De waarheid die we nodig hebben

Ook tachtig jaar na de Republikeinse nederlaag, ook nu de laatste getuigen verdwijnen, woekert de oorlog voort in de Spaanse geesten. Bij Javier Cercas, een grote naam in de hedendaagse Spaanse literatuur, in de vorm van de schimmige gestalte van Manuel Mena, zijn oudoom, de oom van zijn moeder. In haar verhalen verschijnt Manuel Mena als meer dan haar oom: hij was als een broer voor haar, ‘niemand kon aan hem tippen’, hij is haar held, een jongeling die z’n leven opofferde voor hogere idealen — onbezoedeld, heroïsch, stierf hij ‘de mooie dood’, als een moderne Achilles.

Javier Cercas wist zich lang geen blijf met de legende van Manuel Mena, hield zich er ’t liefst ver van, want Manuel Mena, ‘de onbetwiste held van mijn familie’, was fout. Hij vocht, en stierf, voor de franquistische zaak. Recht van de schoolbanken voegde hij zich als vrijwilliger bij de troepen gedirigeerd door Franco, en trok hij ten strijde tegen de Republiek. Een schotwond opgelopen bij de bloedige slag om de Ebro zal hem fataal worden. Hij sterft, amper negentien jaar oud, in een als geïmproviseerd hospitaal ingericht oud huis in het Catalaanse stadje Bot, op zevenhonderd kilometer van Ibahernando, het dorp waar hij en zijn hele familie thuis zijn. Het is 21 september 1938. Bijna drie decennia na Manuel Mena’s dood trekt zijn lievelingsnicht, de moeder van Javier Cercas, met haar man en zoontje weg uit dat dorp, diep in een Spaanse provincie zonder toekomst, naar Catalonië. De emigratie ‘was de belangrijkste gebeurtenis in het leven van mijn moeder,’ zegt haar zoon: ‘zoals velen werd ze oud in de hoop dat ze iedere dag terug kon keren.’ Ze zal echter altijd in het Catalaanse Gerona blijven wonen, ‘zonder ooit het dorp te verlaten waar ze haar koffers had gepakt.’ De legende van Manuel Mena verhuist met haar mee; hij blijft rondwaren in haar herinnering, in de heroïsche verhalen die ze haar zoon vertelt, ‘terwijl dat verleden’, schrijft Cercas, ‘me alleen maar het schaamrood op de wangen joeg.’

Zijn geschiedenis is exemplarisch, niet uitzonderlijk: het is de geschiedenis van zovele Spaanse families. Maar wat moet hij met dat verleden? De prijs die Spanje betaalde voor de transitie naar een democratie, na de dood van Franco, was een collectief publiek vergeten. Het is tekenend dat de moeder van Javier Cercas weliswaar ‘uitentreuren’ het levensverhaal van Manuel Mena vertelt, maar dat het portret van de held van de familie is achtergebleven in het ouderlijke, verlaten huis in Ibahernando, en ook daar niet in de hal hangt, niet in het salon of in de eetkamer, maar weggeborgen in ‘een verlaten rommelhok vol koffers met kleren en rekken met boeken’, in ‘een muurkast vol […] ouwe troep’ — in het duister, aan het oog onttrokken.

Daar, uit die duisternis, diept Javier Cercas het portret op, in een nauwelijks verholen metaforische handeling, om het te verhuizen naar zijn schrijfkamer, in weerwil van zijn voornemen om niet over Manuel Mena te schrijven, om niet ‘de geschiedenis te boek te stellen van het symbool van alle fouten en verantwoordelijkheden, heel de schuld en schaamte en de ellende en de dood en de vernedering en de smeerlapperij en de tranen en de opoffering en de passie en de schande van mijn voorouders.’

Cercas zal, natuurlijk, dat boek wel schrijven, want het schemerduister bergt legenden, en de legende van Manuel Mena is geen legende die hij, zijn erfgenaam, kan torsen. In ware therapeutische traditie moet hij het trauma van zijn familie aan het licht brengen opdat de wonde kan helen, en hij zijn schuld kan aflossen. De koning van het schimmenrijk is zo de geschiedenis geworden van Javier Cercas zelf: de geschiedenis van Manuel Mena, en tegelijk ‘de geschiedenis van hoe en waarom ik ertoe gekomen was het verhaal van Manuel Mena te vertellen, ook al wilde ik het eigenlijk niet vertellen of op me nemen of bekendmaken.’

Het project van Javier Cercas toont sterke overeenkomsten met Stefan Hertmans’ recent verschenen roman De opgang (2020): ook daar woekert de oorlog voort in de geesten, ook daar dekken de betrokkenen de schuld liever toe, verhuld in heroïek en valse idealen, ook daar trekt de schrijver de sporen na van een man die de foute kant koos, een geschiedenis die de geschiedenis van zoveel families in Vlaanderen is zoals Mena’s geschiedenis de geschiedenis is van zoveel families in Spanje. Zowel Cercas als Hertmans pogen zich zo goed en zo kwaad als het kan te documenteren om het levensverhaal van hun ‘held’ te reconstrueren, en beiden verhalen niet alleen de onthulde geschiedenis, maar ook hun zoektocht zelf. Maar waar Hertmans er niet voor terugschrikt de gaten die onvermijdelijk vallen in het verhaal in te vullen met verzinsels — niet uit de lucht gegrepen, desondanks onbeschaamde fictie —, beweert Cercas in zijn geschiedenis van Manuel Mena nooit voorbij de feiten te gaan: ‘Natuurlijk, als ik een romanschrijver was en dit een verzonnen verhaal, zou ik kunnen fantaseren over wat er gebeurde, daar had ik dan het recht toe. [Maar] dit is geen fictie en ik ben geen romanschrijver, dus ik moet me aan de feiten houden.’

We krijgen bij Cercas dus een feitenverslag, geen geromantiseerd relaas. Bij wijlen krijgt De koning van het schimmenrijk zo zelfs een haast documentair, ja, didactisch karakter: ‘Tot slot nog iets over’ zus-en-zo, schrijft Cercas, alsof hij als bij een spreekbeurt een lijstje met noodzakelijke informatie aan het afwerken is. En hoewel hij de bewegingen volgt van een man in de oorlog, een onderofficier die de vijandelijke lijnen bestormt, gevecht levert in bergengtes en door zwaar artilleriegeschut omgeploegde loopgraven verovert, doet Cercas niet alsof we er zelf bij zijn, alsof we samen met de jongeling het oorlogsgeweld het hoofd moeten bieden, want, schrijft hij, ‘voor mij is fantaseren verboden terrein’, en dus veinst hij zich niet voor te stellen wat Manuel Mena zag, wat hij hoorde, wat hij dacht ‘uren voor de aanval, opgerold in zijn nachtelijke schuilplaats onder de blote hemel.’ Wel documenteert hij waar Manuel Mena’s regiment ten strijde trok, en wie er een nauwkeurige kaart bij neemt, kan soms van dag tot dag de wegen van Manuel Mena volgen, in welke vallei hij legerde en welke heuveltop hij onder hevig vuren besloop. (De ambtelijke taal van de militaire archieven waarin Cercas zich heeft begraven om de bewegingen van Manuel Mena te reconstrueren besmet hem soms zelf, bijvoorbeeld waar hij niet gewoon schrijft met een neef van hem gebeld te hebben: hij heeft er, in zijn omslachtige formulering, ‘telefonisch contact mee gehad’.)

Het is belangrijk, voor Javier Cercas, dat we hem op zijn woord geloven wanneer hij verslag uitbrengt van zijn zoektocht naar zijn oudoom, en dus zet hij het documentaire karakter van zijn roman sterk in de verf: als een regisseur brengt hij niet alleen in beeld wat zijn gesprekspartners hem toevertrouwen over Manuel Mena, hij laat de camera ook draaien wanneer het gesprek stokt — niet alleen om het emotionele moment te vangen van een stem die breekt, maar ook wanneer er water wordt bijgeschonken, of wanneer de gastheer wat olijven of andere versnaperingen aanbiedt. Het moet de illusie versterken dat het hier gaat om de onbemiddelde weergave van de werkelijkheid, en dus de waarheid: we zijn er immers zelf bij, kijk maar. Zo maakt hij ons ook deelgenoot van de liefdesperikelen van een vriend met wie hij onderweg is naar Ibahernando: een historie die geen enkele rol speelt in zijn zoektocht naar Manuel Mena, maar het authenticiteitseffect dat Cercas wil creëren met de reproductie van het irrelevante detail, de alledaagsheid, de banaliteit van een verder niet ter zaken doend gesprek — het tegendeel van de plotse, spectaculaire onthulling — moet ons geloof versterken in de waarheid van wat de schrijver blootlegt.

In zekere zin is de inzet van Cercas’ project, zeker voor de schrijver zelf, hoger dan die voor Stefan Hertmans in De opgang. Hertmans is slechts zijdelings betrokken bij de geschiedenis die hij probeert te achterhalen: het toeval dat hij enige tijd heeft gewoond in het huis waar eerder ook Willem Verhulst woonde, de spilfiguur waarrond hij zijn relaas construeert, een man die tijdens de Tweede Wereldoorlog tot over zijn oren betrokken raakte bij de collaboratie en na de oorlog wegzonk in ressentiment en verongelijktheid. Het verhaal dat Willem Verhulst en zijn familie weefden over de oorlog, en hun rol daarin, is, in wezenlijke zin, niet het verhaal van Stefan Hertmans: hij heeft er part noch deel aan, zijn eigen levensverhaal had in niets verschild indien Verhulst en de zijnen hun levensverhaal anders hadden verteld. Dat geeft hem echter ook de vrijheid om hun verhaal naar zijn hand te zetten, en fictie tegenover fictie te plaatsen — een vrijheid die Javier Cercas zich met het verhaal van Manuel Mena niet kan veroorloven. De geschiedenis van Manuel Mena is immers zijn geschiedenis, en de last van dat verleden, de schuld en de verantwoordelijkheid die hij draagt door het kind van zijn ouders te zijn, kan hij niet van zich afschudden door hun verhaal naar goeddunken te verdraaien. Alleen de waarheid, meent hij, kan hem daarbij helpen. Alleen de waarheid kan de mythe van Manuel Mena ontmijnen.

Wie was Manuel Mena? Javier Cercas spreekt met de laatste getuigen van zijn aardse bestaan, struint over de slagvelden van de Spaanse burgeroorlog, maar zijn oudoom blijft, merkt hij gefrustreerd op, een schaduwfiguur, een schemergestalte die maar geen vaste vorm wil aannemen: hij blijft de gevangene van zijn eigen legende, de jongeling die als een Achilles zijn leven had opgeofferd voor de ‘hogere zaak’ en de heldendood was gestorven, en daarom voortleeft in de herinnering van zijn familie. Ontluisterend is Cercas’ bezoek aan een oude buurjongen van Manuel Mena, het speelkameraadje met wie hij nog op het ouderlijke erf had geravot. Javier Cercas wil hem uithoren over Manuel Mena, wat hij zich nog van hem herinnert, of hij wanneer hij verlof van het front had soms sprak over de oorlog waarin hij vocht — maar wat de oude buurman van de familie hem vertelt, is niet het verhaal van Manuel Mena, maar z’n eigen verhaal: hoe, in de begindagen van de oorlog, bij hen thuis werd aangeklopt en hij de deur opende, en medestanders van de opstandelingen zijn vader uit z’n huis haalden en hem buiten het dorp executeerden, en hoe hij en zijn zus ’s nachts het lijk gingen ophalen en in alle stilte en verborgenheid moesten begraven.

Manuel Mena sluit zich pas als vrijwilliger bij de franquistische troepen aan ergens na de moord op de vader van zijn buurjongetje en speelkameraad. Zou de moord zijn geloof in de ‘hogere idealen’ waarvoor hij ging strijden hebben geschokt, of net hebben versterkt? Het is een vraag die Javier Cercas niet stelt, en ook niet zou kunnen beantwoorden. Manuel Mena, de held van de familie, blijft een duister figuur.

Pas later vindt Cercas de waarheid die hij zoekt, en maakt hij ‘een klein wonder’ mee: een plots opgedoken ‘minuscuul brokje herinnering’ dat ‘duizend keer meer waard was dan duizend bewegende beelden’ en ‘een evocatieve kracht had die duizend keer groter was’; ‘en toen pas’, zegt Cercas, ‘had ik het gevoel dat Manuel Mena voor mij niet langer een verre, vage gestalte was, […] maar een man van vlees en bloed, een gewone jongen’ — iemand waar hij vrede mee kan hebben. Het is zijn oom, een oude man, een klein kind nog toen Manuel Mena nog leefde, die Javier Cercas de herinnering schenkt waarmee hij zijn waarheid tegenover de waarheid van de legende kan plaatsen. Want zijn oom herinnert zich dat Manuel Mena de oorlog hartsgrondig beu was, en alleen maar vocht omdat als hij thuis zou blijven, zijn broer — die anders dan hij vrouw en kinderen had — zou moeten gaan vechten, en sterven. In de herinnering van zijn oom verschijnt Manuel Mena aan Javier Cercas als ‘een soldaat verdwaald in een oorlog die hem vreemd was, die niet meer wist waar hij voor vocht’, en hij voegt eraan toen: ‘en toen zag ik hem.’

Manuel Mena was geen Achilles, die heroïsch koos voor ‘de mooie dood’ in naam van hogere idealen. Of beter, Manuel Mena was niet de Achilles van de Ilias, de moedige krijger, maar de dode Achilles zoals die verschijnt in de Odyssee: koning van het schimmenrijk, zeker, maar met bittere spijt om het leven dat hij vergooid heeft. Beter is het om als Odysseus te kiezen voor vrouw en haard, en oud en grijs te worden, dan de heldendood te sterven. Het is de waarheid van die Manuel Mena, de waarheid die uit beeld verdwijnt in de legende van Manuel Mena, die Javier Cercas met zijn roman De koning van het schimmenrijk wil herstellen. Het is een waarheid die het gewicht van het verleden draaglijk maakt voor Javier Cercas, en hem in staat stelt ‘de geschiedenis van Manuel Mena te schrijven en aanvaarden.’

Het verhaal van zijn oom, ‘dat minuscule brokje herinnering’, licht de legende uit haar hengsels, en maakt zo een andere geschiedenis mogelijk. Wat betekent het dan dat ook deze herinnering slechts een vertelsel is; een anekdote die ook de oom slechts van horen zeggen kent, en hij niet meer weet wie het hem verteld heeft, of wanneer? We klampen ons aan het minste vast om in onze waarheid te kunnen leven.

— Dit stuk verscheen eerder op De Reactor.

Submit a comment

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s