Zes kanttekeningen bij het pensioendebacle

1. Elk pensioen wordt betaald met middelen die dat jaar door de maatschappij in z’n geheel worden geproduceerd. Dat geldt voor 2017, en dat geldt voor 2040: wie in een gegeven jaar op pensioen is, zal dat jaar een inkomen moeten ontvangen uit wat in dat jaar door de maatschappij in zijn geheel wordt geproduceerd. Er is géén pot geld die van jaar tot jaar wordt doorgegeven en die in 2040 plots ‘leeg’ kan zijn. Zolang wij als maatschappij blijven produceren, zijn er middelen. De vraag is hoe we die middelen willen verdelen.

2. Gepensioneerden kunnen alleen een inkomen ontvangen van wie niet op pensioen is. Hoe pensioenen precies worden opgebouwd, is op dat vlak irrelevant. De overheid kan alleen pensioen uitbetalen aan de ene als het belastingen kan innen bij de andere. Een pensioenfonds kan alleen een pensioen uitbetalen aan de ene als het inkomen verwerft van de andere, bijv. door het innen van dividenden van een draaiend bedrijf, door de verkoop van aandelen, of doordat iemand nieuw instapt en een recht aankoopt op toekomstige inkomsten. Ook in dit geval gaat het dus telkens om een overdracht van inkomsten van wie op dat moment actief is naar wie op dat moment op pensioen is.

3. Zijn er meer gepensioneerden, zal ook het deel van de taart groter worden dat gepensioneerden voor zich kunnen opeisen, ofwel zal -gemiddeld gezien- elke gepensioneerde zich tevreden moeten stellen met een in verhouding kleiner stukje taart. Als de taart die we in de maatschappij bakken groter blijft worden, hoeft dat níet te betekenen dat die stukken taart zelf kleiner worden. Daarom moeten we ook blijven inzetten op een hoog-productieve economie en niet zwichten voor het stimuleren van laag-betaalde en laag-productieve arbeid.

4. De pensioendiscussie gaat in se niet over de betaalbaarheid van de pensioenen in hun geheel, maar is een herverdelingskwestie: welk deel van de taart is voor wie op pensioen is, en hoe gaan we dat stuk taart verdelen tussen gepensioneerden?

5. In dat kader past ook de discussie over de zogenaamde gelijkgestelde periodes (“werken hoort meer te lonen dan niet werken, dus mogen gelijkgestelde periodes niet zoveel recht geven op pensioen als nu”): het is de maatschappelijke keuze om minder taart te geven aan wie zijn werk verliest, zwanger wordt, thuisblijft om voor de baby te zorgen, zelf langere tijd ziek is, of minder gaat werken om voor een familielid te zorgen. Enerzijds wordt er -ook vanuit budgettaire overwegingen- zwaar ingezet op “vermaatschappelijking van de zorg”: wie hulp nodig heeft, moet in de eerste plaats terugvallen op zijn netwerk, bijv. een zoon of dochter die de zorg kunnen opnemen van een ouder die niet meer uit de voeten kan. Anderzijds wordt dat kind hiervoor beloond met de boodschap dat “werken meer moet lonen dan niet werken”, en dat de keuze om minder te werken dus ook een lager pensioen betekent. Het is geen keuze voor meer betaalbare pensioenen, maar een maatschappelijke keuze om minder solidair te zijn in het opnemen van sociale risico’s, en die af te wentelen op het individu.

6. De verschuiving van overheids- naar privépensioenen maakt de pensioenen in hun geheel niet meer of minder betaalbaar, maar is, opnieuw, de keuze om minder solidair te zijn in het opnemen van sociale risico’s, en die af te wentelen op het individu.

— Deze column verscheen op 19 september in De Morgen.

Hoe een klein groepje het verpest voor de rest van ons

Het is een klein groepje dat het verpest voor de rest van ons. Ze voelen zich te goed, te belangrijk, te speciaal voor de spelregels die voor de anderen gelden, ze weigeren hun verantwoordelijkheid te nemen. Het is een klein groepje dat zich afzondert van de maatschappij, en zich een wet stelt voor zichzelf. Ze voelen zich verheven boven de samenleving, waar ze schijnbaar met misprijzen op neerkijken, en de geschreven en ongeschreven regels die het goede samenleven moeten verzekeren zijn aan hen niet besteed. Het is maar een klein groepje, maar ze hebben een grote impact op het leven van alle anderen.

Tweeëntachtig miljard dollar, of zeventig miljard euro, het equivalent van bijna twintig procent van de totale waarde die we elk jaar in ons land produceren, zoveel hebben rijke Belgen weggestopt in buitenlandse belastingparadijzen opdat ze niet zouden moeten bijdragen aan de samenleving zoals u en ik. Een klein groepje sluist zeventig miljard euro uit België weg, en zadelt de rest met de factuur van de gemiste inkomsten op.

Voor alle duidelijkheid: dit kleine groepje is niet ‘de middenklasse’, zelfs niet de betere middenklasse. Het gaat niet om de tweeverdiener die na lang werken en veel sparen zich een tweede appartement op de dijk in Nieuwpoort aanschaft. Tachtig procent van het fortuin dat verstopt zit in Panama, Zwitserland, en andere belastingparadijzen is in handen van amper 0,1% van de Belgische gezinnen. De helft ervan is zelfs in handen van niet meer dan 0,01% van de Belgische gezinnen. Dat zijn minder dan vijfhonderd gezinnen, de rijksten van de rijken, die samen vijfendertig miljard euro vanuit onze samenleving hebben weggesluisd naar lege postbussen, anonieme bankrekeningen, en andere constructies die in kleur variëren van lichtgrijs tot donkerzwart.

Elke euro die dat kleine kliekje superrijken uit België doet verdwijnen, elk van die tientallen miljarden euro’s die zij op hun buitenlandse bankrekeningen bijschrijven om er toch maar niets van te moeten bijdragen aan de rest van de maatschappij, is een euro minder die ten goede komt aan onze samenleving. Dat kleine kliekje superrijken betaalt miljoenen aan vermogensbeheerders en financiële adviseurs om tientallen miljoenen minder te moeten aan belastingen — waarna de economen van de banken die zulke belastingontwijking mogelijk maken de rest van ons de les komen spellen over begrotingsdiscipline.

Ze klagen over de te hoge belastingen op ‘de middenklasse’, maar vertellen er niet bij dat elke euro die de superrijken verbergen in een belastingparadijs, bijgepast moet worden door wie minder fortuinlijk is — diezelfde middenklasser om wie ze zo bezorgd beweren te zijn. Het is lachwekkend, moest het niet zo cynisch zijn. Het is haast crimineel, als je de miljarden die wegvloeien naar tropische paradijzen vergelijkt met het gesjacher dat eraan te pas komt om de allerlaagste uitkeringen voor de allerlaagste inkomens met vijf euro te verhogen. Het is wraakroepend.

België is een egalitair land, zo zegt men. Wat men er dan niet bij vertelt: dat de ongelijkheid in België meevalt, omdat een klein groepje superrijken zich te goed voelt voor de rest van ons en zijn fortuin angstvallig verborgen houdt. Er moest maar eens een cent méér van hun fortuin van vele tientallen miljoenen euro’s terechtkomen bij wie het wél nodig heeft.

— Dit stuk verscheen op 13 september in De Morgen.

Komt de herfst, rammelt het Zomerakkoord uit elkaar

Dankzij het rammelende Zomerakkoord van deze regering weten we dat er mensen zijn die over iets meer dan een jaar met pensioen zullen gaan en die een lager of zelfs veel lager pensioen zullen krijgen dan hen tot nu toe voorgespiegeld werd. Alleen kan niemand met zekerheid zeggen wie die mensen zijn, op welke grond hun pensioen verlaagd zal worden, en hoeveel zij zullen verliezen. Het enige dat geweten is: die verlaging van de pensioenen zal de begroting twintig miljoen euro opleveren. Elk beetje helpt om het gat te vullen dat de verlaging van de vennootschapsbelasting zal achterlaten.

Nu ja, kan echt niemand het zeggen? Vincent Van Quickenborne wist het wel: vijftig-plussers die hun job verloren, zouden veel sneller terugvallen op de minimumberekening en daardoor een lager pensioen ontvangen. De minister van Pensioenen Daniel Bacquelaine bevestigde dit in een persbericht dat hij gisterenavond liet verspreiden. Maar Gwendolyn Rutten wist wel beter dan haar partijgenoot en de minister van Pensioenen in haar regering: “Fake news!“, tweette ze — de formulering van eenieder die iets liever niet weten wilt.

Op de toch wel eenvoudige vraag wie dan wél pensioen zou verliezen, moest ze het antwoord echter schuldig blijven. “Fake news!”, en daarmee was de kous af. Ik durf niet te denken dat ze werkelijk gelooft dat ze twintig miljoen euro minder pensioen kan uitbetalen dan voorzien zonder iemand een lager dan voorzien pensioen uit te keren. Dat de mensen om wie het gaat in onzekerheid moeten leven: het zal haar een zorg zijn. Dat een (veel) lager dan voorzien pensioen voor sommigen van hen kan betekenen dat ze plots in armoede belanden, hun huur niet meer zullen kunnen betalen, niet weten hoe rond te komen: het maakt haar zaak niet. “Fake news!“, en kan het nu terug over iets relevants zoals kermisattracties gaan, alstublieft?

De andere optie was natuurlijk geweest om de genomen beslissing te verdedigen. De logica erachter is immers eenvoudig: het verschil tussen werken en niet-werken moet groter, en om dat te bereiken gaan we niet de pensioenen van wie gewerkt heeft verhogen, maar de al lage pensioenen van wie zijn werk verloor verder verlagen – waarmee deze regering verder gaat op de weg die de vorige regering in al haar dwaasheid insloeg. Een man of vrouw die zijn werk verliest en zijn inkomen de dieperik ziet ingaan, krijgt nu dus te horen -de kers op de taart- dat ook hun pensioen eigenlijk toch wel veel te hoog is voor zo’n luiwammessen. Alsof iemand die het moeilijk heeft nog een beetje dieper duwen hetzelfde is als een job voor hen creëren.

Moet werken dan niet beter beloond worden dan niet-werken? Twee op drie mensen in een gezin waar niet of nauwelijks gewerkt wordt, leeft in armoede. Tien jaar geleden was dat ‘maar’ de helft. Bij gezinnen met kinderen ten laste loopt dat aandeel van mensen in armoede op tot tachtig procent: een stijging van vijftien procent op tien jaar tijd. Het gezin waar de kostwinner zijn werk verliest, wordt daar nu dus al voor gestraft met een leven in armoede. Is dat niet genoeg? Is het nooit genoeg? Zijn wij echt zo’n wrokkige samenleving dat zij nog harder gestraft moeten worden?

— Dit stuk verscheen op 5 september in De Morgen.

Ford Genk en NedCar. De Belgische en Nederlandse maakindustrie vergeleken.

In De Tijd contrasteert Stefaan Michielsen vandaag (25 juli) het verhaal van twee autobedrijven: Ford Genk ging teloor, maar even verderop, aan de andere zijde van de grens, floreert Nedcar als nooit tevoren dankzij een influx van nieuwe investeringen. Het contrasterende lot van deze twee bedrijven toont afdoende het contrasterende lot van de Belgische en de Nederlandse maakindustrie aan, aldus Michielsen, het gevolg van een falend politiek en economisch beleid in België: we moeten ons dus opnieuw meer spiegelen aan het Nederlandse voorbeeld.

Ford Genk en Nedcar zijn natuurlijk maar twee bedrijven; de totale maakindustrie is veel groter. Om de beweringen van Stefaan Michielsen na te gaan, is het dus nuttig die totale sector even van naderbij te bekijken en België (11 miljoen inwoners) met Nederland (17 miljoen inwoners) te vergelijken.

Het klopt niet dat in België minder geïnvesteerd zou worden in de maakindustrie dan in Nederland. Integendeel: ondanks het feit dat Nederland heel wat groter is dan België, wordt er zelfs in absolute termen méér geïnvesteerd in de Belgische maakindustrie dan in de Nederlandse — in 2015, het laatste jaar waarvoor we over cijfers beschikken, investeerden bedrijven voor 15 miljard euro in de Belgische maakindustrie en voor 14 miljard euro in de Nederlandse maakindustrie. (Alle cijfers die volgen komen van Eurostat.)

Bovendien vertonen de investeringen in de Belgische maakindustrie een sterker stijgende tendens dan de investeringen in de Nederlandse maakindustrie. Contrasteren we de periode 2011-2015 met de periode 1995-1999, dan zien we een stijging van de bedrijfsinvesteringen in de maakindustrie in België met 28% en in Nederland met 21%. (Vergelijken we de twee uiterste jaren waarover we over cijfers beschikken, 1995 en 2015, dan is het verschil nog veel groter. Door tijdsvakken van vijf jaar te beschouwen, kunnen we het effect van uitzonderlijke (des)investeringen uitvlakken.)

Houden we ook rekening met de grootte van België en Nederland, dan is het verschil in investeringen nog veel groter. In de periode 2011-2015 investeerden bedrijven jaarlijks gemiddeld 1.126 euro per persoon in de Belgische maakindustrie, en slechts 775 euro in de Nederlandse maakindustrie. Die hogere investeringen in de Belgische maakindustrie uiten zich ook in de productiviteitscijfers: per gewerkt uur produceren werknemers in de Belgische maakindustrie gemiddeld 15% méér toegevoegde waarde dan werknemers in de Nederlandse maakindustrie.

Bovendien is de Belgische maakindustrie ook een (iets) belangrijkere werkgever dan de Nederlandse maakindustrie — niettegenstaande het succesverhaal van Nedcar en de flop van Ford Genk. De Belgische maakindustrie is goed voor meer dan 11% van het totale aantal gewerkte uren in de Belgische economie; het vergelijkbare cijfer in Nederland is net geen 10%.

Ondanks de doemberichten van Stefaan Michielsen, ondanks het mooie verhaal dat hij ophangt aan het contrasterende lot van Nedcar en Ford Genk, kunnen we dus niet anders dan besluiten dat zijn verhaal wel goed klinkt, maar niet illustratief is voor de werkelijke krachtverhoudingen tussen de Belgische en de Nederlandse maakindustrie. De Belgische maakindustrie haalt méér investeringen binnen dan de Nederlandse, ziet die investeringen ook sterker stijgen, en is een belangrijkere werkgever.

Waarom dan toch het tegendeel suggereren, zoals Michielsen doet? Cui bono?

Edit: Stefaan Michielsen laat me weten dat hij in zijn edito geenszins de bedoeling had te suggereren dat de situatie van NedCar en Ford Genk illustratief zou zijn voor de situatie van de maakindustrie in Nederland en België. Het weze genoteerd.

Totalitair consumentisme

Hoe kun je je verzetten tegen het kapitalisme, als het communisme al ontmaskerd is? Zo kun je de aantrekkingskracht van Herbert Marcuses De een­dimensionale mens kaderen. Eind jaren 60 kon men niet meer om het succes van de vrije westerse wereld heen. Anders dan de generatie voor hen groeiden jonge twintigers op in almaar toenemende voorspoed, en voor het eerst konden velen genieten van het leven aan de universiteit en de vrijheid die daarbij hoorde. Wat hun hart ook begeerde, het leek binnen hand­bereik. Toch knaagde het.

f96a100a-868f-11e7-83fe-f7bc1bc6cf90Marcuse gaf woorden aan hun opstandigheid. De kapitalistische samenleving was, in alle vrijheid die ze zei te bieden, een totalitaire samenleving: dat beklemde hen, daaraan wilden ze zich ontworstelen. Marcuse beschreef hoe de maatschappij geen andere optie liet dan zich inschakelen in de machine van de welvaartsproductie. De cultuur van het consumentisme praatte de mens noden aan die hem inkapselden in het systeem en van hem een betrouwbaar radertje maakten in de voortmalende machine die produceerde wat hij verlangde. Marcuse noemde het totalitair, precies omdat de technologie doordrong tot in de meest intieme sfeer van de mens, en hem in elke levenskeuze met zachte, maar dwingende hand de keuze opdrong die het systeem het best diende. Een andere keuze dan een leven in dienst van die zichzelf reproducerende kapitalistische machine scheen ondenkbaar, verdrongen door een massacultuur die dankzij de nieuwe technologieën elke huiskamer overnam. There is no alternative: toen niet, nog steeds niet.

Voor elke mens afzonderlijk is het perfect rationeel mee te draaien in die machine, betoogde Marcuse: alleen zo kan hij immers zijn behoeften bevredigen, hem opgedrongen door een niet-aflatende stortvloed aan reclame. Maar wat voor elk afzonderlijk rationeel is, kan voor de samenleving in haar geheel irrationeel zijn, en ons over de rand van de afgrond duwen. De mens dreigt de planeet voor de mens onbewoonbaar te maken. Die boodschap heeft niets aan relevantie ingeboet.

In Marcuse vonden de rebelse studenten van 1967 de theorie om te breken met de kapitalistische maatschappij die hen wel een comfortabel leven beloofde, maar slechts schijnvrijheid bood, elk leven in dezelfde mal goot, en de aarde naar de ondergang voerde.

— Dit stuk verscheen op 22 augustus in De Standaard in de reeks ‘The Summer of Love.’

Een verlangen naar troost

Weken, maanden, jaren gepunctueerd door terreur.

Het zou onzinnig zijn te doen alsof hun geloof er niets mee te maken heeft, wanneer zij daar zelf hun rechtvaardiging in vinden. Al is het een waanzinnige interpretatie van de Islam, ze voedt hen wel, leidt hen tot waanzinnige daden.

Is het het geloof in een absolute God die de ondermaanse wereld ver overschrijdt die zulke waanzin mogelijk maakt? Want wat betekent dit aardse leven ook tegenover de eisen van die allesoverheersende absoluutheid? Daaraan valt niet te weerstaan. Hoe kan het anders dan dat het geloof in een God zo verheven boven deze wereld leidt tot nietsontziende brutaliteit in deze wereld?

Een merkwaardige omkering van de oude opvatting, dat net de afwezigheid van God zou leiden tot complete ontaarding, het openen van de sluizen van het kwaad. Want als God er niet meer is om goed en kwaad te verankeren, kan boven onder zijn en onder boven, links rechts en rechts links. Elke zin ontbreekt dan, de morele voorschriften die de maatschappij schragen en leefbaar maken ontberen elke rechtvaardiging. Wat rest: een allen-tegen-allen waar het recht van de sterkste en van de sluwste niet alleen heerst, maar ook als goed geldt, enkel en alleen omdat het de wet van de sterkste en meest sluwe is. En zonder een God die kan straffen na de dood, kan niemand de moordlustige die zijn eigen leven moe is iets maken. Hij wordt onaantastbaar. Hij bezit de wereld.

De epidemie van moordpartijen op Amerikaanse scholen die regelmatig weer opflakkert, van Columbine tot Sandy Hook: jongens nog, soms jonge mannen, zonder enig geloof, zonder overtuiging, zonder ideologie, met als verbindend element schijnbaar alleen een nihilistische drang tot vernietiging.

Het ontbreken van elk geloof in deze wereld — de ene overweldigd door het geloof in een absolute God, de ander overrompeld door de leegte die voor dit geloofsverlies in de plaats treedt?

Ook dat lijkt niet te kloppen. Nagelaten manifesten en brieven verraden een drang om herinnerd te worden, eindelijk iemand te zijn. Iemand te zijn voor wie achterblijft, voor deze wereld; een bekommernis die naar het absurde neigt voor wie elk geloof in de waarde van deze wereld verloren heeft. Het maakt het wereldbeeld niet minder nihilistisch: de idee dat de hoogste waarde die nog te halen valt, het meest memorabele dat men doen kan om niet in de absolute vergetelheid weg te zinken, brute wreedheid is.

In die drang om iets achter te laten op deze aarde —is het niet van waarde dan wel in het vernietigen ervan— plaatsen terrorist en massamoordenaar het eigen leven en de herinnering aan het eigen leven boven het leven van die voor hem talloze, naamloze anderen: willekeurige vernietiging ter meerdere eer en glorie van de eigen gedachtenis. Hoe ver verwijderd van de mens die zichzelf wegcijfert uit liefde voor de schepping van een God die de bron is van alle leven, een vergeten ideaal!

Wat rest is een verlangen naar troost die van verder komt, dieper rijkt, ons verzoenen kan met deze wereld hier beneden die stom blijft voor onze beden.

— Dit stuk verscheen op 22 augustus in De Morgen.

De virtueuze cirkel tussen hoge lonen, hoge investeringen, en hoge welvaart

De lobby van het bedrijfsleven is zijn geld meer dan waard. België is een onaantrekkelijk investeringsland, zo herhaalden zijn en bleven zij maar herhalen, en zonder bedrijven die willen investeren geen economische groei, geen jobs, geen welvaart. Wil België niet verder wegzinken in het moeras, moet de fiscale druk op bedrijven dus verlicht worden. De regering luisterde.

De vraag is of dit verhaaltje meer is dan louter een verhaaltje.

Vergelijk België met de ons omliggende landen. Nergens investeren bedrijven verhoudingsgewijs méér dan in België. Meer: tussen 1995 en 2015 heeft België zijn voorsprong nog uitgebouwd. Of we België nu vergelijken met Nederland, met Duitsland, of met Frankrijk: telkens opnieuw zien we een verschuiving van investeringen van het buurland naar ons land.

Verhelderend is wat er gebeurd is in het Verenigd Koninkrijk,
binnen West-Europa een pionier in het verlagen van de vennootschapsbelasting in de hoop extra investeringen aan te trekken: de investeringen zijn er de laatste twintig jaar stelselmatig op achteruit gegaan — terwijl ze in België zijn blijven stijgen.

De verklaring hiervoor is eenvoudig. Een bedrijf dat zijn productie wil verhogen, kan dit op twee manieren doen: ofwel het aantal werkuren opdrijven, ofwel investeren in technieken die de productie per gewerkt uur opdrijven. Het investeringsgedrag van bedrijven wordt in grote mate bepaald door een afweging tussen de kost van arbeid enerzijds en mogelijke productiviteitswinsten door extra investeringen anderzijds. De relatief hogere lonen in België (met inbegrip van de socialezekerheidsbijdragen) schrikken bedrijven dan ook niet af om te investeren, integendeel. Precies omwille van de hogere lonen loont het de moeite voor bedrijven om te investeren in kapitaalintensieve maar arbeidsbesparende technologieën die de arbeidsproductiviteit opdrijven.

Het goede nieuws is dat dit een virtueuze cirkel op gang trekt. Dankzij de investeringen in productiviteitsverhogende technologieën creëren Belgische werknemers steeds meer toegevoegde waarde per gewerkt uur, en dit schept ruimte voor een verdere verhoging van de lonen. Tegelijk kunnen investeerders in het kapitaal ook een groter deel van de koek opeisen, want de productiviteitswinsten zijn in hogere mate te danken aan die kapitaalinvesteringen. Hogere lonen, meer kapitaalinvesteringen, en een hogere productiviteit zijn zo intrinsiek met elkaar verbonden, tillen elkaar steeds hoger, en zorgen zo op langere termijn ook voor een grotere welvaartstoename.

In landen waar de lonen relatief gezien achterblijven, vindt net het omgekeerde proces plaats: omdat de lonen er lager liggen, zijn ook kapitaalinvesteringen minder aantrekkelijk, maar zonder die investeringen zal ook de productiviteitsgroei achterblijven, waardoor er ook geen ruimte gecreëerd wordt voor mogelijke loonsverhogingen. Zie, bijvoorbeeld, het Verenigd Koninkrijk. Ondanks een substantiële verlaging van de vennootschapsbelasting blijven de investeringen achter. Ze lonen de moeite niet: arbeid is er relatief gezien goedkoop genoeg om niet te moeten investeren in productieverhogende technologieën. Het gevolg: de productiviteit van de Britse bedrijven hinkt steeds verder achterop. De lagere lonen en een lagere productiviteit bestendigen elkaar, en leiden op termijn ook tot lagere welvaartsgroei.

De forse verlaging van de vennootschapsbelasting maakt daarin geen enkel verschil: bedrijven nemen de verlaging van de vennootschapsbelasting dankbaar in ontvangst, en parkeren de extra winst die ze zo maken op hun al goedgevulde rekening. En de begroting, die blijft achter met een gat, dat anderen wel zullen vullen.

— Deze column verscheen op 8 augustus in De Morgen.

Want een iegelijk die heeft, dien zal gegeven worden

Twee maatregelen die deze federale regering wil doorvoeren, en een mooi beeld geven van de richting van het beleid.

Eén. Om het pensioensparen verder aan te moedigen, wordt het maximale bedrag waarop u kan genieten van een fiscale vrijstelling uitgebreid van 940 euro naar 1.200 euro per jaar. Wie ruim genoeg verdient om rond te komen en bovendien elke maand nog eens honderd euro kan opzij zetten, wordt beloond met een fikse belastingvermindering. In 2013, het laatste jaar waarvoor cijfers beschikbaar zijn, liep de Staat ruim 600 miljoen euro inkomsten mis door deze belastingvrijstelling, die nu dus nog uitgebreid zou worden en dus ook nog veel meer zou gaan kosten. De gemiste inkomsten zullen elders goedgemaakt moeten worden.

Twee. Omdat de pensioenkosten te hoog zouden oplopen en de Staat elke cent driemaal moet omdraaien, zullen de al lage pensioenen van wie het ongeluk had zijn werk te verliezen of vervroegd op pensioen gestuurd te worden, nog verder verlaagd worden. Bovendien trekt de regering het brutoloon van een kortgeschoolde jongere die op z’n achttiende aan de bak moet, met bijna twintig procent naar beneden, en zal zijn pensioen later ook op dat fors verlaagde brutominimumloon berekend worden. Op die manier denkt de regering toch ook weer een honderd miljoen euro uit te sparen — honderd miljoen die het nodig zal hebben om de verruiming van de fiscale vrijstelling voor het pensioensparen te kunnen bekostigen.

Het is het beeld van deze regering in een notendop. Wie kortgeschoold is of zijn werk verloor, zal de belastingvermindering voor wie een ruimer inkomen heeft betalen: een verschuiving van middelen van wie weinig heeft naar wie meer heeft.

Bovendien moeten we ons de vraag stellen of die honderden miljoenen die de fiscale vrijstelling van het pensioensparen kost, niet beter gebruikt kunnen worden voor de versterking van de te lage wettelijke pensioenen, een maatregel waar iedereen van kan profiteren, en niet enkel de hogere inkomens. Zeker omdat we weten dat die fiscale vrijstelling nauwelijks effect heeft op het spaargedrag van mensen: het leidt enkel tot een verschuiving tussen verschillende types fondsen, op zoek naar het laagste belastingtarief, maar nauwelijks tot een verhoging van het totale bedrag dat belegd wordt. Het is, anders gesteld, niet meer of minder dan een dure subsidie voor de hogere inkomensklassen, betaald met de verlaging van de wettelijke pensioenen van wie sowieso al met een lager inkomen moet rondkomen.

“Want wie heeft zal nog meer krijgen, en wel in overvloed, maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij nog heeft worden ontnomen.” — Men had kunnen hopen dat met een christelijke volkspartij in de regering de machthebbers een ander Bijbelvers tot leidraad voor het beleid zouden gekozen hebben. Het is helaas anders uitgedraaid.

— Dit stuk verscheen op 25 juli in De Morgen.