“Sinds enkele dagen draait nu ook het Belfort zijn kop weg als ik kom aangelopen.”

De laatste roman van Koenraad Goudeseune die bij leven verscheen, is het weemoedige relaas van een man achtergebleven in een lege wereld, een passende outro van een schrijverscarrière waarin hij voortdurend worstelde met “zijn al te luide eenzaamheid.”

Zo ook Fabrice Mundo, een vroege vijftiger, sinds jaar en dag werkloos, die te graag drinkt en het internet afschuimt op zoek naar vrouwen voor een snelle date. Hij is op weg naar Oostende, naar zo’n afspraakje, wanneer hij “plots helemaal alleen op de wereld is.” Of misschien niet: hij heeft zich al laveloos gedronken, wachtend op een vrouw die hij niet meer verwacht, en daar verschijnt zij dan toch, weliswaar gruwend van dat “bezopen wrak”, toch blij nog een levend wezen te treffen. Het is het begin van een onwaarschijnlijke road trip die hen naar de Noord-Franse kuststreek zal voeren, en van wat een ontzettend klef verhaaltje zou kunnen zijn: “wij hebben niks tegen liefdesverhalen, begrijp ons niet verkeerd, maar alles over de liefde is al eens gezegd, stukgekauwd, we trekken terwijl we lezen onze schouders op en zeggen Zal wel, of we zeggen En dan?”

Aan het woord is een Grieks koor van lezers dat voortdurend het verhaal onderbreekt en becommentarieert — en zich bij voorbaat verlustigt op het mislukken van de schrijver, die zelf ook weer tussenbeide komt, om de spot te drijven met de romantechnieken die hij zo gretig hanteert in het spinnen van zijn verhaal: “rode draad en een hoop decor, meer is er thans niet nodig om voor een rasverteller door te gaan.” Is het dus ook om de draak te steken met die “drang naar geloofwaardigheid die de roman in een wurggreep houdt, schrijvers niet langer romancier, maar leverancier van televisievoer” maakt, dat hij geen zier geeft om de weeffoutjes in het verhaal van Fabrice en Charlotte?

Een vaardig timmeraar van decor is Goudeseune immers wel: verfilmen hoeft niet, want zo beeldend als hij het doet, kan geen camera het. Hij maakt ook niet de fout louter op zoek te gaan naar het fraaie beeld. Woordkeuze en stijl zijn nimmer decoratie, kunstig behang waarmee de schrijver de ijverig in elkaar getimmerde wanden van het decor opfleurt — wanden die hij net zo goed in kraakhelder wit had kunnen sauzen, zonder dat het verhaal zelf plots een heel ander karakter krijgt. Het gekozen beeld moet niet enkel fraai zijn, het moet passen. “De wind naait kanten kraagjes aan de golven,” schrijft Goudeseune. “Een bos leunt tegen de horizont als een kussen van taft tegen een naakte vrouwendij,” een tuin kent “verborgen hoekjes waar de zon in de namiddag een luipaardvel van licht op legt.” Kant, kussens van taft, een luipaardvel, naakte vrouwendijen: Goudeseune schildert het open Noord-Franse kustlandschap met z’n vrije hemel en krijsende meeuwen in de kleuren van een Parijs’ boudoir uit het decadente fin-de-siècle, en zet zo alles in gereedheid voor de finale: een dionysisch inferno van drank en vuur dat het dorp waar zij hun toevlucht hebben genomen in een door God en mens verlaten wereld in de as legt. Charlotte sterft onder het puin van een gebouw dat ze zelf in brand gestoken heeft. Het is het sein voor Fabrice Mundo om weer koers naar huis te zetten, naar de stad waar hij, ondanks de leegte om hem heen, “thuis is, of in ieder geval zo thuis mogelijk”: Gent.

De leegte die Koenraad Goudeseune om zich heen ontwaarde in de stad die hij zijn thuis noemde, en in de literaire wereld, was een terugkerende lamentatie in zijn werk: “neerzinken in mijn zetel en weten dat de bel niet zal rinkelen en dat dit opnieuw een dag zal zijn waarop ik niemand heb gezien, niemand heb gesproken en voor de rest geen klap zal hebben uitgevoerd.” “Onder dichters heb ik nauwelijks vrienden,” beweerde hij. Hij posteerde zich bezijden het literaire veld, omdat hij er niet thuishoorde, of omdat hij er niet wilde thuishoren; ten langen leste omarmde hij dat isolement zelf, maar niet zonder “rancune, tekortgedaanheid, blinde, wijsheidsloze woede”: een frase die hij in één van zijn brievenboeken gebruikt, en haast woordelijk weer terugkeert in De nuttige last van tragiek — een procédé van wederzijdse bevruchting dat hij voortdurend hanteerde.

Met het “postmoderne gekukel” in de hedendaagse literatuur liep hij niet hoog op: “alleen maar moeilijk geklep,” vond hij: “Van geëxperimenteer in de poëzie / heb ik nooit het waarom begrepen.” Een gedicht mocht “alleen maar ontroeren. Dat is al moeilijk genoeg.” Bovenal echter hechtte hij aan moed: “Ik vind dat een gedicht naast mooi ook moedig moet zijn, en moed trekt zich van de in zwang zijnde esthetica geen zak aan.” Hij schrok er niet voor terug dat oordeel te verkondigen aan wie het maar horen wilde, en ook aan wie dat niet wilde: “Ik geloof dat ik (…) mensen tegen het zere been heb geschopt en op lange tenen ben gaan staan en sinds enkele dagen draait nu ook het Belfort zijn kop weg als ik kom aangelopen.”

Tegelijk was hij ook erg genereus in z’n werk. Soms verlamd van angst, kon hij ook aan een razend tempo schrijven. De laatste maanden deelde hij haast elke dag één, soms meerdere gedichten met de wereld. “Laat het een miskleun van jewelste zijn, maar ik heb het wel allemaal met een zo groot mogelijk hart geschreven.”

Koenraad Goudeseune overleed op 9 december. Hij werd 55 jaar.

— Dit stuk verscheen op 19 december 2020 in De Standaard der Letteren.

Submit a comment

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s