Een curieuze kerel: De bediende van Robert Walser

Robert Walser (1878-1956) was altijd een buitenbeentje: een eenzaat die zelden langer dan enkele maanden in dezelfde kamers woonde, een Zwitser die mislukte in Berlijn, een bewonderd schrijver die niet voor vol werd aanzien. Hij schreef naïef proza, heette het; Thomas Mann noemde zijn werk dat van een ‘ondeugend kind’. Hij bedoelde het als compliment.

Wanneer Walser vijftig is, wordt hij opgenomen in een instelling voor geesteszieken. Hij zal niet meer in de vrije wereld leven. Bijna dertig jaar later sterft hij, door een hartaanval, tijdens een wandeling door de sneeuw op kerstdag. Dat wij vandaag het geluk hebben weer enkele van zijn titels in het Nederlands te kunnen lezen, hebben we te danken aan de onvermoeibare inspanningen van de betreurde Machteld Bokhove, die zich uit liefde voor Walser op het vertalen van zijn werk stortte. Nu verschijnt ook De bediende (1908).

‘Op een morgen om acht uur stond een jonge man voor de deur van een vrijstaand, ogenschijnlijk fraai huis.’ Joseph Marti ‘wachtte nog een moment om over iets vast heel onbelangrijks na te denken, toen drukte hij op de knop van de elektrische bel.’ Joseph treedt in dienst van meneer Tobler, die zijn hele erfenis in zijn uitvindingen heeft gestort. Zijn trots is de reclameklok, een klok met vleugels bedoeld om sierlijk te beschilderen met advertenties: door het verpachten van die velden ‘stromen nou juist hopelijk en zeer waarschijnlijk de reclamegelden binnen.’ Algauw bestaan de taken van de bediende voornamelijk uit het schrijven van bedel- en het afwimpelen van schuldbrieven, terwijl Tobler in het bedenken van telkens nieuwe uitvindingen, de ene nog ridiculer dan de andere, redding zoekt voor een zekere ondergang. Tobler snauwt zijn vrouw af, vaart uit tegen Joseph, en als hij niet ‘op zakenreis’ is, met als eerste tussenstop het dorpscafé, geeft hij zich wel over aan slemppartijen en uitspattingen. Dat er in deze omstandigheden geen sprake kan zijn van uitbetaling van Josephs salaris, spreekt voor zich.

En toch blijft Joseph de Toblers trouw. Meer dan het relaas van de neergang van een burgerfamilie aan het begin van de twintigste eeuw, draait De bediende om deze merkwaardige onderworpenheid van Joseph aan een wispelturige meester en meesteres, en om zijn verlangen erbij te horen, niet meer zo’n ‘curieuze kerel’ te zijn, zoals mevrouw Tobler hem tot zijn grote verdriet noemt. Joseph is, dat beseft hij zelf ook wel, niet erg thuis in deze wereld, hoezeer hij daar ook naar verlangt, en dus – terwijl in de villa de scheuren in het schone burgerbestaan steeds wijder worden –, papegaait hij tegen een schooier het paternalisme van de burgerman na met zijn pleidooien voor hard werk, inzet, en onderdanigheid, en vermaant hij zichzelf dat ‘de ondernemingen van Tobler hartstochtelijke aandacht vereisen’: ‘Het lot van de reclameklok bijvoorbeeld, ben ik daar ook werkelijk met elke vezel van mijn Ik door gegrepen? Ben ik er vol van? Ik moet bekennen dat ik maar al te vaak aan heel andere dingen denk. Maar dat, mijn beste meneer de bediende, is verraad.’

Niet dat Josephs aanmaningen enig effect hebben. Hij verzamelt al zijn krachten om energiek aan de slag te gaan – en daar overvalt hem een andere gedachte, verliest hij zich weer in nieuwe bedenkingen en overwegingen, zonder ooit een voornemen tot uitvoering te brengen, zonder niet na een tegenwerping meteen het gelijk van de ander toe te geven: Joseph biedt evenveel weerstand als asse waarin men blaast. Hierin lijkt hij wel op Walsers proza, dat zichzelf voortdurend ondermijnt. Verheven zinswendingen worden onder de voet gelopen door basale tussenwerpsels, metaforen gaan met hem op de loop, en zoals Joseph alleen met een zekere verbazing kan vaststellen hoe diep de kloof is tussen wat hij wenst te doen en wat hij werkelijk doet, zo lijken ook Walsers zinnen soms enigszins verbaasd over de toon die zij aanslaan en de zijpaden die zij inslaan.

De bediende is onweerstaanbaar grappig en het verhaal van Joseph doortrokken van een diepe tragiek. Het is de onmacht van de outcast: niet de vrijgevochten eenzaat, maar de mens die er net niet bijhoort. Walser schrijft het neer met een uitgestreken gezicht, alsof het hem zelfs in de meest waanzinnige momenten van De bediende bittere ernst is. Het effect is verontrustend, en onvergetelijk.

— Dit stuk verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

Submit a comment

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s