Brief aan Sven Gatz

Geachte minister van Cultuur,

Geachte heer Sven Gatz,

U hebt me doen schrikken.

In een interview met Newsmonkey zei u —volkomen onverwacht, zonder enige context die het kan verklaren—:

Sommigen liggen op de bodem van een kanaal met veel schwung — met alle respect voor Steve Stevaert.

Ik hoef u, met alle respect, niet te vertellen dat van zodra iemand een zin inleidt met de frase ‘met alle respect’, er van al te veel respect vaak geen sprake is. Het was immers een smakeloze uitspraak, nodeloos kwetsend. Maar ach, u moest toch iets zeggen, nietwaar, maakt niet uit wat. Of misschien vond u het zelf maar een landerig interview, mocht er best wat meer schwung in zitten. Ophef! Wisten de mensen meteen dat u nog bestond. Of misschien ontbreekt het u gewoon aan empathie, begrijpt u nog steeds niet goed waarom niet iedereen goedkeurend knikte bij het lezen van die uitspraak.

Want terwijl u zich had kunnen excuseren toen u op die uitspraak aangesproken werd, hebt u dat niet alleen niet gedaan (“Wat heb ik dan verkeerd gedaan?”), u bent er zelfs in geslaagd mij nog meer te doen schrikken. U verweerde zich tegen de kritiek door, godbetert, de goden van Charlie aan te roepen:

Want wat u deed, dat was natuurlijk niet zielig natrappen naar een dode, zijn familie, zijn vrienden en kennissen, naar iedereen die van ver of dichtbij geconfronteerd is geweest met een zelfdoding — neen, het was moedig, het was durven zeggen waar het op staat, het was het uitoefenen van uw absolute recht op vrijheid van meningsuiting, waar zovelen, even moedig als u, voorheen voor gestorven zijn. En wie u verweet respectloos te zijn, die was natuurlijk, in tegenstelling tot de moedige minister, géén Charlie (“Oh, waren zij dan voor niets gestorven?”). Al die vijanden van de vrijheid van meningsuiting, die nu het moment gekomen achtten vanonder hun steen te kruipen om het gevecht aan te gaan met de moedige minister, die —zijn naam weze geprezen— durfde ingaan tegen de communis opinio. Durf te denken! Durf u uit te spreken! Durf de gevestigde orde uit te dagen, durf hem op z’n grondvesten te doen daveren door moedig waarheid te zeggen waar onderdrukkende leugen regeert! Durf spugen op iemand die bijna een jaar dood is! — wacht.

Alsof iemand die u aansprak op uw misplaatste uitspraak u het recht wilde ontzeggen u van uw kleinste kant te tonen. Alsof iemand u wilde verbieden uw mening te geven. Alsof iemand u het zwijgen wilde opleggen. Voor zover ik weet heeft niemand gevraagd zulke uitspraken, hoe ongepast ze ook mogen wezen, te verbieden. Uw aanroeping van Charlie was nergens voor nodig, misschien zelfs —opnieuw?— nogal ongepast.

Maar misschien heb ik het altijd verkeerd begrepen, ben ik wel nooit Charlie geweest. Wie weet. U zal waarschijnlijk vinden van niet. Want als “Je suis Charlie” betekent dat men niet meer mag hopen dat mensen met enig respect met elkaar omgaan, dan ben ik maar geen Charlie. Als “Je suis Charlie” betekent dat ongebreideld schoppen en spugen naar wie onder u staat niet alleen moet kunnen, maar zelfs een haast morele plicht is, dan ben ik maar geen Charlie. Als “Je suis Charlie” betekent dat het hele ‘normen en waarden’-verhaal maar een ouderwetse boel is, die zo op de vuilnisbelt mag, of dat die normen en waarden eigenlijk alleen maar gelden voor ‘de ander’, dan ben ik maar geen Charlie.

642x999_61451686

In het diepst van mijn gedachten, in de uithoeken van mijn hart, ben ik een ouwe, conservatieve zak. Niet zo flitsend en vol schwung als u, in uw Zwarte Pietenpak. Ach, ach, de moedige minister. Ook toen, stoer de gemene opinie trotserend om nieuwe vrijheden te bevechten voor de generaties die na ons komen, die u hun eeuwige erkentelijkheid zouden betonen. Steekt vreugdevuren aan!

Hierom draait de hele heisa, natuurlijk. Het gaat er niet om dat iemand uw vrijheid van meningsuiting wil beknotten — het spijt me, dat gevecht zult u niet vechten. Het gaat om regels van wellevendheid. Om normen en waarden, als u wil. U kent die discussie over onze oh zo befaamde normen en waarden, natuurlijk. Ik vond het altijd getuigen van een ontzettende vaagheid, substantieloos geblaat dat onze ongemakkelijkheid met ‘het vreemde’ enig moreel aanzien moest verlenen. (Of is het dan toeval dat het altijd de anderen zijn, die vreemden, die aan ‘onze’ normen en waarden dienen herinnerd te worden, alsof we vrezen dat zij de blanke ziel van onze maatschappij komen bezoedelen?) Ik kon geen grip krijgen op die ‘normen en waarden’-discussie, want wat waren dat ook, die normen en waarden waarmee we zo enthousiast staan te zwaaien en waarop we onze morele superioriteit denken te funderen? Mij was het voordien niet duidelijk, maar u hebt een klein tipje van de sluier gelicht. Ik dacht (vergeeft u mij, ik was nog jong en naïef, ik wist niet beter): wie hier leeft, heeft zich te houden aan de wetten van dit land. Niemand betwist dat; hierom kan het dus niet gaan, wanneer men het heengaan van onze normen en waarden bejammert. En, zo dacht ik verder, wat buiten die wetten valt, daarin zijn wij vrij om te doen en te laten wat we maar willen; daar heeft niemand zich mee in te laten, want dat zou, zoals u zelf ook schreef, “iemands anders zedenmeester” spelen zijn. En dat is fout. (Hoe fout? Wel, het is alvast niet vastgelegd in wetten dat men niet iemands anders zedenmeester mag zijn. Dus iemand dat verwijten, is dat… iemands anders zedenmeester zijn? Tu quoque, geachte minister?)

Maar ik was natuurlijk domweg verkeerd door zo te focussen op dat onderscheid tussen dwingende wetten enerzijds en de absolute vrijheid daarbuiten anderzijds, zoals iedereen met enige wijsheid allang zou hebben opgemerkt.

Onze normen en waarden reguleren ons dagelijkse leven zonder vastgelegd te zijn in wetten allerhande; ze begeleiden ons in onze omgang met elkaar, bekenden en onbekenden, naasten en verre vreemden die we misschien nooit zullen zien. Het gaat om omgangsvormen, zaken die men ‘niet doet’, zelfs al zijn ze niet verboden, andere zaken die men wel hoort te doen, al is het niet wettelijk geboden. Het gaat om regels van wellevendheid die niet wettelijk vastgelegd horen te worden in een zichzelf respecterende maatschappij, maar waar men zich spontaan naar schikt uit respect voor elkaar en voor de samenleving waarin men leeft — of dat hoopt men toch. Vergelijk het met een voetbalmatch (doorgaans niet de plek waar men het eerst het floreren van normen en waarden denkt te kunnen vaststellen): wanneer iemand op de grond blijft liggen, wanneer hij kermt van de pijn zonder dat een fout werd gefloten, dan trap je de bal buiten opdat hij verzorging kan krijgen, en bij de spelhervatting geeft de andere ploeg de bal terug aan de ploeg die de bal buiten speelde. Die regel is nergens vastgelegd, en toch wordt hij —veelal— nageleefd. En wanneer een ploeg zich er niet aan houdt, wanneer een ploeg de bal die teruggespeeld ‘hoort’ te worden bij zich houdt, is hoon hun deel. Overtraden zij dan een verbod? Neen: een scheidsrechter kan een ploeg die zich er niet aan houdt niet bestraffen (ze overtreedt geen enkele in het reglement vastgelegde regel). Ja, want: je doet dat niet. Het hoort niet. Het is fout. Het getuigt van een gebrek aan respect voor de tegenstander en voor het spel.

Onze normen en waarden zijn van die orde: regels die het spel in goede banen leiden door te getuigen van ons wederzijds respect voor elkaar. Niets meer, niets minder. Iemand die zich aan die regels onttrekt, toont een gebrek aan respect voor de ander — alsof de regels die de samenleving vorm geven niet gelden voor hem, alsof hij daar boven staat, er te goed voor is. Iemand aanspreken op deze overtreding betekent niet dat men hem verwijt iets illegaals te doen, en net zomin betekent het dat we per se wensen dat het wettelijk vastgelegd zou worden. Een samenleving waarin de enige geldende regels de wettelijk vastgelegde regels zijn, is ofwel een totalitaire staat, ofwel een onleefbare free for all. Mensen kunnen respect tonen voor elkaar en voor de samenleving waarin zij leven zonder dat dit wettelijk afgedwongen hoort te worden.

Het is dat perspectief dat u volledig onbekend lijkt, meneer de moedige minister. Dat het niet wettelijk verplicht is medemenselijkheid te tonen, dat respect hebben voor elkaar geen legaal gebod is, leest u als een vrijgeleide om te spugen en te schoppen naar wie u niet kan raken. Het staat u inderdaad vrij dat te doen. Maar laten we afspreken dat u zich in het vervolg dan ook verre houdt van elk geblaat over normen en waarden.

Uw toegewijde zedenmeester,

Matthias

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s