Fiscaal optimaliseren en de ring van Gyges

[Belastingen ontduiken via Luxemburgse postbusfirma’s] is fraude. Het is zelfs een beetje naïef. Want de fiscus kan dat gemakkelijk achterhalen en bewijzen. […] Het zou niet zo courant mogen zijn, want het is onverdedigbaar als het uitkomt.

Thierry Afschrift, fiscaal advocaat en hoogleraar, toont ons in De Tijd zijn moreel kompas.

Bij de dood van Chávez

Vertel mij, mijn lieve linkse vrienden, vertel mij, vanwaar de elegieën voor Chávez? Vanwaar de eerbetuigingen voor een man die van mensenrechten een vod papier maakte? Vanwaar het ophemelen van iemand die Putin en Lukashenko, Assad en Kim Jong-il tot zijn grootste medestanders rekende? Vanwaar het rondtwitteren van ‘Hasta siempre, comandante’ voor een luitenant-kolonel onder wiens bewind het geweld door het dak ging en de economie door de vloer zakte? Het zijn moeilijke tijden voor links, en links heeft een held nodig. Maar alsjeblieft, ik bid je, laat Chávez niet die held zijn.

Je roept moord en brand wanneer de persvrijheid wordt ondergraven, de rechterlijke onafhankelijkheid beknot, en de democratische instellingen uitgehold — maar niet als het in naam van gelijkheid en solidariteit gebeurt: de revolutie rechtvaardigt veel, als je maar de juiste retoriek hanteert. Maar hoe kan je komen tot een samenleving waarin iedereen onbevreesd het woord durft nemen en waarin naar ieders stem evenzeer geluisterd wordt, wanneer een ongepaste mening als volksvijandig wordt afgebrand? Hoe kan je komen tot een samenleving waarin iedereen op gelijke voet behandeld wordt, wanneer één man je kan maken en kraken? Hoe kan je gelijkheid bekomen waar de rule of law plaats moet ruimen voor de rule by law? Hoe kan kan je gelijkheid bekomen door gelijkheid te ondermijnen?

Niemand zou zich de mindere mogen voelen van een ander; niemand mag in een positie belanden waarin hij een goede reden heeft zich vernederd te voelen. Dat vereist gelijkheid voor de wet en een gegarandeerde vrijheid van spreken en handelen, maar ook dat niemand de speelbal kan worden van een ander, en dat niemand in armoede moet leven. Chávez leek dat begrepen te hebben. Daarom had hij de mond vol van solidariteit. In een solidaire samenleving neemt de gemeenschap haar verantwoordelijk tegenover elk van haar leden als vanzelfsprekend op. Ze staat niet toe dat iemand zijn hand moet ophouden en moet rekenen op de welwillendheid van een ander om rond te komen. Daarom zijn instellingen nodig van de gemeenschap, voor de gemeenschap, instellingen waaraan iedereen bijdraagt en waarmee iedereen wordt ondersteund, zodat solidariteit gezien wordt als de gemeenschap die haar verantwoordelijkheid opneemt voor elk van haar leden. Solidariteit rijmt dus niet met liefdadigheid.

Maar wat deed Chávez? Ondanks alle retoriek over solidariteit, is wat hij organiseerde een door de staat gefinancierde liefdadigheid in zijn naam. Chávez is de behoeder der armen. Chávez is de man van wie de weldaad komt. Chávez is de bron van gelijkheid. — Dat is georganiseerde afhankelijkheid, geen solidariteit, georganiseerde afhankelijkheid bovendien die, door het vast te haken aan de persoon van Chávez, de legitimiteit van de staat ondergraaft — en daarmee ook de legitimiteit van geïnstitutionaliseerde solidariteit. Zo’n systeem is gedoemd ten onder te gaan.

Chávez verkwanselde de kans om een solidaire samenleving te bouwen, en hij verkwanselde de kans om een democratische samenleving te bouwen. Vanwaar dus je lofzangen? Ook zonder hem heeft links zijn helden. Toch?

Wees nu maar niet te lastig

Je zou het haast vergeten nu het blijkbaar bon ton geworden is om het generatieconflict te prediken. Je zou het haast vergeten nu ‘wij’, millenials, ons blijkbaar het slachtoffer horen te voelen van de hebzucht en het egoïsme van de voorgaande generaties. Je zou het haast vergeten nu ons steeds weer wordt ingepeperd dat wij, de jonge generaties, wéér maar eens de rekening gepresenteerd zullen krijgen. Maar: oudere generaties hebben niet alleen een verantwoordelijkheid tegenover wie na hen komt. Wij hebben ook een verantwoordelijkheid tegenover de oudere generaties.

Ik weet het, ik heb de tijdsgeest tegen. Ik hoor te klagen over het lot van mijn generatie. Ik kan er gelukkig gerust op zijn dat anderen dat wel voor mij zullen doen; men mag het me dus niet kwalijk nemen als ik even aandacht wil vragen voor een generatie die iets minder mediageniek is dan die van de hippe millenials.

De krantenberichten hebben vaak een triomfantelijke toon (als het niet in de context van het pensioendebat is, tenminste): we zijn met z’n allen nog nooit zo oud geworden.  Tachtig- en zelfs negentigjarige oudjes zijn al lang geen uitzondering meer. Zoveel jaren die we nog voor de boeg hebben! En toch… Met toenemende ouderdom komt vaak toenemende afhankelijkheid van anderen. En daar loopt het vaak mis.

De bedoeling van een rust- of verzorgingstehuis is om mensen, ook als ze niet meer alleen thuis kunnen wonen, toch een zo goed mogelijk leven te bieden. Verplegers en verzorgers, monitoren en kinesitherapeuten (als je ’t geluk hebt genoeg geld te hebben) — allen staan ze ter beschikking om je ook aan het eind van je leven zo veel mogelijk kansen te geven op geluk.

Of dat zou toch zo moeten zijn. Al te vaak echter ben je afhankelijk van de goodwill van de instelling en het personeel; al te vaak word je behandeld niet als degene om wie het zou moeten draaien, maar als een noodzakelijk kwaad dat in de weg staat van de soepele werking van de instelling en een uitgebreide koffiepauze voor het personeel. Al te vaak moet de verpleging de ene kamer in- en de andere uitrennen zonder oog te hebben voor de mens in de kamer: het schema moet immers op tijd afgewerkt raken. Al te vaak worden mensen al om vijf uur in bed gestopt: op de avondshift werkt immers minder man; je kunt van hen toch niet verwachten dat zij al dat werk zouden opknappen. Al te vaak worden mensen die klagen gezien als onverbeterlijke en ondankbare lastposten, desnoods te bestempelen als depressief — daar bestaat immers een pilletje voor dat hen wat kalmer zal houden. Al te vaak kun je iemand horen zeggen die terugkomt van een bezoekje aan het rustoord — “laat me daar alsjeblieft nooit belanden.”

Het nieuws komt uit het Verenigd Koninkrijk, maar het had net zo goed van dichter bij huis kunnen komen: na een reeks schandaaltjes in rusthuizen wil men zorgwerkers nu verplichten om een papier te ondertekenen waarmee ze beloven oudere patiënten waardig te behandelen. Zover staan we nu: een waardige behandeling van ouderen is blijkbaar geen vanzelfsprekendheid meer. Ja, je hebt veel goeie instellingen. Ja, je hebt veel goeie zorgwerkers. Maar niets garandeert dat jij het geluk gaat hebben in een goeie instelling met goeie zorgwerkers te belanden. Met ouderdom komt tegenwoordig niet alleen fysieke afhankelijkheid van anderen; al te vaak hangt het ook volledig van de goodwill van de andere af of jij ook op oudere leeftijd je kans op geluk krijgt.

Onze generatie is in betere omstandigheden kunnen opgroeien dan eender welke generatie voor ons. Voor een groot deel hebben we dat te danken aan het harde werk van onze ouders en onze grootouders. Het zou ons sieren mochten we wat meer verontwaardigd zijn over de manier waarop de oudsten soms behandeld worden. We dragen een verantwoordelijkheid tegenover hen.

 

Edit (12 oktober 2012): Naar aanleiding van een rapport van Itinera over het personeelstekort in de ouderenzorg illustreert Johan Truyers van seniorenorganisatie Okra in De Standaard wat een gebrek aan personeel concreet betekent:

Bejaarden krijgen ’s nachts een pamper aan zodat ze niet op het belletje moeten drukken voor hulp van een verpleegkundige om naar het toilet te gaan. Dat spaart werk uit. Dit is geen uitzondering, het gebeurt erg vaak. (…) Men zou directeurs en verpleegkundigen eens een pamper moeten aandoen om te begrijpen wat dat betekent. (…) Men zet een bord met eten voor een dementerende bejaarde maar er is geen personeel om eten te geven zodat de bejaarde dan maar niet eet. Of men geeft pap in plaats van boterhammen omdat dat sneller opgelepeld is.

Het leven in het bejaardentehuis, een feest.

Opvallend ook: rusthuizen die beheerd worden door ocmw’s en vzw’s zetten méér mensen in dan rusthuizen die door private zorgbedrijven worden uitgebaat:

Uit de inspectieverslagen van de rusthuizen bleek in 2007 dat de rusthuizen van OCMW’s en vzw’s 20 tot 30 procent meer personeel hadden dan de officiële norm, die zo laag is dat iedereen daar wel aan beantwoordt. (….) Die rusthuizen oordeelden dat ze dat extra personeel nodig hadden om goede kwaliteit te leveren. In de privérusthuizen lag het aantal personeelsleden lager.

Het mag natuurlijk niet verrassen dat een bedrijf, dat toch in de eerste plaats winst wil maken, beknibbelt op personeelskosten. Dat maakt het echter niet minder schandalig.