“I want us to trade our skins and our experiences”

Een open brief van de Zweedse auteur Jonas Hassen Khemiri, verschenen in het dagblad Dagens Nyheter, aan minister van Justitie Beatrice Ask, vertaald door Rachel Willson-Broyles voor het tijdschrift Asymptote. De brief van Khemiri werd al snel een van de meest gedeelde teksten in de Zweedse geschiedenis. Lees de brief helemaal, en je zult zien waarom. Behoorlijk heftig. En behoorlijk relevant. Enkele citaten:

I am writing to you with a simple request, Beatrice Ask. I want us to trade our skins and our experiences. Come on. Let’s just do it. […] For twenty-four hours we’ll borrow each other’s bodies. First I’ll be in your body to understand what it’s like to be a woman in the patriarchal world of politics. Then you can borrow my skin to understand that when you go out into the street, down into the subway, into the shopping center, and see the policeman standing there, with the Law on his side, with the right to approach you and ask you to prove your innocence, it brings back memories.

[…]

Jonas Hassen Khemiri

Jonas Hassen Khemiri

Being twelve and going into Mega Skivakademien to listen to CDs, and every time we go there the security guards circle like sharks, they talk into walkie-talkies, they follow us at a distance of only a few meters. And we try to act normal, we strive to make our body language maximally noncriminal. Walk normally, Beatrice. Breathe as usual. Walk up to that shelf of CDs and reach for that Tupac album in a way that indicates you are not planning to steal it.

[…]

We sat in the police van for twenty minutes. Alone. But not really alone. Because a hundred people were walking by. And they looked in at us with a look that whispered, “There. One more. Yet another one who is acting in complete accordance with our prejudices.”

And I wish you had been with me in the police van, Beatrice Ask. But you weren’t. I sat there alone. And I met all the eyes walking by and tried to show them that I wasn’t guilty, that I had just been standing in a place and looking a particular way. But it’s hard to argue your innocence in the back seat of a police van.

A certain Minister of Justice explained that this had nothing to do with racial profiling but rather “personal experiences.” The routines of power. The practices of violence. Everyone was just doing their job. The security guards, the police, the customs officials, the politicians, the people.

[…]

And tonight in a bar line near you, non-white people systematically spread themselves out so as not to be stopped by the bouncer, and tomorrow in your housing queue those with foreign names are using their partners’ last names so as not to be dropped, and just now, in a job application, a completely average Swede wrote “BORN AND RAISED IN SWEDEN” in capital letters just because she knows what will happen otherwise. Everyone knows what will happen otherwise. But no one does anything.

Strijden voor gelijkheid

Ik geloof in gelijkheid. Ik geloof dat de staat de vrijheid en gelijkheid van al zijn burgers moet verzekeren. Al te vaak wordt dit streven naar gelijkheid echter begrepen als louter een streven naar sociaal-economische gelijkheid, een streven dat pas vervuld zou zijn wanneer iedereen precies even welvarend is, een streven gemotiveerd door afgunst. De staat zou dan een Grote GelijkmakingsMachine zijn, die iedereen door de mangel haalt en elk verschil uit een bont en blauw bewerkte mens perst. Hume, in zijn Enquiry Concerning the Principles of Morals, gebruikt scherpe bewoordingen om dit streven naar perfecte welvaartsgelijkheid te veroordelen:

Render possessions ever so equal, men’s different degrees of art, care, and industry will immediately break that equality. Or if you check these virtues, you reduce society to the most extreme indigence; and instead of preventing want and beggary in a few, render it unavoidable to the whole community. The most rigorous inquisition too is requisite to watch every inequality on its first appearance; and the most severe jurisdiction, to punish and redress it.

Het streven naar perfecte gelijkheid van bezit is niet alleen zinloos, zegt Hume, bovendien leidt het ook tot een verarming van de hele samenleving en vereist het een panoptische, almachtige dictatuur — geen prettig vooruitzicht. De woorden van Hume discrediteren echter geenszins elke notie van gelijkheid als een politieke basiswaarde: de interpretatie van gelijkheid in termen van bezit raakt immers niet aan de kern van wat het streven naar gelijkheid drijft.

Gelijkheid is in de eerste plaats een morele notie met belangrijke sociaal-politieke consequenties: willen we recht doen aan het fundamentele morele inzicht dat elke mens als mens gelijk is en dezelfde waarde heeft, dan volgt onvermijdelijk dat de samenleving aan elke mens evenveel waarde en gewicht moet hechten. Een samenleving is gelijk in de mate dat elke burger een volwaardig en evenwaardig lid van die samenleving is, en dus ook aan niemand onderworpen. Deze gelijkheid is niet een louter formeel-legalistische zaak: de gelijkheid van iedereen is niet verworven simpelweg met het gegeven dat bij verkiezingen ieder één stem heeft en dat de rule of law op iedereen op dezelfde manier van toepassing is (al lijkt dat wel een noodzakelijke voorwaarde te zijn); ze heeft bijvoorbeeld ook gevolgen voor de sociaal-economische organisatie van een samenleving. Als een volwaardig burger kunnen deelnemen aan de samenleving is immers maar mogelijk wanneer in bepaalde basisbehoeften is voorzien: een samenleving die de gelijke waarde van elke mens erkent, kan niet toestaan dat sommige van haar leden moeite hebben te voorzien in degelijke huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs. Een sociaal zekerheidsstelsel gedragen door de gemeenschap is dan ook niet alleen uit welbegrepen eigenbelang een goede zaak (want wat over meerderen verdeeld wordt, is makkelijker om dragen), maar ook gerechtvaardigd door de eis dat elk van haar leden een evenwaardig burger kan zijn. We kunnen niet doen alsof iemand die aan de rand van de samenleving staat geen reden heeft zich geen volwaardig burger te voelen omdat zijn formele rechten niet geschonden worden.

Bovendien mag het wel zo zijn dat Hume gelijk heeft wanneer hij beweert dat perfecte gelijkheid in bezit noch mogelijk, noch wenselijk is, dat neemt niet weg dat een te grote ongelijkheid evenzeer kwalijke gevolgen heeft. In Le Contrat Social vat Rousseau de gedachtegang op karakteristieke wijze samen. De vrijheid en gelijkheid van elkeen vereist op zijn minst, schrijft hij,

… que nul citoyen ne soit assez opulent pour en pouvoir acheter un autre, & nul assez pauvre pour être contraint de se vendre.

Waar de ene de wanhopige situatie van een ander kan uitbuiten voor eigen gewin, daar schendt de samenleving het gelijkheidsbeginsel, dat zegt dat elke burger een volwaardig en evenwaardig lid is van de samenleving, aan niemand onderworpen — en wie er aan mocht twijfelen of dit nog wel een relevant gegeven is bij ons in België, hoeft alleen maar aan het wijdverspreide fenomeen van huisjesmelkerij te denken. Maar ook op een ander niveau speelt het gegeven dat de concentratie van kapitaal in de handen van enkelen fundamenteel ongelijke machtsrelaties instelt. Om het met een boutade te zeggen: Wanneer de CEO van Moody’s zijn stem verheft, beeft Europa; wanneer mijn moeder haar stem verheft, beeft alleen zijzelf. Hoe je het ook draait of keert, dit is diep problematisch voor een democratie die zich erop voorstaat dat elke stem even zwaar telt. Enkel door zich ook te organiseren en zo hun stem luider te laten klinken, kunnen mensen proberen weerwerk te bieden aan de macht van het georganiseerde kapitaal.

Zelfs waar alle formele rechten verzekerd zijn, kan sociaal-economische ongelijkheid dus leiden tot sociaal-politieke ongelijkheid. Deze laatste ongelijkheid, die mensen veroordeelt tot het statuut van minderwaardig lid van de samenleving, doet zich echter ook voor op andere manieren. De strijd voor vrouwenrechten, bijvoorbeeld, moet niet alleen begrepen worden als een strijd voor formele en sociaal-economische gelijkheid, maar ook als een strijd om door de samenleving als volwaardig en evenwaardig erkend te worden, aan niemand onderworpen. Het heeft tot 1948 geduurd voor vrouwen algemeen stemrecht kregen, en tot 1976 voor vrouwen zonder toestemming van hun echtgenoot een bankrekening mochten openen. Het problematische karakter hiervan was niet louter dat andere wetten golden voor vrouwen als voor mannen: het vernederende was dat vrouwen niet voor vol werden aanzien. Niet in staat zich een eigen mening te vormen (een van de achterliggende redenen voor de socialistische partij om zo lang het been stijf te houden in de strijd voor vrouwenrechten — ze zouden immers toch maar het stemadvies van meneer pastoor volgen), en onderworpen aan de man: een vrouw kon niet anders dan zich het ondergeschoven kind van de gemeenschap voelen.

Maar ook nu nog, nu vrouwen formeel dezelfde rechten bezitten als mannen, zijn maatschappelijke mechanismen aan het werk die vrouwen hun gelijke statuut in de samenleving ontzeggen. Zowel aan de top van het bedrijfsleven als aan de top van de academische wereld zijn vrouwen opvallend afwezig. Het punt is hier niet eens of de afwezigheid van vrouwen een bewuste strategie is: we mogen er vanuit gaan dat elk selectiecomité van zichzelf denkt de meest bekwame persoon voor een job te selecteren, of dat nu een man of een vrouw is. Blijft de vaststelling dat van alle professoren aan de KU Leuven 88% man is, en slechts 12% vrouw. Is het een wonder dat vrouwen beweren dat ze niet als gelijk aanzien worden? En is dat gevoel dan niet gerechtvaardigd? Of we het nu graag hebben of niet, aan posities aan de top van de politiek, van het bedrijfsleven, en van de academische wereld kleeft een prestige en een gewicht die andere posities veel minder genieten, en het zijn net die maatschappelijk prestigieuze en invloedrijke posities die in grote mate gedomineerd worden door mannen. Wanneer de hoofdrolspelers de scène betreden, verdwijnen vrouwen van het toneel. Vandaar ook dat het niet opgaat —in respons op de vragen over het ontbreken van vrouwen aan de top— te wijzen op het grotendeels ontbreken van mannen in bijvoorbeeld het onderwijs. Hun ondervertegenwoordig daar bedreigt hun maatschappelijke status niet op dezelfde manier als de ondervertegenwoordiging van vrouwen aan de top hun maatschappelijke status bedreigt. Zolang het hoogst uitzonderlijk is dat een vrouw een maatschappelijke toppositie bekleedt, hebben vrouwen alle reden te denken dat hen hun rechtmatige gelijke positie in de samenleving ontzegd wordt, en is de strijd voor vrouwenrechten nog niet gestreden.

Het streven naar gelijkheid is geen streven gemotiveerd door afgunst. Het is een strijd gedreven door verontwaardiging. En zolang er mensen zijn wier positie in de samenleving onder druk staat, wier gelijke waarde miskend wordt, is alleen verontwaardiging op zijn plaats.

Mill en Vermeersch

Zou J.S. Mill het in de inleiding van On Liberty over Etienne Vermeersch hebben gehad?

Some of those modern reformers who have placed themselves in strongest opposition to the religions of the past, have been noway behind either churches or sects in their assertions of the right of spiritual domination.

Goede bedoelingen monden al te vaak uit in hun tegendeel. Het ideaalbeeld van een illusoire neutraliteit waaraan elkeen zou moeten voldoen is net zo goed een instrument van onderdrukking als elk door een religie opgelegd ideaalbeeld.

Bij de dood van Chávez

Vertel mij, mijn lieve linkse vrienden, vertel mij, vanwaar de elegieën voor Chávez? Vanwaar de eerbetuigingen voor een man die van mensenrechten een vod papier maakte? Vanwaar het ophemelen van iemand die Putin en Lukashenko, Assad en Kim Jong-il tot zijn grootste medestanders rekende? Vanwaar het rondtwitteren van ‘Hasta siempre, comandante’ voor een luitenant-kolonel onder wiens bewind het geweld door het dak ging en de economie door de vloer zakte? Het zijn moeilijke tijden voor links, en links heeft een held nodig. Maar alsjeblieft, ik bid je, laat Chávez niet die held zijn.

Je roept moord en brand wanneer de persvrijheid wordt ondergraven, de rechterlijke onafhankelijkheid beknot, en de democratische instellingen uitgehold — maar niet als het in naam van gelijkheid en solidariteit gebeurt: de revolutie rechtvaardigt veel, als je maar de juiste retoriek hanteert. Maar hoe kan je komen tot een samenleving waarin iedereen onbevreesd het woord durft nemen en waarin naar ieders stem evenzeer geluisterd wordt, wanneer een ongepaste mening als volksvijandig wordt afgebrand? Hoe kan je komen tot een samenleving waarin iedereen op gelijke voet behandeld wordt, wanneer één man je kan maken en kraken? Hoe kan je gelijkheid bekomen waar de rule of law plaats moet ruimen voor de rule by law? Hoe kan kan je gelijkheid bekomen door gelijkheid te ondermijnen?

Niemand zou zich de mindere mogen voelen van een ander; niemand mag in een positie belanden waarin hij een goede reden heeft zich vernederd te voelen. Dat vereist gelijkheid voor de wet en een gegarandeerde vrijheid van spreken en handelen, maar ook dat niemand de speelbal kan worden van een ander, en dat niemand in armoede moet leven. Chávez leek dat begrepen te hebben. Daarom had hij de mond vol van solidariteit. In een solidaire samenleving neemt de gemeenschap haar verantwoordelijk tegenover elk van haar leden als vanzelfsprekend op. Ze staat niet toe dat iemand zijn hand moet ophouden en moet rekenen op de welwillendheid van een ander om rond te komen. Daarom zijn instellingen nodig van de gemeenschap, voor de gemeenschap, instellingen waaraan iedereen bijdraagt en waarmee iedereen wordt ondersteund, zodat solidariteit gezien wordt als de gemeenschap die haar verantwoordelijkheid opneemt voor elk van haar leden. Solidariteit rijmt dus niet met liefdadigheid.

Maar wat deed Chávez? Ondanks alle retoriek over solidariteit, is wat hij organiseerde een door de staat gefinancierde liefdadigheid in zijn naam. Chávez is de behoeder der armen. Chávez is de man van wie de weldaad komt. Chávez is de bron van gelijkheid. — Dat is georganiseerde afhankelijkheid, geen solidariteit, georganiseerde afhankelijkheid bovendien die, door het vast te haken aan de persoon van Chávez, de legitimiteit van de staat ondergraaft — en daarmee ook de legitimiteit van geïnstitutionaliseerde solidariteit. Zo’n systeem is gedoemd ten onder te gaan.

Chávez verkwanselde de kans om een solidaire samenleving te bouwen, en hij verkwanselde de kans om een democratische samenleving te bouwen. Vanwaar dus je lofzangen? Ook zonder hem heeft links zijn helden. Toch?