Primo Levi 100: literatuur als restitutie

“Tegenwoordig weet ik dat het een hopeloze onderneming is een mens in woorden te willen vangen, hem te laten herleven op een geschreven bladzij, en een mens als Sandro al helemaal. Hij was geen mens over wie je verhalen kunt vertellen of voor wie je monumenten kunt oprichten, hij die lachte om monumenten; hij leefde in zijn daden en nu die gedaan zijn rest er niets van hem; niets dan woorden, jawel.”

Primo Levi is zich in Het periodiek systeem goed bewust van de ambiguïteit van de opdracht die hij zichzelf geeft. Sandro studeerde samen met hem chemie, hij deed Levi de bergen boven Turijn ontdekken, ging hem voor in het verzet tegen de fascistische Republiek van Salò. Hoe geef je aan de wereld een mens terug die vermoord werd door een kind-beul, geronseld door de fascisten, zoals met Sandro gebeurde? Met woorden? Een monument is de mens niet, een verhaal geen wedergeboorte. Een hopeloze onderneming, inderdaad, maar in al zijn hopeloosheid niet minder noodzakelijk. Het onherstelbare kan weliswaar niet hersteld worden, maar misschien toch voorgesteld, aanwezig gemaakt, zichtbaar. In de verzameling opstellen Campo Santo zegt de Duitse schrijver W.G. Sebald, wiens hele oeuvre cirkelt rond de misdaden van de nazi-tijd, dat er vele vormen van schrijven bestaan, maar alleen in literatuur gaat het om “een poging tot restitutie.” Het schrijven van Primo Levi is precies dat — niet om de bezwarende last van het verleden draaglijker te maken, maar om hem te presenteren in al zijn ondraaglijke onontkoombaarheid, en ons ermee op te zadelen.

De nog jonge Primo Levi werkte aan zijn debuut Is dit een mens in de jaren onmiddellijk na zijn terugkeer in Turijn uit Auschwitz, dat hij slechts ternauwernood wist te overleven. (Op 22 februari 1944 vertrok het eerste transport joden uit concentratiekamp Fossoli richting de vernietigingskampen. Van de vijfenveertig mensen die, samen met Levi, op elkaar gestouwd in één van de beestenwagons van dat eerste transport werden afgevoerd, keerden er maar vier terug naar Italië en, schrijft Levi, “onze wagon was verreweg de fortuinlijkste”; de anderen vielen ten prooi aan de moordzucht en de vernietigingsdrift van het nazisme.) Het schrijven van Is dit een mens heeft iets van een reinigingsritueel, alsof Levi de ondergang van de mens in de kampen ter schrift moest stellen om zelf weer mens te kunnen worden, maar algauw krijgt het een ander statuut en een andere inzet: niet alleen moet Levi zijn plaats terugvinden in een wereld die hem heeft afgescheept en hem heeft willen vernietigen, een onwillig publiek moet dat onherstelbare feit zelf een plaats geven in hun wereld.

Een voorafschaduwing van die onwil beklemt Levi reeds in het concentratiekamp, in een steeds terugkerende droom die hij blijkt te delen met veel van zijn lotgenoten daar: hij is weer thuis, hij is onder vrienden, en hij heeft “zo ontzettend veel te vertellen; maar ik moet nu wel merken dat mijn toehoorders me niet volgen. Mijn verhaal laat ze zelfs totaal onverschillig: ze praten met en door elkaar over andere dingen, alsof ik er niet ben. Mijn zuster kijkt me aan, staat op en gaat zonder iets te zeggen weg. (…) Waarom neemt onze dagelijkse kwelling in onze dromen zo hardnekkig de gestalte aan van het verhaal dat wij doen en waarnaar niet wordt geluisterd?”

Alles liever dan te horen hoe Levi het kamp vat in zijn karakter van “reusachtig biologisch en sociaal experiment.” Alles beter dan te moeten weten “wat in Auschwitz de mens van de mens heeft durven maken.” Is dit een mens analyseert hoe, als in een chemisch proces, de verschrikkingen van het concentratie- en vernietigingskamp de mens ontbinden tot hij gereduceerd wordt tot “de meest extreme menselijke staat,” uit elkaar valt in zijn meest basale elementen, en daarmee de eigenschappen verliest waarin hij als mens te herkennen is.

Na enkele maanden in het kamp wordt Levi —eerder, Häftling 174517— opgeroepen voor een scheikunde-examen: hij beweert immers opgeleid te zijn als chemicus, en de Buna-fabriek verbonden met het concentratiekamp heeft laboranten nodig. Hij weet dat een overplaatsing naar het laboratorium hem kan behoeden voor een al te zekere ondergang; zijn leven staat hier op het spel. De examinator kijkt hem aan, en: “Vanaf die dag heb ik dikwijls en op vele manieren aan Doktor Pannwitz gedacht. (…) Omdat die blik geen blik tussen twee mensen was; en als ik precies zou kunnen zeggen wat voor blik dat was, als door een aquariumruit gewisseld tussen twee wezens die verschillende elementen bewonen, zou ik ook de kern van de grote waanzin van het derde Duitsland hebben blootgelegd.”

Hoe komt een mens ertoe een mens niet als mens te zien? Wat is een mens, wanneer “mensen Auschwitz hadden gemaakt en Auschwitz miljoenen menselijke wezens had opgeslokt”?

Doktor Pannwitz kon naar Häftling 174517 kijken zonder een mens te zien. In heel zijn oeuvre probeert Primo Levi die mens terug te vinden. Het periodiek systeem, opgebouwd als een reeks verhalen die in het teken staan van een chemisch element en ruwweg Levi’s levensloop volgen, begint met ‘Argon’ —een inert gas, weliswaar niet al te zeldzaam, maar toch een element dat zich enigszins afzijdig houdt—, en is het verhaal van Primo Levi’s familie, die zich rond 1500 in Piemonte had gevestigd, in de dorpen rondom Turijn. Zelf werd hij geboren in 1919, in het Turijnse appartement waar hij haast zijn hele verdere leven zou wonen: zijn schrijftafel stond, vertelt de familie, precies op de plek waar hij het levenslicht zag. Zijn moeder woonde in bij hem en zijn vrouw, zijn zoon in het appartement naast het hunne, zijn dochter niet veel verder. En in het appartementsblok waar hij geboren was, stierf hij ook, in 1987, door een val —een sprong?, hij worstelde met zijn depressies— van de derde verdieping in de trappenhal. Primo Levi was thuis in Turijn, zoals ook zijn familie diep ingebed was in het Turijnse land.

In een interview met Levi, afgenomen niet lang voor diens dood, merkt Philip Roth op dat Levi’s “geworteld-zijn in die joodse wereld van [zijn] voorouders niet alleen verweven is met, maar, op een essentiële manier, identiek is aan [zijn] diepe, uitgebreide geworteld-zijn in de regio zelf.” (London Review of Books, 23 oktober 1986) De invoering van de rassenwetten in 1938, de manier ook waarop hij nu door zijn medestudenten wordt behandeld en aangekeken —of net niet meer wordt aangekeken—, maken echter dat Levi, scheikundige-in-opleiding, zijn joods-zijn gaat beschouwen, haast moet beschouwen, als een ‘onzuiverheid’. In hoeverre is hij thuis waar hij zich thuis weet? In elke vezel van zijn wezen Italiaans, tot in het diepste van zijn ziel verbonden met het Italiaanse land, tot vreemd element in Italië verklaard.

Sebald stelt in De emigrés een zelfde paradox vast, wandelend over het joodse kerkhof van Bad Kissingen: “Ik kon de ingebeitelde letters [op de grafstenen] niet meer allemaal ontcijferen, maar wat er aan namen nog leesbaar was —Hamburger, Kissinger, Wertheimer, Friedländer, Arnsberg, Frank, Auerbach, Grunwald, Leuthold, Seligmann, Hertz, Goldstaub, Baumblatt en Blumenthal—, dat bracht mij op de gedachte dat de Duitsers de joden misschien niets zozeer hebben misgund als hun mooie namen, die zo sterk verbonden waren met het land en de taal waarin zij leefden.”

Het vergde Sebald enige moeite om het joodse kerkhof van Bad Kissingen te vinden. De sleutel van de poort duikt pas na zoeken op, maar blijkt uiteindelijk ook overbodig, want hij past toch niet in het slot; Sebald moet over de muur rondom het kerkhof klimmen; het kerkhof dat hij er vindt valt uiteen en zakt weg, overwoekerd door gras en weidebloemen. Het is een plek die niet bestaat in het Duitse stadje: verlaten en vergeten. De joodse inwoners van Bad Kissingen en omstreken zelf, de families van wie hier begraven ligt, hun ouders en hun kinderen, hun neven en hun nichten, zijn verdreven. Wie met het wild om zich heen grijpende antisemitisme van de vroege Hitler-tijd nog niet in ballingschap gedwongen werd, ontvluchtte de stad wel nadat bij de Kristallnacht de synagoge vernield en in de daaropvolgende weken volledig afgebroken werd, of verdween in de vernietigingskampen van het Derde Rijk. Er bleef niemand over om het graf van hun ouders te onderhouden. De joden verdwenen uit Bad Kissingen — nu moest de verdwijning zelf verdwijnen.

Men moest vergeten dat de uitgemoorde joden uit al die steden, stadjes en dorpen Duitsers onder de Duitsers waren, Italianen onder de Italianen, onze buren en onze kennissen, onze handelspartners, onze winkeliers en onze klanten, onze dokters en onze patiënten, medeburgers van onze samenleving, niet een vage abstractie waar men nauwelijks uitstaans mee had. Het vergeten moest grondig, een vergeten voorbij het vergeten. Om niet met het trauma van de schuldige te moeten leven in al zijn ondraaglijke onontkoombaarheid, wist men de herinnering uit: de herinnering aan de ramp, de herinnering aan het gemeenschappelijke leven vóór de ramp. Alsof dat gemeenschappelijke leven niet alleen definitief voorbij is en nooit meer terug kan keren, maar alsof zo’n gemeenschappelijk leven nooit zelfs maar bestaan heeft. In een hernieuwde vernietigingsdrift worden de joden opnieuw uit het leven gedreven: een sanering van het geheugen.

Het is een droom die Primo Levi al kwelt terwijl hij nog in Auschwitz zit: “Ze praten met en door elkaar over andere dingen, alsof ik er niet ben.” Het oeuvre van Levi, de nauwgezette vertelling van wat er gebeurde, van de blik van Doktor Pannwitz “als door een aquariumruit gewisseld tussen twee wezens die verschillende elementen bewonen” tot het leven van Sandro “die geen mens was over wie je verhalen kunt vertellen”, is meer dan een simpel feitenrelaas. Het is een vorm van verzet tegen het vergeten. Het zijn “niets dan woorden, jawel”, maar die woorden zijn “een poging tot restitutie.”

Een poging, niet meer dan dat. Want de ramp, moet Levi vaststellen zoals ook Sebald het zal vaststellen na Levi, echoot nauwelijks na in de straten waarin zij leven.

Na het mislukken van hun onderneming als zelfstandig chemicus, ontmantelen Primo en zijn vriend Emilio het laboratorium dat ze hebben opgezet in de keuken van Emilio’s ouders. Het takeltouw knapt, de zelfgefabriceerde afzuigkap dondert vier verdiepingen naar beneden en slaat tegen de straatstenen te pletter. “Emilio zei: ‘Ik had gedacht dat het meer lawaai zou maken.’”

Een gedachte over “Primo Levi 100: literatuur als restitutie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s