Met dichterszwier afstevenen op de ijsschotsen — Donald Niedekker

‘Ik heb me herkend in een poolvosje,’ schrijft Niedekker. ‘Zo’n schobbejak die scharrelend zijn schooiersweg over de toendra gaat met zijn van weemoed huiverende vacht.’

In de zomer van 1596 vaart een zeventienkoppige bemanning onder leiding van Jacob van Heemskerck en Willem Barentsz uit, op zoek naar de noordoostpassage, boven Scandinavië en de uitgestrektheid van Siberië om, naar de schatten van het oosten. De noordelijke kaap van Nova Zembla gerond, strandt het schip in het wassend pakijs. De zeevaarders moeten hopen de donkere poolnacht te overleven in het Behouden Huys, een onderkomen opgetrokken uit het wrakhout van hun schip.

Het kan de kiem zijn van een groots opgezette historische roman, een epos dat mannenmoed bezingt, of een spiegel, waarin we zien hoe onze hoogmoed het godsgericht afroept over ons, een nauwelijks verhulde allegorie voor deze tijden van klimaatangst en ondergangsprofetieën. Of laat het de stof vormen voor een psychologische thriller: zeventien mannen, maandenlang gevangen in een hut waar de wind omheen huilt, en de schrijver die als met scalpel en pincet de diepste plooien van de ziel openvouwt en blootlegt in de botsing van karakters.

Donald Niedekker is, gelukkig, alleen z’n eigen schrijver, en ook in Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost houdt hij zich ver van de gebaande paden. Hij geeft stem aan een anoniem gebleven bemanningslid dat in het diepst van de winter op Nova Zembla overleed en door zijn scheepsmaten in het permanente ijs werd bijgezet. Niedekker maakt hem een dichter, scheep gegaan om een lofzang te schrijven op de verhoopte ontdekking van de Noordoostdoorgang. Vier eeuwen ligt hij in zijn ijsgraf, eeuwen die niet onopgemerkt aan hem zijn voorbijgegaan, en nu de Grote Dooi is ingezet komt zijn tong weer los. Flarden van mythen en restanten van sprookjes, verhalen van het land en uit de wereld, gedroomde herinneringen en herinnerde droombeelden kruipen als kruiend ijs over de dam van zijn bewustzijn, schuiven als schotsen over elkaar, vormen veelkantige, heldere brokken ijs, schitterende scherven weerkaatste wereld.

In Waarachtige beschrijvingen… flonkert ‘een eeuw die zich tot de ontdekking van een in geen bijbelboek vermeld continent moest verhouden’, maar het gaat Niedekker niet om het doen herleven van dit tijdvak, hoezeer hij ook plezier gehad zal hebben in het timmeren en beschilderen van de decors. Het blijft decor, achtergrond voor een dieper reikend drama.

Tegenover de frivole dichter plaats Niedekker de uitgeweken Vlaming Petrus Plancius, die met zijn theorieën over een noordoostelijke doorgang de aanstoot gaf tot de gedoemde tocht. Maar in hoeverre is deze Plancius, de somberende cartograaf en strikte predikant die de wereld wil vangen in lijnen en regels, zo anders dan de rapsodiërende zanger die ‘met dichterszwier afstevent op de ijsschotsen’? Plancius schippert tussen ‘het scheppen van ruimtes met passer en liniaal’ en het in vrije associaties najagen van Gods bedoelingen; de dichter plaatst zijn ‘alexandrijnen in het gelid’ en is eindeloos gefascineerd door ‘een wereld gevangen in een gradennet van parallellen en meridianen.’ In de kaarten die zij tekenen en ontcijferen, in de verhalen die zij horen en vertellen, houden zij ‘het heelal in hun handen’. Het is in deze verhalen dat we de wereld ontmoeten. ‘We leven,’ schrijft Niedekker, ‘in een landschap van dromen.’

De verhalen die we onszelf vertellen scheppen hun eigen realiteit. ‘Een kaart maakt de werkelijkheid die hij afbeeldt’: waar op de kaart een pad getekend staat, zal ook een pad ontstaan; de lege vlek schreeuwt om inkleuring; van verhalen komen nieuwe verhalen. Het gekende doet het ongekende verschijnen, ruimte voor het verhoopte en het verlangen: ‘We hoefden alleen maar naar de horizon te zeilen’. De dichter en de cartograaf-predikant verbeelden die grensoverschrijding, die tocht naar het verhoopte, gedreven door verhalen die hun eigen waarheid vormen. En achter die grens gaapt ‘de leegte, een onmetelijke leegte waarin iedereen op zichzelf is teruggeworpen in het eindeloze poolwit.’ Hier is het Niedekker uiteindelijk om te doen: ‘We hebben begrepen dat deze leegte overal is.’

We leven op het punt waar het verhaal zijn grens ontmoet.

— Dit stuk verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

Submit a comment

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s