Streeck over de noodzaak van de natiestaat en het einde van het kapitalisme

Als het kapitalisme al niet dood is, dan toch wel stervende, aldus de Duitse socioloog Wolfgang Streeck in How Will Capitalism End?, een bundeling essays geschreven sinds de financiële crisis, waarin hij de onvermijdelijke ondergang van het kapitalistische bestel beschrijft. Dat bestel is ten dode opgeschreven niet omdat er een alternatief klaar zou staan dat een beter antwoord zou bieden op de uitdagingen van deze tijd (een overtuigende visie op een meer rechtvaardige maatschappij, en hoe daar te komen, ontbreekt ten enen male nog altijd), maar omdat het kapitalisme bezwijkt onder zijn interne contradicties. Het is te succesvol geworden, heeft de beperkingen die het leefbaar had kunnen houden uit de weg geruimd, waardoor het alle domeinen van het leven heeft overwoekerd en zo de fundamenten van de maatschappij zelf heeft ondermijnd. Waar geen enkele limiet meer staat op het behandelen als louter handelswaar van land, geld, en arbeid, waar zij louter als middel worden gezien tot het vergaren van meer rijkdom, daar wordt het samenleven zelf onmogelijk gemaakt — wat meteen ook het einde van een kapitalistische samenleving betekent.

streeck

Dat wil echter niet zeggen dat we mogen hopen morgen te ontwaken in een nieuwe maatschappij, precies omdat er geen enkel alternatief voorhanden lijkt te zijn:

Before capitalism will go to hell, then, it will for the foreseeable future hang in limbo, dead or about to die from an overdose of itself but still very much around, as nobody will have the power to move its decaying body out of the way.

Wat ons rest is geen ‘echte’ samenleving meer, maar een steeds verder om zich heen grijpende “sociale entropie, of wanorde”; geen samenleving maar “minder dan een samenleving, een post-sociale samenleving”, waar het ieder voor zich is en ieder apart voor z’n eigen veiligheid en z’n eigen zekerheid zal moeten instaan. In zulk een ‘samenleving’ zal elk voor zich moeten “worstelen om zich te beschermen tegen dreigend ongeluk en structurele druk op hun sociale en economische status”, terwijl de wereld “elk moment getroffen kan worden door rampspoed, zoals imploderende bubbels, of geweld dat vanuit een in elkaar stortende periferie het centrum penetreert.”

Een optimist kan men Streeck alleszins niet noemen: hij wijst erop dat de geschiedenis “ook verlies kent, een beweging van beschaving naar een langere periode van barbarij, zoals die blijkbaar volgde op het ineenstuiken van het Westerse Romeinse Rijk.” Die vergelijking is geen toevalstreffer; Streeck herneemt ze meermaals. Want nu, net als toen en in de ‘Dark Ages’ die volgden, leven we in onzekere en onveilige tijden, terwijl oligarchen en krijgsheren profiteren van de chaos.

We heeft er schuld aan dit apocalyptische scenario dat zich volgens Streeck voor onze ogen afspeelt?  De vloedgolf van het neoliberalisme heeft “staten, overheden, grenzen, vakbonden en andere matigende krachten” volledig weggespoeld, en daarmee alle mogelijkheden om het kapitalisme in te dijken. Absoluut cruciaal hier, en het punt dat Streeck doorheen de verschillende essays steeds weer herneemt, is het wegvallen van grenzen tussen natiestaten; zijn boek had net zo goed “De noodzaak van de natiestaat” kunnen heten.

Een dubbel antagonisme ligt aan de basis van Streecks analyse van onze tijd: die tussen wat hij ‘Marktvolk’ en ‘Staatsvolk’ noemt enerzijds, en die tussen ‘centrum’ en ‘periferie’ anderzijds. Het wegvallen van grenzen en de verzwakking van de natiestaat levert het Staatsvolk (de ‘gewone’ burger) over aan de egoïstische willekeur van het Marktvolk (een internationale kaste van financierders en oligarchen) en het centrum (Duitsland en enkele omliggende landen) aan het economische en fysieke geweld van de periferie. Het is geen toeval dat het net de herauten van het neoliberalisme zijn die de mond vol hebben van open grenzen, al verschuilen zij zich dan achter mooie praatjes over “persoonlijke vrijheid en mensenrechten”. Hun enige doel was echter altijd: de macht van het volk breken. Immigratie, en het spook van een onuitputtelijke arbeidsreserve in de periferie waarmee arbeiders in het centrum door het wegvallen van grenzen plots moeten concurreren, breekt de eenheid, de solidariteit, en daarmee de kracht van de arbeidersklasse, terwijl door het opgaan van natiestaten in supranationale molochen zoals de Europese Unie de werkelijke beslissingsmacht geëvacueerd wordt naar onzichtbare en onaantastbare controlecentra waar het volk niets meer te zeggen heeft. De staat, of wat er nog van overblijft, wordt zo volledig de speelbal van het Marktvolk, die haar kan inzetten als instrument en beschermheer van de zogenaamde vrije markt, tegen het ‘echte’ volk in, zonder enige tegenmacht. Het wegvallen van grenzen, en daarmee van wat een natiestaat tot natiestaat maakt, is zo niet meer of minder dan de voorwaarde voor de ultieme overwinning van het ongebreidelde kapitalisme — en daarmee van zijn eigen neergang in een maatschappij waar het elk voor zich is, “minder dan een samenleving, een post-sociale samenleving.”

Gegeven deze diagnose, ligt Streecks remedie voor de hand: het kapitalisme weer onder controle krijgen zal alleen lukken wanneer we de slagbomen aan de grenzen weer sluiten en de souvereiniteit van de natiestaat herstellen. Alleen een terugkeer naar gesloten nationale economieën, of een “deglobalisering van het kapitalisme”, zoals hij het noemt, kan de wederopstanding van de samenleving mogelijk maken. Het is echter volstrekt onduidelijk waarom Streeck denkt dat de duistere kliek van financierders en oligarchen die hij identificeert als het Marktvolk hun greep op de staatsmacht zou lossen binnen de grenzen van een versterkte natiestaat; waar hij de bron van het huidige neoliberalisme ziet in het ordoliberalisme geeft hij trouwens zelf aan dat die duistere kliek een sterke staatsmacht steeds opnieuw zal gebruiken tegen de rechtmatige eisen van het volk in. Wat zou er nu dan anders zijn? Wat maakt dat het volk zich bij een terugkeer van de soevereine natiestaat wel afdoende zou kunnen organiseren en verenigen om een tegenmacht te vormen? Streeck wijst hier op het belang van “sociale cohesie”, die alleen binnen de grenzen van een natiestaat voldoende opgebouwd kan worden om een systeem van geïnstitutionaliseerde solidariteit op poten te zetten bestand tegen neoliberale aanvallen. Maar tegelijk geeft hij zelf ook aan dat die sociale cohesie ook binnen een natiestaat niet gegarandeerd is, wanneer de onderlinge verschillen binnen het volk te groot zijn.

Eén van de stokpaardjes van Streeck is de noodzaak de euro op te breken en terug te keren naar nationale munten want, zegt hij, de euro heeft een “transferunie” noodzakelijk gemaakt tussen noord en zuid die niet meer of minder is dan “a levy on northern taxpayers for the higher productivity of their countries’ corporations” zonder dat er een economische regeneratie van ‘het zuiden’ tegenover staat. Hardwerkende Noord-Europeanen zullen die subsidiëring van ‘het zuiden’ niet blijven tolereren; de ontmanteling van die transferunie, en daarmee dus ook van de euro, is dan ook noodzakelijk. Opvallend genoeg illustreert Streeck zijn argument met het voorbeeld van Italië, waar het zuiden ook al minstens sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog afhankelijk is van het noorden, en waar ‘het geduld’ volgens Streeck ook opraakt: de sociale cohesie die geïnstitutionaliseerde solidariteit mogelijk maakt ontbreekt. Moet dus, volgens zijn logica, na de euro ook Italië maar opgebroken worden? Vereist een natiestaat naar zijn model, een natiestaat die sterk genoeg is om een samenleving in stand te houden, een voldoende mate van homogeniteit die alvast Italië niet heeft? Waar de grenzen eerst rond de natiestaten werden getrokken in naam van het beschermen van samenleving en solidariteit, moeten er nu grenzen getrokken worden binnen die staten.

En daar stopt het niet. Het wegvallen van grenzen opende ‘het centrum’ voor ‘de periferie’, wat voor Streeck niet meer is dan een oord van sweatshops die de eerlijke arbeid van ‘onze’ werknemers ondermijnen, een zone die “onontkombaar uit elkaar valt”, waar “fundamentalistische religieuze bewegingen de controle hebben overgenomen”, een bron van “migratie naar het centrum” die toegejuicht wordt door neoliberalen omdat “de import van arbeid uit de periferie” en “etnische diversiteit” arbeiders “onderdanig” maakt, de arbeidersklasse “verdeelt”, onderlinge solidariteit onmogelijk maakt, en zo de macht van het kapitaal tegenover een door hun diversiteit niet te organiseren en niet te verenigen arbeidersklasse onaantastbaar maakt. Bovendien ontmoeten die nieuwe migranten uit de periferie hier de nakomelingen van voorgaande migratiestromen: een kaste “die heeft opgegeven ooit deel uit te maken van de kapitalistisch-consumeristische mainstream van hun samenleving”, wat leidt tot “another migration, this time of the violence that is destroying the stateless societies of the periphery into the metropolis, in the form of the ‘terrorism’ of a new class of ‘primitive rebels’.” Als deze analyse klopt, is het moeilijk te zien hoe het sluiten van grenzen soelaas kan bieden: de periferie is al te diep doorgedrongen in het centrum, volgens Streecks eigen analyse; de etnische diversiteit die de arbeidersklasse verdeelt en machteloos maakt, verhindert de sociale cohesie die inclusieve solidariteit vereist. Als etnische diversiteit binnen één land de macht van het volk breekt, kan alleen etnische homogeniteit hier een oplossing bieden. Opnieuw leidt Streecks nadruk op het trekken van grenzen tussen natiestaten in naam van het beschermen van samenleving en solidariteit, dus tot het trekken van grenzen binnen die staten.

Streeck weet misschien wel waar hij begint wanneer hij een internationale kaste van financierders en groepen migranten die het centrum infiltreren vanuit de periferie identificeert als de ondermijners van de sociale cohesie en de volkssolidariteit, hij wil niet weten waar het eindigt. Een socialisme dat zich fundeert op scherpe grenzen tussen de eigen groep en buitenstaanders maakt misschien wel voor analyses die populair zijn bij Alternative für Deutschland, het leidt vooral tot gevaarlijke ontsporingen.

– Deze bijdrage verscheen in het februari-nummer van Samenleving en Politiek.

Een gedachte over “Streeck over de noodzaak van de natiestaat en het einde van het kapitalisme

  1. Interessant leesvoer, vooral de terminologie inzake “marktvolk”. De paradox van dit alles is dat we na WOII door het supra-nationaliseren van oorlogsindustrieën zoals kolen en staal (EGKS -> EEG –> EG –> EU) daar zelf aan hebben meegewerkt. Visionaire geesten à la Schumann hebben op die manier het politieke doel (vrede op het Europese continent) gerealiseerd met economische middelen. Ergens langsheen dat traject heeft het “marktvolk” dat overgenomen (gekaapt) en er een economisch project (eenheidsmarkt, euro, vrij verkeer) van gemaakt dat diende gerealiseerd te worden met politieke middelen. Misschien zijn we het slachtoffer van ons eigen succes, of waren we blind voor de gevaren? Het drama is dat er wel een economisch Europa is gekomen voor het “marktvolk” maar dat het politieke-fiscale-sociale-militaire Europa voor het “staatsvolk” er nooit kwam. Vooral omdat het “marktvolk” al zijn doelstellingen reeds realiseerde.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s