Bij de dood van Chávez

Vertel mij, mijn lieve linkse vrienden, vertel mij, vanwaar de elegieën voor Chávez? Vanwaar de eerbetuigingen voor een man die van mensenrechten een vod papier maakte? Vanwaar het ophemelen van iemand die Putin en Lukashenko, Assad en Kim Jong-il tot zijn grootste medestanders rekende? Vanwaar het rondtwitteren van ‘Hasta siempre, comandante’ voor een luitenant-kolonel onder wiens bewind het geweld door het dak ging en de economie door de vloer zakte? Het zijn moeilijke tijden voor links, en links heeft een held nodig. Maar alsjeblieft, ik bid je, laat Chávez niet die held zijn.

Je roept moord en brand wanneer de persvrijheid wordt ondergraven, de rechterlijke onafhankelijkheid beknot, en de democratische instellingen uitgehold — maar niet als het in naam van gelijkheid en solidariteit gebeurt: de revolutie rechtvaardigt veel, als je maar de juiste retoriek hanteert. Maar hoe kan je komen tot een samenleving waarin iedereen onbevreesd het woord durft nemen en waarin naar ieders stem evenzeer geluisterd wordt, wanneer een ongepaste mening als volksvijandig wordt afgebrand? Hoe kan je komen tot een samenleving waarin iedereen op gelijke voet behandeld wordt, wanneer één man je kan maken en kraken? Hoe kan je gelijkheid bekomen waar de rule of law plaats moet ruimen voor de rule by law? Hoe kan kan je gelijkheid bekomen door gelijkheid te ondermijnen?

Niemand zou zich de mindere mogen voelen van een ander; niemand mag in een positie belanden waarin hij een goede reden heeft zich vernederd te voelen. Dat vereist gelijkheid voor de wet en een gegarandeerde vrijheid van spreken en handelen, maar ook dat niemand de speelbal kan worden van een ander, en dat niemand in armoede moet leven. Chávez leek dat begrepen te hebben. Daarom had hij de mond vol van solidariteit. In een solidaire samenleving neemt de gemeenschap haar verantwoordelijk tegenover elk van haar leden als vanzelfsprekend op. Ze staat niet toe dat iemand zijn hand moet ophouden en moet rekenen op de welwillendheid van een ander om rond te komen. Daarom zijn instellingen nodig van de gemeenschap, voor de gemeenschap, instellingen waaraan iedereen bijdraagt en waarmee iedereen wordt ondersteund, zodat solidariteit gezien wordt als de gemeenschap die haar verantwoordelijkheid opneemt voor elk van haar leden. Solidariteit rijmt dus niet met liefdadigheid.

Maar wat deed Chávez? Ondanks alle retoriek over solidariteit, is wat hij organiseerde een door de staat gefinancierde liefdadigheid in zijn naam. Chávez is de behoeder der armen. Chávez is de man van wie de weldaad komt. Chávez is de bron van gelijkheid. — Dat is georganiseerde afhankelijkheid, geen solidariteit, georganiseerde afhankelijkheid bovendien die, door het vast te haken aan de persoon van Chávez, de legitimiteit van de staat ondergraaft — en daarmee ook de legitimiteit van geïnstitutionaliseerde solidariteit. Zo’n systeem is gedoemd ten onder te gaan.

Chávez verkwanselde de kans om een solidaire samenleving te bouwen, en hij verkwanselde de kans om een democratische samenleving te bouwen. Vanwaar dus je lofzangen? Ook zonder hem heeft links zijn helden. Toch?