Help de jeugdhulp. Maar hoe?

Je kind krijgt koorts, ontwikkelt een nijdige hoest. De huisarts kan je echter niet verder helpen, zo moet hij toegeven: hij weet wel wat nodig is, maar mag maar een bepaald aantal kinderen per jaar behandelen, en zijn quotum is helaas opgebruikt. De koorts loopt hoger op, de hoest verergert; je kind belandt in het ziekenhuis, waar ze versteld staan van de toevloed aan kinderen met zware gezondheidsproblemen.

Je kind valt ongelukkig en breekt zijn been. Je rept je naar de spoeddiensten, maar daar moeten ze je teleurstellen: ze krijgen maar middelen om honderd gebroken benen per jaar te behandelen, en helaas is je kind nummer hondervierenveertig. Zet je naam echter op de wachtlijst: misschien komt er volgend jaar een plekje vrij.

Een onwaarschijnlijk scenario? Voor wie nood heeft aan jeugdhulp helaas realiteit. Niemand weet precies hoeveel kinderen met een beperking of in een moeilijke opvoedingssituatie de stap zetten naar rechtstreeks toegankelijke hulp -de ‘huisdokter’- en daar wegens geld- en personeelsgebrek niet geholpen kunnen worden. Wachtlijsten houdt de overheid niet bij. Een telefoonronde leert echter dat bijv. bij thuisbegeleidingsdiensten voor kinderen met autismespectrumstoornis de wachttijd tot vier jaar kan oplopen – en dat heet dus officieel ‘rechtstreeks toegankelijke hulp’. Verwondert het dat situaties escaleren, dat gezinnen bezwijken onder de druk van onbehandelde zorgnoden?

Bij de niet-rechtstreeks toegankelijke hulp -het ‘ziekenhuis’- worden wel cijfers bijgehouden. Van meer dan 14.000 kinderen en jongeren zegt de overheid: jullie hebben inderdaad nood aan deze meer gespecialiseerde en ingrijpende hulpverlening. En toch, ondanks die erkende nood, wordt meer dan de helft van hen niet verder geholpen: zij belanden voor langere tijd op een wachtlijst. Bijna 800 kinderen die intensieve, ingrijpende hulp nodig hebben wachten gemiddeld zelfs al duizenddriehonderdzesenzestig dagen op hulp. Da’s vier jaar lang rondlopen met een gebroken been of een onbehandelde chronische ziekte, omdat geen enkel ziekenhuis de tijd en de middelen krijgt om u te helpen.

Volgens Bart Eeckhout, gisteren in De Morgen, is meer financiering niet het juiste antwoord, precies omdat zoveel kinderen niet geholpen worden: het budget verdubbelen is niet haalbaar, zo beslist hij. Maar draai het even om: kun je iedereen die zijn been breekt helpen met de helft van het huidige budget? Neen. Ook niet, zoals Eeckhout suggereert, wanneer je iemand met een gebroken been geld geeft om hulp aan te kopen in het ziekenhuis, in plaats van het ziekenhuis te betalen om het gebroken been te zetten. In beide gevallen moet je voldoende middelen vrijmaken, en dat gebeurt voor de jeugdhulp niet.

Het lijkt wel, als we Eeckhout moeten geloven, alsof jeugdhulpvoorzieningen baden in weelde, omdat ze er via de zuilen in zouden slagen alle middelen naar zich toe te trekken om te investeren in ‘dure bakstenen’ in plaats van in de jongeren zelf. De realiteit is anders: de overheid beknibbelt al jaren op hun werking, terwijl vele voorzieningen hemel en aarde bewegen om meer jongeren te kunnen helpen dan waar ze de middelen voor krijgen; sponsoring moet meer en meer de gaten vullen. Bovendien zal elke voorziening die gespecialiseerde hulp aan kinderen aanbiedt, pleiten voor meer investeringen in de minder intensieve en minder ingrijpende rechtstreeks toegankelijke hulp, waarmee je kan vermijden dat situaties escaleren en kinderen onnodig bij hen terechtkomen – al was het maar omdat ze zelf de toestroom van kinderen die altijd intensieve en ingrijpende hulp nodig zullen hebben nu al niet aankunnen. Dat die investeringen niet gebeuren, is niet de schuld van de verzuiling. Het is een keuze van de overheid, een politieke en maatschappelijke keuze: de stem van kwetsbare kinderen klinkt blijkbaar te stil om het vanzelfsprekend te maken dat de middelen de noden volgen.

Dat wil niet zeggen dat meer middelen het enige antwoord zijn. Zo is op twintig jaar tijd het aantal kinderen en jongeren dat in de jeugdhulp terecht komt omwille van een verontrustende opvoedingssituatie zo maar even verdubbeld. Ook dat zet een enorme druk op het systeem, en zolang we de oorzaken van die explosie aan hulpvragen niet weten aan te pakken, komen we nergens. Dat is, helaas, eenvoudiger gezegd dan gedaan, al was het maar omdat er geen eenduidige verklaring is. Individualisering, een lagere maatschappelijke tolerantie voor ‘probleemgedrag’, het groeiend aantal kinderen dat in kansarmoede opgroeit: al deze factoren zouden een rol spelen. Hoe keer je die tendens? Met goedbedoelde imagocampagnes alleen kom je er niet. Een meer effectieve aanpak van gezinsarmoede zou al een begin zijn.

*Een (ingekorte) versie van dit stuk verscheen op 8 juni 2016 in De Morgen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s