Een permanente staat van crisis

“Dit boek,” schrijft Louis Paul Boon aan het begin van De Kapellekensbaan, wil “in zijn grote lijnen de moeizame opgang van het socialisme tekenen” in de jaren “1800-en-zoveel”, maar speelt ook “in onze moderne dag van vandaag”, waar het “op zoek gaat naar de waarden die waarlijk tellen, op zoek naar iets dat de neergang van het socialisme tegenhouden kan.”

De Kapellekensbaan verscheen in 1953, na een moeizame leurtocht langs weigerachtige uitgeverijen. In zijn vertwijfeling, haast verslagenheid, in zijn beeld van een linkse beweging die zichzelf van alle macht heeft ontdaan, aangevreten als ze is door ordinair geruzie, carrièrisme, machtswellust, en cynisme, in zijn woede om de schijnbare verachting van de politieke kaste voor ‘de kleine man’, schetst het boek een portret dat ons pijnlijk vertrouwd toegrijnst.

Het afvallen van het geloof, is het niet in de linkse zaak zelf dan toch in de linkse beweging en zeker in de klassieke partijvertegenwoordiging ervan, is allesbehalve nieuw. Halfweg de vorige eeuw probeerde L.P. Boon zijn verbittering over de mismeestering van de socialistische zaak al van zich af te schrijven; de eigen tijd is zelden zo bijzonder als we wel willen denken. Toch lijkt er ook een verschil te zijn: de teleurstelling van Boon, en van velen met hem, kon de toenmalige socialistische partij nauwelijks deren. Ze hadden zich een weg gebaand naar het centrum van de macht, naast christen-democraten en liberalen, en niets leek hen daar weer te kunnen verjagen. Een alternatief voor het machtsmonopolie van de klassieke partijen was schier ondenkbaar.

Ter illustratie: in 1954, bij de eerste verkiezingen na het verschijnen van De Kapellekensbaan, haalde de socialistische partij 37%, de christelijke volkspartij meer dan 41%, de liberalen nog 13%. Andere partijen kwamen niet verder dan één, twee, nauwelijks drie procent van de stemmen. Ongenaakbaar zetelden de vertegenwoordigers van de klassieke politiek in het pluche van Kamer en Senaat. En nu? PS en sp.a haalden in 2014 samen nog net iets meer dan twintig procent van de stemmen, een grens die liberalen (nipt) en christen-democraten (bijlange na) niet haalden. Een gelijkaardig beeld in andere landen: het verlies van het geloof in de klassieke politiek verdrijft de klassieke partijen van hun vanzelfsprekende plaats in het centrum van de macht, decimeert hier hun stemmenaantal, dringt hen ginder de mores van de buitenbaan op.

Ideologie wordt met luide stem afgezworen, ‘links’ en ‘rechts’ zijn voorbijgestreefd —wil tenslotte niet iedereen hetzelfde?, samen erop vooruit!—, politieke conflicten worden weggezet als niet meer dan vervelende spielerei die het aanpakken van de ‘echte’ problemen in de weg staan. De betaalbaarheid van gezondheidszorg en pensioenen, het terugdringen van de werkloosheid, het verzekeren van de energievoorziening, het aanzwengelen van de economie, de impact van nieuwe technologie… : het zijn dan niet meer dan technische vraagstukken die een technisch antwoord behoeven, en het formuleren van het juiste antwoord wordt best overgelaten aan experts allerhande — die, zo heet het, ideologisch neutraal zouden zijn, en anders dan politici niet gevangen zitten in het partijpolitieke spel dat elke vooruitgang in de weg staat. We horen dan maar aan te nemen dat onenigheid over sociale en economische thema’s niet getuigt van een ideologische strijd over welk soort samenleving we wensen, en hoe daar te komen, waarbij verschillende waarden in soms onverzoenbaar conflict met elkaar komen. We horen maar te geloven dat het probleem louter het ontbreken van de juiste technische fix is, en niet de clash tussen verschillende visies over waar het met de maatschappij naartoe moet.

Op het eerste gezicht kan het paradoxaal lijken dat het verlangen om politiek te willen uitbesteden aan technische experts die boven het politieke gewoel zouden uitstijgen tegelijk gepaard gaat met de (weder)opkomst van de keuze voor ‘radicale’ oplossingen. Het is echter een valse paradox: uit verveeldheid met het klassiek-politieke conflictueuze compromismodel dat voortvloeit uit het simpele feit dat fundamentele waardenconflicten stuiten op de noodzaak tot compromis door het pluriforme karakter van het volk en de weerbarstigheid van de realiteit, keert men zich ofwel naar de substitutie van politiek door expertise (zogenaamd ideologisch neutrale technische oplossingen voor technische problemen: ‘politiseren’ leidt immers tot overbodige conflicten die welvaart en vooruitgang in de weg staan), ofwel tot radicale oplossingen die het huidige systeem “waar alles geblokkeerd is” willen vervangen door iets helemaal ‘nieuw’, wat in zijn meest extreme vorm kan leiden tot een sentiment dat de legitimiteit van een ander politiek maatschappijbeeld in twijfel trekt.

In beide gevallen is er sprake van een hang naar ‘zuiverheid’ en een zekere ontkenning van de complexiteit van het politieke bedrijf, een complexiteit en ‘vuilheid’ die niet per se zijn ingegeven door een uitverkoop van politieke principes of het gecapteerd zijn van alle ‘politiekers’ door private belangen, maar door de complexiteit van de realiteit zelf. De ene ontkent dan de legitimiteit van het politieke conflict en van de clash tussen verschillende ideologieën door elke discussie aan het politieke bedrijf te willen ontrekken, de discussie te willen verheffen naar een louter technisch niveau, ver boven ‘louter oude partijbelangen’, om ‘eindelijk weer vooruit te kunnen’; de ander ontkent de legitimiteit van het conflict door de rechtmatigheid van elk ander maatschappijbeeld te verwerpen, ontkent ook de legitimiteit van elk compromis (want hoe kan men legitiem een compromis sluiten met de vertegenwoordigers van een illegitieme ideologie?), en verdoezelemaant de complexiteit van de realiteit – eerst in woorden, desnoods in daden.

Als het uitgesproken ideologische conflict over de sociale en economische organisatie van de samenleving zelf al niet wordt afgestreden als illegitiem, raakt het vandaag de dag wel versmoord en overwoekerd door een soms ronduit giftig conflict over -kortgezegd- identiteit, dat jaar na jaar aan intensiteit en bitterheid lijkt te winnen. Jonge dertigers van nu zijn politiek groot geworden in de periode van 11 september en de opkomst van en moord op Pim Fortuyn, en het van toen af aan alleen maar aanzwellende geroep en getier over en weer over de vermeende clash tussen culturen. De enige strijd die werkelijk leeft, zo lijkt het soms, is de strijd tussen verschillende visies op identiteit. Ja, met de eeuwwisseling zagen we wel de andersglobalistische beweging en de rellen in Seattle en Genua, bij de financiële crisis de Indignado’s en Occupy Wall Street, maar hoeveel weerklank vond dit in de huiskamers en op de voetbaltribunes, en hoeveel weerklank de cultuurstrijd en zijn uitwassen?

Dit conflict ligt de rechterzijde (of toch op z’n minst bepaalde strekkingen daarbinnen) beter dan links. Het behoort tot de kern van het rechtse politieke discours om te hameren op het belang van identiteit, het belang van worteling in een bepaalde cultuur en de onontkoombaarheid ervan, het belang van homogeniteit als basis voor gemeenschap, op de botsing van culturele waardenkaders. Het ‘kosmopolitische’ discours dat daar soms tegenover wordt geplaatst strijkt tegen de haren in, en wordt bovendien vanuit de linkerzijde zelf ondermijnd: de ene rent rechts achterna door het belang van identiteit te omarmen, de ander omarmt een vorm van identity politics die net zozeer personen categoriseert en (de)legitimiseert op basis van ‘uiterlijke’ (in brede zin) kenmerken die al wat de persoon doet of zegt bepalen en overschaduwen. Waar geen plaats meer voor lijkt te zijn, is de klassenstrijd: afgeleefd, voorbijgestreefd, niets meer mee te maken.

Dit hoeft ook niet te verwonderen. In zekere zin heeft de sociaal-democratie zichzelf schijnbaar overbodig gemaakt doordat ze, ondanks alle geruzie, carrièrisme, machtswellust, en cynisme waar L.P. Boon zich al over beklaagde, erin geslaagd is enorme maatschappelijke veranderingen ten goede af te dwingen. Het is geen nieuws dat het streven naar een meer gelijke samenleving de massa makkelijker inspireert wanneer klaar en duidelijk is dat zij daar bij te winnen heeft, dan wanneer ze grotendeels is opgeklommen tot middenklasse en zij voortdurend te horen krijgt dat ze haar duur bevochten verworvenheden dreigt te verliezen (de sociale zekerheid is in gevaar, uw pensioen wordt onbetaalbaar). Zij zien zich nu niet meer als winnaars van een meer gelijke samenleving; een pleidooi voor gelijkheid klinkt in hun oren vooral als een claim die hun rechtmatige deel van de koek bedreigt. Verbaast het dan dat de socialistische boodschap zijn wervende kracht verloren heeft, en dat partijen geloven dat ze hun boodschap ofwel grondig moeten bijstellen, ofwel dreigen gemarginaliseerd te worden?

En dus verdwijnt gelijkheid, de grondwaarde van socialisme en sociaal-democratie, uit het politieke vocabularium: socialistische partijen streven niet meer naar een samenleving van gelijken, maar naar een samenleving waarin iedereen gelijke kansen krijgt – een streven onschuldig genoeg om er niemand mee voor de borst te stoten, zo onschuldig zelfs, dat het, toch minstens in woorden, gedeeld wordt door partijen doorheen het hele politieke spectrum. Handig genoeg kan diezelfde frase ook dienen als zelfrechtvaardiging voor de positie van de middenklasse om wiens hand elke partij dingt: in een samenleving waarin iedereen gelijke kansen krijgt, hoef ik me niet druk te maken om de achterblijvers; zij hadden maar, net zoals ik, hun kans moeten grijpen. “Eerlijk aan de start, zonder de belofte samen aan te komen”: wie hard rent, verdient zijn prijs; wie er op z’n dooie gemakje achteraan komt sloffen, moet achteraf ook niet lopen zeuren. Een illusoire meritocratie heeft de aristocratie vervangen, de idolatrie van de succesvolle man de strijd voor een samenleving van gelijken.

Het terrein ligt zo open voor populisten die ‘het volk’ zeggen te vertegenwoordigen, beweren het te verdedigen tegen wie de positie en de welvaart van dat volk bedreigt – en in een zogezegd meritocratische samenleving is dat niet wie van het systeem weet te profiteren om een boven het volk verheven positie te verwerven (hij heeft de kansen gegrepen die het leven hem biedt, een voorbeeld voor ons allen), maar de achterblijver. De welvaart en positie van het middenklassevolk beschermen, dat betekent dan: de claim van de ander op een plaats aan de tafel verwerpen. Die andere heeft zijn kansen niet gegrepen, hij maakt geen deel uit van de gemeenschap: om het sociaal systeem te redden, de sociale cohesie te bewaren die solidariteit maar mogelijk maakt, moeten zijn aanspraken als onrechtmatig verworpen worden. En hoe meer de welvaart van het land en van ‘de mensen’ in gevaar lijkt, hoe meer zij denken te verliezen te hebben, hoe donkerder het toekomstperspectief, hoe aantrekkelijker het wordt het onderscheid te maken tussen wie wel en wie geen recht heeft op een deel van de welvaart van dit land, hoe belangrijker het wordt de grens te trekken tussen een ‘wij’ en een ‘zij’. En er zal altijd een ‘zij’ gevonden worden, iemand die zijn kansen niet greep, of iemand die er niet echt bij hoort, er niet echt bij wil horen, en dus uit ons midden gebannen dient te worden.

De sociaal-democratie lijkt zo wel veroordeeld tot een permanente staat van crisis. En zolang het ideologische conflict zelf weggezet wordt als illegitiem, zolang de idolatrie van de meritocratie de rigueur is, zolang de sociaal-democratie er niet in slaagt weer stem te geven aan een verhaal van inclusie, van vooruitgang die gedeeld zal zijn wil het vooruitgang zijn, van vrijheid die gelijkheid veronderstelt, zal die crisis blijven duren, en zullen we met Louis Paul Boon op zoek blijven naar “de waarden die waarlijk tellen, op zoek naar iets dat de neergang van het socialisme tegenhouden kan.”

2 gedachtes over “Een permanente staat van crisis

  1. ‘Meer van dit’ is m’n eerste reactie. En ja, misschien moeten we wat boeken van L.P. Boon verdelen onder ‘socialistische’ verkozenen die vervreemd zijn van de geschiedenis van het werkvolk.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s