Totalitair consumentisme

Hoe kun je je verzetten tegen het kapitalisme, als het communisme al ontmaskerd is? Zo kun je de aantrekkingskracht van Herbert Marcuses De een­dimensionale mens kaderen. Eind jaren 60 kon men niet meer om het succes van de vrije westerse wereld heen. Anders dan de generatie voor hen groeiden jonge twintigers op in almaar toenemende voorspoed, en voor het eerst konden velen genieten van het leven aan de universiteit en de vrijheid die daarbij hoorde. Wat hun hart ook begeerde, het leek binnen hand­bereik. Toch knaagde het.

f96a100a-868f-11e7-83fe-f7bc1bc6cf90Marcuse gaf woorden aan hun opstandigheid. De kapitalistische samenleving was, in alle vrijheid die ze zei te bieden, een totalitaire samenleving: dat beklemde hen, daaraan wilden ze zich ontworstelen. Marcuse beschreef hoe de maatschappij geen andere optie liet dan zich inschakelen in de machine van de welvaartsproductie. De cultuur van het consumentisme praatte de mens noden aan die hem inkapselden in het systeem en van hem een betrouwbaar radertje maakten in de voortmalende machine die produceerde wat hij verlangde. Marcuse noemde het totalitair, precies omdat de technologie doordrong tot in de meest intieme sfeer van de mens, en hem in elke levenskeuze met zachte, maar dwingende hand de keuze opdrong die het systeem het best diende. Een andere keuze dan een leven in dienst van die zichzelf reproducerende kapitalistische machine scheen ondenkbaar, verdrongen door een massacultuur die dankzij de nieuwe technologieën elke huiskamer overnam. There is no alternative: toen niet, nog steeds niet.

Voor elke mens afzonderlijk is het perfect rationeel mee te draaien in die machine, betoogde Marcuse: alleen zo kan hij immers zijn behoeften bevredigen, hem opgedrongen door een niet-aflatende stortvloed aan reclame. Maar wat voor elk afzonderlijk rationeel is, kan voor de samenleving in haar geheel irrationeel zijn, en ons over de rand van de afgrond duwen. De mens dreigt de planeet voor de mens onbewoonbaar te maken. Die boodschap heeft niets aan relevantie ingeboet.

In Marcuse vonden de rebelse studenten van 1967 de theorie om te breken met de kapitalistische maatschappij die hen wel een comfortabel leven beloofde, maar slechts schijnvrijheid bood, elk leven in dezelfde mal goot, en de aarde naar de ondergang voerde.

— Dit stuk verscheen op 22 augustus in De Standaard in de reeks ‘The Summer of Love.’

Een verlangen naar troost

Weken, maanden, jaren gepunctueerd door terreur.

Het zou onzinnig zijn te doen alsof hun geloof er niets mee te maken heeft, wanneer zij daar zelf hun rechtvaardiging in vinden. Al is het een waanzinnige interpretatie van de Islam, ze voedt hen wel, leidt hen tot waanzinnige daden.

Is het het geloof in een absolute God die de ondermaanse wereld ver overschrijdt die zulke waanzin mogelijk maakt? Want wat betekent dit aardse leven ook tegenover de eisen van die allesoverheersende absoluutheid? Daaraan valt niet te weerstaan. Hoe kan het anders dan dat het geloof in een God zo verheven boven deze wereld leidt tot nietsontziende brutaliteit in deze wereld?

Een merkwaardige omkering van de oude opvatting, dat net de afwezigheid van God zou leiden tot complete ontaarding, het openen van de sluizen van het kwaad. Want als God er niet meer is om goed en kwaad te verankeren, kan boven onder zijn en onder boven, links rechts en rechts links. Elke zin ontbreekt dan, de morele voorschriften die de maatschappij schragen en leefbaar maken ontberen elke rechtvaardiging. Wat rest: een allen-tegen-allen waar het recht van de sterkste en van de sluwste niet alleen heerst, maar ook als goed geldt, enkel en alleen omdat het de wet van de sterkste en meest sluwe is. En zonder een God die kan straffen na de dood, kan niemand de moordlustige die zijn eigen leven moe is iets maken. Hij wordt onaantastbaar. Hij bezit de wereld.

De epidemie van moordpartijen op Amerikaanse scholen die regelmatig weer opflakkert, van Columbine tot Sandy Hook: jongens nog, soms jonge mannen, zonder enig geloof, zonder overtuiging, zonder ideologie, met als verbindend element schijnbaar alleen een nihilistische drang tot vernietiging.

Het ontbreken van elk geloof in deze wereld — de ene overweldigd door het geloof in een absolute God, de ander overrompeld door de leegte die voor dit geloofsverlies in de plaats treedt?

Ook dat lijkt niet te kloppen. Nagelaten manifesten en brieven verraden een drang om herinnerd te worden, eindelijk iemand te zijn. Iemand te zijn voor wie achterblijft, voor deze wereld; een bekommernis die naar het absurde neigt voor wie elk geloof in de waarde van deze wereld verloren heeft. Het maakt het wereldbeeld niet minder nihilistisch: de idee dat de hoogste waarde die nog te halen valt, het meest memorabele dat men doen kan om niet in de absolute vergetelheid weg te zinken, brute wreedheid is.

In die drang om iets achter te laten op deze aarde —is het niet van waarde dan wel in het vernietigen ervan— plaatsen terrorist en massamoordenaar het eigen leven en de herinnering aan het eigen leven boven het leven van die voor hem talloze, naamloze anderen: willekeurige vernietiging ter meerdere eer en glorie van de eigen gedachtenis. Hoe ver verwijderd van de mens die zichzelf wegcijfert uit liefde voor de schepping van een God die de bron is van alle leven, een vergeten ideaal!

Wat rest is een verlangen naar troost die van verder komt, dieper rijkt, ons verzoenen kan met deze wereld hier beneden die stom blijft voor onze beden.

— Dit stuk verscheen op 22 augustus in De Morgen.

De virtueuze cirkel tussen hoge lonen, hoge investeringen, en hoge welvaart

De lobby van het bedrijfsleven is zijn geld meer dan waard. België is een onaantrekkelijk investeringsland, zo herhaalden zijn en bleven zij maar herhalen, en zonder bedrijven die willen investeren geen economische groei, geen jobs, geen welvaart. Wil België niet verder wegzinken in het moeras, moet de fiscale druk op bedrijven dus verlicht worden. De regering luisterde.

De vraag is of dit verhaaltje meer is dan louter een verhaaltje.

Vergelijk België met de ons omliggende landen. Nergens investeren bedrijven verhoudingsgewijs méér dan in België. Meer: tussen 1995 en 2015 heeft België zijn voorsprong nog uitgebouwd. Of we België nu vergelijken met Nederland, met Duitsland, of met Frankrijk: telkens opnieuw zien we een verschuiving van investeringen van het buurland naar ons land.

Verhelderend is wat er gebeurd is in het Verenigd Koninkrijk,
binnen West-Europa een pionier in het verlagen van de vennootschapsbelasting in de hoop extra investeringen aan te trekken: de investeringen zijn er de laatste twintig jaar stelselmatig op achteruit gegaan — terwijl ze in België zijn blijven stijgen.

De verklaring hiervoor is eenvoudig. Een bedrijf dat zijn productie wil verhogen, kan dit op twee manieren doen: ofwel het aantal werkuren opdrijven, ofwel investeren in technieken die de productie per gewerkt uur opdrijven. Het investeringsgedrag van bedrijven wordt in grote mate bepaald door een afweging tussen de kost van arbeid enerzijds en mogelijke productiviteitswinsten door extra investeringen anderzijds. De relatief hogere lonen in België (met inbegrip van de socialezekerheidsbijdragen) schrikken bedrijven dan ook niet af om te investeren, integendeel. Precies omwille van de hogere lonen loont het de moeite voor bedrijven om te investeren in kapitaalintensieve maar arbeidsbesparende technologieën die de arbeidsproductiviteit opdrijven.

Het goede nieuws is dat dit een virtueuze cirkel op gang trekt. Dankzij de investeringen in productiviteitsverhogende technologieën creëren Belgische werknemers steeds meer toegevoegde waarde per gewerkt uur, en dit schept ruimte voor een verdere verhoging van de lonen. Tegelijk kunnen investeerders in het kapitaal ook een groter deel van de koek opeisen, want de productiviteitswinsten zijn in hogere mate te danken aan die kapitaalinvesteringen. Hogere lonen, meer kapitaalinvesteringen, en een hogere productiviteit zijn zo intrinsiek met elkaar verbonden, tillen elkaar steeds hoger, en zorgen zo op langere termijn ook voor een grotere welvaartstoename.

In landen waar de lonen relatief gezien achterblijven, vindt net het omgekeerde proces plaats: omdat de lonen er lager liggen, zijn ook kapitaalinvesteringen minder aantrekkelijk, maar zonder die investeringen zal ook de productiviteitsgroei achterblijven, waardoor er ook geen ruimte gecreëerd wordt voor mogelijke loonsverhogingen. Zie, bijvoorbeeld, het Verenigd Koninkrijk. Ondanks een substantiële verlaging van de vennootschapsbelasting blijven de investeringen achter. Ze lonen de moeite niet: arbeid is er relatief gezien goedkoop genoeg om niet te moeten investeren in productieverhogende technologieën. Het gevolg: de productiviteit van de Britse bedrijven hinkt steeds verder achterop. De lagere lonen en een lagere productiviteit bestendigen elkaar, en leiden op termijn ook tot lagere welvaartsgroei.

De forse verlaging van de vennootschapsbelasting maakt daarin geen enkel verschil: bedrijven nemen de verlaging van de vennootschapsbelasting dankbaar in ontvangst, en parkeren de extra winst die ze zo maken op hun al goedgevulde rekening. En de begroting, die blijft achter met een gat, dat anderen wel zullen vullen.

— Deze column verscheen op 8 augustus in De Morgen.

Want een iegelijk die heeft, dien zal gegeven worden

Twee maatregelen die deze federale regering wil doorvoeren, en een mooi beeld geven van de richting van het beleid.

Eén. Om het pensioensparen verder aan te moedigen, wordt het maximale bedrag waarop u kan genieten van een fiscale vrijstelling uitgebreid van 940 euro naar 1.200 euro per jaar. Wie ruim genoeg verdient om rond te komen en bovendien elke maand nog eens honderd euro kan opzij zetten, wordt beloond met een fikse belastingvermindering. In 2013, het laatste jaar waarvoor cijfers beschikbaar zijn, liep de Staat ruim 600 miljoen euro inkomsten mis door deze belastingvrijstelling, die nu dus nog uitgebreid zou worden en dus ook nog veel meer zou gaan kosten. De gemiste inkomsten zullen elders goedgemaakt moeten worden.

Twee. Omdat de pensioenkosten te hoog zouden oplopen en de Staat elke cent driemaal moet omdraaien, zullen de al lage pensioenen van wie het ongeluk had zijn werk te verliezen of vervroegd op pensioen gestuurd te worden, nog verder verlaagd worden. Bovendien trekt de regering het brutoloon van een kortgeschoolde jongere die op z’n achttiende aan de bak moet, met bijna twintig procent naar beneden, en zal zijn pensioen later ook op dat fors verlaagde brutominimumloon berekend worden. Op die manier denkt de regering toch ook weer een honderd miljoen euro uit te sparen — honderd miljoen die het nodig zal hebben om de verruiming van de fiscale vrijstelling voor het pensioensparen te kunnen bekostigen.

Het is het beeld van deze regering in een notendop. Wie kortgeschoold is of zijn werk verloor, zal de belastingvermindering voor wie een ruimer inkomen heeft betalen: een verschuiving van middelen van wie weinig heeft naar wie meer heeft.

Bovendien moeten we ons de vraag stellen of die honderden miljoenen die de fiscale vrijstelling van het pensioensparen kost, niet beter gebruikt kunnen worden voor de versterking van de te lage wettelijke pensioenen, een maatregel waar iedereen van kan profiteren, en niet enkel de hogere inkomens. Zeker omdat we weten dat die fiscale vrijstelling nauwelijks effect heeft op het spaargedrag van mensen: het leidt enkel tot een verschuiving tussen verschillende types fondsen, op zoek naar het laagste belastingtarief, maar nauwelijks tot een verhoging van het totale bedrag dat belegd wordt. Het is, anders gesteld, niet meer of minder dan een dure subsidie voor de hogere inkomensklassen, betaald met de verlaging van de wettelijke pensioenen van wie sowieso al met een lager inkomen moet rondkomen.

“Want wie heeft zal nog meer krijgen, en wel in overvloed, maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij nog heeft worden ontnomen.” — Men had kunnen hopen dat met een christelijke volkspartij in de regering de machthebbers een ander Bijbelvers tot leidraad voor het beleid zouden gekozen hebben. Het is helaas anders uitgedraaid.

— Dit stuk verscheen op 25 juli in De Morgen.

Vijf kanttekeningen bij de verlaging van de minimumlonen voor jongeren

Minister van Werk Kris Peeters (CD&V) leurt er al een tijdje mee: de verlaging van de minimumlonen voor kortgeschoolde jongeren met weinig werkervaring. Werkgevers twijfelen om zulke jongeren aan te werven, zo redeneert minister Peeters, omdat zij verwachten dat die jongeren minder productief zijn dan anderen op de arbeidsmarkt: verlaag dus hun loon ter compensatie voor die gevreesde lagere productiviteit, en werkgevers zullen die laagbetaalde jongeren met open armen ontvangen. Werkgevers tevreden, want goedkope arbeidskrachten; jongeren tevreden, want een job; overheid tevreden, want minder werkloosheidsuitkeringen. Een win-win-win-situatie, dus, en dus moeten we ons ook afvragen hoe het komt dat zo’n systeem met schijnbaar alleen maar winnaars niet allang in voege is.

Eerste kanttekening. Volgens berekeningen van het Federaal Planbureau, zo berichtte De Morgen afgelopen donderdag, zou de voorgestelde maatregel amper 460 tot 670 nieuwe jobs opleveren, maar de overheid wel een smak geld kosten. De loonlasten verlagen komt immers niet zonder prijs: of het nu gebeurt via een vermindering van de socialezekerheidsbijdragen, via een gedeeltelijke vrijstelling van de bedrijfsvoorheffing, of —zoals in het voorstel-Peeters— via een premie voor de werknemer om de verlaging van zijn of haar brutoloon minstens ten dele bij te passen, de minderinkomsten of meeruitgaven voor de overheid moeten elders gecompenseerd worden. Wat meteen de vraag doet rijzen of tientallen miljoenen spenderen aan een maatregel die in het beste geval nog geen zevenhonderd jobs zou creëren de meest efficiënte inzet van middelen is.

Tweede kanttekening, daar nauw bij aansluitend. Met de Zesde Staatshervorming werden de gewesten bevoegd voor het al dan niet toekennen van loonlastenverlagingen aan specifieke doelgroepen, zoals kortgeschoolde jongeren. Vlaams minister van Werk Philippe Muyters (N-VA) besliste daarop om de bestaande loonlastenverlaging die specifiek gericht was op die doelgroep van kortgeschoolde jongeren zodanig uit te breiden met andere, minder kwetsbare categorieën, dat de oorspronkelijke groep volledig uit de boot dreigt te vallen, terwijl de kostprijs voor de overheid bijna verviervoudigt. Het is dan ook op z’n minst merkwaardig te noemen dat de federale regering, met dezelfde partijen aan de knoppen als op Vlaams niveau, nu wil beslissen om de teloorgang van de ene loonlastenverlaging voor kortgeschoolde jongeren te compenseren met het invoeren van een andere loonlastenverlaging voor dezelfde doelgroep.

Van twee dingen één. Ofwel heeft het verder verlagen van de loonkost specifiek voor kortgeschoolde jongeren inderdaad weinig zin, zoals Muyters denkt, en dan begaat de federale regering een serieuze stommiteit om daar toch tientallen miljoenen aan te willen spenderen. Ofwel is het wel degelijk zinvol om een loonlastenverlaging specifiek te richten op de groep van kortgeschoolde jongeren, en dan heeft Muyters behoorlijk geflaterd toen hij dat programma doodkneep.

Derde kanttekening. De tegenstrijdige maatregelen die op Vlaams en op federaal niveau genomen worden, zelfs wanneer dezelfde partijen op beide beleidsniveaus het arbeidsmarktbeleid kunnen uittekenen, tonen de complete incoherentie aan van het Belgische arbeidsmarktbeleid, dat niet gehinderd wordt door enige consistentie in beleid of visie, laat staan door enige doorgedreven wetenschappelijke ondersteuning ervan. Hoe veel maatregelen en maatregeltjes zijn er al genomen en weer afgevoerd en weer ingevoerd? Hoeveel algemene en specifieke loonlastenverlagingen, hoeveel ingewikkelde formules om hier of daar wat bij te sturen? En hoe vaak zijn die beleidsaanpassingen effectief onderzocht naar hun effectiviteit en efficiëntie, zodat ze zouden kunnen dienen als leidraad voor toekomstig beleid? Liever vaart men blind, nu eens peddelend in deze richting, dan weer een heel andere kant uit, zonder enig idee waar men uiteindelijk landen wil of hoe daar te raken.

Vierde kanttekening. Die incoherentie van het Belgische arbeidsmarktbeleid wordt deels gedreven door een gebrek aan eerlijkheid over wat er in België moet gebeuren om de werkgelegenheidsgraad van kortgeschoolden fundamenteel op te trekken. Belgische werknemers zijn, in vergelijking met hun collega’s in de omliggende landen, erg productief. Of het nu in de industriële sector is, in de handel, de logistiek, de bouw, of in de ict-sector: een werknemer in België creëert méér toegevoegde waarde per gewerkt uur dan werknemers in Nederland, Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, of Italië. Die hogere productiviteit wordt deels gedreven door hogere bedrijfsinvesteringen, en maken ook hogere lonen mogelijk. In zoverre de economische ontwikkeling van een land op langere termijn in hoge mate aangevuurd wordt door de productiviteitsontwikkeling in dat land, is de Belgische productiviteit ook een positieve zaak; ze maakt onze grote welvaart mogelijk (dat de gemiddelde Belgische burgers bij de rijksten van Europa is, komt niet uit de lucht vallen). De gerichtheid van de Belgische economie op hoogproductieve arbeid maakt ons land echter ook erg moeilijk voor wie minder productief is: zij zijn ‘te duur’, ‘passen niet in het arbeidsproces’, ‘halen de cijfers naar beneden’. Hun tewerkstellingscijfers fors optrekken, vereist een serieuze shift in onze economie, en het inzetten op de sterkere ontwikkeling van sectoren die relatief laagproductief zijn, slechter betaald worden, en waar de winstmarges vaak ook heel wat lager liggen.

Het is de weg die bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk is ingeslagen, waar opeenvolgende regeringen sterk hebben ingezet op het naar beneden drijven van de lonen en arbeidsvoorwaarden van wie zich aan de onderkant van de arbeidsmarkt bevindt, en de daarmee gepaard gaande sterke ontwikkeling van precaire arbeid, zoals met de infame nuluurcontracten. Het klopt dat het Verenigd Koninkrijk hierdoor behoorlijk goede tewerkstellingscijfers kan voorleggen (al werkt iemand maar één uur aan een minimaal loon: hij werkt), maar de prijs die de Britten hiervoor betalen is wel een scherpe daling in de lonen, niet alleen voor wie zich onderaan de ladder bevindt, maar ook voor de modale Brit. En doordat arbeid er zo goedkoop en flexibel geworden is, hoeft een Brits bedrijf ook niet meer te investeren in haar werknemers en in het opdrijven van de productiviteit. En ook dat toont zich: de bedrijfsinvesteringen liggen er heel wat lager dan in België, de productiviteitscijfers boeren achteruit. Op korte termijn tellen bedrijven hun winst, maar op langere termijn dreigt de Britse economie te stagneren.

Een tweede voorbeeld van een land dat gekozen heeft voor het opnieuw ontwikkelen van het laagproductieve en laagbetaalde segment van de economie is Duitsland. Ook daar zien we dat sinds de befaamde Hartz-hervormingen er heel wat jobs zijn bijgekomen (op tien jaar tijd meer dan 3,3 miljoen), maar ook dat de armoede er nog veel sterker gestegen is (in dezelfde periode kwamen er 3,5 miljoen mensen in armoede bij). Meer: het aantal mensen die wél werken, en toch een inkomen hebben dat onder de armoedegrens ligt, is er zelfs meer dan verdubbeld. Bijna één op tien werkende Duitsers leeft vandaag in armoede.

Het wijst erop dat voldoende jobs creëren voor wie kortgeschoold is en waarvan bedrijven verwachten dat ze minder productief zijn, in onze sociaal-economische context al te vaak betekent: ofwel hun lonen fors verlagen, ofwel hun sociale rechten afbouwen, ofwel hun arbeid sterk subsidiëren — of een combinatie van die maatregelen. Het is maar de vraag in hoeverre we kunnen en willen meestappen in die ontwikkeling, die niet alleen vanuit sociaal oogpunt niet zaligmakend is, maar ook een rem zet op de economische ontwikkeling van een land.

Vijfde kanttekening. In het verleden heeft België er veelal voor gekozen laagproductieve arbeid te ondersteunen door het op één of andere manier te subsidiëren. Denk aan de vermindering van socialezekerheidsbijdragen voor doelgroepen die verder van de arbeidsmarkt staan, of de ontwikkeling van het stelsel van dienstencheques. Het voorstel van minister van Werk Kris Peeters past in hetzelfde rijtje, in zoverre het de verlaging van de brutolonen van kortgeschoolde jongeren minstens ten dele zou compenseren door het toekennen van een premie aan de jongere: de overheid maakt het dus mogelijk voor het bedrijf om de brutolonen te verlagen en toch aantrekkelijk te blijven voor een werkzoekende jongere, doordat de overheid zelf het loonsverlies bijlegt.

Toch is er met het voorstel-Peeters nog iets meer aan de hand. De facto komt de verlaging van de brutolonen van kortgeschoolde jongeren, zelfs wanneer die in eerste instantie bijgepast wordt met een premie om het nettoloon op peil te houden, immers neer op de afbouw van de sociale rechten die werken normaal gezien met zich meebrengen.

Ons socialezekerheidsstelsel vertrekt vanuit een sterke band tussen werk enerzijds en sociale rechten anderzijds: wie werkt of gewerkt heeft en zo heeft bijgedragen aan de sociale zekerheid, opent daarmee ook het recht op een uitkering bij ziekte of verlies van werk en bouwt ondertussen pensioenrechten op. De mate waarin iemand werkt en de hoogte van het vervangingsinkomen waarop hij bij ziekte, werkloosheid, of pensioen recht heeft, wordt berekend aan de hand van zijn of haar brutoloon. Hoe lager dat brutoloon, hoe lager het vervangingsinkomen of het pensioen waarop iemand later recht zal hebben. En het is precies op die manier dat Kris Peeters kortgeschoolde jongeren ‘aantrekkelijker’ wil maken voor werkgevers: door hun brutoloon nog verder te verlagen — en daarmee ook hun vervangingsinkomen bij ziekte, werkloosheid, en ouderdom. Een jongere die in het nieuwe systeem aan de slag gaat in een bedrijf, daar hetzelfde werk verricht en dezelfde uren presteert als een leeftijdsgenoot die het jaar voordien in het oude systeem werkte, zal voor datzelfde werk minder sociale rechten opbouwen: een lager pensioen, lagere vervangingsinkomens. En dat voor een groep die zich nu al helemaal onderaan het inkomensspectrum bevindt.

Het voorstel-Peeters zet daarmee een tendens voort van het loskoppelen van werk enerzijds en de opbouw van sociale rechten anderzijds, een tendens die bijvoorbeeld ook al tot uiting kwam in het mogelijk maken van ‘goedkope’ overuren in de horeca: tot 360 uren per jaar, of meer dan negen weken van 38 uur per week. De werknemer draait die uren wel, maar bouwt tijdens die uren geen sociale rechten op: ze tellen niet mee voor de berekening van uitkering bij ziekte of werkloosheid, en ze tellen ook niet mee bij de berekening van het pensioen. Net wanneer de grootste inkomensschok opgevangen moet worden, wordt de werknemer met de neus op de feiten gedrukt: we maakten wel graag van uw arbeid gebruik, maar verwacht er niets voor in ruil — een sluipende ondermijning van het sociale contract.

— Dit stuk verscheen op 17 juli op Knack.be.

De zelfgekozen dood van het parlement

Het enthousiasme waarmee onze politici de nieuwe Franse president Emmanuel Macron hebben omarmd bevreemt. Het hoeft niet te verbazen dat zij zich aanschurken tegen wie het imago van een winnaar heeft, in de hoop dat iets van zijn magie op hen zal afstralen, maar iets meer terughoudendheid had toch niet misstaan. Want al belooft Macron wel eigenhandig het vastgeroeste Frankrijk weer in gang te duwen, de manier waarop hij dat wil doen kan men toch enigszins bedenkelijk vinden: mét het parlement als het kan, zo zei hij, maar zonder als het moet. Weigert de Assemblée zijn maatregelen goed te keuren, dan voert hij ze wel uit zonder de goedkeuring van de vertegenwoordigers van het volk.

Dat niet één van onze politici op dat moment even de wenkbrauwen fronstte, is tekenend voor de rol die het parlement in onze democratie nog te spelen heeft: een instituut dat z’n beste tijd wel gehad lijkt te hebben en enkel nog dient voor de formele stempel van goedkeuring, maar in niets meer lijkt op wat het hoort te zijn, het instituut dat stem geeft aan de veelheid van het volk, dat na intens debat de richting bepaalt waarin we als samenleving gaan, de lijnen uitzet waarbinnen de uitvoerende macht zich heeft te begeven en die uitvoerende macht ook voortdurend op het matje kan roepen en weer op het rechte pad kan brengen. Nu: een achterafje, een zoveelste stap in de moeizame procedure om een ministrieel ideetje werkelijkheid te laten worden, en dan nog één die ons een aardige duit kost ook. Fors inperken, dus, want het parlement simpelweg afschaffen lijkt voorlopig nog een iets te directe aanslag op wat een democratie hoort te zijn.

De irrelevantie van het parlement toont zich in Vlaanderen bijvoorbeeld in het debat over de hervorming van het jeugdrecht — of beter, het gebrek aan debat. Sinds de Zesde Staatshervorming is Vlaanderen bevoegd over alles wat met jeugdcriminaliteit te maken heeft, en dus wordt een grondige hervorming van het jeugdrecht voorbereid. Wat betekent: ergens in een achterafkamer van een kabinet wordt een akkoord in elkaar getimmerd, zonder enig publiek debat, zonder het parlement daar ook maar voor de vorm in te kennen. Meer, op z’n minst over de grote lijnen zou de regering zelfs al een akkoord bereikt hebben, maar wat dat akkoord moge inhouden, dat wordt angsvallig verborgen gehouden tot alle miniscule details zijn ingevuld en het in z’n geheel aan een rotvaart door het parlement gejaagd kan worden.

Voor de vorm zal men wel een stemming organiseren, men kan niet anders, en vóór die stemming moet er natuurlijk een debat zijn in het parlement, maar niemand maakt zich enige illusie dat het wat uitmaakt: aan het akkoord dat de regering bedisseld heeft zal geen letter meer veranderen, wat er in dat debat ook gezegd zal worden. Uiteindelijk zullen de volksvertegenwoordigers doen wat ze altijd doen: goedkeuren wat de regering hen voorlegt, zonder morren, zonder al te veel protest, de irrelevantie van het parlement bekrachtigend.

Een democratie waarin het parlement zichzelf zo monddood maakt, is geen gezonde democratie. Volksvertegenwoordigers moeten weer leren dat zij niet de regering vertegenwoordigen (de huidige regering voor de meerderheidspartijen, de komende regering voor de oppositie), maar het volk.

— Dit stuk verscheen op 11 juli in De Morgen.

Onvoltooid verleden

Van het Koninklijk Domein in het noorden tot het Dudenpark in het zuiden, van de Basiliek van Koekelberg in het westen tot het Jubelpark in het oosten, kreeg Brussel vorm onder en door Leopold II. Hij drukte zijn stempel op de hoofdstad, die een afspiegeling moest zijn van het statuur dat hij zichzelf toedichtte, machtig en imposant. En niet alleen Brussel: heel België was het schetsblad waar de koning zijn grootsheid op uittekende. Oostende kreeg de Koninklijke Gaanderijen, Antwerpen een treinstation dat de reiziger met verstomming moest slaan om zijn nietigheid tegenover Belgiës rijkdom, een kathedraal gewijd aan handel, nijverheid, en kapitaal, een monument ter ere van Belgiës nieuwverworven status als wereldmacht. Dankzij Leopold, die niet te beschroomd was om zijn initialen in het groot te laten verwerken in het bouwwerk – opdat wij niet zouden vergeten.

Wij zijn het vergeten. België is een land zonder verleden.

Of beter: ons gebrek aan patriottisme is maar al te vaak een handigheidje om ook de donkerste bladzijden uit onze geschiedenis niet te moeten lezen.

De generositeit van Leopold II was immers een in bloed gedrenkte vrijgevigheid, zijn bouwwerken monumenten van nietsontziend geldbejag, odes aan de rijkdom die te verwerven viel als men maar meedogenloos durfde zijn. En Leopold was meedogenloos, en wij met hem. Zijn project, zijn kindje, zijn Congo-Vrijstaat die België zijn rijkdom schonk, kostte aan naar schatting tien miljoen Congolezen het leven. Tien miljoen Congolezen de dood ingejaagd door uitbuiting en represailles, opdat het rubber zou blijven vloeien, Leopolds fortuin zou blijven aangroeien, Belgiës opgang in de vaart der volkeren niet te stuiten zou zijn. Tien miljoen Congolezen die de dood vonden, dat is zowat het dubbele van de bevolking van België in 1880, toen Leopold Congo naar zich toe trok. Tien miljoen Congolezen, dat is meer dan een achtste van de huidige bevolking van Congo, gestorven in de koortsdroom van een koning. De vroege Belgische geschiedenis van Congo is een horrorverhaal geschreven in rubber.

En toen begon het grote vergeten.

Congo-Vrijstaat werd Belgisch Congo, de rubberplantages werden afgelost door de Société Générale en zijn Union Minière, Congo’s rijkdommen bleven naar België vloeien, maar wat er daar precies gebeurd was, dat hoefden we niet te weten. Geef ons ons geld, en vergeetachtigheid.

We kunnen ons niet beroepen op belforten en kanten kathedraalgewelven, op Van Eyck, Rubens en Van Dyck, we kunnen niet pronken met de fraaiste bladzijden in onze geschiedenis, en vervolgens onze handen aftrekken van de misdaden begaan in Congo, alsof wij daar niets mee te maken hebben. De rijkdom die Congo ons schonk is overal rondom ons zichtbaar. Nergens, echter, is een plaats gegeven aan één van de grootste misdaden tegen de mensheid. Het standbeeld van Leopold II staat nog steeds te pronken voor het Koninklijk Paleis in hartje Brussel — en moet daar blijven staan. Maar tien miljoen doden die tot onze Belgische geschiedenis behoren, dat behoeft een monument, een gedenkingsplek in verhouding tot de misdaad. België mag niet vergeten.

Vrijdag, 30 juni, viert Congo zijn onafhankelijkheid. België kan tonen dat het niet wil vergeten, dat het weet dat het niet mag vergeten.

— Deze column verscheen op 27 juni in De Morgen.

Overzicht van de criminaliteitscijfers in België en de vier grote steden

Vandaag publiceerde de federale politie de criminaliteitsstatistieken voor het jaar 2016. Hieronder enkele opvallende cijfers en tendensen voor geheel België en voor de vier grote steden: Brussel (Hoofdstedelijk Gewest) (1,187 miljoen inwoners), Antwerpen (517.000 inwoners), Gent (257.000 inwoners), en Charleroi (202.000 inwoners). Noteer hierbij dat in alle cijfers ook de (aangegeven) ‘pogingen tot…’ zijn meegerekend, en noteer ook dat sommige fluctuaties in de cijfers te maken kunnen hebben met enerzijds aangiftegedrag en anderzijds welke prioriteiten de politie zich stelt.

Het totale aantal misdrijven is de laatste jaren stelselmatig gedaald, en blijft ook dalen. Dit is een tendens die zich ook elders in Europa (en de VS) voordoet.

Screen Shot 2017-06-27 at 15.49.15Eenzelfde fenomeen doet zich ook in de vier grote steden voor, al liggen de cijfers daar stelselmatig hoger dan in België in z’n totaliteit.

Screen Shot 2017-06-28 at 15.40.04

De vijf grootste categorieën misdrijven die de federale politie registreert zijn diefstal en afpersing, beschadiging van eigendom (het gros hiervan gaat om vandalisme), misdrijven tegen de lichamelijke integriteit (vooral slagen en verwondingen), drugsfeiten, en bedrog (oplichting).

In de categorie ‘diefstal en afpersing’ is het aantal getelde misdrijven op vijf jaar tijd met bijna dertig procent gedaald. Eenzelfde fenomeen in de vier grote steden.

Screen Shot 2017-06-27 at 16.03.52

 

Screen Shot 2017-06-28 at 15.40.24

De belangrijkste vormen van diefstal zijn achtereenvolgens ‘diefstal uit of aan een voertuig’, ‘zakkenrollerij’, en ‘diefstal met geweld zonder wapen’.

Screen Shot 2017-06-27 at 16.13.23.png

Screen Shot 2017-06-28 at 15.41.55

Screen Shot 2017-06-27 at 16.12.02

Screen Shot 2017-06-28 at 15.42.04

 

Screen Shot 2017-06-27 at 16.12.08

Screen Shot 2017-06-28 at 15.42.39

Inbraak in gebouwen:

Screen Shot 2017-06-27 at 16.41.14

Screen Shot 2017-06-28 at 15.41.43

In de categorie ‘beschadigen van eigendom’ is vandalisme goed voor het overgrote deel van de feiten. Net zoals in de categorie ‘diefstal en afpersing’ zien we hier een sterke daling: min 35% sinds 2009.

Screen Shot 2017-06-27 at 16.30.01

Screen Shot 2017-06-28 at 15.40.32

‘Misdrijven tegen de lichamelijke integriteit’ gaat in de eerste plaats om slagen en verwondingen. Opnieuw zien we hier een daling, maar heel wat minder uitgesproken dan in de categorieën ‘diefstal en afpersing’ en ‘beschadiging van eigendom’. Op vijf jaar tijd daalde het aantal feiten met bijna 15%.

Screen Shot 2017-06-27 at 16.49.07

Screen Shot 2017-06-28 at 15.40.46

Ook de categorie ‘moord en doodslag’ valt hieronder, en hier zien we -helaas- helemaal géén daling, integendeel:

Screen Shot 2017-06-27 at 16.53.37

Screen Shot 2017-06-28 at 15.41.24

In de categorie verkrachting zien we wel weer een (lichte) daling (maar let op: het gaat hier, zoals ook in de andere categorieën, alleen om die feiten die bij de politie bekend zijn als criminele feiten):

Screen Shot 2017-06-27 at 16.53.24

Screen Shot 2017-06-28 at 15.41.34

In vergelijking met de vorige categorie lijken de feiten die onder de ‘drugs’-categorie vallen peanuts. Het gaat hier voor het overgrote deel om het bezit van drugs.

Screen Shot 2017-06-27 at 17.01.26

Screen Shot 2017-06-28 at 15.40.57

In de categorie ‘bedrog’ gaat het onder andere om oplichting, verduistering, en misbruik van vertrouwen.

Screen Shot 2017-06-27 at 17.06.25

Screen Shot 2017-06-28 at 15.41.04

Ten slotte nog de categorie ‘misdrijven tegen de openbare veiligheid’. Hier valt bijvoorbeeld bendevorming onder, en hangt dus ook samen met vormen van zware criminaliteit. Hier zien we opnieuw een dalende tendens: min 23% misdrijven sinds 2009.

Screen Shot 2017-06-27 at 17.08.56

Screen Shot 2017-06-28 at 15.41.17