Wie niet kan rekenen op twee inkomens, krijgt het steeds moeilijker

Eerst het goede nieuws: het gaat goed met ons land. We zijn met z’n allen nog nooit zo rijk geweest, meer mensen dan ooit tevoren mogen zich tot de hoge middenklasse rekenen, en die hoge middenklasse kan zich meer veroorloven dan eerdere generaties zich zelfs maar konden inbeelden. Ze leven langer en in betere gezondheid, het leven biedt steeds meer mogelijkheden. Het Belgische weer kan dan wel grijs en regenachtig zijn, voor hen schijnt de zon. Met die val van de middenklasse waarover al zoveel inkt gevloeid is, lijkt het al bij al wel mee te vallen.

Die alsmaar stijgende levensstandaard van de middenklasse is onder meer te danken aan het feit dat de tewerkstelling in middenklassegezinnen de afgelopen decennia sterk is gegroeid. Zelfs in de kernmiddenklasse had in 1985 niet veel meer dan de helft van de volwassenen een job: meer dan vier op tien onder hen konden beschikken over een inkomen rond de mediaan zonder zelf te moeten werken. Of beter: zonder zelf een betaalde job uit te oefenen. Het ging immers vaak om vrouwen die in de rol van huisvrouw terechtkwamen. Het loon van de man die uit werken ging, volstond om zich te verzekeren van de levensstandaard die paste bij een middenklassebestaan. Vader ging werken, en moeder zou wel thuisblijven om voor de kinderen te zorgen en het huishouden te doen.

Het is een beeld waar halfweg de jaren ’80 al best wat sleet op zat, en de samenleving is ook blijven veranderen: in steeds meer gezinnen ging ook de vrouw uit werken, en nu is in de kernmiddenklasse bijna acht op tien 25- tot 64-jarigen aan de slag. In de hoge middenklasse loopt dat zelfs op tot meer dan negen op tien. De man of vrouw die thuis kan blijven omdat het gezin zich met het loon van de partner een levensstandaard kan verzekeren op het niveau van de middenklasse, wordt een zeldzaamheid. Dit is natuurlijk een zichzelf versterkend fenomeen: in hoe meer gezinnen de beide partners uit werken gaan, hoe meer de levensstandaard van de middenklasse bepaald wordt door tweeverdieners, en hoe meer tweeverdieners de levensstandaard van de middenklasse bepalen, in hoe meer gezinnen beide partners moeten gaan werken om die levensstandaard te kunnen bereiken.

Het goede nieuws is dus dat die fundamentele maatschappelijke verschuiving van een kostwinnersmodel naar een tweeverdienersmodel voor een sterke stijging van de levensstandaard heeft gezorgd: met een dubbel inkomen valt meer te doen dan met een enkel inkomen. Het toont zich in de stijgende welvaart, in de verveelvoudiging van de koopkracht. Het toont zich bijvoorbeeld erg opvallend in de mate waarin gezinnen zeggen zich een vakantie buitenshuis te kunnen veroorloven. Voor één op twee personen in de kernmiddenklasse was daar in 1985 nog geen sprake van, en zelfs in de hogere middenklasse moesten drie op tien mensen tijdens hun vakantie gewoon thuis blijven. Daar is nu geen sprake meer van: reizen moeten verder, vaker, hoger en spannender.

Tweede gevolg van die shift van kostwinners- naar tweeverdienersmodel: de armoede bij ouderen is sterk teruggedrongen. Terwijl in 1985 een grote meerderheid van de gepensioneerden moest rondkomen met enkel het pensioen van de man – de vrouw had immers zelden of nooit een betaalde job gehad – hebben nu steeds meer gepensioneerde vrouwen in hun arbeidsloopbaan zelf pensioenrechten opgebouwd. En al valt het pensioeninkomen in veel gevallen wat mager uit, in tegenstelling tot dertig jaar geleden moeten 65-plussers niet meer zo vaak vrezen voor een armoedige oude dag. We vinden hen nu in grote getallen terug in de lage middenklasse: hun pensioen volstaat om zich te verzekeren van een inkomen boven de armoedegrens, maar is wel minder dan dat van de werkende middenklasser.

Bovendien heeft een ruime meerderheid van de 65-plussers een eigen (afbetaalde) woning kunnen bemachtigen: ze hebben geen huur te betalen, geen hypotheek meer af te lossen, en dat betekent dat zij met hun inkomen veel verder kunnen springen dan huishoudens die misschien wel even veel verdienen, maar grote sommen moeten uitgeven aan huishuur of hun hypotheek. De koopkracht van die laatsten ligt makkelijk een derde lager. Wat blijkt: mensen op actieve leeftijd binnen de lagere inkomensklassen hebben het véél moeilijker om de eindjes aan elkaar te knopen dan gepensioneerden in diezelfde inkomensklasse.

We komen hier bij de keerzijde van de medaille. We zagen dat de verschuiving van kostwinners- naar tweeverdienersmodel tot een ongekende stijging van de welvaart heeft geleid, dat gezinnen in de (hogere) middenklasse zich meer kunnen veroorloven dan ooit tevoren, dat het – kort gezegd – behoorlijk goed gaat. Voor hen is er van die zogenaamde ‘val van de middenklasse’ geen sprake. Wie echter niet kan rekenen op twee inkomens, heeft het steeds moeilijker om aan te haken bij die levensstandaard die door tweeverdienersgezinnen wordt gezet. Denk aan mensen zonder inkomen uit werk, bijvoorbeeld kortgeschoolden die het in onze economie steeds moeilijker krijgen om aan de bak te komen, maar ook aan alleenstaanden en alleenstaande ouders: hun inkomen volstaat hoe langer hoe minder om aansluiting te vinden bij de middenklasse; zij worden enkele treden lager geduwd op de sociale ladder.

Dat betekent niet alleen dat zij moeten zien rond te komen met een inkomen dat steeds verder onder de mediaan ligt, dus onder het niveau waarover middenklassers beschikken, maar ook dat zij zich met dat magere inkomen van steeds minder nochtans essentiële basisvoorzieningen kunnen verzekeren. Zelf een eigen huis kunnen kopen, is een droom die voor velen onbereikbaar wordt. De stijgende koopkracht van de tweeverdienende middenklasse en overheidsbeleid stuwen de huizenprijzen steeds hoger, terwijl de inkomens van wie lager op de sociale ladder staat steeds verder achterblijft.

Het huiseigenaarschap is bij de lagere inkomens tussen 1985 en 2016 dan ook drastisch omlaag gezakt: zij zijn en blijven aangewezen op een dure en vaak ontoereikende huurmarkt die meer dan een derde van hun koopkracht opeet, en dat betekent ook dat zij, bij pensionering, niet kunnen profiteren van de bescherming van hun levensstandaard waar voorgaande generaties wél op konden rekenen.

Armoede bij ouderen was een probleem in 1985, en dreigt zo opnieuw een probleem te worden bij de generaties die nu nog op actieve leeftijd zijn en zich niet tot in de middenklasse weten te worstelen. Gezinnen waar niet allebei de partners werk vinden, alleenstaanden, alleenstaande ouders: zij worden in onze huidige tweeverdienersmaatschappij gekenmerkt door een fundamentele kwetsbaarheid. Structurele verschuivingen in de samenleving en een overheidsbeleid dat blind blijft voor hun noden maken dat voor hen de situatie steeds precairder wordt.

We geloven graag dat onze samenleving een meritocratie is: iedereen krijgt dezelfde kansen, en wie z’n best doet, zal slagen in het leven, zal zich kunnen nestelen in de middenklasse, ja zelfs in de hogere middenklasse; we hebben ons lot in eigen handen. Het stelt ons gerust, toch als we onszelf tot die middenklasse kunnen rekenen, want het betekent dat we het ook verdiend hebben om comfortabel te leven: we hebben er zelf hard genoeg voor gewerkt. En als anderen dat leven ook willen, moeten ze maar een voorbeeld aan ons nemen.

Wie nog in deze mythe gelooft, zou op z’n minst moeten beginnen twijfelen door de situatie van de nieuwe kwetsbaren, de gezinnen die naar onderen worden geduwd op de sociale ladder, mensen die het steeds moeilijker krijgen om de middelen te vinden om ook op te klimmen tot de middenklasse. Niet omdat ze ‘hun kansen niet grijpen’, niet omdat ze ‘hun verantwoordelijkheid niet nemen’, maar door een fundamentele maatschappelijke verschuiving, van een kostwinners- naar een tweeverdienersmodel. Het riedeltje van kansen en verantwoordelijkheid wordt nochtans tot in den treure herhaald.

De verschuiving, in al zijn positieve aspecten (de stijging van onze welvaart, de economische emancipatie van de vrouw), leidt er onbedoeld ook toe dat anderen het steeds moeilijker krijgen om aansluiting te vinden bij de middenklasse, en ja, zelfs dreigen kopje onder te gaan. En dat betekent ook dat een overheid die dan wegkijkt en geen oog heeft voor de kwalijke effecten van die maatschappelijke evoluties, mensen in de steek laat. Het betekent dat we er ons niet vanaf kunnen maken met grote woorden over ‘rechten en plichten’ of ‘gelijke kansen’, maar concreet moeten kijken hoe mensen die dreigen achter te blijven door structurele verschuivingen waar zij geen vat op hebben, het best ondersteund kunnen worden met structurele hervormingen.

Eén magic bullet zal daarbij niet volstaan. Het zal niet zo makkelijk zijn als zeggen dat ‘de uitkeringen omhoog moeten’. Ook dat moet, maar daar is een alleenstaande ouder die werkt voor een mager loon nog niet mee gebaat. Het zal een kwestie zijn van zoeken naar manieren om die lage lonen structureel de hoogte in te duwen, en de kloof die de laatste decennia ontstaan is tussen die lagere lonen en middenklasse lonen terug te dichten. Het zal zaak zijn een woningmarkt te ontwikkelen waarin iedereen weer terecht kan: door eigenaarschap terug bereikbaar te maken voor iedereen, of door een forse impuls te geven aan sociale huurmaatschappijen die een veel grotere groep moeten kunnen bedienen dan enkel de allerlaagste inkomens.

Op die manier kunnen ook mensen in de lage middenklasse wonen zonder meteen meer dan een derde van hun budget kwijt te zijn nog voor ze één dag hebben gegeten. Het is een pleidooi tegen de stuitende tendens om publieke dienstverlening en nutsvoorzieningen steeds hoger te facturen, en de pil te verzachten door zogenaamde ‘sociale tarieven’ die slechts een zeer beperkte groep aan de onderkant bereiken: het leidt alleen maar tot gigantische werkloosheids- en lageloonvallen en biedt geen enkele hulp aan gezinnen in armoede of de lagere middenklasse die het evengoed moeilijk hebben om rond te komen, maar ‘te rijk’ zijn voor een ‘sociaal tarief.’

Om iedereen aan boord te houden in deze veranderende samenleving, moet de overheid opnieuw een actievere rol durven spelen. We moeten opnieuw durven erkennen dat een mens niet zelf het lot kiest dat hij trekt, en daar ook naar handelen. Dat wil niet zeggen dat we plots moeten doen alsof een mens niet verantwoordelijk zou zijn voor zijn eigen toekomst, dat hij louter de speelbal is van krachten die hem ver te boven gaan: het wil zeggen dat men maar kan spelen met de kaarten die hem gedeeld worden. Maar welke kaarten iemand ontvangt, daarover heeft hij geen controle, en ook de spelregels worden niet door hem bepaald. Het is aan de overheid en aan de samenleving om opnieuw de spelregels te bepalen, zodat opnieuw iedereen kan meespelen, met dezelfde kaarten.

Matthias Somers schreef deze bijdrage naar aanleiding van de studie van denktank Minerva: ‘Een nieuwe kwetsbaarheid. De lagere inkomensklassen in België (1985-2016).’

— Dit stuk verscheen op 17/01 op Knack.be

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s