Over vrijheid en de idolatrie van gelijke kansen

Het media-offensief van Gwendolyn Rutten vorige week had één voordeel: het zette de veronderstelde tegenstelling tussen vrijheid en gelijkheid op scherp.

Haar these, in enkele woorden samengevat, is dat het streven naar een meer gelijke samenleving vrijheid en vooruitgang in de weg staat. Mensen moeten hun leven zelf kunnen vormgeven, en ze moeten daar ook zelf de vruchten van kunnen plukken, zelfs als dat leidt tot meer ongelijkheid: alleen zo kunnen we er als samenleving op vooruit gaan. Wie in naam van ‘Gelijkheid’ deze dynamiek wil smoren, slachtoffert vrijheid en vooruitgang op het altaar van een leeg en perfide ideaal. Wél zegt Rutten voorstander te zijn van ‘gelijke kansen’: “Eerlijk aan de start, zonder de belofte samen aan te komen.” Wie hard loopt, verdient de eerste prijs; wie er op z’n dooie gemakje achteraan komt sloffen, moet achteraf ook niet komen zeuren. Vrijheid en vooruitgang zijn incompatibel met gelijkheid: het is of het één, of het ander, en de voorzitter van de liberalen kiest, niet verrassend, tegen gelijkheid en voor vrijheid.

De tegenstelling tussen vrijheid en gelijkheid is echter een valse tegenstelling, en de idolatrie van gelijke kansen een vals geloof.

De theorie achter het liberale vrijheidsideaal komt er kort gezegd op neer dat mensen zelf hun leven vorm moeten kunnen geven: de maatschappij -laat staan de overheid- heeft niet te bepalen hoe iemand zijn leven inricht, welke richting hij inslaat, door welke dromen en verlangens hij zich laat leiden. Voor elke mens opent zich een veld aan mogelijkheden; het is aan hem en aan hem alleen om te kiezen en zijn leven te maken. Mogen we dan zeggen dat vrijheid een ‘alles of niets’-kwestie is, en zolang iemand niet gedwongen wordt (door overheid, ouders, buurt…), als het ware met het mes op de keel, om een bepaalde keuze te maken, hij zo vrij is als iemand maar vrij zijn kan? Of is het niet eerder zo dat iemand vrijer is naarmate het veld van mogelijkheden die voor hem openliggen groter wordt? Een gebrek aan reële mogelijkheden, omgekeerd, maakt iemand dan onvrij, of toch op z’n minst minder vrij dan iemand voor wie vele wegen open liggen.

Welke keuzes voor iemand open staan, wordt bepaald door een veelheid aan factoren — biologische, materiële, culturele, sociaal-economische, maatschappelijke, enz. Neem nu de financiële dimensie. Stel dat het iedereen die intelligent genoeg is officieel vrij staat te gaan studeren, maar dat het inschrijvingsgeld aan de universiteit wel enkele tienduizenden euro’s bedraagt, integraal en meteen op te hoesten. Wie niet over die fondsen beschikt, kan het meteen vergeten om naar de universiteit te gaan, ook al verbiedt niemand het hem. Is hij even vrij als iemand die wel over de nodige middelen beschikt om het inschrijvingsgeld te betalen, en dus niet alleen de theoretische maar ook de praktische mogelijkheid heeft om te kiezen voor hogere studies? Ik denk het niet. Eenzelfde redenering geldt voor zaken zo verscheiden als even ‘tijd voor jezelf nemen’, een lange reis maken, thuis blijven om voor een ziek familielid te kunnen zorgen, een huis kopen, of een eigen zaak starten (wie zal de bank het snelst een lening geven: hij die van thuis uit een ruggensteuntje meekrijgt, of hij die met lege handen toekomt? en wie zal het makkelijkst risico’s kunnen nemen: hij die weet dat hij in het slechtste geval op zijn familie zal kunnen terugvallen, of hij die het zich niet kan veroorloven om enkele maanden zonder inkomen te vallen omdat hij nu al niet genoeg heeft om zijn gezin te onderhouden?). — En dan zwijg ik nog over de vrijheid om ‘het eigen leven vorm te geven’ van iemand die dag na dag, week na week, maand na maand, jaar na jaar, moet schrapen om rond te komen, voor wie elke dag een uitputtingsslag is, van zonsopgang tot zonsondergang moet watertrappelen om niet kopje onder te gaan, en die weet, wanneer hij gaat slapen: morgen is weer zo’n dag, en volgend jaar zal het nog steeds zo zijn.

De redenering valt in drie woorden samen te vatten: middelen maken mogelijkheden. Of nog: in een ongelijke samenleving is ook vrijheid ongelijk verdeeld, en wie de lof van de vrijheid zingt, hoort dit te bevechten in plaats van te omarmen. Gelijkheid versmoort vrijheid niet, maar is er intrinsiek mee verweven. En omgekeerd: ongelijkheid stelt afhankelijkheidsrelaties in die haaks staan op vrijheid.

Het volstaat hier niet te verwijzen naar ‘gelijke kansen’, zoals dan al gauw zal gebeuren en ook Rutten doet. Niet alleen bezwijkt die ‘gelijke kansen’-doctrine (die vaker beleden wordt dan effectief nagestreefd) al snel onder de praktische bezwaren, ze is ook principieel bijzonder twijfelachtig.

Ck-obDzUUAAcnHb

Een eerste probleem is dat het effectief realiseren van gelijke kansen niet tegengesteld kan worden aan het zo verfoeide willen realiseren van gelijke uitkomsten, maar dit laatste net veronderstelt. Elk kind groeit op in een gezin, en dat gezin -weze het via nature of via nurture, is -het hoeft geen betoog- levensbepalend. Kinderen werkelijk ‘gelijk aan de startlijn krijgen’ veronderstelt dan ook dat elke gift van ouders aan hun kinderen, of het nu materieel, biologisch, of cultureel is, ongedaan gemaakt hoort te worden. Het veronderstelt kinderen volledig uit de greep van het gezin losweken en onder de hoede van de samenleving plaatsen, de invloeden van gezin en omgeving volledig uitwissen — wat noch mogelijk, noch wenselijk is. Niemand leeft in een vacuüm, zonder bagage, zonder achtergrond of geschiedenis, een onbeschreven blad: de idee dat zoiets als ‘gelijke kansen’ desondanks toch realiseerbaar zou zijn, of zelfs als gerealiseerd, is een misleidende mythe die meer verduistert dan verheldert, en eerder ingezet wordt om bestaande machtsverhoudingen in stand te kunnen houden of zelfs te versterken (‘iedereen krijgt dezelfde kansen, het is aan u om er iets van te maken en de consequenties te dragen van uw keuzes’), dan om tot een meer rechtvaardige samenleving te komen. Wel kunnen we ons bij elke voorgestelde maatregel afvragen of het kansen meer gelijk maakt of net de kansenongelijkheid verscherpt: verhoogt het de kansen voor kinderen van elk milieu om naar de universiteit te gaan? is het een stap vooruit in de strijd tegen structurele discriminatie, of bestendigt het die net?, enz. Vanuit dit standpunt bekeken is het bijvoorbeeld behoorlijk onbehoorlijk om zich in te zetten voor zo laag mogelijke erfenisbelastingen en dus het maximaliseren van financieel voordeel voor wie het geluk heeft gehad in de juiste familie geboren te zijn – zoals net Rutten wel doet.

Het inzetten van de ‘gelijke kansen’-doctrine om bestaande sociale ongelijkheidsrelaties in stand te houden of zelfs te versterken hoeft op zich niet te verwonderen. Het is immers geen theorie die vertrekt van een beeld van de gewenste samenleving als een samenleving van gelijken, maar een theorie die perfect compatibel is met een sterk hiërarchisch georganiseerde samenleving; waar het voor deze doctrine om gaat, is niet het bestaan van zo’n hiërarchie op zich, maar alleen om de manier waarop die hiërarchie tot stand komt. Het enige dat ertoe doet, is dat iedereen in theorie dezelfde kans moet hebben om door te stoten tot ‘de top’ — en dus, omgekeerd, ook om achter te blijven. Meer: door de veronderstelling dat op zich iedereen dezelfde kansen krijgt, dat iedereen ‘gelijk aan de startlijn’ komt, ‘zonder de belofte samen aan te komen’, functioneert deze doctrine net als de ultieme legitimatie van ongelijkheden: iemands positie op de sociale ladder zou dan immers niets meer of minder zijn dan de vertaling van de mate waarin iemand ‘zijn kans’ heeft gegrepen of net heeft laten liggen. Als een aristocratie van geboorte niet meer te verdedigen valt, lijkt tenminste tegen een aristocratie van talent niets in te brengen. Binnen dit discours is er eigenlijk geen plaats voor herverdelende maatregelen die verder gaan dan het belonen van merite: als de juiste achtergrondvoorwaarden gerealiseerd zijn en een gelijk speelveld is gecreëerd (per impossibile), hoort de individuele persoon zelf de volle consequenties te dragen voor de keuzes die hij in zijn leven maakt, hoe zwaar die ook zijn. Wie het zogezegd ‘zelf’ verknalt, kan dan ook geen sociale rechten doen gelden, maar enkel een appèl doen op de compassie van anderen om hem tegen destitutie te beschermen.

Eerder dan een mildere versie te zijn van een ideologie die gelijkheid als richtinggevende waarde neemt, staat het ‘gelijke kansen’-discours er mijlenver vanaf, en sociaal-democraten die dit verhaal van ‘gelijke kansen’ gekoppeld aan ‘individuele verantwoordelijkheid’ overnemen, spelen een bijzonder gevaarlijk spel. Een politiek beleid voeren dat de gevolgen van zogenaamde ‘eigen keuzes’ op individuele mensen afwentelt (‘eigen schuld, dikke bult’), zelfs al schuilt er een collectief falen achter, is immers heel wat makkelijker dan het realiseren van de achtergrondvoorwaarden die noodzakelijk zijn om werkelijk van ‘gelijke kansen’ te kunnen spreken. Door mee te stappen in dit discours riskeren welmenende sociaal-democraten ijverig mee te werken aan het bestendigen of zelfs versterken van de bestaande sociale machtsverhoudingen, die in niets stoelen op gelijke kansen en merite, eerder dan de weg te bereiden naar een meer rechtvaardige en gelijke samenleving.

Als men vasthoudt aan de ‘gelijke kansen’-doctrine, dan hoort men ongelijke uitkomsten die het gevolg zijn van ‘eigen keuzes’ immers niet te bestrijden maar te omarmen; een doctrine die zo nauw verweven is met het herleiden van elke herverdelingsvraag tot een individuele schuldvraag, is geen stap in de richting van een meer gelijke samenleving, maar ondermijnt net het draagvlak ervoor, en zet een onhoudbare druk op het sociale weefsel. Telkens iemand beroep wil doen op zijn sociale rechten, kan en moet men immers de vraag stellen of hij er wel ‘echt’ recht op heeft, of de samenleving zijn vraag om herverdelende compensatie wel hoort te honoreren, of de situatie waarin hij belandde niet eerder het gevolg is van keuzes die hij zelf gemaakt heeft dan van omstandigheden buiten zijn controle om, of hij de kansen die hij zo gul heeft gekregen wel heeft gegrepen — waarmee elk appèl op sociale rechten meteen wordt gedelegitimiseerd, elke vraag om compensatie wordt verdacht gemaakt.

_MG_9572

Maar net zoals in bijna elke situatie wel gewezen kan worden naar de rol van wat iemand heeft gedaan of net heeft nagelaten te doen, zo zit ook toeval, geluk, en niet te controleren omstandigheden overal wel met een voet tussen. Het is hoe dan ook ondoenbaar om precies af te wegen welke factor precies welke rol speelt, waar ‘eigen keuze’ en ‘eigen verantwoordelijkheid’ precies stoppen en waar ‘geluk’ begint, en wat men dus in hoeverre hoort te compenseren. Heeft iemand met fysieke gebreken recht op compensatie? Wat men een lager IQ? In hoeverre kan iemand kiezen hoeveel doorzettingsvermogen hij bezit? Welke verlangens hij heeft? Stel dat iemand rookt en longkanker krijgt: moeten we om zijn recht op tegemoetkoming te bepalen vergelijken met een relevante controlegroep — waarbij een hogeropgeleide vrouw dus minder recht kan doen gelden op compensatie dan een lageropgeleide man? En wat met iemand die geen werk vindt: moet hij, om recht te hebben op een uitkering, bewijzen dat echt geen enkele werkgever hem wil, dat hij blijkbaar echt niet gewenst is op de arbeidsmarkt? En is dat een prijs die we willen betalen? De discussie is oeverloos, byzantijns, onvruchtbaar — een theorie van de sociale rechtvaardigheid schragen op de vraag in hoeverre iemand ‘zijn kans’ gegrepen heeft vernederend en compleet onwerkbaar.

In zijn boek La société des égaux drukt Pierre Rosanvallon het goed uit:

[Une telle théorie] met aussi en place une sorte de machine infernale à produire de la défiance sociale. Elle conduit en effet à exacerber l’attention aux comportements d’autrui et donc à faire de leur appréciation un moteur alimentant à la fois du ressentiment, de la stigmatisation ou de la méfiance. Se creuse sur ce mode une contradiction mortelle entre une théorie de la justice distributive et une éthique de la vie commune, la première se fondant sur ce qui tend à miner la seconde. L’égalité radicale des chances ainsi conçue mène donc dans une impasse. Elle peut inspirer des actions correctrices, mais elle s’avère incapable de fonder une théorie politique de la justice.

Vrijheid en gelijkheid zijn niet incompatibel, zoals Gwendolyn Rutten meent, maar veronderstellen elkaar net. Een vruchtbare theorie van de gelijkheid kan echter niet stoelen op de ‘gelijke kansen’-doctrine die nochtans door alle partijen omarmd lijkt te zijn: die god is een valse god. Het probleem is de te grote focus op de vraag wat een rechtvaardige manier is om de middelen te verdelen — en te weinig op de vraag op welke manier mensen zich tot elkaar horen te verhouden: als gelijken. Het gaat om de vraag of iedereen op een gelijke manier kan deelnemen aan de samenleving, of iedereen zijn plaats kan opnemen in de samenleving, om respect. Een rechtmatige verdeling van middelen is een noodzakelijke voorwaarde om hiertoe te komen, maar ook niet meer dan dat. Het mag ons niet het doel uit het oog doen verliezen: komen tot een samenleving van gelijken. Dààr draait het om.

Een gedachte over “Over vrijheid en de idolatrie van gelijke kansen

  1. Bestaat vrijheid?
    Worden de keuzes die je maakt niet bepaald door je genen en de context (omgeving) kun jij je genen en context vrij kiezen?. Vrije wil is een illusie, vrijheid en gelijke kansen dus ook.
    In je tekst kom je minstens deels tot dezelfde conclusie…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s