The National Surveillance State

Het artikel van de dag (wel, eigenlijk is het al van 2008, maar het is -gezien de recente onthullingen- vandaag meer dan ooit relevant) komt van Jack M. Balkin, Knight Professor of Constitutional Law aan Yale University – Law School. Ik heb er om het u makkelijk te maken enkele opvallende passages uitgelicht.

The question is not whether we will have a surveillance state in the years to come, but what sort of surveillance state we will have. Will we have a government without sufficient controls over public and private surveillance, or will we have a government that protects individual dignity and conforms both public and private surveillance to the rule of law? […]

Older models of law enforcement have focused on apprehension and prosecution of wrongdoers after the fact and the threat of criminal or civil sanctions to deter future bad behavior. The National Surveillance State supplements this model of prosecution and deterrence with technologies of prediction and prevention. […] Private companies and government agencies use databases to develop profiles of individuals who are likely to violate laws, drive up costs, or cause problems, and then deflect them, block them, or deny them benefits, access, or opportunities. […]

Today’s National Surveillance State goes beyond Foucault’s Panoptic model. Government’s most important technique of control is no longer watching or threatening to watch. It is analyzing and drawing connections between data. Much public and private surveillance occurs without any knowledge that one is watched. More to the point, data mining technologies allow the state and business enterprises to record perfectly innocent behavior that no one is particularly ashamed of and draw surprisingly powerful inferences about people’s behavior, beliefs, and attitudes. Over time, these tools will only become more effective. […] Data mining allows inferences not only about the direct subjects of surveillance, but about other people with whom they live, work, and communicate. Instead of spying on a particular person, data about other persons combined with public facts about a person can allow governments and private businesses to draw increasingly powerful inferences about that person’s motives, desires, and behavior.

The problem today is not that fear of surveillance will lead people to docile conformity, but rather that even the most innocent and seemingly unimportant behaviors can increase knowledge about both ourselves and others. Normal behavior does not merely acquiesce to the state’s power; it may actually amplify it, adding information to databases that makes inferences more powerful and effective. Our behavior may tell things about us that we may not even know about ourselves. In addition, knowledge about some people can generate knowledge about others who are not being directly watched. Individuals can no longer protect themselves simply by preventing the government from watching them, for the government may no longer need to watch them to gain knowledge that can be used against them.

Equally important, the rise of the National Surveillance State portends the death of amnesia. In practice, much privacy protection depends on forgetting. [..] The collation and analysis of events allows public and private actors to create locational and temporal profiles of people, making it easier to trace and predict their behavior. […] Ordinary citizens can no longer assume that what they do will be forgotten; rather, records will be stored and collated with other information collected at other times and places. The greatest single protector of privacy -amnesia- will soon be a thing of the past. As technology improves and storage costs decline, the National Surveillance State becomes the State that Never Forgets. […]

If some form of the National Surveillance State is inevitable, how do we continue to protect individual rights and constitutional government? […] We might begin by distinguishing between an authoritarian information state and a democratic information state. Authoritarian information states are information gluttons and information misers. Like gluttons they grab as much information as possible because this helps maximize their power. Authoritarian states are information misers because they try to keep the information they collect -and their own operations- secret from the public. They try to treat everything that might embarrass them or undermine their authority as state secrets, and they multiply secret rules and regulations, which lets them claim to obey the law without having to account for what they do. In this way they avoid accountability for violating people’s rights and for their own policy failures. Thus, information gluttony and information miserliness are two sides of the same coin: both secure governments’ power by using information to control their populations, to prevent inquiry into their own operations, to limit avenues of political accountability, and to facilitate self-serving propaganda.

Bien étonnés de se trouver ensemble

Niet iedereen verstaat hetzelfde onder democratie. Voor Turks president Abdullah Gül, bijvoorbeeld, is het recht om op straat te komen en te protesteren een cruciaal onderdeel van het democratische proces:

Democracy does not mean elections alone. There can be nothing more natural for the expression of various views, various situations and objections through a variety of ways besides elections.

Eerste Minister Recep Tayyip Erdogan is het daar duidelijk niet mee eens. Zijn reactie:

I don’t know what the president said, but for me democracy is all about the ballot box.

– een sentiment waarin de leiders van de Belgische industrie zich wel lijken in te vinden. Want hoe reageerde Yves Verschueren, gedelegeerd bestuurder van Essenscia (de federatie van de chemische industrie) op de vakbondsmanifestatie in Brussel?

Dit is een aanval op de democratie.

Het lef, op straat durven te komen om te protesteren!

Perplex

Onder de titel ‘Perplex’ schrijft Bart Haeck vandaag het volgende in De Tijd:

Het lijkt erop dat de slechte peiling van de PS van het afgelopen weekend politiek zwaarder zal wegen op de gehoopte hervormingen dan de aanbevelingen van de Europese Commissie en AmCham (de Belgisch-Amerikaanse kamer van koophandel) samen.

– Ik mag verdomme hopen dat een partij meer rekening houdt met het programma waarmee ze verkozen raakt en met wat haar kiezers van haar verwachten -en dus ook dat ze haar koers bijstelt wanneer ze dat programma verloochend heeft en daarvoor dreigt afgestraft te worden door haar kiezers- dan met wat een lobby-organisatie als AmCham haar verzoekt te doen. Je kunt dat partijprogramma dom vinden, onverantwoordelijk, of economische zelfmoord. Maar laten we alsjeblieft niet perplex staan wanneer een partij die aan de macht komt haar programma ook tracht uit te voeren.

– Dat gezegd zijnde: De PS heeft de procedure die leidt tot de aanbevelingen (lees: verplichtingen) van de Europese Commissie aan ons land mee goedgekeurd. Er rammelt vanalles aan die procedure – dat de Commissie een land een begroting kan opleggen zonder dat de burgers van dat land de Commissie ter verantwoording kunnen roepen is op z’n zachtst gezegd problematisch -, maar ze is wél mee goedgekeurd door de PS. Achteraf huilen is dan wat hypocriet.

Weg met de partijfinanciering!

Is er iets waarmee men makkelijker denkt te kunnen scoren dan met het afschilderen van politici als geldwolven die enkel met zichzelf bezig zijn? De reacties op de publicatie in De Tijd van de cijfers over de partijfinanciering waren dan ook allerminst verrassend: het lef van onze partijen om in deze tijden van crisis onze zuurverdiende centen naar zichzelf te versluizen! Schande! De N-VA –volgens het rapport de rijkste partij van het land, en nooit verlegen om een populistische uitspraak meer of minder– was er dan ook als de kippen bij om te pleiten voor een drastische vermindering van de partijtoelages. Er werd elders al gewezen op het tactische vernunft van dat pleidooi: omdat de kans dat andere partijen bereid zijn zichzelf een financiële strop om de hals te leggen vrij minimaal is, kun je jezelf voordoen als de enige partij die niet het eigen belang voorop stelt, terwijl je toch blijft genieten van de grootste geldstroom. Ka-tsjing!

Achter het pleidooi van de N-VA om partijen financieel droog te leggen, schuilt echter een nog veel kwalijker gedachtegang, één die er toe leidt dat partijen buitenspel gezet worden in de publieke discussie. Partijen dragen een bepaalde visie uit over de samenleving, een visie waarvan ze ons willen overtuigen en die ze, eens aan de macht, willen realiseren. En die visie strookt niet altijd met wat andere belangen voor ogen staat. Partijen dienen zich dan ook te wapenen opdat ze zich zouden kunnen staande houden in de publieke discussie: ze moeten kunnen voorleggen welke maatregelen noodzakelijk zijn, welke impact bepaalde regelgeving heeft, waartoe andere voorstellen zouden leiden, enzovoort. En dat vergt studie, studie, en nog eens studie. En studies kosten geld. Zonder eigen financiering worden partijen volledig afhankelijk gemaakt van wat bedrijven, lobbygroepen, werkgevers- en werknemersorganisaties, en administraties allerhande het voordelig achten mee te geven. Alsof Groen de discussie over nucleaire energie moet aangaan op basis van een dossier hen ‘als vriendendienst’ bezorgd door Electrabel.

Door het dicht draaien van de geldkraan verworden partijen tot louter de spreekbuis van externe krachten – precies wat de N-VA andere partijen verwijt (“de PS verdedigt enkel de belangen van de vakbond!”), maar waar ze zelf ook niet bepaald vies van zijn (“VOKA says so!”). Het pleidooi van de N-VA is een pleidooi om het politieke speelveld te laten bezetten door belangen die de kiezer niet ter verantwoording kan roepen. Je kunt je afvragen: wie wordt daar precies beter van?

Edit: Het argument en bref: Gebrekkige financiering leidt tot gebrekkig studiewerk, en gebrekkig studiewerk leidt tot een sterk verzwakte positie in het publieke debat van wie enige democratische legitimiteit kan claimen. Wie wordt daar beter van?

Democracy

If so much power lies outside the domain or the control of elected governments, it is surely odd to hold that the requirements of democracy are met when government alone is popularly elected and, in principle, accountable. Certainly it does nothing to enhance the reputation of democracy when its application is seen to be so restricted and its outcome so ineffectual. […] If we hold to the idea of democracy as popular power, then it is clear that the concentration of so much power in non-accountable hands, outside the control of elected bodies, is incompatible with democracy. Far from being outdated, this old and broad conception of democracy holds out the only hope of compensating for the weaknesses of elected representative assemblies, dwarfed as they presently are by the bureaucratic and monopolistic structures of power which surround them.

Political democracy itself has not been realized simply by giving every adult person a vote in general and local elections. The principle of equality of political power which is embodied in the possession by each and every citizen of one vote stands in sharp contrast to the blatant inequalities in the distribution of political power in almost every other important respect.

Anthony Arblaster, Democracy (1987).

Strijden voor gelijkheid

Ik geloof in gelijkheid. Ik geloof dat de staat de vrijheid en gelijkheid van al zijn burgers moet verzekeren. Al te vaak wordt dit streven naar gelijkheid echter begrepen als louter een streven naar sociaal-economische gelijkheid, een streven dat pas vervuld zou zijn wanneer iedereen precies even welvarend is, een streven gemotiveerd door afgunst. De staat zou dan een Grote GelijkmakingsMachine zijn, die iedereen door de mangel haalt en elk verschil uit een bont en blauw bewerkte mens perst. Hume, in zijn Enquiry Concerning the Principles of Morals, gebruikt scherpe bewoordingen om dit streven naar perfecte welvaartsgelijkheid te veroordelen:

Render possessions ever so equal, men’s different degrees of art, care, and industry will immediately break that equality. Or if you check these virtues, you reduce society to the most extreme indigence; and instead of preventing want and beggary in a few, render it unavoidable to the whole community. The most rigorous inquisition too is requisite to watch every inequality on its first appearance; and the most severe jurisdiction, to punish and redress it.

Het streven naar perfecte gelijkheid van bezit is niet alleen zinloos, zegt Hume, bovendien leidt het ook tot een verarming van de hele samenleving en vereist het een panoptische, almachtige dictatuur — geen prettig vooruitzicht. De woorden van Hume discrediteren echter geenszins elke notie van gelijkheid als een politieke basiswaarde: de interpretatie van gelijkheid in termen van bezit raakt immers niet aan de kern van wat het streven naar gelijkheid drijft.

Gelijkheid is in de eerste plaats een morele notie met belangrijke sociaal-politieke consequenties: willen we recht doen aan het fundamentele morele inzicht dat elke mens als mens gelijk is en dezelfde waarde heeft, dan volgt onvermijdelijk dat de samenleving aan elke mens evenveel waarde en gewicht moet hechten. Een samenleving is gelijk in de mate dat elke burger een volwaardig en evenwaardig lid van die samenleving is, en dus ook aan niemand onderworpen. Deze gelijkheid is niet een louter formeel-legalistische zaak: de gelijkheid van iedereen is niet verworven simpelweg met het gegeven dat bij verkiezingen ieder één stem heeft en dat de rule of law op iedereen op dezelfde manier van toepassing is (al lijkt dat wel een noodzakelijke voorwaarde te zijn); ze heeft bijvoorbeeld ook gevolgen voor de sociaal-economische organisatie van een samenleving. Als een volwaardig burger kunnen deelnemen aan de samenleving is immers maar mogelijk wanneer in bepaalde basisbehoeften is voorzien: een samenleving die de gelijke waarde van elke mens erkent, kan niet toestaan dat sommige van haar leden moeite hebben te voorzien in degelijke huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs. Een sociaal zekerheidsstelsel gedragen door de gemeenschap is dan ook niet alleen uit welbegrepen eigenbelang een goede zaak (want wat over meerderen verdeeld wordt, is makkelijker om dragen), maar ook gerechtvaardigd door de eis dat elk van haar leden een evenwaardig burger kan zijn. We kunnen niet doen alsof iemand die aan de rand van de samenleving staat geen reden heeft zich geen volwaardig burger te voelen omdat zijn formele rechten niet geschonden worden.

Bovendien mag het wel zo zijn dat Hume gelijk heeft wanneer hij beweert dat perfecte gelijkheid in bezit noch mogelijk, noch wenselijk is, dat neemt niet weg dat een te grote ongelijkheid evenzeer kwalijke gevolgen heeft. In Le Contrat Social vat Rousseau de gedachtegang op karakteristieke wijze samen. De vrijheid en gelijkheid van elkeen vereist op zijn minst, schrijft hij,

… que nul citoyen ne soit assez opulent pour en pouvoir acheter un autre, & nul assez pauvre pour être contraint de se vendre.

Waar de ene de wanhopige situatie van een ander kan uitbuiten voor eigen gewin, daar schendt de samenleving het gelijkheidsbeginsel, dat zegt dat elke burger een volwaardig en evenwaardig lid is van de samenleving, aan niemand onderworpen — en wie er aan mocht twijfelen of dit nog wel een relevant gegeven is bij ons in België, hoeft alleen maar aan het wijdverspreide fenomeen van huisjesmelkerij te denken. Maar ook op een ander niveau speelt het gegeven dat de concentratie van kapitaal in de handen van enkelen fundamenteel ongelijke machtsrelaties instelt. Om het met een boutade te zeggen: Wanneer de CEO van Moody’s zijn stem verheft, beeft Europa; wanneer mijn moeder haar stem verheft, beeft alleen zijzelf. Hoe je het ook draait of keert, dit is diep problematisch voor een democratie die zich erop voorstaat dat elke stem even zwaar telt. Enkel door zich ook te organiseren en zo hun stem luider te laten klinken, kunnen mensen proberen weerwerk te bieden aan de macht van het georganiseerde kapitaal.

Zelfs waar alle formele rechten verzekerd zijn, kan sociaal-economische ongelijkheid dus leiden tot sociaal-politieke ongelijkheid. Deze laatste ongelijkheid, die mensen veroordeelt tot het statuut van minderwaardig lid van de samenleving, doet zich echter ook voor op andere manieren. De strijd voor vrouwenrechten, bijvoorbeeld, moet niet alleen begrepen worden als een strijd voor formele en sociaal-economische gelijkheid, maar ook als een strijd om door de samenleving als volwaardig en evenwaardig erkend te worden, aan niemand onderworpen. Het heeft tot 1948 geduurd voor vrouwen algemeen stemrecht kregen, en tot 1976 voor vrouwen zonder toestemming van hun echtgenoot een bankrekening mochten openen. Het problematische karakter hiervan was niet louter dat andere wetten golden voor vrouwen als voor mannen: het vernederende was dat vrouwen niet voor vol werden aanzien. Niet in staat zich een eigen mening te vormen (een van de achterliggende redenen voor de socialistische partij om zo lang het been stijf te houden in de strijd voor vrouwenrechten — ze zouden immers toch maar het stemadvies van meneer pastoor volgen), en onderworpen aan de man: een vrouw kon niet anders dan zich het ondergeschoven kind van de gemeenschap voelen.

Maar ook nu nog, nu vrouwen formeel dezelfde rechten bezitten als mannen, zijn maatschappelijke mechanismen aan het werk die vrouwen hun gelijke statuut in de samenleving ontzeggen. Zowel aan de top van het bedrijfsleven als aan de top van de academische wereld zijn vrouwen opvallend afwezig. Het punt is hier niet eens of de afwezigheid van vrouwen een bewuste strategie is: we mogen er vanuit gaan dat elk selectiecomité van zichzelf denkt de meest bekwame persoon voor een job te selecteren, of dat nu een man of een vrouw is. Blijft de vaststelling dat van alle professoren aan de KU Leuven 88% man is, en slechts 12% vrouw. Is het een wonder dat vrouwen beweren dat ze niet als gelijk aanzien worden? En is dat gevoel dan niet gerechtvaardigd? Of we het nu graag hebben of niet, aan posities aan de top van de politiek, van het bedrijfsleven, en van de academische wereld kleeft een prestige en een gewicht die andere posities veel minder genieten, en het zijn net die maatschappelijk prestigieuze en invloedrijke posities die in grote mate gedomineerd worden door mannen. Wanneer de hoofdrolspelers de scène betreden, verdwijnen vrouwen van het toneel. Vandaar ook dat het niet opgaat —in respons op de vragen over het ontbreken van vrouwen aan de top— te wijzen op het grotendeels ontbreken van mannen in bijvoorbeeld het onderwijs. Hun ondervertegenwoordig daar bedreigt hun maatschappelijke status niet op dezelfde manier als de ondervertegenwoordiging van vrouwen aan de top hun maatschappelijke status bedreigt. Zolang het hoogst uitzonderlijk is dat een vrouw een maatschappelijke toppositie bekleedt, hebben vrouwen alle reden te denken dat hen hun rechtmatige gelijke positie in de samenleving ontzegd wordt, en is de strijd voor vrouwenrechten nog niet gestreden.

Het streven naar gelijkheid is geen streven gemotiveerd door afgunst. Het is een strijd gedreven door verontwaardiging. En zolang er mensen zijn wier positie in de samenleving onder druk staat, wier gelijke waarde miskend wordt, is alleen verontwaardiging op zijn plaats.

Naar aanleiding van de vraag: Is politiek van iedereen?

Heibel in Vlaanderen: CD&V-Gent zet een persoon met een verstandelijke handicap op de lijst. De reacties vielen te voorspellen: als het al geen verkiezingsstunt was, dan wel simpelweg clownesk. Een interessantere reactie was die van Nancy Lievyns en Jos Wouters, stafmedewerkers bij GRIP (Gelijke Rechten voor Iedere Persoon met een handicap vzw). Zij sprongen CD&V bij, want, zo schrijven ze, “we leven in een diverse samenleving. Ons politiek systeem moet daarvan een afspiegeling zijn.” Er wonen mannen en vrouwen in Gent, in Vlaanderen, in België, hetero’s en homo’s, autochtonen en allochtonen, mensen met deze of gene handicap – en die moeten allen hun plaatsje krijgen op de banken van de gemeenteraad of het parlement, want “alleen dan worden alle mensen vertegenwoordigd.”

Maar is dat geen enorm verarmend beeld van wat representativiteit in onze democratie inhoudt? Lievyns en Wouters vertrekken vanuit de veronderstelling dat alleen wie op mij lijkt (fysiek, mentaal, in sociale positie of maatschappelijke rol…), mij ook legitiem kan vertegenwoordigen. Alleen wie samen met mij in hetzelfde hokje geplaatst kan worden, mag pretenderen voor mij en mijn hokje in gemeenteraad of parlement te zetelen – een parlement dat blijkbaar moet gezien worden als een strijdtoneel waar elke vertegenwoordiger zoveel mogelijk moet zien binnen te halen voor hem of haar en wie genoeg op hem of haar lijkt.

Dit beeld van wat een representatieve vertegenwoordiging hoort in te houden is niet nieuw, maar het is jammer dat het meer en meer opgang vindt. Het is het beeld van een democratie waarin we mensen niet kiezen omdat we geloven dat zij, elk naar eigen inzicht, het belang van allen en de hele samenleving voor ogen hebben, maar omdat we geloven dat ze het best ons eigen belang kunnen verdedigen, tegen de belangen van anderen in. Het is waarschijnlijk pijnlijk naïef van me, maar ik hoop dat een volksvertegenwoordig meer kan en mag zijn dan de verdediger van een particulier groepsbelang – ik hoop dat hij of zij echt een volksvertegenwoordiger kan zijn. Of zoals Edmund Burke het formuleerde:

Parliament is not a congress of ambassadors from different and hostile interests, which interest each must maintain, as an agent and advocate, against other agents and advocates; but Parliament is a deliberative assembly of one nation, with one interest, that of the whole. … You choose a member, indeed; but when you have chosen him he is not a member of Bristol, but he is a member of Parliament.

Het is aan ons om te kiezen aan welke standaarden we onze volksvertegenwoordigers willen houden; wanneer we hen louter zien als de verdedigers van de belangen van wie het meest op hen lijkt (fysiek, mentaal, in sociale positie of maatschappelijke rol…), is dat een keuze die we zelf hebben gemaakt.