Rijk doet leven, arm doet sterven: de gezondheidsafgrond.

Naar pleidooien voor een meer gelijke samenleving hoeven we niet te luisteren: van meer dan afgunst en hebzucht kunnen ze niet getuigen. Bovendien: wat hebben we te klagen? De ongelijkheid is hier al bij al behoorlijk beperkt. We hebben wel andere katjes te geselen dan ons druk te maken over die zogenaamde ongelijkheid.

En toch. De cijfers in de pas gepubliceerde studie van het InterMutualistisch Agentschap zijn zonder meer schokkend. De onderzoekers legden de fiscale gegevens van elke wijk in België naast de gezondheidsgegevens waarover de ziekenfondsen beschikken. Wat blijkt: wie in een ‘arme’ wijk woont, heeft meer dan de helft méér kans om in een gegeven jaar te sterven dan wie in een ‘rijke’ wijk woont.

Het zou fout zijn te spreken van een gezondheidskloof, met aan de minder fortuinlijke zijde wie arm is en aan de andere kant de rest van de samenleving. Het rapport toont het beeld van een steile afgrond, met de meest fortuinlijken aan de top en de rest van de samenleving steeds dieper wegglijdend: hoe minder rijk, hoe minder fortuinlijk, hoe slechter de gezondheid. Wie in een arme wijk woont, heeft de helft meer kans om te sterven dan wie in een rijke wijkt woont. En zelfs wie tot het middensegment van de samenleving behoort – 40 procent van de Belgen woont in een armere wijk, 40 procent in een rijkere wijk – heeft een kwart méér kans om te sterven dan wie in een rijke wijk woont.

Die ongelijkheid zet zich op alle gezondheidsvlakken door, en telkens opnieuw verschijnt dat beeld van een afgrond waarin mensen dieper wegglijden naarmate ze minder rijk zijn. Werkers die in armere wijken wonen hebben de helft meer kans om langdurig ziek te vallen dan wie in een rijke wijk woont, maar ook werkers in een ‘doorsnee-wijk’ hebben nog 30 procent meer kans om langdurig ziek te worden. Hoe lager het inkomen, hoe hoger de kans op chronische aandoeningen – en dus hogere medische kosten. Longaandoeningen, chronische bronchitis, diabetes, hartstoornissen, spoedopnames, opnames in een psychiatrisch ziekenhuis: telkens opnieuw hetzelfde beeld. Hoe armer, hoe minder snel naar de tandarts; hoe rijker, hoe sneller naar de orthodontist.

Uw inkomen bepaalt – doorheen de hele inkomensverdeling en niet enkel voor wie het armst of het rijkst is – uw kans op een goede of een slechte gezondheid. Die gezondheidsafgrond geldt voor heel België en reproduceert zich ook voor Vlaanderen: hoe lager het inkomen van een wijk, hoe hoger de kans op langdurige ziekte, invaliditeit, chronische aandoeningen, vroegtijdige sterfte. In wijken van de middenklasse is men zieker dan in rijke wijken, in arme wijken is men zieker dan in wijken van de middenklasse.

Elke discussie over ‘meer mensen aan het werk krijgen’ of mensen ‘langer laten werken’ kan niet om de vaststelling heen dat lagere inkomens ziekere mensen betekent – en dat ziekere mensen minder kunnen werken en dus weer op lagere inkomens terugvallen. Elke discussie over de organisatie van de gezondheidszorg is niet ernstig als ze niet vertrekt van het ontstellend feit dat rijk doet leven en arm doet sterven.

Het getuigt van een verregaande lichtzinnigheid, ja zelfs onbekommerdheid, om dan te kiezen voor het nog verder drijven van de sluipende privatisering van de gezondheidszorg en steeds meer over te laten aan de ‘aanvullende’, niet-verplichte verzekeringen. Wie die verzekering het minst nodig heeft, kan haar het makkelijkst veroorloven; hoe groter de kans geconfronteerd te worden met oplopende medische kosten, hoe kleiner de kans dat men zich zo’n aanvullende verzekering kon permitteren. Wie wint hierbij? Niemand, behalve de private verzekeringsgiganten die mooie winsten kunnen boeken op de afbouw van het solidaire gezondheidszorgsysteem.

“Als we maar gezond zijn”: er is niets dat zo’n grote impact heeft op het leven van mensen en van de mensen in hun omgeving, op hun levenskwaliteit, op hun geluk, als hun gezondheid. Wie bekommerd is om mensen, bekommert zich om hun gezondheid. Het is geen toeval dat gezinnen zorg – of beter, het gebrek aan zorg – als hun absolute prioriteit naar voren schuiven, zoals bleek uit de bevraging van de Gezinsbond, waarvan De Morgen dinsdag de resultaten publiceerde. En toch wordt het thema nauwelijks opgepikt, en toch negeren we de dramatische verschillen in gezondheid tussen de verschillende sociale klassen.

Wie zich druk maakt over de ongelijkheid in België – die o zo klein is, ach nauwelijks het noemen waard – is niet afgunstig op dat ene restaurantbezoek meer of minder, een skireis, die goede fles wijn. Wat zou het. Maar dat die ongelijkheid zich vertaalt in drastisch verschillende levenskansen, in zoveel verloren levensjaren, dát is een ongerijmdheid waarvoor in geen enkele samenleving plaats mag zijn.

— Deze bijdrage verscheen op 15 mei in De Morgen.

Een sterke sociale zekerheid is het fundament van een sterke samenleving

We leven in onzekere tijden. Een sluipend ongenoegen en een angst voor verval doordesemt de samenleving. Ook ons systeem van sociale zekerheid, dat dit jaar zijn vijfenzeventigste verjaardag viert, beleeft onzekere tijden. In haar ontwikkeling sinds de Tweede Wereldoorlog is de sociale zekerheid zo’n vanzelfsprekend onderdeel van onze maatschappij geworden, dat ze zelf haar vanzelfsprekendheid verloren heeft. Cruciale basisprincipes worden in vraag gesteld, haar blijvende betaalbaarheid wordt betwijfeld, in haar financiering door sociale bijdragen wordt drastisch gesnoeid. Het zijn dus onzekere tijden voor de sociale zekerheid, maar ook tijden waarin het belang van de sociale zekerheid eens te meer op de voorgrond treedt in de zucht naar, precies, zekerheid in het leven.

Symptomatisch voor de crisis van de sociale zekerheid is de opkomende populariteit van broodfondsen. Zo’n broodfonds bestaat uit een groep zelfstandigen uit eenzelfde buurt die beloven om, in ruil voor een vaste maandelijkse bijdrage aan een gemeenschappelijk fonds, elkaar enige tijd financieel te ondersteunen in geval van inkomensverlies door ziekte. Het concept maakt opgang in Nederland: het eerste broodfonds werd opgericht in 2006, vandaag zijn al ruim meer dan vierhonderd broodfondsen actief, met meer en meer zelfstandigen zonder personeel die zich aansluiten. Zij vallen door de mazen van het net in de klassieke sociale zekerheid, en zien in het broodfonds een alternatief verzekeringsmodel. In België blijft het fenomeen vooralsnog marginaal, al klinken ook hier stemmen die het concept verdedigen. Zij stellen het daarbij echter niet alleen voor als een aanvulling op, maar zelfs als een vervanging van het klassieke systeem van sociale zekerheid, dat immers niet aangepast zou zijn aan de nieuwe tijden.

Een broodfonds telt in principe tussen de twintig en de vijftig leden. Dankzij die relatief beperkte omvang kennen de leden van een broodfonds elkaar ook echt, wat dan weer de basis vormt voor het noodzakelijke vertrouwen dat mensen in elkaar moeten kunnen stellen voor 10 het goede functioneren van het fonds. Het is ook de reden waarom niet iedereen zich kan aansluiten bij een broodfonds, zelfs al toont men zich bereid trouw de verschuldigde bijdragen te storten: de leden van het broodfonds beslissen zelf of iemand mag intreden. Leden krijgen ook niet ‘zomaar’ financiële ondersteuning bij inkomensverlies door ziekte: de overige leden van het broodfonds oordelen over de rechtmatigheid van de vraag. Men maakt dus komaf met de anonimiteit inherent aan de klassieke sociale zekerheid, die men als voedingsbodem ziet voor het wantrouwen dat zulke stelsels zou kenmerken: vermits ik niet weet waar ‘mijn’ geld naartoe gaat, is het ook des te makkelijker voor te stellen dat het wegvloeit naar ‘profiteurs’. Niets daarvan in een broodfonds, waar iedereen iedereen kent, en iedereen de situatie van iedereen kan beoordelen. Zo wordt het broodfonds-model ook verkocht: een vorm van sociale zekerheid waar de leden zelf de touwtjes in handen houden.

De opkomst van broodfondsen in Nederland loopt parallel aan de sterke groei van het aantal atypische arbeidssituaties. Meer en meer mensen worden in de richting geduwd van werkovereenkomsten die opdrachtgevers ontslaan van een resem fiscale en sociale regels en verplichtingen, maar wel als consequentie hebben dat de opdrachtnemer niet meer afdoende gedekt is door het bestaande stelsel van sociale zekerheid, en bij tegenslag geen beroep kan doen op de klassieke, geïnstitutionaliseerde vormen van solidariteit: sociale risico’s worden weer volledig in de schoot van het individu zelf geduwd, sociale risico’s die op individuele basis onverzekerbaar zijn en waaraan private verzekeraars zich ook niet willen verbranden. Het is zo dat de eerste broodfondsen ontstonden, bij gebrek aan valabel alternatief. In een volgende beweging worden broodfondsen nu aangeprezen als bewijs dat institutionele solidariteit –ons systeem van sociale zekerheid– ook nergens voor nodig is. Dat klassieke stelsel zou immers niet meer aangepast zijn aan de ‘nieuwe tijden’ waarin we leven, en bovendien ook overbodig zijn; het volstaat dat gelijkgezinden elkaar vinden, en ze kunnen zelf hun ‘eigen’ ‘sociale zekerheid’ organiseren, zonder dat de staat of vakbonden en bedrijfsorganisaties daarin tussen moeten komen.

Onzekerheid en welbegrepen eigenbelang.

Niets is zo nieuw als we wel willen denken. Zonder er zelf erg in te hebben, vergeet men in de eenentwintigste eeuw de lessen van de twintigste eeuw om terug te grijpen naar recepten uit de negentiende eeuw en zelfs vroeger. Een broodfonds is immers niet meer dan een nieuwerwetse versie van de oude gildenbussen, instituties met wortels die teruggrijpen tot de middeleeuwen. Ook de gilden waren besloten verenigingen waar de leden elkaar kenden en die autonoom beslisten over wie zich verder mocht aansluiten; ook daar een bijdrageplicht aan een gemeenschappelijk fonds van onderlinge bijstand, de gildenbus; ook daar de belofte van steun in moeilijke tijden, of toch voor zover de overige leden oordeelden dat steun gerechtvaardigd was. De ‘sociale zekerheid’ die gildenbus of broodfonds biedt, blijft zo steeds een gunst, geen recht, een zaak van liefdadigheid, niet van sociale rechtvaardigheid. Door het beslissingsrecht over toetrede en toekenning van tegemoetkomingen in handen van de leden van het fonds te leggen, geeft men misschien de illusie van controle, maar creëert men tegelijk onzekerheid in het hart van een institutie die zekerheid hoort te bieden.

Onzekerheid vloeit ook voort uit de beperkte omvang en versnippering van broodfondsen en consorten. Het is een les die de geschiedenis herhaaldelijk heeft onderwezen: maatschappijen van onderlinge bijstand, zoals ook broodfondsen, zijn niet bestand tegen sociale, demografische, financiële en economische schokken. Sociale risico’s zoals ziekte, ouderdom, of werkloosheid, waartegen zulke verenigingen toch zouden moeten beschermen, zijn maar effectief verzekerbaar tegen een aanvaardbare prijs wanneer het risico gespreid kan worden over een brede en diverse populatie, een vereiste die onmogelijk te verwezenlijken valt in een landschap met tientallen tot honderden bijstandsverenigingen en waar aansluiting bij zo’n maatschappij niet verplicht is. De diepe crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw toont lang niet de eerste maar wel een sprekende illustratie van het failliet van dit model, toen de veelheid aan kassen en fondsen erg kwetsbaar bleek voor de impact van de recessie.

De kassen waren vaak per beroepsgroep georganiseerd, per sector, of streekgebonden: het gevolg was dat net in die steden, beroepsgroepen, en sectoren die het zwaarst getroffen werden door economische schokken, de maatschappijen van onderlinge bijstand bezweken onder de druk en verzekerden zonder enige vorm van inkomen dreigden te vallen, terwijl andere kassen, in streken en sectoren die meer beschut waren tegen de crisis, niet hoefden bij te springen en hun in betere tijden opgebouwde reserves nodeloos konden oppotten. Die mismatch tussen bittere armoede enerzijds en opgepotte maar niet aangesproken reserves anderzijds droeg zo nog bij aan een verdere verscherping van de economische crisis. Het failliet van het model betekende niet alleen een individueel, maar ook een collectief verlies. Het is, kort gezegd, niet geschikt om mens en maatschappij te verzekeren tegen sociale en economische schokken.

De universaliteit van moderne systemen van sociale zekerheid, zoals die zich na het drama van de Depressie en de rampspoed van de Tweede Wereldoorlog ontwikkelden, met verplichte aansluiting bij een nationaal gedragen solidariteitsfonds, is een noodzaak gebleken om effectieve individuele en collectieve bescherming tegen inkomensverlies bij sociale tegenslag te kunnen garanderen. De leraar in Luik is solidair met de bankbediende in Brecht, de kuisvrouw in Ranst met de Genkse automechanicus. Steun aan de sociale zekerheid is een zaak van welbegrepen individueel eigenbelang: het vormt de beste verzekering tegen moeilijke tijden. Maar het is ook een zaak van collectief eigenbelang: de sociale zekerheid functioneert als de schokdemper die grote economische schokken opvangt en verlicht en zo de samenleving doorheen moeilijke tijden helpt. Een goed functionerend systeem van sociale zekerheid maakt zijn naam waar: de sociale zekerheid zorgt voor zekerheid in onzekere tijden, zowel voor het individu als voor het collectief.

De kracht van de sociale zekerheid toont zich echter niet alleen wanneer we effectief getroffen worden door een sociale of economische schok en kunnen vertrouwen op het stelsel van sociale zekerheid om ons te beschermen tegen de mogelijk dramatische gevolgen van inkomensverlies, zij het door pensionering of werkloosheid dan wel door ziekte en oplopende gezondheidszorgkosten. Het contrast tussen enerzijds de grote welvaart van het land en de vermeende hoge financieringskost van het socialezekerheidsstelsel, en anderzijds de hoge armoedecijfers, stelt de vraag op scherp wat de primaire doelstelling van de sociale zekerheid hoort te zijn. Is het doel een verzekering van de levensstandaard bij tegenslag, of moet de nadruk liggen op het verzekeren van een bodembescherming voor iedereen? Het spreekt voor zich dat een sociaal stelsel dat er niet in slaagt mensen te beschermen tegen armoede, faalt in een belangrijke basisopdracht. De verzekering bieden dat niemand in armoede hoeft te leven, is een absolute grondvoorwaarde voor elk fatsoenlijk systeem van sociale bescherming. Demografische en sociaal-economische verschuivingen in de maatschappij maken die basisopdracht er niet eenvoudiger op: denk maar aan de verschuiving van het kostwinners- naar het tweeverdienersmodel, die maakt dat de algemene levensstandaard weliswaar sterk toeneemt, maar er ook voor zorgt dat gezinnen die niet kunnen rekenen op twee inkomens steeds verder achterop raken en een grote kans lopen getroffen te worden door armoede.

Maar al is de bescherming tegen armoede een basisopdracht en een grondvoorwaarde voor elk decent socialezekerheidssysteem, wil dat nog niet zeggen dat het ook de primaire doelstelling van een stelsel van sociale zekerheid hoort te zijn. Het is een ondergrens, geen einddoel. De sociale zekerheid is tenslotte een vorm van sociale verzekering: de verzekering dat onze levensstandaard beschermd wordt tegen sociale risico’s, in goede en in slechte tijden. Een stelsel van sociale zekerheid dat zich beperkt tot het garanderen van een bodembescherming, zonder in te staan voor een bescherming van de levensstandaard, biedt geen zekerheid: het zorgt er nog steeds voor dat mensen en gezinnen die geconfronteerd worden met tegenslag van een hoge klif geduwd worden en dreigen te pletter te slaan. Ze vallen misschien minder diep dan zonder bodembescherming, maar dat maakt de val niet minder pijnlijk, het verlies van controle over het eigen leven niet minder reëel. Het resultaat is een impuls tot desolidarisering, waarbij huishoudens in de hogere inkomensklassen die het zich enigszins kunnen veroorloven op zoek zullen gaan naar eigen, weliswaar dure en inefficiënte, vormen van inkomensverzekering, naast het publieke stelsel van sociale zekerheid dat dreigt drooggelegd te worden, in de ijdele hoop zo wel zekerheid te verkrijgen. Een fatsoenlijk systeem van sociale zekerheid biedt zekerheid voor iedereen; het beschermt niet alleen tegen armoede, maar garandeert ook het behoud van een decente levensstandaard. Voor niemand mag tegenslag een duw richting de afgrond betekenen.

Hierin schuilt de kracht van de sociale zekerheid: omdat ze niet alleen beschermt tegen de dreiging van armoede maar tegen een val van de levensstandaard, bereikt ze méér dan alleen het bieden van zekerheid. Omdat ze zekerheid biedt, kon de sociale zekerheid het fundament worden waarop onze welvaartsstaat en onze middenklassemaatschappij gebouwd werd. De sociale zekerheid ondersteunt de opbouw van de welvaartsstaat niet enkel omdat ze fungeert als schokdemper in economisch zware tijden, waardoor crisissen minder diep snijden en sneller terug aangeknoopt kan worden met economische groei. Doordat we weten dat ook in tijden van ziekte, werkloosheid, of pensionering — kortom, wanneer ons arbeidsinkomen wegvalt– het behoud van onze levensstandaard verzekerd is dankzij het socialezekerheidssysteem, hoeft niet iedereen voor zich onnodig provisies op te potten voor kwade tijden die misschien wel, misschien niet zullen optreden, en kan iedereen zich dag na dag een hogere levensstandaard veroorloven. Een eenvoudig voorbeeld kan volstaan om dit te illustreren. Neem een land met twintig inwoners, en een gemiddeld jaarinkomen per inwoner van 1.000 euro. Stel ook dat iedereen één kans op twintig heeft om in een bepaald jaar een ziekte op te lopen waarvan de kost op jaarbasis 1.000 euro bedraagt. Als iedereen jaarlijks vijftig euro bijdraagt aan een gemeenschappelijk fonds, houdt iedereen 950 euro over om vrij te besteden en heeft het fonds de middelen om de jaarlijks te verwachten kost door ziekte te dekken. Als iedereen echter op zichzelf aan dit tempo provisies probeert aan te leggen, duurt het twintig jaar vooraleer iemand de ziektekost volledig kan dekken. Wie vóór die twintig jaar verstreken is door ziekte getroffen wordt, is gezien. Als daarentegen iedereen méér geld opzij gaat zetten als eigen provisie om de kans te verkleinen ziek te worden zonder genoeg reserves te hebben opgebouwd, gaat dit ten koste van de vrij te besteden inkomens en duikt de algemene levensstandaard ipso facto omlaag.

Een systeem van sociale zekerheid waaraan iedereen bijdraagt, geeft mensen dus niet alleen zekerheid over hun levensstandaard omdat eventueel inkomensverlies ondervangen wordt en het de hele maatschappij door moeilijke tijden helpt, maar maakt ook dag na dag een hogere levensstandaard mogelijk dan in de afwezigheid van het socialezekerheidsstelsel. Bovendien zorgt de zekerheid van de inkomensbescherming er ook voor dat banken meer geneigd zullen zijn langlopende leningen toe te kennen aan een lagere intrest, omdat ook zij zekerder kunnen zijn van terugbetaling zelfs bij tegenslag. In hun streven naar een hogere levensstandaard en een middenklassebestaan profiteert dus ook wie zelf niet getroffen wordt door ziekte of werkloosheid van het systeem van sociale zekerheid. Het is op dit fundament dat we konden bouwen aan de welvaartsstaat en onze middenklassemaatschappij.

Het gevaar van ‘flexibilisering’, ‘verzelfstandiging’, en andere atypische arbeidsovereenkomsten (de motor achter de groei van broodfondsen in Nederland), en van een (al is het maar gedeeltelijke) privatisering van functies van de sociale zekerheid, schuilt niet alleen in het feit dat de ‘last’ van fiscale en sociale regels, verplichtingen en provisies in de schoot van de individuele burger wordt geduwd, die zelf zijn ‘eigen’ ‘sociale zekerheid’ zal moeten organiseren — wat een onmogelijke opdracht is. Het gevaar bestaat er ook in dat, precies omdat op die manier geen zekerheid geboden kan worden, ook de rol van de sociale zekerheid als fundament van de welvaartsstaat en de middenklassemaatschappij ondergraven wordt. Wie niet kan vertrouwen op een universeel en dekkend systeem van sociale zekerheid, heeft de keuze tussen een onredelijk hoog risico op diepe armoede bij tegenslag, en/of een onredelijk veel lagere levensstandaard dan wanneer hij wel zou kunnen genieten van die sociale zekerheid.

De sociale zekerheid ondergraven betekent het fundament van de welvaartsstaat en de middenklassemaatschappij ondergraven. Het holt de samenleving uit en werkt polarisering in de hand. Een samenleving waarin mensen in onzekerheid leven, niet weten wat de dag van morgen brengt, zich constant zorgen moeten maken of ze ook morgen nog wel zullen rondkomen, wanneer het even wat minder gaat of een economische schok hen treft, zo’n samenleving wordt een angstige samenleving, en verliest haar samenhang. Het uiteenrafelen van de sociale zekerheid betekent het uiteenrafelen van de middenklasse, het uiteenrafelen van de middenklasse het uiteenrafelen van de samenleving. Een sterke sociale zekerheid vormt de grondslag van de welvaartsstaat en een sterke middenklasse, en weeft de samenleving aan elkaar, precies omdat de sociale zekerheid zekerheid biedt, ook in onzekere tijden.

Een sterke sociale zekerheid is een zaak van welbegrepen eigenbelang, zowel individueel als collectief. Toch beleeft de sociale zekerheid onzekere tijden. Vanwaar dat verlies aan vanzelfsprekendheid, waarom die afkalvende legitimiteit? We hebben geen ander en beter antwoord gevonden op een weliswaar uiterst belangrijk maar eerder technisch vraagstuk — hoe ons individueel en collectief zo effectief mogelijk te verzekeren tegen inkomensverlies bij het optreden van sociale risico’s. Veranderende sociale, demografische en economische omstandigheden kunnen wel nopen tot aanpassingen van specifieke regels en voorzieningen, maar de geldigheid van de basisprincipes van de klassieke sociale zekerheid staat buiten kijf. Wanneer deze basisprincipes toch onder vuur liggen, is het ten gronde niet vanwege zulke eerder technische kwesties, of vanwege de vermeende ontdekking dat ons eigenbelang, zij het individueel dan wel collectief, beter gediend zou zijn zonder een universeel dekkende sociale zekerheid (quod non). Wat de legitimiteit van de sociale zekerheid in deze ondermijnt, en daarmee het fundament van de samenleving zoals we die kennen ondergraaft, is een verschuiving in de mens- en maatschappijvisie waarmee we de samenleving begrijpen. Maatschappelijke instituties zijn de neerslag van sociaal gedachtegoed.

Een revolutie van het denken.

Het socialezekerheidssysteem zoals we het vandaag kennen is verwekt in de jaren van Depressie en Tweede Wereldoorlog. De ontwikkeling van het ideeëngoed waaraan de sociale zekerheid ontsproten is, dateert echter van veel vroeger, en kan als reactie gezien worden op het heersende conservatief-liberale discours dat in de negentiende eeuw de rigueur was. De negentiende eeuw is de eeuw van de nieuwe, industriële klasse, die zich tegoed kon doen aan de vruchten van de Industriële Revolutie. De nieuw verworven rijkdommen van deze klasse staken schril af tegen de armoede op het platteland en in de steden waar het fabrieksproletariaat samentroepte. Sociale onvrede was dan ook onvermijdelijk. Om de rijkdommen van de nieuwe klasse van patroons te beschermen tegen de aanspraken van de massa volstond het niet de ijzeren vuist van het staatsapparaat in te zetten. De nieuwe krachtverhoudingen moesten ook morele uitdrukking krijgen: de diepe ongelijkheden die het land doorkliefden kon men niet enkel met machtsargumenten verdedigen, men moest er ook een morele rechtvaardiging aan kunnen geven. Die rechtvaardiging vond men in het conservatief-liberale discours.

Centraal in dat discours staat de idee van de mens alleen, de mens die in zijn handelen alleen bepaald en beperkt wordt door zijn eigen wilskracht. De mens is als een kleine god, die zelf de wereld boetseert waarin hij te leven heeft. Ieder voor zich is verantwoordelijk, en alleen verantwoordelijk, voor zijn lot. Dit moet op een dubbele manier begrepen worden: alleen hijzelf kan verantwoordelijk gehouden worden voor zijn lot, en hij is alleen verantwoordelijk voor zijn lot, en voor niemand anders. Iemands plaats in de sociale hiërarchie is niet de reflectie van structurele omstandigheden in de samenleving, maar van karakter en keuzes in het leven waarvoor de mens alleen verantwoordelijkheid draagt.

De sociale hiërarchie is niets meer dan de uitdrukking van verschillen in talent, intelligentie, inspanning, en ondernemingszin. Meer: aan de verkeerde kant van de kloof belanden, getuigt van een persoonlijk en moreel falen. Dat diepe sociale ongelijkheden zich reproduceren doorheen de generaties, kon verklaard worden door verschillen in sociaal-economische situatie te essentialiseren: de bewoners van het ‘House of Have‘ en de bewoners van het ‘House of Want‘ zijn een ‘ander soort’ mensen. Aanvallen op die ‘natuurlijke’ sociale hiërarchie zijn het product van afgunst en hebzucht, een poging tot confiscatie van wat eerzame en godsvruchtige burgers door hard werk hebben weten te vergaren door onverantwoordelijken die weigeren de gevolgen te dragen van hun eigen moreel falen. Hulp aan ‘onfortuinlijken’ is een gunst, een zaak van liefdadigheid, een christelijke deugd — niet van sociale rechtvaardigheid. De conservatiefliberale doctrine levert de ultieme morele legitimatie van de bestaande sociale hiërarchie.

Het gedachtegoed waarvan het instituut van de sociale zekerheid de maatschappelijke uitdrukking is, steunt op een revolutie van het denken, een totale verwerping van dit individualistische conservatief-liberale wereldbeeld. De mens alleen bestaat niet, hij is geen kleine god die de wereld waarin hij te leven heeft naar eigen goeddunken kan boetseren. Hij is zelf het sediment van een gemeenschap. Hij is steeds ingebed in de gemeenschap, erfgenaam van die gemeenschap, en draagt een schuld tegenover die gemeenschap: de mens kan maar worden wie hij is in die gemeenschap en dankzij die gemeenschap. Iemands levenslot valt niet te reduceren tot louter de reflectie van persoonlijke keuzes waarvoor hij en hij alleen verantwoordelijk is; geen enkele sociale hiërarchie is natuurlijk, maar steeds het product van sociale en economische structuren en krachtsverhoudingen die de mens alleen niet kan beheersen. De mens is dus nooit alleen verantwoordelijk voor zijn lot: anderen dragen een verantwoordelijkheid tegenover hem, zoals hij ook mee verantwoordelijk is voor het lot van anderen, en verplichtingen heeft tegenover die anderen.

De eis van sociale rechtvaardigheid vloeit voort uit de structuur van de samenleving zelf; ze volgt uit de erkenning dat ons lot steeds met het lot van anderen verweven is, en dat mijn handelen steeds ook implicaties heeft voor de rest van de gemeenschap waarin ik leef. De idee van een individueel verrekenbaar saldo van schulden en baten tegenover de samenleving is dan ook absurd, en daarmee ook de idee dat iemands positie op de sociale ladder louter toe te schrijven valt aan iemands ‘verdienste’, of gebrek daaraan. Wie getroffen wordt door tegenslag en wie fortuinlijk is, wie het ‘House of Want‘ bewoont en wie het ‘House of Have‘, is geen kwestie van individueel falen en slagen maar een sociaal vraagstuk, dat niet los gezien kan worden van de organisatie van de maatschappij; waar ongelijkheden zich doorzetten, moet ook de organisatie van de samenleving zelf in vraag gesteld worden.

De eis tot solidariteit waarvan de sociale zekerheid de institutionele uitdrukking is, is de erkenning van deze lotsverbondenheid en wederzijdse verantwoordelijkheid. Deze solidariteit is geen gunst, geen zaak van liefdadigheid, maar een recht en een plicht, een zaak van sociale rechtvaardigheid. Precies omdat de sociale zekerheid dit idee van sociale rechtvaardigheid en wederzijdse verantwoordelijkheid institutionaliseert, kan ze zekerheid bieden in het leven van mensen: de sociale zekerheid bevrijdt wie minder fortuinlijk is in het leven van de afhankelijkheid en goedgunstigheid van wie meer fortuinlijk is. Het instituut van de sociale zekerheid is de maatschappelijke neerslag van de idee dat onze lotsverbondenheid betekent dat we in ons handelen nooit alleen ons eigenbelang horen na te streven, maar steeds ook onze verantwoordelijkheid voor elkaar opnemen, om zo het goede leven voor iedereen mogelijk te maken.

Alleen dankzij de doorbraak van dit mens- en maatschappijbeeld, dit cruciale idee van lotsverbondenheid van elke mens met de gemeenschap waarin hij leeft, kon het draagvlak ontstaan waarop zoiets wonderlijks als de sociale zekerheid gebouwd kon worden. De sociale zekerheid is niet in de eerste plaats een antwoord op een technisch vraagstuk, maar de uiting van een revolutie in het denken. In zoverre het vandaag onzekere tijden zijn voor de sociale zekerheid, is het omdat dit gedachtegoed zelf weer aan vanzelfsprekendheid verloren heeft en de individualistische illusie, zoals die vorm kreeg in het negentiende- eeuwse conservatief-liberale discours met zijn legitimatie van sociale ongelijkheden, weer opgang maakt.

Het gevolg is een versplinterende samenleving waarin de idee van lotsverbondenheid dreigt te verdwijnen, en daarmee de idee die de sociale zekerheid legitimeert; met de uitholling van de sociale zekerheid dreigt ook de samenleving verder te versplinteren. Een infernale machine trekt zich op gang, en rukt het sociaal weefsel uit elkaar — en we vallen alleen. We moeten het ideeëngoed waarin de sociale zekerheid wortelt terugwinnen, willen we haar niet zien verpieteren. En we moeten de sociale zekerheid zelf blijvend versterken, willen we de idee van lotsverbondenheid dat onze samenleving haar samenhang geeft, niet zien verschrompelen. Over dit boek… Wat betekent het om de sociale zekerheid zoals we die vandaag kennen te versterken? Welke sociale, demografische, en economische verschuivingen in de samenleving maken het nodig om de sociale zekerheid te herdenken, met welke uitdagingen ziet de sociale zekerheid zich vandaag geconfronteerd? Denktank Minerva vroeg een resem experten om in alle vrijheid te reflecteren over de toekomst van onze sociale zekerheid, nu zij haar vijfenzeventigste verjaardag viert.

De neerslag van deze reflectie kunt u lezen in veertien bijdragen. (…) Samen geven deze bijdragen een beeld van de uitdagingen waar de sociale zekerheid vandaag voor staat. Ze vormen geen eindpunt, maar een begin om grondig te reflecteren over de toekomst van de sociale zekerheid. Die continue reflectie is essentieel, als de sociale zekerheid de rol die haar toekomt moet kunnen blijven spelen.

Want als de sociale zekerheid haar rol niet meer ten volle kan spelen, is het de hele samenleving die er onder te lijden heeft.

De sociale zekerheid vormt het fundament van onze welvaartsstaat en onze middenklassemaatschappij. Zeker in onzekere tijden komt het erop aan, hier weer zekerheid te bieden.

— Deze bijdrage verscheen eerder op Knack.be en vormt de inleiding tot het boek Fundamenten. Sociale zekerheid in onzekere tijden: http://www.denktankminerva.be/studies/fundamenten.

Sterren en cijfers.

Boeken en films kunnen niet meer besproken worden zonder sterren te krijgen, een minister kan niet meer geëvalueerd worden zonder een rapport te krijgen, met één helder cijfer waarin heel zijn (of, in nog steeds eerder zeldzame gevallen, haar) beleid gevangen wordt.

De sterren die een boek opgeplakt krijgt, het cijfer op zijn rapport waarmee de minister thuis moet komen, bij zijn kiezers, maken verdere lectuur van recensie of rapport of elke verdere interpretatie overbodig: sterren en cijfers zijn helder, ondubbelzinnig, ze laten geen misverstanden toe. Ze schenken ons de oh zo verlangde illusie van meetbaarheid en objectiviteit, de maatstaf waarmee de ene met de andere vergeleken kan worden — en beoordeeld zonder ambiguïteiten. Deze is beter dan gene, kijk maar: hij krijgt een sterretje meer, zij een hoger cijfer.

De primus inter pares onder de Vlaamse ministers, als we De Standaard mogen vertrouwen (en waarom zouden we dat niet doen?), is onze minister van Welzijn, Volksgezondheid, en Gezin: Jo Vandeurzen (CD&V). Er is geen beter minister in deze Vlaamse regering te vinden dan hem. Een cynicus zou kunnen opwerpen dat zijn primaat misschien meer zegt over zijn collega’s dan over hemzelf, maar mij is elk cynisme vreemd.

We mogen ons de komende weken aan nog meer van zulke oefeningen verwachten: de grote oplijsting van onze politici, handig in een tabelletje of een grafiekje gevat dat geen twijfel toelaat: he’s hot, she’s not; zij de noeste werker, hij de klaploper die nog de weg niet weet te vinden naar het parlement al stond hij er met zijn neus voor. Maar hoe wéét je zoiets als journalist, wie zijn job als volksvertegenwoordiger ter harte neemt, en wie maar zit aan te modderen, blij met de parlementaire pree, onkostenvergoeding, en medewerker, en als hij af en toe eens op een knopje komt duwen, zal het allemaal allang goed zijn?

Opgejaagd van deadline naar deadline, nu eens reporterend over mobiliteitsbeleid, dan weer over begroting, de dag erna over welzijn (mensen en dieren, het steekt zo nauw niet), zich specialiserend in alles en in niets, zijn journalisten vandaag er met geen stokken meer toe te bewegen commissievergaderingen in het parlement bij te wonen als er geen zekerheid is van nieuws en spektakel.

En spektakel is het zelden, zo’n commissievergadering: de uren en minuten dikken in tot een kleverige stroop waarin een mens langzaam wegzinkt tot alleen een monotoon gebrom nog te horen valt. Af en toe onderbroken door de discrete stem van een medewerker van het parlement die vraagt of u nog wat koffie wenst. We zijn het derde uur van de vergadering ingegaan. Een blik op de agenda: het zesde punt wordt behandeld; hierna nog vijf te gaan. De minister leest zijn antwoord af, elke intonatie zorgvuldig vermijdend. Ik wens nog wat koffie, ja, graag, dank je, melk hoeft niet.

De journalist leert snel: hier moet ik niet zijn, als ik morgen mijn scoop wil hebben. Hij mist niet veel door afwezig te blijven: hij mist de kans om te horen wie zijn vragen stelt als verplichte nummertjes en wie weet waarover hij spreekt; hij mist de technische discussies waarin de complexiteit van maatschappelijke vraagstukken duidelijk wordt; hij mist de aandacht voor thema’s die onder de radar blijven, hij mist wie er dag in dag uit mee bezig is, en niet het plots ontdekt wanneer Iets Spectaculairs gebeurt en de grootste roepers alle aandacht krijgen.

Het geeft politici onbetamelijk veel macht over journalisten. Of toch een bepaald type politicus. De poseur, die in de krant gaat pronken met het resultaat van collectief en partij-overschrijdend werk; weet de journalist veel dat de pluimen die op poseurs hoed prijken uit andermans tooi geplukt zijn. De roddelaar, die sappige weetjes rondstrooit en zo goodwill kweekt voor aangename coverage van z’n eigen doen en laten. De schreeuwlelijkerd, die rood aangeblazen over alles en nog wat kwekt en zijn meningen in het rond kwakt, enige kennis van zaken overbodig, als het maar reactie uitlokt en spektakel oplevert. Het is politiek verworden tot de soap-opera van de meerwaardezoeker.

Wel de laatste die ervan verdacht kan worden de hoofdrol in een soap-opera te ambiëren, is Vandeurzen, toch sinds hij nu zoveel jaren geleden minister van Welzijn is geworden (ban elke gedachte aan de farce waarin hij meespeelde ten tijde van het verdoemde kartel met de Vlaams-nationalisten uit uw geest). Hij heeft zich sindsdien bekwaamd in de tactiek van de systematische uitputtingsslag, waarbij elke politieke tegenstand en elke journalistieke nieuwsgierigheid tot stilzwijgen wordt gedwongen door een precisiebombardement van gortdroge mededelingen die elke principekwestie herleiden tot een technisch vraagstuk waarin cijfers buitelen over cijfers die andere cijfers in een ander licht stellen tot een mens enkel nog sterren ziet en duizelig het zonlicht weer opzoekt. Het vermijdt elke heibel in de zaal. En geen heibel in de zaal, als minister, is het merkteken van degelijkheid.

Het merkteken van degelijkheid kreeg ook zijn hervorming van de manier waarop de zorg voor mensen met een beperking wordt georganiseerd: meteen één van de redenen voor zijn gunstige rapport. Nochtans, nuance: het aantal mensen met een beperking op de wachtlijst voor zorg kruipt kwartaal na kwartaal verder de hoogte in; terwijl het wegwerken van de wachtlijsten één van de speerpunten was waarmee Vandeurzen het ministerschap kon veroveren, krijgen ondertussen al bijna vijftienduizend mensen met een beperking en een ernstige zorgnood niet de hulp die zij nodig hebben en hen is toegezegd.

Is dat een merkteken van goed, degelijk beleid, beleid dat een mooi rapport verdient? Nochtans, nuance: het laatste dat men Vandeurzen wel kan verwijten, is een gebrek aan interesse in de problematiek; dat steeds meer mensen op de wachtlijst belanden, is óók het gevolg van het simpele feit dat mensen met een beperking steeds langer leven, en de “instroom” dus ook veel hoger ligt dan —ach, wat een gruwelijke term— de “uitstroom”. Het is, in zekere zin, een succesverhaal. Nochtans, nuance: vijftienduizend mensen met een beperking krijgen niet de hulp die ze nodig hebben. Nochtans, nuance: zou een ander het beter doen? Angst bevangt het hart wanneer men denkt aan mogelijke opvolgers.

Hoe zo een minister evalueren? Hoe dit te vatten in een eenduidig cijfer op een rapport dat de illusie van absoluutheid, objectiviteit, vergelijkbaarheid weet te wekken? Begripvol buig ik het hoofd voor de journalist die het aandurft de politicus te vangen in wat sterren en cijfers.

— Dit stuk verscheen op 26 april 2019 op Mo*.

Waarom niet iedereen profiteert wanneer we rijker worden

We worden als land steeds rijker, toch moeten we vaststellen dat steeds meer mensen nauwelijks rondkomen. Hoe is dat mogelijk?

Kansarmoede stijgt

Een op drie Vlamingen kan zeer moeilijk of niet sparen. Bijna honderdduizend Vlamingen, ook mensen die werken, hadden in 2017 bijstand van het OCMW nodig omdat ze met hun magere inkomen noodzakelijke uitgaven niet meer kunnen dekken. Dat is een derde meer dan vijf jaar voordien.

In dezelfde periode is het aandeel kinderen dat in Vlaanderen in kansarmoede leeft met meer dan dertig procent toegenomen, tot bijna 14 procent. Sinds het begin van de eeuwwisseling is het aandeel kinderen in kansarmoede zelfs verdubbeld.

Nochtans lezen we ook dat de economie, na de financiële crisis in 2008-2009 en de daaropvolgende recessie die Europa in zijn greep hield, nu alweer enkele jaren op hoog toerental draait. Hoe komt het dat economische groei zich niet vertaalt in stijgende welstand voor iedereen?

Het grotere plaatje

Eerder dan naar het beleid van de laatste jaren te wijzen, wil ik het grotere plaatje in ogenschouw nemen.

Ik wil een blik werpen op enkele belangrijke economische, sociale en demografische verschuivingen die zich de laatste dertig jaar hebben voorgedaan en die onze samenleving blijvend gewijzigd hebben. Ze kunnen op z’n minst gedeeltelijk verklaren waarom meer en meer mensen kopje onder dreigen te gaan, zelfs in economisch goede tijden.

We worden met z’n allen rijker

Als we kijken naar de totale welvaart die jaar na jaar in België gecreëerd wordt, dan moeten we zeggen dat we met z’n allen inderdaad heel wat rijker zijn geworden. De globale groeicijfers over de lange termijn zijn gunstig.

In de drie decennia sinds 1985 groeide het bruto binnenlands product per persoon in reële termen, dus gecorrigeerd voor inflatie, aan een ritme van gemiddeld bijna 2 procent per jaar. Dat lijkt misschien niet veel, maar het volstaat om een economie over een periode van 35 jaar dubbel zo groot te maken. Dat is een indrukwekkende welvaartstoename.

Waarover klagen we dan? Hoe is het mogelijk tegelijk zoveel rijker te worden, en toch te moeten vaststellen dat steeds meer mensen nauwelijks rondkomen?

Toegevoegde meerwaarde

Het bruto binnenlands product is de optelsom van de toegevoegde waarde, of de meerwaarde, die in het arbeids- en productieproces wordt gecreëerd. Het is de gangbare maat om de omvang van een nationale economie te meten.

Een nieuwe auto die in de fabriek van de band rolt, is meer waard dan de ruwe materialen waarmee die auto is gebouwd. Die meerwaarde is het resultaat van het arbeids- en productieproces waarmee de ruwe materialen werden getransformeerd tot een auto.

Hetzelfde principe geldt ook elders: een opgeruimd en blinkend kantoor is meer waard dan een rommeltje vol vuiligheid. Een meerwaarde die zich vertaalt in de prijs die we bereid zijn te betalen voor de kuisploeg. Die produceert in het kuisen van het kantoor een economische meerwaarde.

De som van al die ‘meerwaardes’ die zo gegenereerd worden in het arbeids- en productieproces, vormen het bruto binnenlands product. Bouwen we in het ene jaar meer auto’s dan het jaar voordien of worden er meer kantoren gepoetst, dan is de economie dus gegroeid.

Vertaling in inkomensgroei

Merk echter op dat deze groeicijfers niets zeggen over hoe deze hogere economische productie zich vertaalt in de inkomens. De Belgische economie kan dan wel dubbel zo groot zijn, maar wil dat ook zeggen dat het inkomen waarover u en ik kunnen beschikken verdubbeld is?

In theorie zou een groei van de meerwaarde ook een groei van het inkomen moeten betekenen.

De autofabrikant die zijn auto voor meer geld kan verkopen dan hij zelf moest betalen aan materiaalkosten, moet zijn werknemers en investeerders vergoeden. Een toename van de geproduceerde meerwaarde betekent dus simpelweg een toename van het inkomen dat verdeeld kan worden over de betrokkenen in het arbeids- en productieproces.

Verdeling over arbeid en kapitaal

Lange tijd ging men er in de economische wetenschap vanuit dat de verdeling van de meerwaarde over ‘arbeid’ en ‘kapitaal’ min of meer stabiel was.

Ongeveer twee derde van de meerwaarde in de ganse economie van een land, vloeit naar arbeid in de vorm van lonen en socialezekerheidsbijdragen. Het andere derde gaat naar bedrijfswinst en de vergoeding van aandeelhouders voor hun investeringen.

Sinds de jaren tachtig gaat deze verdeling van de meerwaarde niet meer op. Het aandeel dat terugvloeit naar arbeid kalft stelselmatig af, ten voordele van het kapitaalaandeel.

Of nog: bedrijven en aandeelhouders weten een steeds groter stuk van de taart die we met z’n allen bakken voor zich te houden. Werknemers moeten zich tevredenstellen met een steeds kleiner deel van de taart dat nog overblijft nadat het kapitaal zich eraan tegoed deed.

Technologie

Een deel van de verklaring zit in het toenemend gebruik van technologie. Neem bijvoorbeeld een bedrijf dat investeert in informatica en robotica die werkers bijstaat in wat ze vroeger zonder behulp van technologie deden. Omdat het deze investering deed, kan het bedrijf en zijn aandeelhouders aanspraak maken op een groter aandeel van de gecreëerde meerwaarde.

Het gevolg van robotisering en automatisering is dus niet per se dat de tewerkstelling onder druk staat, maar wel dat het loonaandeel slinkt. De stijging van de welvaart, mee mogelijk gemaakt door die nieuwe technologieën, komt minder dan vroeger ten goede aan loontrekkenden. 

Loonmatiging

Een tweede oorzaak schuilt in de afkalvende macht van vakbonden. Ze hebben het moeilijk om hogere lonen af te dwingen bij productiviteitsstijgingen. De winst hiervan vloeit naar het bedrijf en zijn aandeelhouders.

Nauw verwant aan deze reden is het succes van de mantra dat we in de eerste plaats de competitiviteit van onze bedrijven moeten beschermen door de loonkost te drukken. De staat komt tussen in de loononderhandelingen tussen werkgeversorganisaties en vakbonden en dwingt die laatsten een loonmatiging te slikken.

Druk verschuift naar arbeid

Naast deze rem op de brutolonen worden ook de socialezekerheidsbijdragen systematisch verminderd. Zij behoren ook tot het arbeidsaandeel in de verdeling van de meerwaarde en financieren de pensioenen, vervangingsinkomens en onze gezondheidszorg.

Die vermindering van de sociale bijdragen zorgt rechtstreeks voor een verhoging van het kapitaalaandeel: een toename van de winstmarge van bedrijven en de mogelijkheid tot hogere uitkeringen aan investeerders.

De minderinkomsten voor de sociale zekerheid worden gecompenseerd door een verhoging van de lasten elders, zoals een verhoging van de btw op elektriciteit. De druk verschuift dus van kapitaal naar arbeid, net nu het kapitaalaandeel in de verdeling van de geproduceerde meerwaarde toeneemt.

Gezinsinkomens groeien trager

Zoals gezegd groeide de Belgische economie sinds midden jaren tachtig aan een ritme van gemiddeld bijna twee procent per jaar. Wanneer we echter kijken naar de evolutie van de gezinsinkomens, dan vinden we dezelfde groeicijfers niet terug.

De verklaring hiervoor is niet alleen te vinden in de daling van het arbeidsaandeel in de verdeling van de economische meerwaarde. In principe zouden we de stijging van het kapitaalaandeel ook moeten terug vinden in de gezinsinkomens. Zij zouden een toename moeten kennen van het inkomen uit kapitaal, weliswaar sterk geconcentreerd bij de hogere inkomens.

Meer alleenstaanden

Wat ons eigenlijk interesseert als we kijken naar de evolutie van het gezinsinkomen, is de levensstandaard die een gezin erop na kan houden met dat inkomen. Om dat goed in beeld te brengen, moet je rekening houden met de grootte van de huishoudens.

Voor eenzelfde levensstandaard heeft een alleenstaande verhoudingsgewijs een hoger inkomen nodig dan een koppel. Het inkomen van een koppel hoeft namelijk niet dubbel zo hoog te zijn dan van de alleenstaande, vermits ze belangrijke kosten delen. Denk maar aan woonkosten.

Wat telt, is het ‘equivalent’ inkomen: het inkomen waarmee huishoudens met een verschillende gezinsgrootte er toch dezelfde levensstandaard op na kunnen houden. Want veel meer dan een absoluut geldbedrag, bepaalt dit welke mogelijkheden mensen hebben, hoe ze kunnen leven en wat voor hen wel of niet weggelegd is.

En hier zit een deel van de verklaring van het feit dat het (equivalent) gezinsinkomen achterblijft op de economische groei. Het is een gevolg van de veranderende gezinssamenstelling. Het aantal alleenstaanden is de afgelopen decennia sterk toegenomen.

De samenleving polariseert

Maar er is nog een andere verschuiving die van groot belang is om te begrijpen waarom zoveel mensen niet ‘mee’ lijken te kunnen. Het aandeel mensen dat in armoede leeft, is sinds het midden van de jaren tachtig gestegen van minder dan 10 procent van de bevolking naar meer dan 15 procent.

Tegelijk is het aantal mensen dat zich tot de hogere middenklasse of zelfs de rijke klasse kan rekenen gegroeid. De samenleving polariseert: meer mensen zijn arm en meer mensen zijn rijk. En de kernmiddenklasse, waar eens ruim vier op tien Belgen toe behoorden, kalft langzaam maar zeker af.

Bovendien is het inkomen in de laagste inkomensklasse ook veel minder snel gegroeid dan het mediaaninkomen. Het mediaaninkomen in België groeide tussen 1985 en 2016 met gemiddeld 1,64 procent per jaar, wat betekent dat het iets meer dan 42 jaar duurt voor het inkomen dubbel zo groot zal zijn. De laagste inkomens groeiden in dezelfde periode slechts met 1 procent per jaar. Aan dat tempo duurt het maar liefst zeventig jaar vooraleer een inkomen verdubbelt.

Het is een belangrijke en deprimerende vaststelling: niet alleen leven steeds meer mensen in armoede, de kloof tussen wie moet rondkomen met een inkomen onder de armoedegrens en wie kan genieten van een middenklasse-inkomen wordt steeds dieper. Het verschil in mogelijkheden en levenservaring groeit.

Emancipatie van de vrouw

Paradoxaal genoeg is een erg positieve evolutie mee verantwoordelijk voor deze groeiende kloof: de emancipatie van de vrouw en haar massale intrede op de arbeidsmarkt. Het traditionele kostwinnersmodel maakt plaats voor het tweeverdienersmodel.

Het hoeft niet gezegd dat een gezin met twee inkomens uit arbeid een fors hogere levensstandaard kan aanhouden dan een gezin dat, volgens het oude model, slechts op één inkomen kan rekenen.

In 1985 was dat oude model nog zo wijdverspreid dat zelfs in de kernmiddenklasse meer dan vier op tien volwassenen geen betaalde arbeid verrichten. Toch hadden zij een gezinsinkomen dat hoog genoeg was om er een levensstandaard van de middenklasse op na te houden.

Omdat er nog zoveel gezinnen waren met slechts één inkomen, was één inkomen ook voldoende voor het leven van een middenklasser.

Steeds hogere levensstandaard

Naarmate meer en meer vrouwen werken, en gezinnen zo kunnen rekenen op een dubbel inkomen, schuift ook de standaard op van wat een middenklassegezin van het leven mag verwachten. Hun consumptiemogelijkheden worden groter, ze kunnen zich een steeds hogere levensstandaard veroorloven.

Een sprekend voorbeeld hiervan is de vraag of iemand zich een week vakantie buitenshuis kan veroorloven. In 1985, toen meer dan vier op tien Belgen tot de kernmiddenklasse behoorden, was dat voor meer dan de helft van hen nog onmogelijk want te duur. De levenservaring van mensen in armoede en van middenklassers was op dat gebied dus gelijkaardig.

Vandaag is dat helemaal anders. Meer dan acht op tien middenklassers geeft aan minstens een week op vakantie te kunnen. Dit terwijl er bij de laagste inkomens nauwelijks evolutie te merken is: nog steeds moet drie kwart van hen noodgedwongen thuisblijven. Terwijl de levensstandaard van de middenklasse opschoof en zij meer en meer mogelijkheden kregen, trappelen de lagere inkomens ter plaatse.

Een kind dat in 1985 na de zomervakantie terug op school kwam en zei dat zij met het gezin de vakantie gewoon thuis hebben doorgebracht, was een van de zovele kinderen. Vandaag is hij een buitenbeentje.

Het volstaat dus niet dat de lagere inkomens wat stijgen, als tegelijk de inkomens uit de kernmiddenklasse en de hogere middenklasse veel sneller groeien. Het resultaat zal een samenleving zijn die steeds verder uit elkaar groeit, een ontrafeling van het sociale weefsel.

Hoofd boven water

Het is natuurlijk wel zo dat het inkomen van iemand die vandaag arm is hoger is dan het inkomen van iemand die in 1985 tot de laagste inkomensklasse behoorde. Met het inkomen dat hij vandaag heeft, zou hij in 1985 zelfs in enig comfort hebben kunnen leven, naar toenmalige maatstaven.

Alleen leeft hij niet met het inkomen van vandaag in de jaren tachtig: hij leeft nu. En vandaag volstaat dat inkomen niet om comfortabel van te kunnen leven, integendeel. Het is een constante strijd om het hoofd boven water te houden.

Moeilijker om mee te zijn

De verschuiving van een kostwinners- naar een tweeverdienersmaatschappij zorgt voor een sterke verhoging van de levensstandaard en levensmogelijkheden van wie kan rekenen op twee inkomens. Dezelfde shift zorgt er evenwel ook voor dat wie niet kan rekenen op twee inkomens het steeds moeilijker krijgt om mee te zijn.

Alleenstaanden en alleenstaande ouders komen zo geheid in de problemen. Zij beschikken per definitie maar over één inkomen terwijl de tweeverdieners de levensstandaard van de middenklasse bepalen.

Het is dan ook geen verrassing dat alleenstaanden en alleenstaande ouders disproportioneel vaak in de lagere inkomensklassen belanden. Voor alleenstaande ouders is het risico op een leven in armoede zelfs bijzonder hoog: terwijl zij maar 6 procent van de totale bevolking uitmaken, bedraagt hun aandeel in de laagste inkomensklasse meer dan 15 procent.

Kortgeschoolden in de verdrukking

Maar niet alleen alleenstaanden komen in de problemen door de verschuiving van kostwinners- naar tweeverdienersmaatschappij. Deze maatschappelijke verschuiving haakt in op een tweede shift van de afgelopen drie decennia: in onze economie komen kortgeschoolden steeds meer in de verdrukking.

Het aandeel kortgeschoolden is wel sterk gedaald. Meer dan zes op tien 25-plussers hadden in 1985 geen diploma secundair onderwijs. Dat aandeel is vandaag meer dan gehalveerd. Maar vandaag vinden we kortgeschoolden bijna enkel nog terug in de lagere inkomensklassen.

Illustratief is de verandering in de samenstelling van de rijkste inkomensklasse. Halfweg de jaren tachtig hadden drie op tien rijken geen diploma secundair onderwijs, vandaag is dat nog amper drie op honderd.

Omgekeerd is meer dan de helft van de volwassenen in de twee laagste inkomensklassen kortgeschoold. De reden hiervoor: kortgeschoolden komen nauwelijks nog aan de bak. Ze lopen dus een veel hoger risico op werkloosheid en inactiviteit.

De ongelijkheid wordt steeds groter

Meer dan vroeger vinden kortgeschoolden hun partner bij kortgeschoolden, net zoals hooggeschoolden hun partner vooral vinden bij hooggeschoolden. Het logische gevolg is dat het sociale risico op werkloosheid en inactiviteit in grote mate geconcentreerd wordt in ‘kortgeschoolde gezinnen’. Zij verliezen elke aansluiting met de middenklasse.

Zelfs wanneer een kortgeschoolde wel werk vindt, volstaat dat echter vaak niet om aan te haken bij de middenklasse. Een vergelijking tussen de uurlonen in 1985 en in 2016 leert dat de laagste lonen veel minder sterk gestegen zijn dan de hogere lonen. En dus ook dat wie moet rondkomen met zo’n laag loon steeds verder achterophinkt.

Het resultaat van al deze economische, demografische, en sociale evoluties is dat de ongelijkheid in onze samenleving steeds groter wordt. Arm herkent zich niet meer in rijk, rijk niet meer in arm.

Alleenstaanden en kortgeschoolden komen steeds meer in de problemen. Ze slagen er ook niet meer in een eigen woning te verwerven, wat hun levensstandaard nog verder en permanent verlaagt. De samenleving rafelt uit elkaar.

Armoede wordt het nieuwe normaal

Om deze ongelijkheden enigszins in toom te houden, moet de herverdelingsmachine steeds harder draaien. Terwijl ze door het afkalvende arbeidsaandeel in de verdeling van de meerwaarde afhankelijk wordt van een steeds smallere basis. Geen wonder dat de kloven steeds breder worden.

Omdat de ongelijkheden kleiner waren, slaagden we er in 1985 nog in om door middel van progressieve belastingen en socialezekerheidsuitkeringen drie kwart van wie zonder dit systeem in armoede zou moeten leven, op te tillen tot de middenklasse.

Vandaag weet ons systeem slechts de helft van wie zonder herverdeling in armoede zou leven uit armoede op te tillen. De kloof tussen wie achterblijft en de rest van de samenleving is vandaag ook wijder en dieper dan in 1985, ondanks het feit dat we niet minder middelen inzetten. De reden: maatschappelijke verschuivingen waarop we als samenleving geen antwoord hebben geformuleerd.

We lijken de toegenomen armoede als het nieuwe normaal te beschouwen. Zolang de laagste inkomens enigszins stijgen, geven we onszelf tevreden een schouderklopje. Iets is beter dan niets. Ook al stijgen ze lang niet zo snel als de inkomens van de middenklasse.

Dat de levenskansen, levensmogelijkheden en levenservaring van de lagere inkomensklassen en de rest van de samenleving steeds verder uit elkaar liggen, daar staan we nauwelijks bij stil. We zijn niet langer allemaal door hetzelfde lot verbonden. Onze werelden liggen steeds verder uit elkaar en dit dreigt onze samenleving te verscheuren.

Dit artikel is gebaseerd op het onderzoek ‘Een nieuwe kwetsbaarheid. De lagere inkomensklassen in België (1985-2016)’. Je kan het downloaden op de website van denktank Minerva.

— Dit stuk verscheen eerder op Sociaal.Net.

Het leven is geen koopwaar. Over gele hesjes en groene brossers.

Roger Borlez is nu elf weken dood. Hij blijft door mijn hoofd spoken. Hij stierf op een koude vrijdagavond, verpletterd door een vrachtwagen aan een wegblokkade even buiten Visé. Hij was nog geen vijftig, hij was een geel hesje. Filip Rogiers schilderde in De Standaard een prachtig portret van deze “petit con”. Waarom stond hij daar, op een oprit van de autostrade in een betonnen niemandsland? Waarvoor moest hij sterven? ‘Een waardiger leven, daarvoor deed hij het. Er moest eindelijk maar eens geluisterd worden naar de mensen’, zegt zijn zoon.

Zoveel weken later hebben klimaatbetogers hun tenten opgezet aan de Wetstraat. In Frankrijk maken de Gilets Jaunes zich op voor Acte XX: voor de twintigste zaterdag op rij zullen ze het centrum van de grote Franse steden innemen, een toe-eigening van publiek domein waar men hen liever niet ziet, de repressie trotserend, om daar waar ze het meest met de nek worden aangekeken hun stem te laten horen. Wat zeggen de mensen?

Ze zeggen zoveel, zegt men. De eisen van de gele hesjes zijn in tegenspraak met elkaar, ze lijken wel lukraak gegrepen uit een grote grabbelton, voor elk wat wils, zonder veel nadenken bij elkaar gegooid. Het houdt hen niet tegen de baan te bezetten. Het stopt hen niet de oprit te blokkeren. In hun veelheid tonen ze zich, posteren ze zich in het midden van de straat waarlangs wij steeds maar voortrazen, opdat men hen niet meer kan negeren, opdat men hen eindelijk eens serieus zou nemen.

De onzichtbare klasse wil zich zichtbaar maken. Hoe gelukkig gekozen, het gele hesje, als symbool voor hun beweging. Roger Borlez was zo’n geel hesje, hij wilde eindelijk gehoord worden, maar hij was ook in Brussel bij de eerste klimaatmars, op 2 december. De ene ochtend een tankstation in het Luikse blokkeren uit protest tegen de hoge brandstofprijzen, niet veel later door Brussel marcheren omdat we ons klimaat naar de knoppen helpen: de mens is een veelkantig wezen.

Veelkantig, maar daarom niet verlamd door innerlijke tegenstrijd. Of het nu het einde van de maand is of het einde van de wereld, hij krijgt het benauwd — maar zijn bezorgdheden en bekommernissen worden weggewuifd door de maatpakmannen die de maatschappij managen. Hij wil gehoord worden, hij wil gezien worden, niet de onzichtbare massa zijn waarop de bestierders van de wereld hun onderbuik projecteren.

Na de eerste weken van protest stelde de Franse president Macron een lijst van onderwerpen voor waarover gedebatteerd kon worden: veelzeggend dat hij met geen woord repte over de vermogensbelasting, nochtans een speerpunt van de acties van de Gilets Jaunes, maar wel quota voor immigratie naar voor schoof, een thema waarover in de eisenbundels van de Gilets Jaunes niets terug te vinden was. Luisteren naar het volk, zolang het volk maar niet raakt aan de privileges van zij die, toch in hun hoofd, de wereld doen draaien. Luisteren naar het volk, zolang het volk zijn zondebok zoekt in een andere arme drommel. Luisteren naar het volk, maar zijn stem niet willen horen.

In De goede zoon schrijft Rob Van Essen: ‘Er zijn overal verbanden ontstaan waar ik geen weet van heb, en tussen mij en de wereld lijkt steeds minder verband te bestaan. Het is vooral de achteloosheid waarmee de wereld waarin jij je beweegt, wordt ontkend, alsof de spot wordt gedreven met de stilzwijgende vanzelfsprekendheid van je omgeving, alsof eenzijdig het contract wordt opgezegd dat de wereld en jij ooit sloten; en dat contract hield in dat je serieus werd genomen.’

Het contract tussen mens en maatschappij is verscheurd. Dat er sprake is van contractbreuk, keert ook terug in de analyse die de Franse historicus en politicoloog Samuel Hayat maakt van de beweging van de gele hesjes. Het ongenoegen van de Gilets Jaunes is geworteld in een “morele economie” — de term gaat terug op de Engelse historicus E.P. Thompson — een gedeeld begrip van een rist spelregels die het functioneren van economie en maatschappij moeten leiden. Deze regels zijn eerder van morele dan van strikt economische aard; het gaat om een bepaald idee van fairness, niet om wetten van vraag en aanbod en ‘trickle down’-theorie.

Het is precies wanneer de maatschappelijke orde zich herschikt volgens de logica van die laatste regels, dat het goed fout loopt. Wanneer ideeën van fairness systematisch opzij geschoven worden omdat ze niet stroken met de wetten van een bepaald kapitalisme; wanneer de vraag ‘is het juist?’ enkel nog begrepen wordt als de vraag ‘is het efficiënt?’ — dan zijn het de principes van de maatschappelijke orde zelf die aangevallen worden, of toch van de maatschappelijke orde zoals die begrepen wordt in de morele economie.

De wetten van de markt vrij spel laten, getuigt niet van een beter begrip van hoe de wereld “echt” werkt, maar van een onbegrip voor de morele economie van het volk. De leegloop van het platteland en de verpaupering in de oude industriecentra zijn geen vormen van creative destruction, misschien wel pijnlijke maar daarom niet minder nodige herschikkingen van de maatschappij volgens zogenaamd onontkoombare economische wetmatigheden, maar inbreuken op alle regels van de faire maatschappelijke ordening. De stilzwijgende afspraak tussen volk en machthebbers, dat die laatsten ongecontesteerd de touwtjes in handen mogen houden zolang ze de maatschappelijke orde bewaren volgens de regels van de morele economie, is verbroken. Het volk verdween uit het zicht. Het volk komt op straat.

Het ongenoegen van gele hesjes en klimaatbetogers wortelt in dezelfde grond: omdat de morele spelregels die het samenleven moeten leiden aan de kant werden geschoven, moet de ene in angst leven het einde van de maand niet te halen en de andere omdat we het klimaat naar de knoppen helpen. De opstandelingen delen op z’n minst dit principe: het leven is geen koopwaar, met een prijs bepaald op de markt.

— Dit stuk verscheen op 28 maart bij Mo*.

De Brexit is het resultaat van een verkruimelende samenleving, een gespleten land

Eind maart zou het Verenigd Koninkrijk de deur van de Europese Unie definitief achter zich dicht moeten trekken. Voorlopig staan ze nog op de drempel, twijfelend over de richting die ze uit moeten, maar terug naar binnen gaan, neen, dat niet.

Hoe het nu verder moet: weten ze niet. Een akkoord over de boedelscheiding: is er niet. Een akkoord over de bestemming: daar hebben ze geen flauw benul van. Zo dreigt een chaotische No Deal Brexit, waarbij het Verenigd Koninkrijk op straat komt te staan zonder zelfs maar een idee te hebben waar ze de komende tijd terecht kunnen voor onderdak. Het is een zelf-gekozen verarmingsoperatie, het resultaat van een adembenemende combinatie van dwarse koppigheid en ijdele stompzinnigheid, partijpolitieke intriges en persoonlijk gestuntel, die het land aan stukken scheurt.

Wat bezielde de Britten om voor dit afscheid van Europa te kiezen? Minstens ten dele ligt het antwoord op die vraag in de financiële crisis en de wereldwijde recessie die erop volgde, en de manier waarop Conservatieve politici, eenmaal aan de macht, die economische crisis aangrepen om hun ideologische agenda door te duwen, zonder zich al te zeer te bekommeren om de drama’s die hun besparingsdrift aanrichtten. Toen het kaartenhuisje van de haute finance in 2008 in elkaar tuimelde en de wereldeconomie meetrok in zijn val, moesten overheden ingrijpen om banken en bedrijven overeind te houden, terwijl ze zich tegelijk geconfronteerd zagen met een opstoot in werkloosheid.

Het gevolg waren stijgende begrotingstekorten en overheidsschulden — en in het Verenigd Koninkrijk een Conservatieve partij die zijn kans schoon zag de toenmalige Labour-regering af te schilderen als een slechte huisvader die het geld door ramen en deuren smeet. Niet ‘big banks’ waren het probleem, maar ‘big government’. En na hun verkiezingsoverwinning in het voorjaar van 2010 voegden de Conservatieven, eerst nog in coalitie met de LibDems, vanaf 2015 alleen, de daad bij het woord: de overheid moest en zou afslanken, de politiek van austerity werd ingezet. Het budgettaire en economische mirakel dat er van deze besparingspolitiek werd verwacht bleef uit, de menselijke kost die het veroorzaakte helaas niet.

Tussen het jaar van de financiële crisis en het jaar waarin de Britse premier David Cameron zegezeker zijn Brexit-referendum organiseerde, zagen Britten hun inkomens sterk achteruit boeren. De Britse regering bevroor of verminderde vervangingsinkomens, schrapte uitkeringen, weigerde de aanpassing van de lonen van overheidspersoneel aan de inflatie, en zette de deur wagenwijd open voor een proliferatie aan slecht betaalde en hoogst onzekere jobs die geen enkele inkomenszekerheid bieden.

Jongeren en volwassenen, werkenden en inactieven, in bijna alle categorieën zien we dat het mediaaninkomen acht jaar na de crisis heel wat lager is dan vóór de crisis. Alleen gepensioneerden, het uitverkozen kiespubliek van de Conservatives, blijft de kaalslag bespaard: zij zien hun inkomen wél stijgen. Dat deze sterke inkomensdaling niet louter het gevolg was van ‘de economische crisis’, leert een simpele vergelijking met België, dat immers ook niet aan de recessie ontkwam. Hier geen daling van de reële inkomens tussen 2008 en 2016, maar na het wegebben van de eerste impact een sterke groei, ondersteund door het beleid.

Het meest zichtbaar zijn de besparingen van het beleid van Cameron en zijn minister van Financiën en Begroting George Osborne echter op het lokale niveau. Lokale besturen zijn in het Verenigd Koninkrijk, en in het bijzonder in Engeland, voor hun financiering in sterke mate aangewezen op fondsen vanuit de centrale overheid. Hun vermogen om zelf belastingen te heffen is sterk ingeperkt, en steunt in grote mate op een lineaire taks op het vastgoed op hun grondgebied, die voor rijke gemeenten met dure huizen natuurlijk heel wat voordeliger is dan voor armlastige gemeenten: die laatsten zijn dan ook veel meer afhankelijk van de fondsen van de centrale overheid. En het is net daar dat de Conservatives beslissen om de last van hun besparingsprogramma te leggen.

In de vijf jaar na de verkiezingsoverwinning van Cameron in 2010 zagen lokale besturen zich gedwongen hun uitgaven met gemiddeld een kwart in te krimpen. Dat gemiddelde verbergt echter grote verschillen, met rijkere lokale besturen die ‘slechts’ tien procent of zelfs minder moeten besparen, terwijl lokale besturen in armere regio’s hun middelen voor publieke uitgaven met meer dan veertig procent zagen afnemen. Bibliotheken sloten de deuren, zwembaden gingen dicht, speeltuinen en parken werden niet meer onderhouden, dagverblijven voor ouderen werden geschrapt, kinderopvang deed de boeken toe, bussen reden niet meer uit.

In september 2015 bestond David Cameron het zelfs om een boze brief te sturen naar ‘zijn’ lokaal bestuur in Oxfordshire om te protesteren tegen de zware gevolgen die zijn eigen besparingsbeleid had op de publieke dienstverlening, die hij ‘contraproductief’ noemde: hoe lokale besturen, die wettelijk gebonden zijn aan de onmogelijkheid om zelf schulden te maken, moesten rondkomen wanneer de financiering vanuit de centrale overheid met gemiddeld bijna veertig procent kromp zonder publieke voorzieningen af te bouwen, was een vraag die blijkbaar nooit in Cameron was opgekomen.

De besparingen op lokale besturen bleven echter niet beperkt tot het sluiten van een bibliotheek hier of een zwembad daar. De middelen voor huisvestingsondersteuning en voor publiek transport daalden met meer dan dertig procent. De uitgaven voor lokale zorg met zeventien procent. Onderwijs: minus negentien procent. De middelen voor de NHS, de publieke voorziening voor gezondheidszorg en de trots van de Britse natie, werden bevroren: bij een groeiende en sterk vergrijzende bevolking een ideaal recept om de gezondheidszorg in crisismodus te laten gaan. Precies wat er gebeurde in de winter van 2014 op 2015, en opnieuw de winter nadien. En na een structurele daling onder het bewind van New Labour, begon de kinderarmoede weer aan een sterke opmars.

Britten zagen dus jaar na jaar hun inkomen dalen, een daling die het sterkst was in de regio’s die het al moeilijk hadden. Bovendien is het precies in die regio’s dat het van bovenaf opgelegde besparingsbeleid het diepst hakt: lokale besturen met een armere bevolking zien zich gedwongen het scherpst te besparen en de meeste publieke voorzieningen te schrappen. Is het dan verwonderlijk dat onderzoek aantoont dat precies daar waar die besparingen voor de grootste kaalslag zorgen, de steun voor UKIP, het vehikel van Nigel Farage, na 2010 plots sterk toeneemt?

UKIP, en dus een stem om de Europese Unie te verlaten, stond vóór 2010 al relatief sterk in de ‘oudere’, relatief welgestelde en conservatieve districten — precies de reden waarom de Conservatives zich zo lieten opjagen door een fringe partij. De politiek van austerity na 2010 gaf UKIP de zuurstof om ook door te breken in de armere districten. Waar het economisch en sociaal al moeilijk ging, kregen mensen nog meer het gevoel dat in plaats van ondersteund te worden in hun dagelijkse strijd, ‘de politiek’ hen in de steek liet, en het fundament van hun bestaanszekerheid onder hun voeten wegsloeg. Zij keerden zich verbitterd af, en kozen voor Brexit.

Het resultaat van austerity: een verkruimelende samenleving, een gespleten land.

Het aftuigen van de sociale staat, het ondermijnen van de fundamenten van een systeem van sociale bescherming waarop mensen kunnen vertrouwen, leidt tot het uiteenrafelen van de banden die ons met elkaar verbinden — en daarmee tot het uiteenrafelen van de samenleving zelf.

— Dit stuk verscheen op 28 februari op Mo*.

De staat is gekaapt door het kapitaal: hoog tijd om de macht te heroveren.

“Zoveel kan de staking onze economie kosten”: een krantenkop die kan dienen als de perfecte samenvatting van elke discussie over waar we met onze samenleving naartoe willen. Wat telt, haast het enige dat nog telt, is ‘de kost aan de economie’. We hebben de juiste verhouding tussen middel en doel uit het oog verloren: in plaats van een economie die zich inpast in hoe we onze samenleving willen vormen, gaan we er stilzwijgend vanuit dat de samenleving zich ten dienste hoort te stellen van de economie. En die economie wordt op zijn beurt en al even stilzwijgend louter begrepen als de belangen van het bedrijfsleven. Mag het verbazen dat mensen zich bekocht voelen?

Om ‘de economie’ er bovenop te helpen, moesten wij inleveren. Loonmatiging werd gevolgd door indexsprong werd gevolgd door loonblokkering. Tezelfdertijd mochten bedrijven zich verheugen op een verdere verlaging van de vennootschapsbelasting en een fikse korting op de sociale bijdragen die nochtans onze sociale zekerheid overeind moeten houden. De factuur van deze gunsten aan het bedrijfsleven: doorgeschoven naar de rest van de maatschappij, in de vorm van hogere consumptiebelastingen die het zwaarst wegen op wie het minst verdient en in een begrotingstekort dat oploopt tot 8 miljard euro.

Verdere besparingen op de sociale zekerheid zijn dus onvermijdelijk, kondigen de trotse architecten van dit beleid op maat van het bedrijf ons nu al aan: in onze pensioenen en onze gezondheidszorg zal gesnoeid moeten worden, om de hogere winsten voor het bedrijfsleven veilig te stellen. En nu wordt een meer dan marginale loonsverhoging, na al die jaren van loonblokkering en besparingen ten gunste van ‘de economie’, door diezelfde bedrijfswereld en hun vazallen in het beleid als lachwekkend pretentieus weggezet, een ongehoorde aanslag op hun winsten. Alsof ‘de economie’ identiek is aan bedrijfsbelang. Alsof de stakers geen deel uitmaken van die economie. Mag het verbazen dat mensen hun vertrouwen verliezen in een staat die zich gedraagt als de verzekeraar van de belangen van het kapitaal?

Als van de hand Gods geslagen was men, toen plots gele hesjes kruispunten en de oprit van snelwegen blokkeerden uit frustratie om het gebrek aan perspectief op een betere toekomst. Gegoochel met cijfers na de komma moest aantonen dat het ongenoegen onterecht was, want dat het beleid werkt voor ‘de economie’. Maar hoe meer de gele hesjes dat te horen krijgen, hoe meer zij voelen dat als de economie al werkt, dan toch niet voor hen. Zij worden enkel geconfronteerd met hogere facturen, de afbouw van sociale rechten, en hoongelach als antwoord op de vraag naar een hoger loon.

Maar nu heeft men dan toch een nut gevonden voor die gele hesjes. Want geconfronteerd met klimaatmarsen en bosbrossers, toont men zich plots wél bezorgd om hun lot. Met misschien als meest absurde voorbeeld, de weigerachtige houding tegenover elke maatregel die de werkelijke prijs van een vliegtuigreis doet betalen: we willen toch niet raken aan de goedkope vliegvakantie? Sta me toe enige hypocrisie te vermoeden wanneer men goedkope vliegvakanties waar de hogere inkomens veruit het meest gebruik van maken verdedigt in naam van de gele hesjes, maar ondertussen wel de energiefactuur voor de laagste inkomens in één klap met een kwart de hoogte injaagt.

Als het is om een taxshift ten voordele van het bedrijfsleven te betalen, zijn hogere facturen voor lagere inkomens geen probleem. Maar als de eigen privileges in het vizier dreigen te komen, mag er plots wél weer met gele hesjes gezwaaid worden: een allerhandigst excuus om niets te moeten doen dat de eigen belangen dreigt te schaden.

Men heeft de staat gekaapt, en omgevormd tot niets meer dan de belangenbehartiger van het bedrijfsleven. Zonder verpinken zadelt men de burger op met loonblokkages, hogere facturen en een tekort van bijna 8 miljard euro, alles om bedrijven ‘zuurstof’ te geven. Hebben de stakers dan geen nood aan zuurstof? Heeft de politiek zich zo vereenzelvigd met de belangen van het bedrijfsleven dat ze vergeten zijn dat de economie ten goede moet komen van de mensen, en niet andersom? Hoe we onze samenleving inrichten, hoort geen functie te zijn van wat het bedrijfsleven beslist dat hun toevallige noden zijn.

Stakers, gele hesjes, bosbrossers – iedereen die bezorgd is om waar we als samenleving naartoe gaan –, moeten weer hun plaats in het beleid afdwingen. De staat is gekaapt door het kapitaal: hoog tijd om de macht te heroveren.

— Dit stuk verscheen in De Morgen van 13 februari.

Wie niet kan rekenen op twee inkomens, krijgt het steeds moeilijker

Eerst het goede nieuws: het gaat goed met ons land. We zijn met z’n allen nog nooit zo rijk geweest, meer mensen dan ooit tevoren mogen zich tot de hoge middenklasse rekenen, en die hoge middenklasse kan zich meer veroorloven dan eerdere generaties zich zelfs maar konden inbeelden. Ze leven langer en in betere gezondheid, het leven biedt steeds meer mogelijkheden. Het Belgische weer kan dan wel grijs en regenachtig zijn, voor hen schijnt de zon. Met die val van de middenklasse waarover al zoveel inkt gevloeid is, lijkt het al bij al wel mee te vallen.

Die alsmaar stijgende levensstandaard van de middenklasse is onder meer te danken aan het feit dat de tewerkstelling in middenklassegezinnen de afgelopen decennia sterk is gegroeid. Zelfs in de kernmiddenklasse had in 1985 niet veel meer dan de helft van de volwassenen een job: meer dan vier op tien onder hen konden beschikken over een inkomen rond de mediaan zonder zelf te moeten werken. Of beter: zonder zelf een betaalde job uit te oefenen. Het ging immers vaak om vrouwen die in de rol van huisvrouw terechtkwamen. Het loon van de man die uit werken ging, volstond om zich te verzekeren van de levensstandaard die paste bij een middenklassebestaan. Vader ging werken, en moeder zou wel thuisblijven om voor de kinderen te zorgen en het huishouden te doen.

Het is een beeld waar halfweg de jaren ’80 al best wat sleet op zat, en de samenleving is ook blijven veranderen: in steeds meer gezinnen ging ook de vrouw uit werken, en nu is in de kernmiddenklasse bijna acht op tien 25- tot 64-jarigen aan de slag. In de hoge middenklasse loopt dat zelfs op tot meer dan negen op tien. De man of vrouw die thuis kan blijven omdat het gezin zich met het loon van de partner een levensstandaard kan verzekeren op het niveau van de middenklasse, wordt een zeldzaamheid. Dit is natuurlijk een zichzelf versterkend fenomeen: in hoe meer gezinnen de beide partners uit werken gaan, hoe meer de levensstandaard van de middenklasse bepaald wordt door tweeverdieners, en hoe meer tweeverdieners de levensstandaard van de middenklasse bepalen, in hoe meer gezinnen beide partners moeten gaan werken om die levensstandaard te kunnen bereiken.

Het goede nieuws is dus dat die fundamentele maatschappelijke verschuiving van een kostwinnersmodel naar een tweeverdienersmodel voor een sterke stijging van de levensstandaard heeft gezorgd: met een dubbel inkomen valt meer te doen dan met een enkel inkomen. Het toont zich in de stijgende welvaart, in de verveelvoudiging van de koopkracht. Het toont zich bijvoorbeeld erg opvallend in de mate waarin gezinnen zeggen zich een vakantie buitenshuis te kunnen veroorloven. Voor één op twee personen in de kernmiddenklasse was daar in 1985 nog geen sprake van, en zelfs in de hogere middenklasse moesten drie op tien mensen tijdens hun vakantie gewoon thuis blijven. Daar is nu geen sprake meer van: reizen moeten verder, vaker, hoger en spannender.

Tweede gevolg van die shift van kostwinners- naar tweeverdienersmodel: de armoede bij ouderen is sterk teruggedrongen. Terwijl in 1985 een grote meerderheid van de gepensioneerden moest rondkomen met enkel het pensioen van de man – de vrouw had immers zelden of nooit een betaalde job gehad – hebben nu steeds meer gepensioneerde vrouwen in hun arbeidsloopbaan zelf pensioenrechten opgebouwd. En al valt het pensioeninkomen in veel gevallen wat mager uit, in tegenstelling tot dertig jaar geleden moeten 65-plussers niet meer zo vaak vrezen voor een armoedige oude dag. We vinden hen nu in grote getallen terug in de lage middenklasse: hun pensioen volstaat om zich te verzekeren van een inkomen boven de armoedegrens, maar is wel minder dan dat van de werkende middenklasser.

Bovendien heeft een ruime meerderheid van de 65-plussers een eigen (afbetaalde) woning kunnen bemachtigen: ze hebben geen huur te betalen, geen hypotheek meer af te lossen, en dat betekent dat zij met hun inkomen veel verder kunnen springen dan huishoudens die misschien wel even veel verdienen, maar grote sommen moeten uitgeven aan huishuur of hun hypotheek. De koopkracht van die laatsten ligt makkelijk een derde lager. Wat blijkt: mensen op actieve leeftijd binnen de lagere inkomensklassen hebben het véél moeilijker om de eindjes aan elkaar te knopen dan gepensioneerden in diezelfde inkomensklasse.

We komen hier bij de keerzijde van de medaille. We zagen dat de verschuiving van kostwinners- naar tweeverdienersmodel tot een ongekende stijging van de welvaart heeft geleid, dat gezinnen in de (hogere) middenklasse zich meer kunnen veroorloven dan ooit tevoren, dat het – kort gezegd – behoorlijk goed gaat. Voor hen is er van die zogenaamde ‘val van de middenklasse’ geen sprake. Wie echter niet kan rekenen op twee inkomens, heeft het steeds moeilijker om aan te haken bij die levensstandaard die door tweeverdienersgezinnen wordt gezet. Denk aan mensen zonder inkomen uit werk, bijvoorbeeld kortgeschoolden die het in onze economie steeds moeilijker krijgen om aan de bak te komen, maar ook aan alleenstaanden en alleenstaande ouders: hun inkomen volstaat hoe langer hoe minder om aansluiting te vinden bij de middenklasse; zij worden enkele treden lager geduwd op de sociale ladder.

Dat betekent niet alleen dat zij moeten zien rond te komen met een inkomen dat steeds verder onder de mediaan ligt, dus onder het niveau waarover middenklassers beschikken, maar ook dat zij zich met dat magere inkomen van steeds minder nochtans essentiële basisvoorzieningen kunnen verzekeren. Zelf een eigen huis kunnen kopen, is een droom die voor velen onbereikbaar wordt. De stijgende koopkracht van de tweeverdienende middenklasse en overheidsbeleid stuwen de huizenprijzen steeds hoger, terwijl de inkomens van wie lager op de sociale ladder staat steeds verder achterblijft.

Het huiseigenaarschap is bij de lagere inkomens tussen 1985 en 2016 dan ook drastisch omlaag gezakt: zij zijn en blijven aangewezen op een dure en vaak ontoereikende huurmarkt die meer dan een derde van hun koopkracht opeet, en dat betekent ook dat zij, bij pensionering, niet kunnen profiteren van de bescherming van hun levensstandaard waar voorgaande generaties wél op konden rekenen.

Armoede bij ouderen was een probleem in 1985, en dreigt zo opnieuw een probleem te worden bij de generaties die nu nog op actieve leeftijd zijn en zich niet tot in de middenklasse weten te worstelen. Gezinnen waar niet allebei de partners werk vinden, alleenstaanden, alleenstaande ouders: zij worden in onze huidige tweeverdienersmaatschappij gekenmerkt door een fundamentele kwetsbaarheid. Structurele verschuivingen in de samenleving en een overheidsbeleid dat blind blijft voor hun noden maken dat voor hen de situatie steeds precairder wordt.

We geloven graag dat onze samenleving een meritocratie is: iedereen krijgt dezelfde kansen, en wie z’n best doet, zal slagen in het leven, zal zich kunnen nestelen in de middenklasse, ja zelfs in de hogere middenklasse; we hebben ons lot in eigen handen. Het stelt ons gerust, toch als we onszelf tot die middenklasse kunnen rekenen, want het betekent dat we het ook verdiend hebben om comfortabel te leven: we hebben er zelf hard genoeg voor gewerkt. En als anderen dat leven ook willen, moeten ze maar een voorbeeld aan ons nemen.

Wie nog in deze mythe gelooft, zou op z’n minst moeten beginnen twijfelen door de situatie van de nieuwe kwetsbaren, de gezinnen die naar onderen worden geduwd op de sociale ladder, mensen die het steeds moeilijker krijgen om de middelen te vinden om ook op te klimmen tot de middenklasse. Niet omdat ze ‘hun kansen niet grijpen’, niet omdat ze ‘hun verantwoordelijkheid niet nemen’, maar door een fundamentele maatschappelijke verschuiving, van een kostwinners- naar een tweeverdienersmodel. Het riedeltje van kansen en verantwoordelijkheid wordt nochtans tot in den treure herhaald.

De verschuiving, in al zijn positieve aspecten (de stijging van onze welvaart, de economische emancipatie van de vrouw), leidt er onbedoeld ook toe dat anderen het steeds moeilijker krijgen om aansluiting te vinden bij de middenklasse, en ja, zelfs dreigen kopje onder te gaan. En dat betekent ook dat een overheid die dan wegkijkt en geen oog heeft voor de kwalijke effecten van die maatschappelijke evoluties, mensen in de steek laat. Het betekent dat we er ons niet vanaf kunnen maken met grote woorden over ‘rechten en plichten’ of ‘gelijke kansen’, maar concreet moeten kijken hoe mensen die dreigen achter te blijven door structurele verschuivingen waar zij geen vat op hebben, het best ondersteund kunnen worden met structurele hervormingen.

Eén magic bullet zal daarbij niet volstaan. Het zal niet zo makkelijk zijn als zeggen dat ‘de uitkeringen omhoog moeten’. Ook dat moet, maar daar is een alleenstaande ouder die werkt voor een mager loon nog niet mee gebaat. Het zal een kwestie zijn van zoeken naar manieren om die lage lonen structureel de hoogte in te duwen, en de kloof die de laatste decennia ontstaan is tussen die lagere lonen en middenklasse lonen terug te dichten. Het zal zaak zijn een woningmarkt te ontwikkelen waarin iedereen weer terecht kan: door eigenaarschap terug bereikbaar te maken voor iedereen, of door een forse impuls te geven aan sociale huurmaatschappijen die een veel grotere groep moeten kunnen bedienen dan enkel de allerlaagste inkomens.

Op die manier kunnen ook mensen in de lage middenklasse wonen zonder meteen meer dan een derde van hun budget kwijt te zijn nog voor ze één dag hebben gegeten. Het is een pleidooi tegen de stuitende tendens om publieke dienstverlening en nutsvoorzieningen steeds hoger te facturen, en de pil te verzachten door zogenaamde ‘sociale tarieven’ die slechts een zeer beperkte groep aan de onderkant bereiken: het leidt alleen maar tot gigantische werkloosheids- en lageloonvallen en biedt geen enkele hulp aan gezinnen in armoede of de lagere middenklasse die het evengoed moeilijk hebben om rond te komen, maar ‘te rijk’ zijn voor een ‘sociaal tarief.’

Om iedereen aan boord te houden in deze veranderende samenleving, moet de overheid opnieuw een actievere rol durven spelen. We moeten opnieuw durven erkennen dat een mens niet zelf het lot kiest dat hij trekt, en daar ook naar handelen. Dat wil niet zeggen dat we plots moeten doen alsof een mens niet verantwoordelijk zou zijn voor zijn eigen toekomst, dat hij louter de speelbal is van krachten die hem ver te boven gaan: het wil zeggen dat men maar kan spelen met de kaarten die hem gedeeld worden. Maar welke kaarten iemand ontvangt, daarover heeft hij geen controle, en ook de spelregels worden niet door hem bepaald. Het is aan de overheid en aan de samenleving om opnieuw de spelregels te bepalen, zodat opnieuw iedereen kan meespelen, met dezelfde kaarten.

Matthias Somers schreef deze bijdrage naar aanleiding van de studie van denktank Minerva: ‘Een nieuwe kwetsbaarheid. De lagere inkomensklassen in België (1985-2016).’

— Dit stuk verscheen op 17/01 op Knack.be

Hoezo, de lonen zijn te hoog?

Het loonoverleg is spaak gelopen, en — zo staat in het commentaar (DS 22 januari) — dat is de schuld van de vakbonden: werknemers moeten meer terughoudendheid aan de dag leggen en aanvaarden dat er voor loonsverhogingen geen ruimte is, ook niet in economisch betere tijden. België kampt immers met een ‘loonkostenhandicap’: arbeid zou bij ons duurder zijn dan in de buurlanden. Zolang wij onze loonkosten niet onder controle krijgen, hebben werknemers niets te eisen, ook niet wanneer de economie aantrekt.

Maar wat zegt die ‘loonkostenhandicap’ die de ‘aanvaardbare’ marge voor loonsverhogingen bepaalt? Hij drukt uit hoeveel duurder een uur arbeid in België is ten opzichte van Nederland, Frankrijk en Duitsland. Daarbij wordt géén rekening gehouden met het feit dat een werknemer in België per gewerkt uur méér produceert dan zijn collega’s in de buurlanden: de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven rekende uit dat, als je dat wél zou doen, de ‘handicap’ tot een marginaal niveau terugvalt van zegge en schrijve 1 procent.

De ‘loonkostenhandicap’ houdt ook géén rekening met de taxshift van de regering-Michel, die de werkgeversbijdragen fors verminderde om de loonkosten te drukken — een operatie die een serieus gat zal slaan in ­onze sociale zekerheid en dus onze pensioenen en gezondheidszorg in gevaar brengt, maar dat terzijde.

Bovendien houdt dit loonkostenconcept ook al géén rekening met de loonsubsidies, die in België verhoudingsgewijs nochtans bijna dubbel zo hoog liggen als in Frankrijk, zes keer hoger dan in Nederland, en maar liefst 44 keer hoger dan in Duitsland. In België, veel meer dan in de ons omliggende landen, hoeven bedrijven niet de volledige loonkosten te dragen, maar neemt de overheid – u en ik dus – een deel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing op zich.

Bedrijven in de privésector cashen in België meer dan 7,2 miljard euro aan loonsubsidies: een gigantisch bedrag, maar het telt niet mee bij de bepaling van de loonkostenhandicap. We betalen zo twee keer: iedereen moet meebetalen om de vrijstelling van bedrijfsvoorheffing te kunnen financieren, maar met die loonsubsidies mag geen rekening gehouden worden bij de berekening van de werkelijke loonkosten, waardoor een loonsverhoging plots onbetaalbaar lijkt.

De loonkostenhandicap houdt dus géén rekening met de hogere productiviteit, noch met de verlaging van de werkgeversbijdragen, en al evenmin met de stroom aan loonsubsidies ten voordele van Belgische bedrijven. Waarover spreken we dan eigenlijk nog? De loonkostenhandicap waarmee bedrijfsorganisaties schermen om werknemers hun loonsverhoging te ontzeggen, is tot een volstrekt fictief concept verworden dat met de werkelijke loonkosten nog maar weinig te maken heeft, een wapen in handen van de bedrijfsorganisaties om werknemers het zwijgen op te leggen, en niet meer dan dat. Werknemers zouden gek zijn om zich daar zomaar bij neer te leggen.

Het is merkwaardig om vast te stellen hoe we onze lonen, en hoe ze ‘mogen’ evolueren, hebben geoutsourcet naar vreemde landen. Wat telt bij loononderhandelingen in België is niet hoe goed onze economie draait of hoeveel productiever werknemers zijn geworden, en al evenmin hoe de winsten van onze bedrijven zijn geëvolueerd: daarmee mag allemaal geen rekening gehouden worden. Het enige dat nog mag bepalen of en hoeveel onze lonen kunnen stijgen, is welke politiek Nederland, Frankrijk, en — vooral — Duitsland voeren. Sommigen zouden er een zelfgekozen aanslag op onze soevereiniteit in durven te zien. Kiest Duitsland voor mini-jobs en een beleid waardoor ondertussen bijna een op de tien mensen die werken toch in armoede moet leven, dan heeft dat tot gevolg dat de Belgische werknemer loonopslag mag vergeten.

Hoe wij onze samenleving willen vormen is van geen tel: alleen de loonpolitiek in vreemde landen is bepalend. Lonen zijn louter nog —in de woorden van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven— een ‘bijsturingsvariabele’, en loononderhandelingen verschijnen zo niet meer als getouwtrek tussen werkers en bedrijven over de verdeling van de geproduceerde meerwaarde. Daarover gaat in essentie nochtans de strijd: hoe verdelen we de geproduceerde meerwaarde tussen arbeid en kapitaal? Als de taart die we met z’n allen bakken groter wordt, mogen bedrijfseigenaars dat extra stuk taart volledig voor zich houden, of is het écht te veel gevraagd dat er ook een stukje naar arbeiders gaat? Of nog: mogen alleen bedrijfseigenaars profiteren van een aantrekkende economie of ook de mensen die hun bedrijven laten draaien?

Maar wat dan met dat dekselse ‘concurrentievermogen’? Ten eerste vertrekt dat van het begrip ‘loonkostenhandicap’, dat niet alleen niets van doen heeft met de werkelijke loonkosten, maar ook weinig zegt over de werkelijke concurrentiekracht van ons land.

Ten tweede blijkt ook uit de cijfers over het investeringsgedrag van bedrijven dat België een aantrekkelijk investeringsland is, ‘ondanks’ die (fictieve) loonkostenhandicap: de kapitaalinvesteringen liggen in België al sinds eind jaren 90 verhoudingsgewijs hoger dan in de buurlanden, en die investeringskloof ten voordele van België is de afgelopen decennia alleen maar groter geworden — zoals ook deze krant al berichtte (DS 19 oktober 2017).

Ten derde is een lagelonenstrategie op lange termijn ook helemaal niet lonend voor de economische ontwikkeling van een land. Een verhoging van de koopkracht door hogere lonen zet net een motor achter de economische bedrijvigheid: hogere lonen doen mensen meer consumeren, en die verhoogde vraag creëert extra bedrijvigheid en extra jobs, ook voor werklozen. Iedereen profiteert dus van een rechtmatige loonsverhoging: werkgevers, werknemers en werklozen.

— Dit stuk verscheen op 23 januari in De Standaard.

De geroemde stabiliteit van de middenklasse is valse schijn

Alleenstaanden en alleenstaande ouders, mensen die geen werk vinden of het moeten zien te rooien met een slecht betaalde job, jonge gezinnen die het mogen vergeten een eigen stek te kopen: de levensstandaard van de middenklasse is voor steeds meer mensen niet meer dan een verre droom. Die middenklasse, en zeker de hogere middenklasse, is de afgelopen decennia heel wat welvarender geworden, maar lang niet iedereen weet daarvan te profiteren. Een derde van alle inwoners van België valt uit de boot. Zij zien het middenklasseschip steeds verder wegvaren, en dreigen kopje onder te gaan – en de overheid heeft in haar beleid maar weinig oog voor deze nieuwe kwetsbaarheid.

Dat is het plaatje dat een analyse van het onderzoeksrapport De lage middenklasse in België laat zien. De zo geroemde stabiliteit van de middenklasse in België, de basis waarop ons samenlevingsmodel steunt, is deels valse schijn: de kernmiddenklasse staat onder druk, en dubbel zoveel mensen zijn weggezakt uit de middenklasse naar de lagere inkomensklassen als dat er zijn weten op te klimmen naar de hogere inkomensklassen. De samenleving polariseert, en de kloof tussen de lagere inkomensklassen en de rest van de samenleving is de afgelopen dertig jaar alleen maar toegenomen.

Er heeft zich immers een omwenteling in ons samenlevingsmodel voorgedaan, waarvan de effecten zich nu sterk laten voelen: de omslag van een kostwinnersmodel, waar één inkomen volstaat om het gezin te onderhouden en tot de middenklasse te behoren, naar een tweeverdienersmodel. In dat nieuwe model gaat het gezinsinkomen er natuurlijk fors op vooruit: een goede zaak, toch voor wie ervan kan profiteren. Maar wie niet kan rekenen op twee inkomens uit arbeid, zoals alleenstaanden en alleenstaande ouders, of mensen die nog maar moeilijk aan de bak komen op de arbeidsmarkt zoals kortgeschoolden, moeten het stellen met een inkomen dat hierdoor steeds verder achterblijft op wat nodig is voor een middenklassebestaan.

Bovendien zijn de lonen voor de laagste inkomens ook veel minder sterk gegroeid dan de inkomens in de hogere regionen van de samenleving. Het resultaat is dat de ongelijkheid in de samenleving vóór herverdeling sterk gegroeid is, en dat de herverdelingsmachine sputtert: we slagen er minder dan ooit in om door herverdeling mensen uit armoede of de lage middenklasse richting middenklasse te tillen. Voor mensen op de onderste treden van de sociale ladder wordt de situatie steeds precairder.

In voorgaande generaties konden brede lagen van de bevolking zich nog beschermen tegen een daling van hun levensstandaard bij tegenslag of pensionering door het verwerven van een eigen huis: een politiek die actief gestimuleerd wordt door het overheidsbeleid. Dat gaat echter niet meer op voor wie nu op actieve leeftijd is en moet rondkomen met een lager inkomen: het woningbezit in de lagere inkomensklassen is in elkaar gestuikt, en daarmee verdwijnt ook hun bescherming tegen een verdere afkalving van hun levensstandaard bij pech of pensionering. Deze nieuwe generaties worden gekenmerkt door een fundamentele kwetsbaarheid.

Te vaak blijft de overheid echter blind voor deze nieuwe kwetsbaarheid. Nog erger: door haar beleidskeuzes vergroot ze zelfs de kwetsbaarheid van mensen in armoede en in de lage middenklasse. Ze geeft miljarden euro’s uit aan het stimuleren van het woningbezit bij de hogere middenklasse. Het drijft de woningprijzen op en komt vooral ten goede aan de bankensector, maar maakt wonen onmogelijk duur voor wie niet kan rekenen op een dubbel inkomen uit arbeid.

In plaats van lagere inkomens extra ondersteuning te geven en de combinatie van een sociale toeslag met werk mogelijk te maken, wil ze mensen die geen werk vinden nog dieper in armoede duwen. Ze hervormt de kinderbijslag, maar mist de kans om een fundamenteel verschil te maken voor gezinnen die moeten rondkomen met een lager inkomen. Ze doet veel voor de hogere middenklasse, maar ten koste van wie het met minder moet doen.

De samenleving is veranderd, steeds meer mensen hebben moeite aan te haken bij de middenklasse, het beleid laat hen in de steek.

— Dit stuk verscheen op 9 januari 2019 in De Morgen.