd zou zijn volgens de principes van de liberale democratie, die superieure samenlevingsvorm, moeten we precies het ideeëngoed dat aan die liberale democratie ten grondslag ligt durven herdenken. Daarom dus: op zoek gaan naar een nieuwe vrijheid voor een nieuwe tijd.

Bijzonder ambitieus, bijzonder lovenswaardig. Elke ideologie hoort van tijd tot tijd te herbronnen om zichzelf opnieuw te vinden — een oefening die niet alleen voor de eigen aanhang interessant is, maar voor iedereen die het niet onverschillig laat volgens welk plan aan de maatschappij waarin we leven gebouwd wordt. Het liberalisme is een sleutelideologie voor onze samenleving, vrijheid een sleutelbegrip. Dat begrip opnieuw definiëren voor onze tijd, zoals Rutten zich voorneemt, heeft dan ook een bijzonder belang: in het vormen van ons idee van vrijheid vormen we ons een idee van onszelf, van onze samenleving, en van onze plaats in de samenleving. Wat bedoelt Rutten dus met ‘vrijheid’? Hoe verschilt haar, naar eigen zeggen nieuwe, vrijheidsbegrip van het oude, dat blijkbaar niet meer voldoet voor deze nieuwe tijd? Waar botst haar vrijheidsbegrip op zijn grenzen? Hoe kan de samenleving het best de vrijheid van al haar leden garanderen, en volstaat het wegnemen van wettelijke belemmeringen om vrijheid te creëren?

Tweehonderdenacht pagina’s later kan ik alleen maar vaststellen dat als Rutten al een antwoord geformuleerd heeft op de vraag wat vrijheid vandaag betekent, het niet in Nieuwe vrijheid te vinden is.

Nergens komt Rutten verder dan de nogal primitieve voorstelling dat ‘meer vrijheid’ gelijk staat aan ‘minder regels’, en ‘minder regels’ gelijk staat aan ‘meer vooruitgang’. Mogelijke complicaties bestaan niet, laat staan een fundamentele bevraging van dit idee. Gevolg: Rutten vaart eerst uit tegen de “betutteling” en “regelneverij” die onze voortgang in de vaart der volkeren fnuiken, ze veroordeelt het doemdenken dat die bedilzucht motiveert en verwijst het naar de vuilnisbak: we hebben het immers nog nooit zo goed gehad als nu. – En om dit te staven haalt Rutten het voorbeeld aan van onze rivieren die eindelijk weer vol vis zitten.

Om een bekende boutade uit de Belgische politieke geschiedenis te parafraseren: volgens Rutten is de vis vanzelf uit onze rivieren verdwenen, en is ze er ook vanzelf weer in verschenen. Dat net haar eigen voorbeeld het belang van regulering en overheidsingrijpen aantoont om het welzijn van de hele samenleving te garanderen, lijkt haar compleet te ontgaan.

Dit is symptomatisch voor het hele pamflet. Nergens raakt Rutten verder dan het sloganeske, nergens durft ze ook maar een millimeter onder de oppervlakte te duiken. Wanneer we mensen vrij laten om naar eigen goeddunken te ondernemen, is vooruitgang verzekerd — klaar. Maar wat als individueel gewin leidt tot collectief verlies? Wat als de vrijheid die de ene voor zichzelf opeist, de welvaart en het welzijn van anderen ondermijnt? Wat als alleen overheidsingrijpen de mogelijkheden creëert waarin mensen in vrijheid hun welzijn kunnen nastreven? Niet alleen laat Rutten zulke vragen onbeantwoord, ze schijnen niet eens in haar op te komen. Dat twee partijen in een ongelijke machtspositie volstrekt ‘vrij’ laten om tot een vergelijk te komen er alleen toe dient om die ongelijke machtsverhouding te bestendigen, indien niet te versterken: als Rutten het al beseft, laat het haar volledig koud.

In een discussie over de kwalen van de islam (zo moedig is Rutten wel), stelt ze terecht dat de vrijheid van de ene stopt waar de vrijheid van een ander in het gedrag komt, en dat er geen sprake van kan zijn om de consequenties van individuele voorkeuren af te wentelen op de samenleving – maar ze lijkt geen enkel besef te hebben van een conflict tussen deze claim en de vrijheid die ze voor zichzelf opeist om te vervuilen zoveel ze wil en te wonen waar ze wil. Dat ook haar keuzes weleens sociale kosten met zich mee zouden kunnen brengen, ontgaat haar blijkbaar volledig.

Het is typerend voor het zogenaamd progressieve liberalisme van Rutten: het consacreert de vrijheid van wie fortuin heeft om te profiteren van wie minder fortuinlijk is. Helaas ontbeert ze de intellectuele eerlijkheid om deze consequentie ook onder ogen te durven zien.

Rutten pleit ervoor bedrijven volledig vrij te laten in het bepalen van de arbeidsvoorwaarden, en ontkent dat dit weleens zou kunnen leiden tot misbruik: ontevreden werknemers kunnen immers altijd hun beklag doen op Facebook, en dat zal komaf maken met elk misbruik. (Serieus. Cf. bijv. p. 42 of 47.) Ze erkent dat netwerken meer en meer over ons te weten komen, dit ten gelde maken, ons gedrag sturen zonder dat we er zelf zicht op hebben – maar doet met dit feit vervolgens helemaal niets, laat staan dat ze enige woorden zou wijden aan wat dit betekent voor de verhouding tussen individu en bedrijf in een ‘vrije’ samenleving.

Werkgevers volledig vrij laten in het opleggen van arbeidsvoorwaarden (de werknemer heeft tenslotte altijd de vrijheid ervoor te kiezen zijn inkomen te verliezen), progressieve inkomensbelastingen vervangen door een vlaktaks (zonder echter het lef te hebben het zo te noemen), komaf maken met elke vorm van vermogensbelasting (want, zo motiveert ze deze keuze, bezit is in deze tijden toch niet meer belangrijk) en die vervangen door een taks op gebruik, of nog, het verder verhogen van de regressieve consumptiebelastingen: het resultaat is een uitermate regressieve samenleving ontsproten uit de koker van een uitermate regressief liberalisme dat armoede in dit land zou doen ontsporen en de ongelijkheden doen exploderen. Dat dit een lachertje maakt van haar bewering dat ze mensen “gelijk aan de start” wil krijgen, is niet meer dan een zoveelste contradictie in een betoog dat zelfs niet met haken en ogen aan elkaar hangt. Nieuwe vrijheid? Negentiende-eeuwse slogans.

Misschien nog een laatste voorbeeld. In een liberale samenleving moet iedereen z’n leven naar eigen inzicht kunnen inrichten. Hoezeer we een gebruik ook absurd vinden, een levenskeuze onbegrijpelijk, ja zelfs “achterlijk”, hoezeer het ook afwijkt van wat de gebruiken van de meerderheid van de bevolking zijn: zolang de manier van leven van de ene geen inbreuk vormt op de vrijheid van een ander om zijn leven naar eigen inzicht in te richten, heeft de samenleving daar verder geen zaken mee. Rutten maakt daarvan: “Wie overdrijft brengt de vrijheid in gevaar. Dat is de essentie van de oproep om ‘normaal’ te doen. Normaal betekent ‘wat hier de norm is’.” Tot zover het liberalisme van Rutten.

Dat men dit pamflet enige aandacht waardig vindt in plaats van het gegeneerd te negeren, volstaat op zich als de meest harde veroordeling van het intellectuele niveau van deze generatie politici.

— Dit stuk verscheen in het juni-nummer van Samenleving en Politiek.

Een ziek systeem

Geen verontwaardiging, maar misprijzen. Misprijzen voor het karakter van een man die er geen graten in zag zichzelf te verrijken op de kap van de meest kwetsbaren, voor een man die zichzelf een extraatje gaf naar rato van het maandloon van een ander. Maar ook misprijzen voor een systeem waarin zo’n man kon gedijen, en velen met hem. Misprijzen voor een systeem waarin zelfrechtvaardiging en het onvermogen grenzen te herkennen tot hoogste kunstvorm zijn verheven. Een systeem waarin wij, kameraden onder elkaar, wel weten hoe het werkt. Wij houden het land recht, bedisselen de zaakjes, belonen elkaar met een zitje in een bestuur hier en een mandaat daar, want wie anders dan wij kan de boel beredderen? Een clubje van ons-kent-ons, politici, bedrijfsleiders en managers, topadvocaten en lobbyisten, regelaars en manusjes-van-alles onder elkaar, die het algemeen belang dienen bij een goed diner en een nog betere wijn.

Misprijzen voor een systeem waarin de burgemeester (excuseer, sociaal-assistent) van de hoofdstad van het land zich liet betalen om te aanschouwen hoe mensen in zijn eigen stad op straat moeten leven – en blijkbaar niet inzag hoe hoogst problematisch dat is. Maar hoe zou hij dat ook moeten inzien? Al zijn vrienden in de club verdienen bij met elk nieuw bestuursmandaat dat ze in al hun goedheid willen opnemen, waarom zou hij het anders moeten doen? Het onbegrip, ook: waarom begrijpt men niet dat hij zich opofferde voor de goede zaak? En om wat ging het ook? Een zakcentje, nauwelijks voldoende om een nieuw maatpak mee te kopen, een extraatje dat in het niets verzinkt bij wat zijn kameraden die het verstand hebben in de privé te werken, bijverdienen met bestuurszitjes her en der.

De verontwaardiging om Yvan Mayeur (PS) is terecht, het misprijzen gerechtvaardigd, zijn ontslag niet meer dan normaal. En toch wringt er wat. Het is te vanzelfsprekend, en niet verregaand genoeg. Het is gemakzuchtig, maakt zich er al te snel vanaf.

Zijn gedrag paste perfect in het algemene plaatje, waarin politici zetelen in bestuursraden van bedrijven die door de overheid moeten worden gereguleerd; professoren opduiken als onafhankelijke experts in parlementscommissies en er verzwijgen dat ze zich voor dat werk laten betalen door lobbygroepen; kabinetsmedewerkers bijverdienen door nieuwe wetgeving waar het parlement nog niets van weet toe te lichten aan bedrijven, en hoe zij er het best gebruik van kunnen maken; en de beroepsorganisatie van fiscalisten en boekhouders medewerkers van de rulingdienst op cruise stuurt naar de Kaaimaneilanden. Het is een systeem waarin dezelfde zevenendertig mensen elkaar tegenkomen in de bestuursraden van allerhande bedrijven, investeringsvehikels en adviesorganen, waar ze elkaar met raad en vooral met daad kunnen bijstaan en elkaars loonsverhogingen kunnen goedkeuren als ‘marktconform’.

Het is een systeem waarin het management zichzelf nieuwe aandelenopties toekent net voor een nieuwe ontslagronde, en vervolgens gnuivend oreert over de beloning van hard werk en de noodzakelijke harde aanpak van werkschuwen, en belastingontduiking op grote schaal niet meer dan normaal is, neen, zelfs gerechtvaardigd, en wat niet formeel verboden is, is ook niet laakbaar, toch? Een systeem waarin het onbetamelijke gedrag van Mayeur door een beroemd vermogensbeheerder terecht wordt bestempeld als crimineel – want wat is stelen van de armsten anders? – maar belastingoptimalisatie, zoals dat heet – miljoenen euro’s spenderen aan het opzetten van alle mogelijke constructies om toch maar zo weinig mogelijk te moeten bijdragen aan de publieke diensten – een teken is van bewonderenswaardig ondernemerschap.

Het is een ziek systeem, waarin we over elkaar tuimelen van verontwaardiging en schande spreken over een Mayeur die geld opstreek bedoeld voor daklozen, maar we toch met nog net iets meer misprijzen wegkijken van wie op straat moet leven.

 

— Dit stuk verscheen op 9 juni in De Morgen.

Mensen belonen voor een gezonde levensstijl: klinkt goed, is fout

Beloon mensen voor hun gezonde levensstijl door hen minder te laten bijdragen aan de ziekteverzekering: dat is het voorstel van gezondheidseconoom Erik Schokkaert (KU Leuven). Chronische ziektes leggen een steeds zwaardere hypotheek op de betaalbaarheid van de gezondheidszorg, terwijl ze minstens ten dele te vermijden vallen door een gezondere levensstijl: opdat iedereen bereid zou blijven mee te betalen aan de gezondheidszorg, moeten we mensen belonen die ervoor zorgen dat de kosten gedrukt worden. Alleen zo redden we de noodzakelijke solidariteit.

Klinkt goed, is fout.

Het veronderstelt dat mensen in een vacuüm leven, iedereen even vrij is om te doen en te laten wat hij maar wil, en dat iemands levensomstandigheden terug te voeren zijn op eigen keuzes. Het miskent de complexiteit van het leven, het miskent dat net zoals in elke situatie wel gewezen kan worden naar de rol van wat iemand heeft gedaan of net heeft nagelaten te doen, zo ook toeval, geluk, en niet te controleren omstandigheden overal wel met een voet tussen zitten.

Het is hoe dan ook ondoenbaar om precies af te wegen welke factor precies welke rol speelt, waar ‘eigen keuze’ en ‘eigen verantwoordelijkheid’ precies stoppen en waar ‘geluk’ en ‘structurele factoren’ beginnen, en wat men dus in hoeverre hoort te compenseren.

Kortgeschoolde mannen roken veel vaker dan hooggeschoolde vrouwen: als men daar rekening mee houdt, zal men dan de kortgeschoolde man die niet rookt een grotere korting geven dan de hooggeschoolde vrouw? En als men dit niet doet, negeert men dan niet de sociale factoren die bijdragen aan een ongezondere levensstijl, factoren die niet tot het vrije keuzedomein behoren? Zal men de alleenstaande moeder die een vochtig en slecht geïsoleerd huisje huurt een hogere premie laten betalen dan de tweeverdiener in het goed geïsoleerde appartement? 

Stadslucht maakt vrij, zegt men, maar stadslucht is ook erg ongezond: de luchtkwaliteit in sommige straten en wijken is zo slecht dat ze leidt tot ademhalingsproblemen, chronische longaandoeningen, een korter leven. Het was mijn keuze om in de stad te gaan wonen, ik had me ook een plekje op het platteland kunnen zoeken: gaan we dus de pendelaar belonen omdat hij koos voor de gezondere buitenlucht? Het zou absurd zijn: het is zeggen de koorts te willen bestrijden, zonder iets aan de ziekte te doen.

Solidariteit schragen op de individuele schuldvraag trekt een infernale machine op gang, in de woorden van de Franse politieke filosoof Pierre Rosanvallon in La société des égaux: het fixeert onze aandacht op het gedrag van de ander, voedt het ressentiment, de stigmatisering, en het wantrouwen, en ondergraaft zo wat het zegt te willen redden, de noodzakelijke solidariteit en gemeenschapsgevoel. Men verdoezelt het collectieve falen en negeert de achterliggende structurele factoren: veel eenvoudiger iemand met de vinger te wijzen omdat hij een ongezond leven leidt, dan de maatschappelijke structuren die tot gezondheidsongelijkheid leiden te veranderen. 

Het is een gemakzuchtige oplossing, die toelaat dat de moeilijke vragen ongesteld blijven, en waar het zegt het opnemen van individuele verantwoordelijk te belonen, betonneert het net de structuren die de ongelijkheden vergroten.

— Dit stuk verscheen op 13 juni in De Morgen.

Een permanente staat van crisis

“Dit boek,” schrijft Louis Paul Boon aan het begin van De Kapellekensbaan, wil “in zijn grote lijnen de moeizame opgang van het socialisme tekenen” in de jaren “1800-en-zoveel”, maar speelt ook “in onze moderne dag van vandaag”, waar het “op zoek gaat naar de waarden die waarlijk tellen, op zoek naar iets dat de neergang van het socialisme tegenhouden kan.”

De Kapellekensbaan verscheen in 1953, na een moeizame leurtocht langs weigerachtige uitgeverijen. In zijn vertwijfeling, haast verslagenheid, in zijn beeld van een linkse beweging die zichzelf van alle macht heeft ontdaan, aangevreten als ze is door ordinair geruzie, carrièrisme, machtswellust, en cynisme, in zijn woede om de schijnbare verachting van de politieke kaste voor ‘de kleine man’, schetst het boek een portret dat ons pijnlijk vertrouwd toegrijnst.

Het afvallen van het geloof, is het niet in de linkse zaak zelf dan toch in de linkse beweging en zeker in de klassieke partijvertegenwoordiging ervan, is allesbehalve nieuw. Halfweg de vorige eeuw probeerde L.P. Boon zijn verbittering over de mismeestering van de socialistische zaak al van zich af te schrijven; de eigen tijd is zelden zo bijzonder als we wel willen denken. Toch lijkt er ook een verschil te zijn: de teleurstelling van Boon, en van velen met hem, kon de toenmalige socialistische partij nauwelijks deren. Ze hadden zich een weg gebaand naar het centrum van de macht, naast christen-democraten en liberalen, en niets leek hen daar weer te kunnen verjagen. Een alternatief voor het machtsmonopolie van de klassieke partijen was schier ondenkbaar.

Ter illustratie: in 1954, bij de eerste verkiezingen na het verschijnen van De Kapellekensbaan, haalde de socialistische partij 37%, de christelijke volkspartij meer dan 41%, de liberalen nog 13%. Andere partijen kwamen niet verder dan één, twee, nauwelijks drie procent van de stemmen. Ongenaakbaar zetelden de vertegenwoordigers van de klassieke politiek in het pluche van Kamer en Senaat. En nu? PS en sp.a haalden in 2014 samen nog net iets meer dan twintig procent van de stemmen, een grens die liberalen (nipt) en christen-democraten (bijlange na) niet haalden. Een gelijkaardig beeld in andere landen: het verlies van het geloof in de klassieke politiek verdrijft de klassieke partijen van hun vanzelfsprekende plaats in het centrum van de macht, decimeert hier hun stemmenaantal, dringt hen ginder de mores van de buitenbaan op.

Ideologie wordt met luide stem afgezworen, ‘links’ en ‘rechts’ zijn voorbijgestreefd —wil tenslotte niet iedereen hetzelfde?, samen erop vooruit!—, politieke conflicten worden weggezet als niet meer dan vervelende spielerei die het aanpakken van de ‘echte’ problemen in de weg staan. De betaalbaarheid van gezondheidszorg en pensioenen, het terugdringen van de werkloosheid, het verzekeren van de energievoorziening, het aanzwengelen van de economie, de impact van nieuwe technologie… : het zijn dan niet meer dan technische vraagstukken die een technisch antwoord behoeven, en het formuleren van het juiste antwoord wordt best overgelaten aan experts allerhande — die, zo heet het, ideologisch neutraal zouden zijn, en anders dan politici niet gevangen zitten in het partijpolitieke spel dat elke vooruitgang in de weg staat. We horen dan maar aan te nemen dat onenigheid over sociale en economische thema’s niet getuigt van een ideologische strijd over welk soort samenleving we wensen, en hoe daar te komen, waarbij verschillende waarden in soms onverzoenbaar conflict met elkaar komen. We horen maar te geloven dat het probleem louter het ontbreken van de juiste technische fix is, en niet de clash tussen verschillende visies over waar het met de maatschappij naartoe moet.

Op het eerste gezicht kan het paradoxaal lijken dat het verlangen om politiek te willen uitbesteden aan technische experts die boven het politieke gewoel zouden uitstijgen tegelijk gepaard gaat met de (weder)opkomst van de keuze voor ‘radicale’ oplossingen. Het is echter een valse paradox: uit verveeldheid met het klassiek-politieke conflictueuze compromismodel dat voortvloeit uit het simpele feit dat fundamentele waardenconflicten stuiten op de noodzaak tot compromis door het pluriforme karakter van het volk en de weerbarstigheid van de realiteit, keert men zich ofwel naar de substitutie van politiek door expertise (zogenaamd ideologisch neutrale technische oplossingen voor technische problemen: ‘politiseren’ leidt immers tot overbodige conflicten die welvaart en vooruitgang in de weg staan), ofwel tot radicale oplossingen die het huidige systeem “waar alles geblokkeerd is” willen vervangen door iets helemaal ‘nieuw’, wat in zijn meest extreme vorm kan leiden tot een sentiment dat de legitimiteit van een ander politiek maatschappijbeeld in twijfel trekt.

In beide gevallen is er sprake van een hang naar ‘zuiverheid’ en een zekere ontkenning van de complexiteit van het politieke bedrijf, een complexiteit en ‘vuilheid’ die niet per se zijn ingegeven door een uitverkoop van politieke principes of het gecapteerd zijn van alle ‘politiekers’ door private belangen, maar door de complexiteit van de realiteit zelf. De ene ontkent dan de legitimiteit van het politieke conflict en van de clash tussen verschillende ideologieën door elke discussie aan het politieke bedrijf te willen ontrekken, de discussie te willen verheffen naar een louter technisch niveau, ver boven ‘louter oude partijbelangen’, om ‘eindelijk weer vooruit te kunnen’; de ander ontkent de legitimiteit van het conflict door de rechtmatigheid van elk ander maatschappijbeeld te verwerpen, ontkent ook de legitimiteit van elk compromis (want hoe kan men legitiem een compromis sluiten met de vertegenwoordigers van een illegitieme ideologie?), en verdoezelemaant de complexiteit van de realiteit – eerst in woorden, desnoods in daden.

Als het uitgesproken ideologische conflict over de sociale en economische organisatie van de samenleving zelf al niet wordt afgestreden als illegitiem, raakt het vandaag de dag wel versmoord en overwoekerd door een soms ronduit giftig conflict over -kortgezegd- identiteit, dat jaar na jaar aan intensiteit en bitterheid lijkt te winnen. Jonge dertigers van nu zijn politiek groot geworden in de periode van 11 september en de opkomst van en moord op Pim Fortuyn, en het van toen af aan alleen maar aanzwellende geroep en getier over en weer over de vermeende clash tussen culturen. De enige strijd die werkelijk leeft, zo lijkt het soms, is de strijd tussen verschillende visies op identiteit. Ja, met de eeuwwisseling zagen we wel de andersglobalistische beweging en de rellen in Seattle en Genua, bij de financiële crisis de Indignado’s en Occupy Wall Street, maar hoeveel weerklank vond dit in de huiskamers en op de voetbaltribunes, en hoeveel weerklank de cultuurstrijd en zijn uitwassen?

Dit conflict ligt de rechterzijde (of toch op z’n minst bepaalde strekkingen daarbinnen) beter dan links. Het behoort tot de kern van het rechtse politieke discours om te hameren op het belang van identiteit, het belang van worteling in een bepaalde cultuur en de onontkoombaarheid ervan, het belang van homogeniteit als basis voor gemeenschap, op de botsing van culturele waardenkaders. Het ‘kosmopolitische’ discours dat daar soms tegenover wordt geplaatst strijkt tegen de haren in, en wordt bovendien vanuit de linkerzijde zelf ondermijnd: de ene rent rechts achterna door het belang van identiteit te omarmen, de ander omarmt een vorm van identity politics die net zozeer personen categoriseert en (de)legitimiseert op basis van ‘uiterlijke’ (in brede zin) kenmerken die al wat de persoon doet of zegt bepalen en overschaduwen. Waar geen plaats meer voor lijkt te zijn, is de klassenstrijd: afgeleefd, voorbijgestreefd, niets meer mee te maken.

Dit hoeft ook niet te verwonderen. In zekere zin heeft de sociaal-democratie zichzelf schijnbaar overbodig gemaakt doordat ze, ondanks alle geruzie, carrièrisme, machtswellust, en cynisme waar L.P. Boon zich al over beklaagde, erin geslaagd is enorme maatschappelijke veranderingen ten goede af te dwingen. Het is geen nieuws dat het streven naar een meer gelijke samenleving de massa makkelijker inspireert wanneer klaar en duidelijk is dat zij daar bij te winnen heeft, dan wanneer ze grotendeels is opgeklommen tot middenklasse en zij voortdurend te horen krijgt dat ze haar duur bevochten verworvenheden dreigt te verliezen (de sociale zekerheid is in gevaar, uw pensioen wordt onbetaalbaar). Zij zien zich nu niet meer als winnaars van een meer gelijke samenleving; een pleidooi voor gelijkheid klinkt in hun oren vooral als een claim die hun rechtmatige deel van de koek bedreigt. Verbaast het dan dat de socialistische boodschap zijn wervende kracht verloren heeft, en dat partijen geloven dat ze hun boodschap ofwel grondig moeten bijstellen, ofwel dreigen gemarginaliseerd te worden?

En dus verdwijnt gelijkheid, de grondwaarde van socialisme en sociaal-democratie, uit het politieke vocabularium: socialistische partijen streven niet meer naar een samenleving van gelijken, maar naar een samenleving waarin iedereen gelijke kansen krijgt – een streven onschuldig genoeg om er niemand mee voor de borst te stoten, zo onschuldig zelfs, dat het, toch minstens in woorden, gedeeld wordt door partijen doorheen het hele politieke spectrum. Handig genoeg kan diezelfde frase ook dienen als zelfrechtvaardiging voor de positie van de middenklasse om wiens hand elke partij dingt: in een samenleving waarin iedereen gelijke kansen krijgt, hoef ik me niet druk te maken om de achterblijvers; zij hadden maar, net zoals ik, hun kans moeten grijpen. “Eerlijk aan de start, zonder de belofte samen aan te komen”: wie hard rent, verdient zijn prijs; wie er op z’n dooie gemakje achteraan komt sloffen, moet achteraf ook niet lopen zeuren. Een illusoire meritocratie heeft de aristocratie vervangen, de idolatrie van de succesvolle man de strijd voor een samenleving van gelijken.

Het terrein ligt zo open voor populisten die ‘het volk’ zeggen te vertegenwoordigen, beweren het te verdedigen tegen wie de positie en de welvaart van dat volk bedreigt – en in een zogezegd meritocratische samenleving is dat niet wie van het systeem weet te profiteren om een boven het volk verheven positie te verwerven (hij heeft de kansen gegrepen die het leven hem biedt, een voorbeeld voor ons allen), maar de achterblijver. De welvaart en positie van het middenklassevolk beschermen, dat betekent dan: de claim van de ander op een plaats aan de tafel verwerpen. Die andere heeft zijn kansen niet gegrepen, hij maakt geen deel uit van de gemeenschap: om het sociaal systeem te redden, de sociale cohesie te bewaren die solidariteit maar mogelijk maakt, moeten zijn aanspraken als onrechtmatig verworpen worden. En hoe meer de welvaart van het land en van ‘de mensen’ in gevaar lijkt, hoe meer zij denken te verliezen te hebben, hoe donkerder het toekomstperspectief, hoe aantrekkelijker het wordt het onderscheid te maken tussen wie wel en wie geen recht heeft op een deel van de welvaart van dit land, hoe belangrijker het wordt de grens te trekken tussen een ‘wij’ en een ‘zij’. En er zal altijd een ‘zij’ gevonden worden, iemand die zijn kansen niet greep, of iemand die er niet echt bij hoort, er niet echt bij wil horen, en dus uit ons midden gebannen dient te worden.

De sociaal-democratie lijkt zo wel veroordeeld tot een permanente staat van crisis. En zolang het ideologische conflict zelf weggezet wordt als illegitiem, zolang de idolatrie van de meritocratie de rigueur is, zolang de sociaal-democratie er niet in slaagt weer stem te geven aan een verhaal van inclusie, van vooruitgang die gedeeld zal zijn wil het vooruitgang zijn, van vrijheid die gelijkheid veronderstelt, zal die crisis blijven duren, en zullen we met Louis Paul Boon op zoek blijven naar “de waarden die waarlijk tellen, op zoek naar iets dat de neergang van het socialisme tegenhouden kan.”