Jon Fosse: vertwijfelde meditaties, stille gebeden, van een man die op breken staat

Septologie is het meesterstuk van een schrijver op het toppunt van zijn kunnen. Jon Fosse worstelt met de ultieme vragen; de lezer blijft zonder antwoorden achter.

Hij voelt zich zwaar als een steen, zegt ‘De een’ in het toneelstuk Ik ben de wind (2007) van Jon Fosse, voor hij van de boot stapt, de zee in, die ‘koud en gevaarlijk / stil en ontzaglijk’ is, om zich in de golven te laten wegzinken. Een heldere verklaring voor zijn daad kan hij niet geven: ‘Ik was er zo bang voor / en daarom deed ik het / ik wist dat ik het zou doen / ik was te zwaar.’ De angst is reden genoeg.

Een levensangst die zich uitdrukt in een gevoel van verpletterende zwaarte, en de angstige drang om in zee te verdwijnen op zoek naar verlossing en verlichting (‘want,’ schrijft Fosse in De andere naam, ‘de zee bergt God in zich’): het zijn thema’s die telkens weer terugkeren in het werk van de Noorse schrijver Jon Fosse (°1959). Reeds in de roman Melancholie I, uit 1995, ziet de door gekte overmande schilder Lars Hertervig als in een droom zijn vader de zee in stappen, met zware klompen aan, en onder de golven verdwijnen, en hem wenken. In een wereld die niet uit te houden is, hem opjaagt en insluit en terneerdrukt, vindt Lars een toevlucht in de waan en in het water. Het is niet anders in wat het magnum opus van Jon Fosse lijkt te worden, het zevenluik Septologie, waar Asle, ook al schilder, zijn depressie zijn ‘zwaarte’ noemt, en ‘het enige waaraan hij kan denken is dat hij nu op zal staan en dan zal hij naar zee gaan en dan zal hij de zee inlopen en dan zal hij steeds verder de zee inwaden en dan zullen de golven over hem heen spoelen en dan zal hij gewoon voor altijd zijn verdwenen, want nu is de pijn, het leed, de vertwijfeling, ja, hoe je het ook moet noemen, niet meer uit te houden, de pijn was nu zo ondraaglijk dat hij niet eens zijn hand op kon tillen’ — en in afwachting van die laatste, verlossende stap in de golven verdrinkt Asle zich in een zee van alcohol.

De angst, en de drank, zijn Jon Fosse niet vreemd: hij ging er zelf haast aan ten onder. Slechts na een publieke inzinking in 2012, een gevolg van acute alcoholvergiftiging, wist hij de drank te bezweren. Noorwegen had er niet op gewacht om hem te omarmen als was hij hun nationaal schrijver, gevierd om zijn poëzie, verhalend proza, essays en toneel. Hij heeft er zowat alles gewonnen wat er te winnen valt; als hoogste eer werd hem het permanente gebruiksrecht gegund van een woning op de gronden van het koninklijk paleis in Oslo. En sinds enkele jaren tippen ook de bookmakers hem nadrukkelijk als schaduwfavoriet voor de Nobelprijs.

Zijn internationale faam dankt Jon Fosse voornamelijk aan zijn werk voor toneel, in onze landen gebracht door o.a. tg Stan en Toneelgroep Amsterdam. Vormelijk laten zijn stukken zich karakteriseren als het theatrale tegendeel van het toneel van auteurs als Tom Lanoye, met een minimale dramatische ontwikkeling en een karige, zelfs arme taal. Binnen een strak bepaald kader streeft Fosse intensiteit na door een overdacht gebruik van de pauze, de ruimte tussen de zinnen; de weinige woorden peilen de diepten die ons scheiden van elkaar, zelfs waar we elkaar het meest nabij denken te zijn. Er gaat iemand komen (1996), het eerste stuk dat Fosse schreef voor theater, zet de lijnen uit die hij in zijn latere werk is blijven volgen: een man en een vrouw vinden een plek waar zij hopen zich te kunnen afkeren van de wereld (‘het huis / waar jij en ik / samen alleen zullen zijn / ver weg van de anderen’), maar die wereld — en de angst, en het verdriet, en de scheiding — laat zich niet buiten houden. En altijd is daar dan de zee, ‘met zijn golven / met zijn zachte en donkere / diepten’, als een verlokkende opening naar nergens.

Dwingt het toneel Fosse tot schrijven op de beperkte ruimte, in zijn romancyclus Septologie (2019-2021) breekt hij dat strakke kader helemaal open: in een epos dat uiteindelijk zeven delen in drie banden zal omvatten (De andere naam, Ik is een ander en, nog te verschijnen, Een nieuwe naam) vertelt Jon Fosse enkele dagen uit het leven van de kunstschilder Asle in langzaam meanderend, gestaag stuwend proza, door geen punt opgehouden — een kunststukje dat Fosse klaarspeelt dankzij een uitstekend gevoel voor ritmiek, wat de tekst ondanks dit ‘experimentele’ karakter uiterst leesbaar maakt. Omwille van zijn lange zinnen, vol herhalingen, wordt Fosse vaak vergeleken met Thomas Bernhard: ten onrechte, meen ik, want Fosses taal is veel opener, en minder beklemmend, dan die van de Oostenrijkse meester. De lezer verdrinkt niet in Fosse; Septologie is als een trage, breed stromende, donkere rivier die de lezer langzaam voortduwt doorheen het innerlijke landschap van Asle, waarbij thema’s en motieven, figuren, elementen en situaties uit eerdere romans, novellen en toneelstukken van Fosse in wisselende constellaties en verschoven verbanden opnieuw opduiken en samenvloeien in een meesterlijk verteld relaas.

Asle, de protagonist van Septologie, is een ouder wordende man, verteerd door verdriet om de vroegtijdige dood van zijn vrouw Ales, met wie hij altijd is blijven praten: ‘… en dan zeg ik dat het heus niet zo lang meer duurt tot we weer bij elkaar zijn, zij en ik, en eigenlijk zijn we ook nu de hele tijd bij elkaar’. Hij is alleen achtergebleven in hun huisje in Dyglja, een kleine vlek ver van de wereld, waarvan de naam niet toevallig etymologisch verwant is met het Noors voor ‘verbergen’. Alleen met Åsleik, een buurman die een eindje verderop woont, heeft hij nog regelmatig contact: elke dag komt die wel even aanwaaien, een praatje slaan, twee oude venten die elkaar niet veel meer te vertellen hebben, want alles is al zo vaak gezegd. Hun gesprekken en onderlinge ergernisjes geven lucht aan Septologie, zoals het in de sneeuw stoeiende hondje Brage er leven aan geeft, aardse elementen in een verhaal dat neigt naar mystiek realisme.

Het staketsel van het verhaal is nochtans eenvoudig genoeg: wat uit zijn doen door z’n laatste schilderij, dat in hem blijft spoken, rijdt Asle een aantal keer heen en weer naar Bjørgvin, een stad op enkele uren van Dyglja, om inkopen te doen, om schilderijen te droppen bij de galerie die jaarlijks een tentoonstelling van zijn werk organiseert, om een vriend op te zoeken waarmee hij, voor hij zich met Ales terugtrok in Dyglja, wel vaker optrok. En hier beginnen de moeilijkheden, want die vriend is ook een Asle, ook een schilder, een doppelgänger, die echter — anders dan hemzelf — in Bjørgvin is blijven wonen en de drank niet afzwoor. Asle vindt zijn naamgenoot in de sneeuw, delierend, op de rand van de dood; later die avond verdwaalt hij zelf in de stad die nochtans lange tijd zijn thuis was. Uit de sneeuwjacht duikt een vrouw op om hem weer naar de vertrouwde wereld te leiden, Guro: in wat zij vertelt lijken de twee Asles samen te vloeien tot één persoon, zonder vastomlijnde, eigen identiteit. Voor Asle blijft ze ondertussen een vreemde, een schemerfiguur met een flakkerend bestaan aan de rand van zijn bewustzijn. Om de verwarring nog te vergroten is Guro zelf weer een doppelgänger van Åsleiks zus, die ook Guro heet, met wie ze bovendien een identieke geschiedenis deelt. Het geeft hun een spookachtig bestaan, op de rand van het menselijke en het mythische; bij Asle roept het echter geen vragen op.

Daarvoor is hij te zeer in zichzelf gekeerd, zich vastklampend aan zijn kunst en aan God om overeind te blijven wanneer golven van angst en verdriet hem neerslaan. In zijn schilderijen roept Asle ‘het onzichtbare in het zichtbare’ op, ‘de nabije afwezigheid’, zoals hij God bij zich weet, en ook de gemiste Ales. Het zijn vertwijfelde meditaties, stille gebeden, van een man die op breken staat en worstelt met zijn aflopende leven. We beleven het in Septologie alsof we opgenomen zijn in de stroom van Asles bewustzijn, een bewustzijn dat geen plaats laat voor een wereld zonder Ales, de schaduwranden opzoekt van droom, waan en werkelijkheid, verglijdt van een blik in de hondenogen van Brage naar beschouwingen over Meister Eckhart en herinneringen aan Ales, en de grenzen van tijd en ruimte overvloeit om niet alleen onder te duiken in zijn eigen jeugd, maar ook om de andere Asle nabij te komen, zijn naderende dood mee te leven, alsof geen strikte grens, slechts een minimale ruimte hem van hem scheidt — zoals in heel Septologie ook de ene zin in de andere overvloeit, zonder de strikte scheiding van het punt.

Septologie is het meesterstuk van een schrijver op het toppunt van zijn kunnen. Jon Fosse worstelt met de ultieme vragen; de lezer blijft zonder antwoorden achter.

Bij De nieuwe toneelbibliotheek verschenen de afgelopen jaren zes toneelteksten van Jon Fosse, in vertalingen van Maaike Van Rijn, Karst Woudstra, en Tom Kleijn. Wereldbibliotheek bracht, in een vertaling van Marianne Molenaar, de novellen Ochtend en avond en Slapeloos uit. Melancholie I en Melancholie II verschenen in een vertaling van Edith Koenders en Adriaan van der Hoeven bij Uitgeverij Oevers. Ook bij Uitgeverij Oevers verschijnen de Septologie-boeken: vorig jaar De andere naam, dit jaar Ik ben een ander, en later nog het afsluitende deel Een nieuwe naam. Marianne Molenaar tekent voor de vertaling.

— Dit stuk verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

Submit a comment

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s