Over lonen hoog en laag

Het is me een raadsel waarom, maar mensen die ontdekken dat ik hou van voetbal kijken me weleens vreemd, zelfs ongelovig aan. Het past blijkbaar niet bij me, om elke veertien dagen de trein te nemen richting Mechelen en me aan te sluiten bij de groepjes onderweg naar het stadion Achter De Kazerne, om daar mijn keel schor te schreeuwen en onze goals te vieren. Ik moet ook toegeven dat het me heel wat makkelijker afgaat op een mooie lentedag, de zon op mijn snoet terwijl de ploeg de geslaagde combinaties aan elkaar rijgt, dan in het putje van de winter, wanneer je stampvoet op de betonnen gradins om je tenen niet te laten bevriezen terwijl je onwillekeurig dichter tegen je buurman aankruipt om toch een beetje warmte in je lijf te voelen sluipen en je met de ogen rolt bij nog maar eens een slechte pass die de bal over de zijlijn doet hobbelen. Maar ik kan het niet laten: ik moet mijn ploeg zien spelen, al spelen ze voor niets meer (breek me de bek niet open over het play-off systeem).

Een tactisch plannetje dat werkt, een dieptepass die drie spelers tegelijk in de wind zet, een magistrale beweging: ik kan het er warm en koud tegelijk van krijgen. Wat betekent dat, zelfs al doet het me weinig of bijvoorbeeld Chelsea zijn matchen nu wint dan wel verliest (enkel de uitslagen van de Malinwa zijn werkelijk van tel), ik er toch van kan genieten om een speler als Eden Hazard te mogen zien spelen. Een sleepbeweging, een versnelling, een korte draai: een man alleen voor doel, en ik die kraai van geluk over de schoonheid van dat alles.

Om maar te zeggen: ik kan voetbal wel appreciëren. En dus probeer ik ook uit alle macht te negeren welke ridicule bedragen deze of gene club neertelt om spelers van enig niveau aan zich te binden. Neem nu bijvoorbeeld diezelfde Hazard, net door zijn collega’s gekozen tot beste speler van de Premier League: zijn contract zou hem, naar verluidt, elke week een slordige 280.000 euro opleveren. Zulke bedragen zijn niet meer te bevatten, maar ter illustratie: de mediaanverkoopprijs van een woonhuis in Knokke bedroeg het afgelopen jaar 286.000 euro. Het komt er dus op neer dat de sterspeler van Chelsea, als hij zich eens zou willen laten gaan, bijna elke week een huis kan gaan shoppen in Knokke. (Houdt hij het spelletje nog even vol, dan zou hij zich tegen het einde van zijn carrière de trotse bezitter van héél Knokke kunnen noemen: graaf Lippens won’t know what hit him.)

Zulke bedragen zijn alleswelbeschouwd waanzin, maar ze helpen wel om de onderhandelingspositie van voetballers met uitzonderlijk talent duidelijk te maken. Zij kunnen de arm omwringen van voetbalclubs met de ambitie om niet in de middenmoot mee te draaien maar de titel mee te graaien, omdat die clubs geloven dat net die ene speler net dat ene verschil kan maken tussen een grijs, verloren seizoen en het voetbalwalhalla. En veel van die clubs zijn ook afhankelijk van prijzen –of toch op z’n minst het spelen van Champions League– om de chronische verliezen die ze maken enigszins in te dijken: exorbitante spelerslonen leiden tot financiële verliezen die het winnen van prijzen noodzakelijk maken, wat op zijn beurt weer aanleiding is om grof geld te betalen voor de beste spelers. De enige winnaars hier zijn de voetballers die hun salaris steeds hoger zien gaan (en de eigenaars van woonhuizen in Knokke die een Hazard op koopjesjacht met open arm zullen ontvangen: there is money to be made).

Het omgekeerde van die sterke onderhandelingspositie van supervoetballers zien we in datzelfde Verenigd Koninkrijk bij mensen met zogenaamde ‘zero hour’-contracten: werknemers die nooit van tevoren weten of de winkel hen wel nodig heeft, op het laatste ogenblik een uurtje moeten komen opdraven, en dan ook enkel voor dat ene uurtje betaald worden. De ene week mag je misschien dertig uur komen werken, de andere week in het geheel niet, je bent nooit zeker van je inkomen, maar je wérkt tenminste – of toch af en toe, wanneer het de werkgever zo belieft. Het alternatief is echter géén werk, met het risico dat je ook geen werkloosheidsuitkering meer ontvangt, want dan ben je werkonwillig, en we moeten toch uit alle macht beletten dat werkonwilligen zouden profiteren van het systeem.

Aan het ene eind van het spectrum staat dus een man als Hazard: een man die het geluk heeft geweldig goed te kunnen voetballen en daarenboven nog eens het geluk heeft dat voetbal zo’n geweldig populair vermaak is, dat vele miljoenen hem willen zien voetballen, en dat sommige van hen bereid zijn vele miljoenen op tafel te leggen om net hem aan zich te binden omdat zij hem onvervangbaar achten. Aan het andere eind van het spectrum staan de vele miljoenen die geen uniek talent hebben dat hooglijk wordt gewaardeerd, maar die door potentiële werkgevers als volstrekt inwisselbaar en vervangbaar worden beschouwd: als jij het niet bent die een uurtje komt sjouwen, staat er wel iemand anders klaar om het in jouw plaats te doen – ons een zorg, maar dan hoef je volgende week ook niet meer terug te komen, zo redeneert het bedrijf. In het ene geval heeft de werknemer de touwtjes strak in handen bij de contractonderhandelingen, in het andere geval ligt de controle volledig bij de werkgever en heeft de werkzoekende maar dankbaar te aanvaarden wat hem wordt gegund.

De socio-economische en maatschappelijke context bepalen dus in grote mate de mogelijkheden van werkgevers en werknemers in contractonderhandelingen: iedereen is natuurlijk vrij om al dan niet akkoord te gaan met een bepaald loonsvoorstel, en in die zin kan men argumenteren dat als iemand zo’n voorstel aanvaardt, de kous daarmee af is –beide partijen gingen akkoord, dus moet het wel zo zijn dat iedereen erbij wint en valt daar verder geen commentaar meer bij te geven–, maar dan verdonkeremaant men wel de erg ongelijke startpositie van de verschillende partijen. Wanneer het alternatief voor een ‘zero hour’-contract geen job is tout court, of het verlies van een werkloosheidsuitkering, dan kan iemand wel vrij zijn om neen te zeggen tegen zo’n contract, bijv. omdat het geen inkomenszekerheid biedt terwijl je toch telkens de hele week moet vrijhouden, of er nu effectief werk is of niet (de telefoon kan elk moment komen, en dan kun je er maar beter staan – dat je zo holderdebolder geen opvang vindt voor je kind is geen excuus), maar dan blijft die zogenaamde vrijheid om een contract al dan niet te aanvaarden toch vooral een theoretisch beestje, koest gehouden door socio-economische en maatschappelijke omstandigheden die een mens met zachte hand doch niet minder dwingend richting de ‘zero hour’-job duwen. Dat een bedrijf hier zonder schroom zijn profijt doet met de pech van iemand geen uniek talent te bezitten dat in deze maatschappij hooglijk gewaardeerd wordt, zijn pech dat hij voor wie de economische macht bezit volstrekt inwisselbaar is met duizenden anderen, en zijn pech dat het profijt dat het bedrijf hiervan trekt niet alleen goedgekeurd maar zelfs gefaciliteerd wordt door het overheidsbeleid, dat maakt de regeling niet minder waanzinnig. Net zomin als de toplonen die topclubs aan topspelers betalen minder waanzinnig zijn omdat ze het product zijn van vrije onderhandelingen.

Wat deze twee uitersten leren is dat het loon dat iemand ontvangt in grote mate bepaald wordt door context – wat geen groot nieuws hoort te zijn. Het wordt bepaald door individuele, socio-economische en maatschappelijke factoren waar de persoon zelf vaak weinig mee te maken heeft, en die hem in een positie van macht dan wel onmacht plaatsen. Hazard is een uitzonderlijk voetbaltalent, en hij mag er de goden dankbaar voor zijn, maar dat hij en niet zijn buurjongen dat talent heeft, daar heeft hij zelf weinig verdienste aan. Hazard is een uitzonderlijk voetbaltalent, en hij mag er de goden dankbaar voor zijn, maar dat zulk talent in onze maatschappij met fantastische fortuinen wordt beloond, en niet bijvoorbeeld het talent van de betere petanquespeler, daar heeft Hazard zelf weinig verdienste aan. Hem kan moeilijk het recht ontzegd worden een voor hem zo voordelig mogelijk contract te onderhandelen met zijn club – net zomin als aan de samenleving, eenmaal die de rol erkent van het individuele en maatschappelijke geluk in het verwerven van zulk fortuin, het recht ontzegd kan worden om dat fortuin in grote mate herverdeeld te willen zien onder wie minder van zulk geluk heeft kunnen profiteren. Het is immers alleen binnen en dankzij de maatschappelijke context gecreëerd door diezelfde samenleving dat het voor spelers als Hazard en andere supersterren mogelijk wordt zo royaal beloond te worden voor hun gift. Net zoals het alleen binnen die maatschappelijke context is dat anderen richting ‘zero hour’-contracten geduwd worden, en ook daaraan de samenleving paal en perk kan stellen.

[Dit stuk verscheen eerder als bijdrage aan het Schaduwparlement op Knack.be.]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s